print-versie
W. Prevenier. Aanvulling op M. Bots. Beknopte geschiedenis van de Liberale Partij - Hoofdstuk 8
8. De weg naar de macht (1988-2006)
8.1. De liberalen in de oppositie (1988-1992)
De val van de regering Martens VI in oktober 1987, na het beraad van enkele kopstukken van CVP en ACW in het Waalse dorpje Poupehan - gevolgd door de overgangsregering Martens VII (oktober 1987 - mei 1988) - leidde tot nieuwe verkiezingen (december 1987) en de vorming van de rooms-rode regering Martens VIII (mei 1988). Deze eerder onverwachte oppositiekuur voor de PVV zette Guy Verhofstadt ertoe aan onmiddellijk daarop naar Brits model een schaduwkabinet te installeren van waaruit hij met scherp kon schieten op het beleid van de nieuwe regering (“Wees niet zacht voor Martens VIII”). Dit leidde ook tot een parallelle oppositievoering met deze van de top van de PVV, waarvan Annemie Neyts sinds 1985 voorzitter was. Zij behoorde niet tot de ‘getrouwen’ van de radicale jongeren en haar politieke sensibiliteit verschilde op veel vlakken van die van Verhofstadt. Haar belangstelling ging meer naar de vrouwenemancipatie en de positie van de Vlamingen in de hoofdstad en in de Brusselse periferie dan naar sociaal-economische thema’s. In juni 1989 eindigde deze soms gespannen cohabitatie met een niet erg galante stoelendans, waardoor Verhofstadt opnieuw partijvoorzitter werd. Alleen vanuit deze sleutelpositie kon hij het strategisch scenario uitvoeren, waarvan de PVV-Jongeren de basis hadden gelegd in het Manifest van Kortrijk in 1979.
Onmiddellijk na zijn voorzittersverkiezing organiseerde Verhofstadt drie congressen, van november 1989 tot november 1990, waarop hij zijn nieuw radicaal en anti-travaillistisch discours vertolkte. Deze congressen onderschreven een aantal van zijn radicale voorstellen zoals verplichte rechtspersoonlijkheid voor de vakbonden, afschaffing van automatische indexering van de lonen, veralgemeende privatisering van de staatsinstellingen en van de sociale zekerheid, afschaffing van de kiesplicht en invoering van referenda.
In januari 1991 publiceerde Guy Verhofstadt zijn eerste Burgermanifest dat het niveau van de dagelijkse politiek duidelijk oversteeg. Het bood een bevlogen analyse van de samenleving en van de oorzaken van de kloof tussen staat en burger. In zijn toekomstperspectief was geen plaats voor ‘perfide’ politieke beïnvloeding door vakbonden en drukkingsgroepen die niet tot enige verantwoording verplicht waren.
|
Guy Verhofstadt publiceerde zijn eerste Burgermanifest in 1991. (Liberaal Archief Gent)
|
De verkiezingen van 24 november 1991 bewezen dat de boodschap was overgekomen. De PVV was, met 19 % van de stemmen, de enige traditionele partij die vooruitgang had geboekt, terwijl haar Waalse zusterpartij de PRL, die haar programma niet had aangepast, met 2,4 % achteruitging. De winst van het Vlaams Blok en van de protestpartij Rossem gaf voedsel aan de stelling over de kortsluiting tussen burger en politiek. Na een mislukte formatiepoging van Verhofstadt voor een paars kabinet, vormde Jean-Luc Dehaene (CVP) een coalitie van de verliezers, christen-democraten (CVP en PSC) en socialisten (SP en PS). Ondertussen had Verhofstadt in december 1991 zijn intentie aangekondigd om, door een hergroepering van de partijen, het politieke landschap in Vlaanderen te hertekenen. In alle discretie voerde hij gesprekken met de voorzitter van de Volksunie, Jaak Gabriëls. Kwam het toen niet tot een samensmelting van de twee partijen, dan confronteerden die gesprekken Verhofstadt wel met een communautaire problematiek die hem niet vertrouwd was, en overtuigden hem van de zin van een dialoog van gemeenschap tot gemeenschap en van de financiële en fiscale responsabilisering van de gewesten en de gemeenschappen. Dehaene kon echter een ander boegbeeld van de Volksunie, Hugo Schiltz, verleiden tot deelname aan de Vlaamse regering, zodat Gabriëls in augustus 1992 uit zijn partij werd gestoten.
