M. Bots. Beknopte geschiedenis van de Liberale Partij - Hoofdstuk 6
6. Het Interbellum (1919-1939)
Het viel voor de liberale organisaties, die in 1914 nog maar pas uit de startblokken waren gekomen, niet gemakkelijk om na de lange oorlogsjaren de draad weer op te nemen waar hij in 1914 was afgebroken. De Landsraad van de Liberale Partij kwam pas op 8 en 9 juni 1919 voor het eerst weer bijeen en besliste tot de bijeenroeping van een congres. Dit had plaats eind juli 1919. Het nam o.m. een sociaal programma aan dat heel wat verder ging dan de vooroorlogse partijprogramma's. Zo het op het stuk van de economische politiek voorstander bleef van een zo groot mogelijke vrijheid, stelde het toch dat financiële belangenneming van de overheid in economische ondernemingen "kan worden overwogen indien zij het industriële karakter en de bestuursautonomie eerbiedigt, daar de deelneming van de Staat in de verdeling van de winst, in dat geval, ten goede komt aan de algemeenheid". Op fiscaal gebied aanvaardde het een stelsel gebaseerd op verhoogde successierechten en op de progressieve inkomstenbelasting. Hoewel het stelde dat "de beloning van kapitaal en arbeid onderworpen blijven aan de onvermijdelijke wet van vraag en aanbod" proclameerde het ook "de erkenning van het recht op bestaan met al wat het omvat aan waardigheid, veiligheid en welzijn", de instelling van een minimumloon en een maximumwerktijd "verenigbaar met de behoeften van onze uitvoer, derwijze dat aan ieder voeding, kleding, woning, bescherming en vrije tijd verzekerd worde in evenredigheid met zijn sociale voortbrengstwaarde". Het drukte de wens uit dat een liberaal syndicalisme tot ontwikkeling zou worden gebracht, dat de sociale zekerheid met de hulp van de Staat zou worden uitgebreid tot alle belangrijke risico's en bepleitte de tussenkomst van de Staat ten voordele van de middenstand.
De aanvaarding van een dergelijk, voor zijn tijd vooruitstrevend sociaal-economisch programma, dat zich duidelijk distantieerde van het vooroorlogse laisser faire, dient wellicht te worden gezien in de sfeer van de onmiddellijke na-oorlog en in het perspectief van de op til zijnde verkiezingen die voor het eerst zouden worden gehouden op grond van het zuiver algemeen stemrecht, en waarvan niemand kon voorspellen wat er - na 4 jaar onderbreking van het politieke leven - het resultaat van zou zijn.
De verkiezingen van 16 november 1919 schudden inderdaad de politieke kaarten behoorlijk dooreen. In de eerste plaats verloren de katholieken voorgoed de absolute meerderheid die ze 30 jaar lang onafgebroken hadden bezeten; de socialistische partij kwam nagenoeg even sterk uit de stembus als de katholieke; de liberalen, die nu definitief de derde partij werden, vielen van 45 zetels terug op 34, wat ongeveer de helft was van elk der twee grote partijen.
|
Paul Hymans (1865-1941) speelde een voorname rol bij de hereniging van de liberalen in 1900 en was een van de toonaangevende figuren in de Liberale Partij tijdens het interbellum. Deze Brusselse advocaat en hoogleraar werd herhaalde keren minister en was in 1920 voorzitter van de eerste vergadering van de Volkenbond, voorloper van de Verenigde Naties. In 1914 werd hij ook minister van Staat. (Tekening van Ochs in 'Pourquoi Pas?' van 9 mei 1919, Liberaal Archief Gent)
|
Ondanks de belangrijke verschuivingen bewees deze verkiezingsuitslag anderzijds ook de stevige verankering van de drie traditionele partijen in het Belgisch kiezerskorps. In de nieuwe constellatie die uit de gewijzigde machtsverhoudingen voortvloeide, zou de Liberale Partij zelfs een veel grotere invloed op het beleid kunnen uitoefenen dan vóór de oorlog het geval was geweest.
Zo lang immers katholieken en socialisten niet samen een regeringscoalitie vormden - iets waartegen tijdens het interbellum nog zeer sterke reticenties bestonden in de katholieke partij - zo lang waren de liberalen nu onmisbare partners geworden om een regeringsmeerderheid tot stand te brengen. Van de 21 jaar die het interbellum heeft geduurd, hebben zij dan ook welgeteld slechts 335 dagen in de oppositie gezeten.
Bij wijze van spreken zaten de liberalen dus op rozen; ze hadden er eigenlijk zelfs weinig belang bij dat de bestaande numerieke verhoudingen sterke wijzigingen in hun voordeel zouden ondergaan. Het volstond om de verworven posities ongeveer te behouden. Deze situatie moge op het eerste gezicht ideaal lijken voor een partij, en vooral voor haar ministerabelen, anderzijds is zij natuurlijk niet van die aard dat zij erg dynamiserend werkt. De nagenoeg permanente regeringsdeelname, nu eens in katholiek-liberale, dan weer in drieledige coalities, kon nauwelijks anders dan leiden tot een ernstige verwatering van het programma van de partij, die wegens haar gouvernementalisme meer en meer van haar identiteit inboette.
