M. Bots. Beknopte geschiedenis van de Liberale Partij - Hoofdstuk 4



4. Liberaal Overwicht (1848 - 1884)

Van 1848 tot 1884 heeft het liberalisme het Belgische politieke leven gedomineerd. Dit geldt ook voor de jaren toen er gemengde (1855-1857) en katholieke (1870-1878) regeringen aan de macht waren. Fundamenteel bestond er immers geen grondig meningsverschil tussen katholieken en liberalen op het stuk van het te voeren sociaal-economisch beleid. Beiden kleefden het economisch liberalisme aan, dat berustte op het vertrouwen in de regulerende werking van het marktmechanisme dat zoveel mogelijk aan zichzelf diende te worden overgelaten; dankzij de automatische reactie van de markt op de fluctuaties in vraag en aanbod zou door de werking van de concurrentie telkens opnieuw het evenwicht worden hersteld. De concurrentie diende dus zoveel mogelijk onbelemmerd door overheidsingrijpen te kunnen spelen. Voor zover de Staat een rol te vervullen had in het economisch leven beperkte zich die tot het scheppen van een gunstig investeringsklimaat, de uitbouw van een degelijke wegeninfrastructuur, het afsluiten van voordelige handelsakkoorden met het buitenland. Tussenkomst van de Staat in de sociale sector, zoals door het wettelijk vastleggen van minimumlonen of het ingrijpen in de arbeidsvoorwaarden, werd beschouwd als concurrentievervalsend en werd derhalve afgewezen.

Op dit kaartje met de politieke machtsverhouding in BelgiŽ in 1850-51 komt het ruime overwicht van de liberalen in de Kamer na de verkiezingsoverwinning van 1848 duidelijk naar voren. (Liberaal Archief Gent).

De rol van de Staat diende dus minimaal te worden gehouden door hem enkel die bevoegdheden te verlenen die onontbeerlijk zijn voor de handhaving van de openbare orde, het recht, de verdediging van het land en zijn internationale belangen (de zogenaamde nachtwakerstaat).

Zo althans luidde de theorie. In tijden van economische groei werd zij vrij onverkort toegepast. Tijdens economische recessies echter - en er zijn er in de 19e eeuw verschillende geweest - was de toepassing van die beginselen minder dogmatisch. Er zijn tijdens de liberale regeerperiode voorbeelden aan te halen zowel van (op zijn minst onrechtstreeks) overheidsingrijpen in het economisch leven (oprichting van de ASLK en het Gemeentekrediet, van de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen, terugkoop van de spoorwegconcessies, monopolisering van telegraaf en telefoon) als uiteraard ook van dereguleringsmaatregelen (afschaffing van de stedelijke octrooien, opheffing van het toezicht op de beurs en de makelaars, opheffing van de wettelijke maximumrentevoet, en vooral de vrije oprichting van naamloze vennootschappen).

In ieder geval werd het laisser-faireprincipe op veel orthodoxer en consequenter wijze toegepast op sociaal dan op economisch gebied. Het sociaal probleem diende op individualistische basis te worden aangepakt door het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid van eenieder; de oplossing van het armoedevraagstuk werd gezocht in het propageren van de zelfhulpgedachte en het bevorderen van het spaarwezen. Dat hiermee werd voorbijgezien aan de sociale werkelijkheid hoeft wel geen betoog. Men bedenke nochtans dat die houding veeleer was ingegeven door onbegrip dan door bewuste onwil vanwege de burgerij.

Toch is het onzes inziens onbillijk en historisch onjuist om daarom het gehele 19e-eeuwse liberalisme af te doen als niets anders dan de ideologie van de bezittende klasse. Het liberalisme was voor zijn aanhangers niet enkel een politieke en sociaal-economische leer; het was in zekere zin ook een cultuurideaal, dat mťťr was dan de ideologische bovenbouw van hun klassenbelangen en -privilegies. Zo is het bijvoorbeeld toch merkwaardig hoe de meest consequente Belgische theoreticus van het economisch liberalisme en van een "minimal state" avant la lettre, Gustave de Molinari, tevens scherp alle vormen van ongelijkheid aanklaagde en bijvoorbeeld opkwam voor de afschaffing van de kinderarbeid en van de conscriptie en voor de invoering van de leerplicht.