8.2. De nieuwe weg, de VLD (1992-1999)
In zijn tweede Burgermanifest De weg naar politieke vernieuwing (juni 1992) bepleitte Verhofstadt expliciet de oprichting van een nieuwe liberale ‘partij van de burger’, met als verleidingselement voor de Volksuniekiezers, een pleidooi voor de creatie van een echte federale staat. De weerstand van het donkerblauwe partijsegment rond Herman De Croo, van de liberale vakbond, van het Liberaal Vlaams Verbond (LVV) en het Willemsfonds, en van de vrijzinnige liberalen, was voorspelbaar. Daarom schakelde Verhofstadt enkele ‘éminences grises’ van de partij in: Willy De Clercq, Albert Maertens en Frans Grootjans. Deze laatste voelde zich uiteraard aangesproken door de idee van een grote ‘centrumpartij’ want hij had daarvoor zelf geijverd in de jaren 1970. Na deze cruciale steunbetuiging kon Annemie Neyts als voorzitter van de programmacommissie op 21 september 1992 het inhoudelijke basisproject voor de nieuwe partij bekend maken.
De oprichting van de nieuwe partij met de naam ‘Vlaamse Liberalen en Democraten. Partij van de burger’ (VLD) te Antwerpen duurde vier dagen, van 12 tot 15 november 1992. De eerste dag werd de PVV ontbonden, de tweede dag stelden verruimers zich voor, zowel individueel als in groep, de derde dag werd zeer intens en plenair de beginselverklaring van de nieuwe partij besproken en goedgekeurd en op zondag 15 november werd de VLD officieel gesticht. Daarop volgde de feestelijke intrede van enkele verruimingskandidaten: Jaak Gabriëls uit de Volksunie, Pierre Chevalier uit de SP en Mimi Kestelijn uit de CVP. De operatie mikte resoluut op een tweepartijenbestel, een liberaal en een travaillistisch blok. Om naast de partijleden ook de brede publieke opinie te overtuigen, belegde de VLD een trits ideologische congressen. Met het congres van Hasselt in maart 1993 over ‘een nieuwe sociale zekerheid’ wilde de partij aantonen dat ze wel degelijk een sociale reflex bezat.
|
Het eerste nummer van De Burgerkrant (januari 1993) besteedt ruime aandacht aan de oprichting van de VLD. (Liberaal Archief Gent)
|
De nieuwe partij verwachtte veel van de Europese verkiezingen van 9 juni 1994 en de ontgoocheling was dan ook groot toen slechts een lichte vooruitgang tot 18,4 % werd geboekt, ver onder de verhoopte 20 % van de stemmen. Verhofstadt ging niettemin door met zijn ‘kruistocht’ en zijn derde Burgermanifest, Angst, afgunst en het algemeen belang was een nog fellere aanklacht tegen het conservatisme en immobilisme van het middenveld. Om de kloof tussen kiezer en politiek te dichten en het kiesplatform van de partij te toetsen, organiseerde de VLD een referendum bij alle Vlamingen, wat 400.000 reacties opleverde. Met 20,8 % werd in de wetgevende verkiezingen van 21 mei 1995 beter gescoord dan in de Europese, maar het strategisch doel, het breken van de centrum-linkse coalitie, was niet bereikt, zodat Dehaene kon verder regeren. Verhofstadt trok de politieke consequentie van dit relatieve falen, nam ontslag als voorzitter, en trok zich terug voor een lange ‘retraite’ in Toscane.