De dominante regeringscoalitie van het interbellum was de katholiek-liberale. De katholieke partij werd tijdens die periode nog beheerst door haar conservatieve vleugel. Het sociaal-progressieve programma van 1919 had de Liberale Partij geen doorbraak verzekerd naar de arbeiderswereld toe; zij was teruggevallen op haar vooroorlogse kiesclientèle die in hoofdzaak tot de bourgeoisie behoorde. Er bestond dus beslist geen reden waarom zij het voortouw zou hebben genomen in de strijd voor een progressieve sociale wetgeving.
Het sociaal programma van de partij werd vanaf 1921 reeds in heel wat behoedzamer termen geformuleerd. In de verschillende regeringscoalities waarvan zij deel uitmaakten, hebben de liberalen op dit stuk op louter pragmatische wijze aanvaard om precies zo ver te gaan als door de katholieken onvermijdelijk werd geacht teneinde hun arbeidersvleugel binnen de partij te houden; dit gaf zelfs in drieledige coalities ongeveer de grens aan van het politiek haalbare. Dit komt er in feite op neer te zeggen dat de Liberale Partij, behalve de vage bewoordingen van haar programma, weinig concreets te vragen of te bieden had met betrekking tot het sociaal beleid. Zij heeft dan ook nooit een sociaal departement opgeëist; haar voorkeur ging naar Buitenlandse Zaken, Landsverdediging en Koloniën.
Ook op ideologisch vlak was haar houding weinig doortastend. Het traditionele antiklerikalisme, dat nog sterk leefde bij haar militanten uit het stedelijke milieu, doch in het verleden electoraal weinig lonend was gebleken, werd getemperd. Het is in dit opzicht veelbetekenend dat van de talrijke regeringscrisissen die het interbellum heeft gekend, geen enkele werd veroorzaakt door een ideologisch probleem. De open oorlog die de partijen op dit stuk in de 19e eeuw hadden gevoerd, werd vervangen door een beperkte guerrilla rondom eerder onschuldige problemen, zoals bijvoorbeeld dat van de lijkverbranding. Zoals Van Kalken het treffend formuleert: "M. Hymans déclare que son parti resterait le soldat vigilant et fidèle du libre examen, de la liberté de conscience et de l'école publique. Mais ce soldat avait mis l'arme au pied". Haar houding inzake het schoolprobleem illustreert dit duidelijk. Zij bleef voorstander van de openbare school; in these verwierp zij elke subsidiëring van het vrij onderwijs; in hypothese liet zij, net zoals trouwens ook de socialisten, een steeds groter wordend gedeelte van de kostprijs van het katholiek onderwijs door de openbare schatkist dragen. Nadat haar congres van 1932, in overigens eerder dubbelzinnige termen de subsidiëring van het vrij onderwijs had veroordeeld - hetgeen de katholieken een voorwendsel gaf om nog eens de oude schoolstrijd op te warmen - zou Devèze in enkele ophefmakende artikels en voordrachten pleiten voor een "formule d'accord… réalisant enfin la paix scolaire pour le repos de toutes les consciences et pour le plus grand bien du pays".
Wellicht de meest specifieke inbreng van de Liberale Partij in het politieke gebeuren van het interbellum is haar enigszins overtrokken, geheel op Frankrijk gerichte patriottisme. In een passage in zijn Mémoires, waarin hij zich nochtans afzet tegen een bepaald soort van Belgische nationalisten die hun hyperpatriottisme uitdrukken door luide "Vive la France!" te roepen, geeft Hymans in bijna lyrische bewoordingen de gronden aan van zijn eigen francofilie, waar hij het heeft over "La France à laquelle nous attachent une amitié d'esprit, des liens intellectuels, une communauté de culture, la similitude de certaines grandes institutions, l'admiration pour une langue magnifique et délicieuse, enfin les souvenirs émouvants et profonds de la guerre". Hiermee vertolkt hij ongetwijfeld een sensibiliteit die in het liberale milieu algemeen verspreid was. Op het stuk van de buitenlandse politiek, waarover Hymans zelf van 1919 tot 1934 bijna onafgebroken de leiding had, vertaalde zich dit in wat algemeen werd aangevoeld als een alliantiepolitiek met Frankrijk en dit ondanks Hymans' pogingen om de kritiek op het fel aangevochten Frans-Belgisch militair akkoord van 1920 te ondervangen door verklaringen waarin hij de nadruk legde op het zelfstandig karakter van zijn buitenlands beleid.
