M. Bots. Beknopte geschiedenis van de Liberale Partij - Hoofdstuk 5



5. In de oppositie (1884-1914)

De meerderheid die zij in 1884 behaalden, zouden de katholieken onafgebroken blijven behouden tot aan de Eerste Wereldoorlog. Tijdens die periode deden zich ingrijpende wijzigingen voor in het sociaal-economische en het politieke landschap. Op economisch gebied waren de jaren 1885-1914 globaal gezien gekarakteriseerd door een explosieve industriŽle groei. Deze ging gepaard met een zeer geleidelijke lotsverbetering van de arbeidersklasse, wier strijdbaarheid hierdoor werd aangescherpt. Hťt politieke feit van deze periode is dan ook de opkomst en de doorbraak van een arbeiderspartij, die de invoering van het algemeen stemrecht als een van de belangrijkste eisen in haar programma had ingeschreven. Dit zou er komen in verschillende stadia: in 1893 werd het algemeen meervoudig stemrecht ingevoerd, in 1900 het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging, na de Eerste Wereldoorlog pas het zuiver algemeen stemrecht voor mannen.

De uitbreiding van het stemrecht in 1893 bracht echter onmiddellijk een grondige ommekeer in de politieke verhoudingen teweeg. De Liberale Partij, die in de voorafgaande periode jarenlang de absolute meerderheid had bezeten, was nu op het nationale vlak gereduceerd tot een kleine partij, die, zonder dat zij veel weerwerk kon leveren, moest aanzien hoe een katholieke meerderheid die niet te breken scheen, op alle domeinen van het openbaar leven een machtspositie kon uitbouwen waaraan niet te tornen viel.

Tot de volstrekte machteloosheid van de Liberale Partij droeg onder meer de hopeloze verdeeldheid tussen doctrinairen en radicalen bij die na 1884 openlijk werd uitgevochten. In feite was de tegenstelling tussen beide zo oud als, zo niet ouder dan het bestaan zelf van de Liberale Partij. De radicalen waren in zekere zin de meer gematigde geestelijke erfgenamen van de "democraten" die zich na 1830 aan de rand van het liberalisme hadden bewogen. Slechts een minderheid onder hen was stemgerechtigd. Sociologisch gesproken, behoorde een groot gedeelte van de radicalen tot de kleine middenstand en de lagere ambtenaren die zich moeilijk konden neerleggen bij hun politieke onmondigheid.

Spotprent die de verdeeldheid tussen doctrinairen en radicalen binnen de Liberale Partij treffend aan de kaak stelt. De karikatuur hekelt de scheuring bij de Brusselse liberalen in 1884 (met de doctrinaire 'Ligue libťrale' van Guillery en de progressistische 'Association libťrale' van Janson), een voorafspiegeling van de algehele breuk in de Liberale Partij in 1887. (Le Tirailleur van 27 mei 1888)

Na de revoluties van 1848, die in heel Europa een sterk conservatieve reflex hadden veroorzaakt bij de burgerij, waren de radicalen in de Liberale Partij voor lange jaren volledig gemarginaliseerd geworden. Ofschoon de stem van de stemgerechtigden onder hen bij het vigerende meerderheidsstelsel bij de verkiezingen soms onontbeerlijk was, slaagden zij er toch niet in hun stempel te drukken op het programma en het beleid van de partij. Met de doctrinairen hadden zij het antiklerikalisme gemeen; zij verschilden echter grondig van hen wat hun sociale opvattingen betreft. Electoraal waren zij evenwel niet sterk genoeg om een eigen partij te vormen met een sociaal vooruitstrevend programma. Zolang de liberalen aan de macht waren of een kans maakten om weer aan de macht te komen, moesten de radicalen kiezen tussen hun progressisme en hun antiklerikalisme. Voor die verscheurende keus gesteld, lieten zij steeds dit laatste doorwegen. Daardoor werden zij de gevangenen van de doctrinairen die hťn meer gebruikten dan dat ze zich door hen lieten gebruiken.