Voor zijn opvolging als partijvoorzitter via een rechtstreekse verkiezing door de leden, een toepassing van de burgerdemocratie in de schoot van de partij zelf, dienden zich niet minder dan 11 kandidaten aan. Herman De Croo behaalde 49,4 % van de stemmen, waarop Patrick Dewael zich terugtrok en De Croo voorzitter werd. De vrijzinnige en unitaristische De Croo had nooit zijn huiver voor de toenadering tot de Volksunie verborgen en had zich zowat als laatste bij de operatie VLD en politieke vernieuwing aangesloten. Hij was de ultieme vertegenwoordiger van de klassieke politieke cultuur, die dienstbetoon aan kiezers waardevol en relevant bleef vinden. Anders dan zijn voorganger, koesterde De Croo een natuurlijk respect voor het hem goed vertrouwde middenveld. De partijcongressen van 1996 en 1997 behandelden geliefkoosde thema’s van de voorzitter: mobiliteit, onderwijs en vooral de ethische problematiek. Samen met Karel De Gucht pleitte hij op het congres van oktober 1996 voor het doorbreken van de bio-ethische taboes.
In juni 1997 liep De Croo’s mandaat, dat eigenlijk de voltooiing was van dat van zijn voorganger, ten einde en herwon een herboren Guy Verhofstadt de voorzitterszetel met brio. De Croo’s korte interregnum kan evenwel als significant worden beschouwd, omdat het de vitaliteit van een diepblauwe minderheidsstroming in de VLD weerspiegelde, alle neoliberale stormen ten spijt. Met Herman De Croo kwam het ook tot een soepeler dialoog met andere partijen. Tot hun verbazing ontdekten de politieke observatoren in 1997-1999 een heel andere Verhofstadt, die zich nog steeds even flamboyant op het voorplan wist te brengen, maar met totaal andere belangstellingspunten dan financiën en budget, zoals vóór 1995. Hij werd gangmaker van de nieuwe politieke moraliteit en betoonde een uitgesproken interesse voor de buitenlandse problematiek. Marc Verwilghen verwierf heldenstatus als voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie-Dutroux, die onder meer het functioneren van de politiediensten kritisch doorlichtte. Guy Verhofstadt maakte grote indruk als centrale figuur in de Rwanda-commissie, die de genocide in 1994 in deze gewezen Belgische kolonie onderzocht, met veel aandacht voor de ethische en de internationale aspecten van dit drama. Voor vrijzinnige liberalen, progressieve katholieken en socialisten, won de VLD aan geloofwaardigheid.
8.3. Het paars-groene avontuur van Verhofstadt I (1999-2003)
De verkiezingen van 13 juni 1999 gooiden het politiek landschap grondig om. Voor het eerst behaalde de VLD met 22,6 % meer stemmen dan de CVP en kon Verhofstadt de leiding van de regering opeisen. De CVP bleef weliswaar zeer nipt de grootste partij in het Vlaams Parlement, maar een existentiële crisis ten gevolge van het verlies van haar leidersplaats in de Belgische politiek, verlamde haar dusdanig dat ze, voor het eerst sinds meer dan veertig jaar, afzag van elke aanspraak op regeringsdeelname op federaal én op Vlaams niveau. Op 12 juli 1999 legde voor het eerst in de Belgische geschiedenis een paars-groen kabinet de eed af met liberalen (VLD en PRL), socialisten (SP en PS) en groenen (Agalev en Ecolo), die erg hadden geprofiteerd van de dioxinecrisis onder de regering Dehaene II. Om de ideologische verbreding van de VLD te demonstreren nam Verhofstadt gewezen Volksunievoorzitter Jaak Gabriëls in zijn ploeg op als minister van Middenstand en Landbouw en Pierre Chevalier voor Buitenlandse Handel. Patrick Dewael werd minister-president van de Vlaamse regering, en Karel De Gucht partijvoorzitter.
