M. Bots. Beknopte geschiedenis van de Liberale Partij - Hoofdstuk 1
1. De Voorgeschiedenis (1780-1830)
De politieke groepsvorming in België neemt een aanvang met de uiteenlopende reacties op het beleid van Jozef II. Hoewel diens talrijke maatregelen, waardoor een einde kwam aan de bevoorrechte positie van het katholicisme als staatsgodsdienst en een begin werd gemaakt met de laïcisering van de maatschappij, niet waren ingegeven door een principiële antigodsdienstigheid, lokten zij toch uiteraard het felle verzet uit van het grootste deel van de clerus en zijn aanhang. Deze groep kantte zich evenzeer tegen de hervormingen met een louter politiek karakter, die een einde stelden aan het ancien régime.
Maar de keizer telde in onze gewesten ook een aantal aanhangers en zelfs fervente verdedigers van zijn kerkpolitiek. Daartoe behoorde niet enkel een anti-ultramontaanse, door jansenistische en/of gallicaanse ideeën aangetaste fractie van de katholieke opinie, maar ook een gedeelte van de burgerij dat duidelijk was beïnvloed door de geschriften van de Franse "filosofen", die een "rationeler" maatschappijordening voorstonden en wier uitgesproken antiklerikalisme zowel sociale als ideologische wortels had. Vooral de in handel en nijverheid actieve leden van de burgerij konden Jozef II in zijn hervormingsbeleid een eind volgen, want zij voelden in hun zaken de hinder van de verouderde regulering op economisch gebied. Zij hebben een tijdlang gehoopt dat de vorst zelf de modernisering van de economische instellingen in de hand zou werken.
Een van de diepste breuklijnen in de Belgische politiek, de tegenstelling tussen klerikalen en antiklerikalen - die na 1830 gedurende driekwarteeuw zal samenvallen met die tussen katholieken en liberalen - gaat dus verder in het verleden terug dan het ontstaan van de Belgische Staat. Dit geldt bijna evenzeer voor een andere tegenstelling, namelijk die tussen conservatieven en progressieven, die in embryo terug te vinden is in de twee opposities tegen het beleid van Jozef II, de Statisten en de Vonckisten. Terwijl de traditionalistische Statisten in hun verzet tegen Jozef II het herstel van de vroegere toestand op het oog hadden, streefden de meer democratisch gezinde Vonckisten naar een hervorming van het staatsbestel in de zin van een soort burgerlijk parlementarisme.
|
Liberale spotprent van kort na de Belgische onafhankelijkheid: de geestelijkheid legt de vrijheden van de Belgische grondwet (gesymboliseerd door een leeuw), die een van de meest liberale was van zijn tijd, aan banden. De tegenstelling tussen klerikalen en antiklerikalen, die vanaf 1830 decennialang zou samenvallen met de tegenstelling tussen katholieken en liberalen, was een van de fundamentele breuklijnen in de Belgische politiek. De oorsprong van deze tegenstelling reikt echter verder terug dan 1830. (Universiteit Gent, Centrale Bibliotheek).
|
De twee tegenstellingen, klerikaal-antiklerikaal en Statist-Vonckist, vielen weliswaar niet volledig met elkaar samen, maar overlappen mekaar toch voor een stuk; de antiklerikale linkervleugel van het Vonckisme bestond uit aanhangers van de ideeën van de Franse Revolutie die als voorlopers van de latere liberalen te beschouwen zijn. Zoals bekend is de Brabantse Omwenteling (1789) in hoofdzaak hun werk geweest, doch zijn het de Statisten die er de vruchten van hebben geplukt. Bij de inrichting van de kortstondige Belgische Republiek (januari - december 1790) werden de Vonckisten volledig geweerd en grotendeels naar Frankrijk verbannen.
Tijdens de Oostenrijkse overheersing valt voorts nog het ontstaan te situeren van de eerste vrijmetselaarsloges in ons land. Hoewel zij wellicht, meer dan enig ander milieu, toegankelijk waren voor het gedachtegoed van de Verlichting, vertoonden zij in de 18e eeuw toch nog volstrekt niet het karakter dat ze later zullen verwerven; het waren grotendeels gezelligheids- en liefdadigheidsverenigingen waar ook tal van gelovigen, ja zelfs geestelijken, deel van uitmaakten en dit ondanks de veroordelingen van de Maçonnerie door de pausen Clemens XII (1738) en Benedictus XIV (1751).