Na 1884 werden de radicalen niet langer gehinderd door overwegingen van regeringssolidariteit met de doctrinairen. Daardoor verwierven zij een grotere bewegingsvrijheid en konden zij nu resoluut uitkomen voor die programmapunten waarover zij grondig in visie verschilden van de doctrinairen.

Waarover liepen de meningsverschillen? De belangrijkste waren de discussies over de uitbreiding van het kiesrecht en over de revendicaties van de arbeidersklasse. Wat het eerste punt betreft, wilden de radicalen veel verder gaan dan wat in 1846 op het Liberaal Congres was aanvaard en reeds in 1848 door de regering-Rogier was gerealiseerd, namelijk de verlaging van de kiescijns tot het grondwettelijk minimum. Vrij vroeg reeds waren zij voorstanders van een forse uitbreiding van het stemrecht en later ook van het algemeen stemrecht, iets waarvan Frère-Orban, de machtige leider van de partij, en met hem de overgrote meerderheid der doctrinairen tot geen enkele prijs wilde weten. Waar de doctrinairen op economisch gebied overtuigde voorstanders bleven van het laisser-fairebeginsel, wilden de radicalen door middel van overheidsingrijpen de meest schrijnende sociale toestanden verbeteren. Zo bepleitten zij onder meer het wettelijk vastleggen van minimumlonen en maximumarbeidsduur, het reglementeren van de kinderarbeid, de invoering van het verplicht onderwijs, allemaal maatregelen die door de steeds conservatiever wordende doctrinairen met klem werden afgewezen als concurrentievervalsend.

Op deze tegenstellingen hadden zich in de loop der jaren nog andere geŽnt. Zo waren er onder de radicalen een aantal fervente tegenstanders van de Congoplannen van Leopold II; bij de doctrinairen kon de koning hiervoor op meer steun rekenen. Ten slotte was er ook hun verschillende houding ten aanzien van de opkomende Vlaamse Beweging. Hoewel de uiteenlopende reacties binnen het liberale milieu op de eisen der flaminganten in zekere mate de tegenstelling radicaal-doctrinair doorkruisten, stonden de radicalen in 't algemeen toch meer open voor de Vlaamse verzuchtingen dan de doctrinairen. Uitzonderingen, zoals een Karel Buls en diens zwager Léon Vanderkindere, niet te na gesproken, bestond er in het doctrinaire milieu heel veel onbegrip ten aanzien van de Vlaamse Beweging.

Ook na de verkiezingsnederlaag van 1884 bleven de doctrinairen de liberale parlementsfracties beheersen. De radicalen waren echter niet langer bereid in het doctrinaire gareel te lopen. In 1887 gingen zij over tot de oprichting van een eigen afzonderlijke partij, de Progressistische Partij, waarvan Paul Janson de grote voorman was. Voortaan waren er in de Kamer twee linkerzijden die autonoom optraden. Ook op het lokale vlak was de partij reeds eerder op vele plaatsen uiteengevallen in twee vleugels die vaak meer elkaar bestreden dan de gemeenschappelijke klerikale vijand. Bij gemeenteraadsverkiezingen gaven de radicalen herhaaldelijk de voorkeur aan een kartel met de socialisten, liever dan met hun doctrinaire "medestanders".

Liberale spotprent tegen het wetsontwerp Schollaert van 1911 dat de volledige financiŽle gelijkstelling van het openbaar en vrij onderwijs beoogde. Het verzet tegen de "schoolbon" bracht zelfs liberalen en socialisten samen in een kartel voor de parlementsverkiezingen van 1912. (Liberaal Archief Gent)

Door hun interne verdeeldheid waren de liberalen gedoemd tot volstrekte machteloosheid in het parlement. Slechts eenmaal zouden zij nog een doorslaggevende rol spelen, namelijk bij de herziening van de grondwet in 1893 waardoor een nieuw kiesstelsel werd ingevoerd. De katholieken, die zelf onderling ook verdeeld waren, beschikten niet over een tweederde meerderheid en moesten dus kunnen rekenen op een gedeelte van de liberale stemmen. Het zijn uiteindelijk de radicalen geweest die hebben meegewerkt aan de totstandkoming van het meervoudig algemeen stemrecht.