Waarin bestond dit liberale cultuurideaal? Zoals het liberalisme in de economische sfeer ernaar streefde alle belemmeringen op te heffen die een ongehinderde ontplooiing van het individu op materieel gebied in de weg stonden, zo wilde het evenzeer op geestelijk gebied maximale ontplooiingskansen scheppen voor de mens door hem te bevrijden van de voogdij van externe instanties als Staat en dogma. Daar de liberalen ervan overtuigd waren dat de grondwettelijk vastgelegde vrijheden hiertoe de politieke voorwaarden in het leven hadden geroepen, zagen zij de geestelijke vrijheid veel minder bedreigd door de toen overigens nog relatief zwakke Staat dan door de Kerk.

Dat de liberalen tijdens de tweede helft van de 19e eeuw de verwezenlijking van hun cultuurideaal in de eerste plaats hebben gezien als een strijd tegen elke vorm van kerkelijke bevoogding, heeft niet alleen ideologische maar ook historische gronden. Zowel in het katholieke als in het liberale milieu deed tussen 1850 en 1860 een nieuwe generatie haar intrede in het politieke leven. Aan katholieke zijde won de ultramontaanse vleugel, die de liberale Staat principieel afwees en enkel heil zag in het integraal herstel van de christelijke samenleving, sterk aan invloed. De pauselijke encycliek Quanta Cura (1864) met de daaraan gehechte beruchte Syllabus errorum, waarin alle moderne vrijheden scherp werden veroordeeld, leek van het ultramontanisme de officiŽle leer van de Kerk te maken.

Omstreeks dezelfde tijd komt ook een nieuwe generatie van liberalen op, die zich veel scherper tegen Kerk en religie zal afzetten dan de vorige. Zowel in de Vrijmetselarij als aan de Universitť Libre de Bruxelles als in de Liberale Partij begint meer en meer het principe van het "Vrij Onderzoek" opgeld te doen, en wordt er een interpretatie aan gegeven waardoor dit onverenigbaar wordt geacht met de geopenbaarde godsdienst en met het katholieke dogmatisme in het bijzonder. Het antiklerikalisme wordt met de dag scherper en evolueert bij sommigen naar een strijdbaar antikatholicisme en naar vrijdenkerij. De totale laÔcisering van de maatschappij wordt nu meer en meer het uitgesproken doel van de liberale politiek.

Nu is het evident duidelijk dat de doctrinairen die toentertijd de Liberale Partij beheersten, met het oog op het verwezenlijken van dit doel niet aarzelden beroep te doen op de macht van de Staat, op staatsinterventie dus. Zij konden eigenlijk moeilijk anders: de ervaring met het unionisme had hen geleerd dat het vrije spel der maatschappelijke krachten, waarop zij al hun hoop hadden gesteld, in een zo overwegend katholiek land als BelgiŽ toen nog was, onvermijdelijk leidde tot een verstikkend overwicht van het katholieke organisatiewezen. Daar konden zij weinig anders tegenover stellen dan de macht te gebruiken waarover zij beschikten, die van de Staat. In de grote ideologische discussies waar de 19e-eeuwse parlementsverslagen vol van staan, wordt dan ook door de katholieken aan de liberalen steevast hun etatisme verweten. Het terrein waarop dit het duidelijkst het geval is, is uiteraard het onderwijs. Maar ook maatregelen die op het eerste gezicht op een zuiver economisch vlak lagen, hadden soms (naast electorale) ook ideologische achtergronden. Zo bijvoorbeeld het voorstel van Frère-Orban tot de oprichting van een Caisse de Crédit Foncier (1850) die langlopend krediet zou verschaffen aan de landbouwers. De regering kwam er openlijk voor uit dat zij hiermee ook de bedoeling had meer landbouwers van afhankelijke pachters tot zelfstandige en dus vrije boeren te maken. Het voorstel werd dan ook fel bestreden door de katholieke oppositie, die Frère-Orban zelfs voor communist versleet.

Zoals gezegd, werd het ideologisch conflict echter vooral uitgevochten op het terrein van het onderwijs. De eerste liberale regering-Charles Rogier (1847-1852) wendde een poging aan om de beginselen die door het Congres van 1846 waren geproclameerd, te verwezenlijken op het stuk van het middelbaar onderwijs. Door de wet van 1 juni 1850 werden 10 Koninklijke Athenea en 50 Rijksmiddelbare Scholen opgericht. De uitvoering van deze wet werd echter door de hogere geestelijkheid geboycot. Hieruit vloeide een jarenlang durend conflict voort, dat in 1854 uitliep op een compromis, de zogenaamde Conventie van Antwerpen. Zonder dat iets aan de wet werd gewijzigd, kreeg de clerus via administratieve weg genoegdoening inzake zijn belangrijkste eisen. De onverzettelijkheid van de hogere geestelijkheid in deze aangelegenheid heeft niet weinig bijgedragen tot een verscherping van het antiklerikalisme der liberalen, en de Conventie van Antwerpen zou nog jarenlang aanleiding geven tot eindeloze controversen.