De defensiepolitiek, het uitverkoren terrein van een andere liberale tenor, Albert Devèze, lag in het verlengde van die buitenlandse politiek. De Liberale Partij was de standvastige bepleitster van een sterk leger dat, aan de zijde van Frankrijk, elke morzel vaderlandse grond vanaf de grens zou verdedigen tegen elke inval uit het oosten. Eén van zijn stokpaardjes, de zgn. "pre-regimentsopleiding" vanaf de lagere school (!), waarvan het partijprogramma van 1920 de wettelijke verplichting wou invoeren, gaf de Liberale Partij zowaar een militaristische allure. Zo werd een op zichzelf eerder futiel feit als het zogenaamde "incident van het gebroken geweer" in 1921, in naam van "het moreel der troepen" waarvan Devèze de behoeder heette te zijn, gretig aangegrepen en opgeblazen tot er een regeringscrisis van kwam.
De Liberale Partij wierp zich ook op als de onversaagde verdedigster van de nationale eenheid, tegen het "flamingantisch fanatisme dat de erfgenaam is van het activisme" (Hymans). Zowel bij de vernederlandsing van de Gentse universiteit als bij de totstandkoming van de belangrijke taalwetten van de jaren 30 als in verband met het amnestievraagstuk, heeft de partij een vanuit Vlaams standpunt negatieve en sterk remmende invloed uitgeoefend. De electorale nederlaag die zij in 1928 leed bij de tussentijdse (Borms)verkiezing te Antwerpen en die veel weg had van een afstraffing van de Liberale Partij door de Vlaamse opinie, belette haar niet om 10 jaar later het land op stelten te zetten en een parlementsontbinding uit te lokken naar aanleiding van de zaak Dr. Martens, een oud-activist die benoemd was tot lid van de pas opgerichte Vlaamse Academie voor Geneeskunde.
|
Pamflet van de liberale vakbond uit 1936. (Liberaal Archief Gent)
|
De Liberale Partij was tijdens het interbellum een ronduit anti-Vlaamse partij. Dat zij zo blind kon blijven voor het niet meer te loochenen feit van de Vlaamse opgang was terzelfder tijd oorzaak en gevolg van haar zwakke electorale positie in het Vlaamse land, waar trouwens de plaatselijke associaties nog stevig in handen waren van een Franskiljonse kaste. Het Liberaal Vlaams Verbond, dat na de oorlog eerder moeizaam weer van de grond was gekomen en dat een uiterst gematigd flamingantisme beleed, was tot niet veel anders in staat dan tot verbale protesten die weinig effect sorteerden. Samen met het Willemsfonds probeerde het de Vlaamse eer van de liberalen te redden, maar door de Brusselse oligarchen werd het nauwelijks au sérieux genomen.
Want hoewel de partij een aantal wijzigingen had ondergaan in de samenstelling van haar beleidsinstanties (Landsraad, Bestendig Comité, Bureau) die bedoeld leken om deze meer representatief te maken en de besluitvorming een meer democratisch karakter te geven, was de effectieve leiding toch in handen van een beperkte groep van Brusselse prominenten (Hymans, Devèze, Max) die de dienst bleven uitmaken.
Een zekere kentering scheen zich af te tekenen na 1936. Albert Devèze en Paul Hymans waren niet langer minister. Hun vroegere beleidsopties pasten niet meer in het kader van de onafhankelijkheidspolitiek van Leopold III. Toeval of niet: in hun plaats kwamen de gematigd Vlaamsgezinde Julius Hoste en de nogal geëxalteerde Wallingant Emile Jennissen nu op ministerposten. Met Victor de Laveleye - door de Pourquoi Pas? ooit bestempeld als "le jeune espoir du vieux libéralisme" - als partijvoorzitter leek het een ogenblik alsof er iets in beweging zou komen. De schok die de verkiezingen van 24 mei 1936 hadden veroorzaakt, zal hier wellicht niet vreemd aan geweest zijn. De spectaculaire opgang van het VNV en van Rex, dat op slag 21 kamerzetels - nauwelijks 3 minder dan de liberalen! - behaalde, was een teken aan de wand: liberalen en katholieken beschikten voor het eerst sinds 1919 samen niet meer over een parlementaire meerderheid. De Laveleye heeft dan ook zeer fel en combattief campagne gevoerd tegen Rex en zijn luidruchtige leider Léon Degrelle. Nadat hij echter, blijkbaar zonder overleg met de partij-instanties, een ministerambt had aanvaard in de regering-Paul Van Zeeland II, werd hij gelimogeerd en kwam er een einde aan een voorzitterschap dat nochtans een belofte had ingehouden.
Met de verkiezingen van 2 april 1939 was het met Rex gedaan; van 23 zetels viel het terug op 4. De liberalen wonnen 10 zetels bij, waarvan - tekenend genoeg - slechts één in Vlaanderen. De oude verhoudingen waren hersteld; alles kon weer in de plooi vallen. Maar toen stond de Tweede Wereldoorlog reeds voor de deur.