Met dit pluraal stemrecht steeg het aantal kiezers van 133.755 tot 1.370.687, hetgeen een vertienvoudiging betekende. Het aantal stemmen bedroeg echter meer dan 2 miljoen, daar 290.000 kiezers over twee en 220.000 kiezers over 3 stemmen beschikten. Gecombineerd met het meerderheidsstelstel, verzekerde dit systeem bijna automatisch een verpletterende meerderheid aan de katholieken. De liberale vertegenwoordiging in de Kamer viel bij de eerste verkiezingen die volgens dit stelsel werden georganiseerd (1894) terug op 20 zetels; de katholieken behaalden er 104, de socialisten, die voor het eerst hun intrede deden in het parlement, 28. De Liberale Partij, nog slechts een schaduw van zichzelf, was de derde partij van het land. Bij de verkiezingen van 1896 zou zij zelfs een absoluut dieptepunt bereiken met amper 13 Kamerzetels.

In 1899 werd het kiesstelsel opnieuw hervormd en werd de evenredige vertegenwoordiging ingevoerd. De liberalen, die dankzij Paul Hymans inmiddels hun eenheid hadden hersteld, behaalden bij de verkiezingen van 1900 evenveel zetels als de socialisten, nl. 33. Het gemeenschappelijk programma waarop de liberalen zich opnieuw hadden verenigd, deed belangrijke toegevingen aan de radicalen; samen zouden zij zich inzetten voor de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht (én man, én stem), voor verplicht lager onderwijs, voor de persoonlijke dienstplicht en voor de afschaffing van het lotelingensysteem.

Dit programma betekende meteen een zekere toenadering tot de socialistische stellingen. De liberalen verwierpen echter nadrukkelijk het collectivisme en de revolutionaire methoden van de socialisten. Met de socialisten deelden zij het antiklerikalisme, dat politiek vooral van betekenis was in hun gemeenschappelijke strijd voor het openbaar onderwijs. Alhoewel verdeeld wat hun sociaal-economisch programma betreft, waren liberalen en socialisten solidair in deze strijd voor het openbaar onderwijs, dat door de katholieken systematisch werd afgebouwd en in hun verzet tegen de subsidiŽring van het vrij onderwijs die door de katholieken steeds luider werd opgeŽist. Toen minister Frans Schollaert in 1911 door middel van de zogenaamde "schoolbon" de volledige financiŽle gelijkstelling van openbaar en vrij onderwijs tot stand wilde brengen, hebben liberalen en socialisten zelfs een kartel gevormd voor de parlementsverkiezingen van 1912, in de hoop om samen de klerikale meerderheid omver te werpen. Het kartel leverde niet het verhoopte resultaat op; integendeel, de katholieken kwamen versterkt uit de verkiezingen. De liberalen bleven verder in de oppositie en het zou pas tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn dat de homogeen katholieke regering-Charles de Broqueville zou worden uitgebreid met de liberalen Paul Hymans en Eugène Goblet d'Alviella en de socialist Emile Vandervelde.

Affiche van het "Werk van het Schooleetmaal" (1904), dat maaltijden uitdeelde aan leerlingen van de Gentse stadsscholen. (Liberaal Archief Gent)

Zo de invloed van de liberalen op het algemene landsbeleid gedurende de periode 1884-1914 zeer gering was, wisten zij ook na 1884 toch hun overwicht te behouden in een aantal belangrijke grote en kleinere stedelijke agglomeraties. In tal van deze steden bleven zij nog aan de macht. De liberale stadsbesturen van de grote steden hebben vooral een zeer belangrijke rol gespeeld op het stuk van de verdediging van het openbaar onderwijs. Dankzij de gemeentelijke autonomie waren zij in staat om in de grote steden niet alleen het openbaar onderwijs in stand te houden en de klerikalisatie ervan te verhinderen, maar om het zelfs nog aanzienlijk uit te breiden en aldus een zeker tegengewicht te vormen tegen het overweldigende overwicht dat het katholiek onderwijs buiten de stedelijke centra had weten te veroveren. Aldus hebben de liberale stadsbesturen stedelijke onderwijsnetten tot stand gebracht die zelfs vandaag nog een belangrijke plaats innemen in het Belgische onderwijsgeheel.