Menu van het banket n.a.v. de liberale overwinning in de parlementsverkiezingen van 11 juni 1878 (Liberaal Archief Gent).

In 1855 zou, tijdens de laatste unionistische regering-Pieter de Decker (1855-1857), door de discussies over de zaak Laurent-Brasseur - twee Gentse professoren die tijdens hun colleges opvattingen hadden verkondigd die in strijd waren met de katholieke orthodoxie - het probleem van de ideologische signatuur van het rijksuniversitair onderwijs in alle scherpte gesteld worden en zowel in als buiten het parlement zouden de twee partijen grimmig tegenover mekaar staan. Dit was eveneens het geval naar aanleiding van het wetsontwerp op de liefdadige instellingen dat de Decker in 1857 in de Kamer neerlegde. De liberalen zagen hierin een poging om via de armenzorg de maatschappelijke greep van de Kerk te vergroten en vreesden dat deze wet de kloosters aanzienlijk zou verrijken. Tegen wat zij derhalve schamper de "kloosterwet" noemden, mobiliseerden zij de straat en de Decker werd tot ontslag gedwongen, hetgeen meteen het definitieve einde betekende van unionistische experimenten waarnaar nog altijd de voorkeur van de koning uitging.

Meer en meer ging BelgiŽ nu een woeste partijstrijd tegemoet, waarbij de tegenstelling klerikaal-antiklerikaal allesoverheersend werd. Onder de liberale regeringen-Rogier II (1857-1867) en Frère-Orban (1868-1870) spitste de partijstrijd zich toe op enkele problemen die gedurende ettelijke jaren het politieke klimaat van het land werkelijk vergiftigden: het probleem van de secularisatie van de begraafplaatsen en de strijd rondom het zogenaamde tijdelijke van de erediensten. Ook een liberale wet op de studiebeurzen deed de politieke discussies hoog oplaaien. Tijdens de acht jaar katholiek bewind (1870-1878) nam de katholiek-liberale strijd nog in felheid toe. De liberalen, die hun parlementaire meerderheid hadden verloren, aarzelden zelfs niet om straatgeweld (het uiteenknuppelen van processies bijvoorbeeld) aan te wenden en rellen uit te lokken teneinde de katholieke regering te intimideren en tot een eerder defensieve houding te dwingen.

Het hoogtepunt van de clerico-liberale strijd zou echter komen tijdens de liberale regering-Walthère Frère-Orban (1878-1884) met de beruchte schoolstrijd die het gevolg was van de goedkeuring van een nieuwe wet op het lager onderwijs. Met die nieuwe wet wilden de liberalen consequent hun laïciseringsprogramma toepassen op het stuk van het lager onderwijs, dat zij volledig aan de invloed van de clerus wilden onttrekken. Zij hadden echter de heftigheid van het katholiek verzet verkeerd ingeschat. Overal werden tegen de gemeentescholen katholieke scholen uit de grond gestampt en werd een gevecht op leven en dood gevoerd zowel voor de leerlingen als voor het onderwijzend personeel. Daarbij werd vrijwel geen middel te laag geacht en met een vaak weerzinwekkend fanatisme werd de strijd, die generaties later nog onuitwisbare sporen had nagelaten, uitgedragen tot in de verste uithoeken van ons land, dat soms aan de rand van een burgeroorlog scheen te staan.

Liberale spotprent uit 1878 waarop een geestelijke moet toezien hoe de officiŽle school door de nieuwe onderwijswet succes kent. De nieuwe wet van 1879 was een herziening van die van 1842 en paste het principe van de scheiding van Kerk en Staat consequent toe op het lager onderwijs. (La Bombe, 26 oktober 1878, Liberaal Archief Gent).

Uiteindelijk hebben de liberalen deze strijd over gans de lijn verloren. Terwijl enerzijds een groot aantal gemeentescholen leegliep of nauwelijks nog enkele leerlingen telde, werd aan de andere kant een katholiek onderwijsnet uitgebouwd dat het openbare net overvleugelde. Bovendien heeft de schoolstrijd in sterke mate de eenheid van het katholieke kamp bewerkstelligd. In 1884 leden de liberalen ingevolge de schoolstrijd een zware verkiezingsnederlaag die hen voor meer dan 30 jaar van de macht zou verwijderd houden.

 

Inhoudstafel - Hoofdstuk 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9