Na de Franse verovering en de inlijving van onze gewesten bij Frankrijk is een gedeelte van de uitgeweken Vonckisten naar ons land teruggekeerd. Zij zouden er in de beginperiode van de Franse overheersing, die o.m. gekarakteriseerd was door een scherpe kerkvervolging, een zekere politieke rol spelen als "collaborateurs" van het Franse bewind. Na de staatsgreep van Napoleon atrofieerde echter het politieke leven om uiteindelijk zo goed als volledig stil te vallen. Toch heeft ook de Franse overheersing een blijvende invloed uitgeoefend op de latere politieke groepsvorming in ons land.
Het Franse regime heeft definitief de moderne, geseculariseerde Staat gevestigd, die een aantal taken op zich heeft genomen die voorheen uitsluitend door de Kerk werden behartigd. Daartoe behoorde o.m. het onderwijs. Van de aanvang van de Franse overheersing af werden, vooral op het secundaire niveau, staatsscholen opgericht die naar de geest aansloten bij de revolutionaire ideologie, en waar een toekomstige sociale elite haar vorming heeft genoten; een gedeelte ervan zal zich blijvend laten inspireren door de beginselen waarmee ze tijdens hun schoolopleiding hadden kennisgemaakt. De beginnende industrialisatie gaf voorts het aanschijn aan een gegoede bourgeoisie die, naarmate zij in aantal toenam, steeds luider haar aandeel zou opeisen in de politieke macht; dit kon zij slechts verwerven en behouden ten nadele van de standen die tijdens het ancien régime het openbaar leven hadden beheerst: adel en geestelijkheid. Ten slotte waren er de kopers van de kerkelijke goederen die er eveneens alle belang bij hadden dat de macht die de Kerk in het ancien régime had bezeten niet meer zou worden hersteld. Al deze elementen samen hadden een geestelijke en sociologische basis geschapen waardoor de numeriek nog zwakke groep van Vonckisten kon uitgroeien tot een betekenisvolle belangengemeenschap die in het liberalisme haar politieke ideologie zou vinden. Wat de clerus betreft, deze was ingevolge de kerkvervolgingen onder het Franse bewind overwegend contrarevolutionair, antigallicaans en ultramontaans geworden. Althans een gedeelte ervan droomde van een herstel van de vroegere kerkelijke prerogatieven.
Het was deze laatste fractie, aangevoerd door de Gentse bisschop de Broglie, die na het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden, van de aanvang af in botsing zou komen met Willem I en die hem het leven zuur zou maken. Tussen Willem I en de Rooms-Katholieke Kerk zou van 1815 tot 1830 een latente spanning blijven bestaan. Naast andere oorzaken vormde vooral het onderwijsbeleid van de vorst, dat erop was gericht een feitelijk staatsmonopolie op dit gebied tot stand te brengen, voor de katholieken een steen des aanstoots.
|
Lang voor er sprake was van een Liberale Partij in België werden liberale ideeën verspreid in publicaties zoals deze 'Almanach libéral' uit 1819. (Liberaal Archief Gent).
|
Aanvankelijk hebben de liberalen - het gebruik van de term "liberaal" in de politieke betekenis van het woord dateert in onze gewesten uit de Hollandse tijd - de politiek van de koning gesteund. Zij zullen echter om andere redenen met hem in conflict geraken: het autocratisch karakter van zijn bewind, zijn halsstarrige weigering om tegemoet te komen aan de aspiraties van de opkomende bourgeoisie in wier bewustzijn de politieke idealen van de Verlichting en de Franse Revolutie wortel hadden geschoten, de onhandige persprocessen die tegen een aantal Belgische, vooral liberale journalisten werden gevoerd, doen een steeds verder schrijdende verwijdering ontstaan tussen de vorst en de liberale opinie.
Toen de twee opposities van katholieken en liberalen in 1828 elkaar vonden in het zgn. "Monsterverbond", waren de dagen van het Koninkrijk der Nederlanden geteld. De totstandkoming van dit Verbond werd vergemakkelijkt door het opkomen van een jonge generatie van katholieke intellectuelen die het ancien régime met zijn stelsel van een staatskerk of een geprivilegieerde kerk niet meer hadden gekend. Dat anderzijds een aantal liberalen nu tot samenwerking met de katholieken bereid gevonden werd, moet o.m. gezien worden in het licht van het feit dat de Kerk na de laïciserende politiek van zowel het Oostenrijks als het Frans en het Hollands Bewind een aanzienlijk deel van haar maatschappelijke macht had moeten prijsgeven, waardoor ze minder werd gevreesd.
Ten aanzien van de unie der zuidelijke opposities reageerde Willem I, die tot dan toe beide tegen mekaar had kunnen uitspelen, eerder weifelend en verward. De laattijdige toegevingen die hij nog deed aan een aantal van haar eisen mochten niet meer baten. De revolutiedagen van september 1830 stelden een einde aan het Hollands Bewind. Een nieuwe Staat, België, was geboren.