De invoering van het algemeen meervoudig stemrecht had echter duidelijk gemaakt dat niet alleen het electoraal programma maar ook vooral de sociologische basis van de Liberale Partij veel te smal was. Zij was nu wel gedwongen toenadering te zoeken tot de bredere volksmassa's. Potentieel kon zij hiervoor het publiek aanboren dat werd bereikt door de talrijke culturele en sociale liberale organisaties die in de loop van de tweede helft van de 19e eeuw in vrijwel alle belangrijke steden waren ontstaan. Deze rekruteerden hun leden in hoofdzaak onder het publiek dat sociologisch samenviel met de niet-stemgerechtigde achterban van de radicalen. Daarom waren zij door de plaatselijke liberale associaties die in handen waren van de doctrinairen, eerder met een zeker wantrouwen bejegend en financieel slechts gesteund voor zover ze "braaf" genoeg waren.

Dit liberale verenigingsleven zou omstreeks de eeuwwende een sterke uitbreiding nemen. Zo rezen zowat overal liberale werkliedenbonden uit de grond met daarbij aansluitende werkloosheids-, zieken- en pensioenkassen evenals ontspanningsafdelingen (toneel-, muziek- en sportkringen).

Diploma van de Liberale Werkersverdediging Gent, opgericht in 1893, een van de talrijke liberale werkliedenorganisaties met sociale inslag die vooral in het laatste kwart van de 19de eeuw in Vlaanderen ontstonden. (Liberaal Archief Gent)

De oude reflexen van de partijbonzen veranderden echter niet op slag. Hoewel zij deze verenigingen het electorale militantenwerk lieten opknappen en hun afgevaardigden een, meestal onverkiesbare, plaats op hun lijsten gunden, werden deze "dévoués" voor hun toewijding aan de goede zaak eerder met een decoratie beloond dan met een politiek mandaat. Hetzelfde geldt voor de Vlaamsgezinden in het liberale milieu. Waar normaliter de invoering van het algemeen stemrecht de partij tot het inzicht had moeten brengen dat zij de Vlamingen niet kon blijven voor het hoofd stoten, bleven de associaties toch, ook in het Vlaamse land, meestal de kapitaalkrachtige Franskiljonse burgerij naar de ogen zien eerder dan de Vlaamsgezinde organisaties die veel meer als alibi dienden dan dat zij enige reŽle politieke invloed in de partij verwierven.

Het is de onmacht van zowel de arbeidersverenigingen als de Vlaamsgezinde organisaties, die trouwens toenadering tot elkaar zochten, die ertoe heeft geleid dat zij na 1910 pogingen begonnen aan te wenden om hun krachten te bundelen in verbonden die pressiegroepen zouden kunnen worden. Aldus kwamen in 1913 het Liberaal Vlaams Verbond, en in 1914 de Nationale Bond van de Vrije Mutualiteiten tot stand. Uiteindelijk zou ook de partij zelf aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog pogen haar structuur aan te passen aan de gewijzigde toestanden: op 15 maart 1913 werd de Landsraad van de Liberale Partij opgericht, die niet langer uitsluitend bestond uit parlementsleden maar ook uit afgevaardigden van de plaatselijke associaties en vertegenwoordigers der Liberale Jonge Wachten en der liberale journalisten. Het langzaam op gang komende democratiserings- en herstructureringsproces van het liberale milieu zou echter brutaal worden verbroken door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

 

Inhoudstafel - Hoofdstuk 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9