Deze regenboogcoalitie wilde met een andere aanpak vele taaie taboes van de Belgische politiek doorbreken, nu de CVP niet langer in staat was specifieke principes van de christelijke moraal aan de hele samenleving op te dringen. De regering Verhofstadt I boekte haar sterkste resultaten inderdaad op ethisch vlak. Op 1 mei 2000 werd de Snel-Belg-wet gestemd. Op 28 mei 2002 volgde de Euthanasiewet, die meerderjarige patiënten in een uitzichtloze medische situatie toeliet een einde te stellen aan het leven, weliswaar na consultatie en consensus van drie artsen. In januari 2003 volgde een permissieve reglementering van soft drugs en in februari een wet die holebi’s toeliet te huwen. Er was ook een stijlbreuk in de relatie van regering met parlement, pers en publiek: het “no comment” van Dehaene ruimde plaats voor de opendebatcultuur.
Het concretiseren van de idee van de actieve welvaartstaat werd mogelijk door de ‘entente cordiale’ van de premier, bekeerd tot het sociaal liberalisme, en de socialist Frank Vandenbroucke. Enerzijds werden de belastingen op de inkomens verlaagd, anderzijds werden de laagste pensioenen verhoogd en een maximumfactuur in de ziekteverzekering ingevoerd. De regering poogde vergeefs het faillissement van Sabena af te wenden, wat een hopeloze opdracht was omwille van de wereldwijde crisis in de burgerluchtvaart na de terroristische aanslagen van 11 september 2001 in Amerika. De wet van 13 juli 2001 verhoogde de financiering van de gemeenschappen en gaf meer fiscale bevoegdheden aan de gewesten.
Op het gebied van de internationale politiek was de breuk heel nadrukkelijk, vooral nadat de Amerikaanse president George W. Bush in maart 2003 Irak binnenviel. België protesteerde hier fors tegen en nam het voortouw bij het diplomatiek verzet, in samenspel met Frankrijk en Duitsland. Minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel deed succesvolle inspanningen om een vredesakkoord te forceren tussen Kongo, Rwanda en Burundi. Verhofstadt zette zich met zijn legendarische hardnekkigheid in om de Europese eenmaking te verstevigen. Op de Europese top in Nice in 2000 haalde hij zijn slag thuis met zijn voorstel om elke lidstaat één vertegenwoordiger te verzekeren in de Europese Commissie, en om de militaire functie van de EU te versterken. Tijdens het Belgisch voorzitterschap in 2001 kon hij het Verdrag van Laken laten goedkeuren, dat de weg opende voor een nieuwe Europese grondwet.
8.4. Voor- en tegenspoed voor paars (2003-2006)
De vier liberale en socialistische partijen wonnen overtuigend de federale verkiezingen van 18 mei 2003. De VLD bleef de eerste partij in het land met, nationaal, 15,26 % van de stemmen, vóór de PS met 13,02 %. Agalev verdween volledig uit het parlement en dus uit de nieuwe regering Verhofstadt II. Vlaams minister-president Dewael verhuisde naar Binnenlandse Zaken in de federale regering, en werd opgevolgd door Bart Somers aan het hoofd van de Vlaamse regering.
Belangrijke aandachtspunten voor de nieuwe ploeg waren de bestrijding van de werkloosheid en van de criminaliteit en derhalve werd van meet af aan prioriteit verleend aan de creatie van arbeidsplaatsen en aan de hervorming van politie en justitie. Door de regressie in de internationale economie bleven resultaten inzake werkloosheid aanvankelijk onder de verwachtingen, maar een volgehouden beheersing van de staatsfinanciën en verbetering in de conjunctuur zorgden in 2006 voor een kentering ten goede. Voor het eerst sinds decennia konden de regeringen Verhofstadt elk jaar afsluiten met een bescheiden overschot.
|
Het Laatste Nieuws, 6 januari 2006. (Liberaal Archief Gent)
|
Aanvankelijk succesvol, eiste de opendebatcultuur in deze legislatuur een hoge tol en leidde in 2004 tot een van de meest verscheurende conflicten binnen de VLD. Tijdens het parlementaire debat over het verlenen van stemrecht aan migranten bleken drie regeringspartijen voor, maar een groot deel van de VLD-parlementsleden tegen, ongetwijfeld uit vrees kiezers te verliezen aan het Vlaams Blok. De premier zat gevangen tussen twee loyauteiten, respectievelijk binnen de regering en binnen zijn partij. Op het VLD-congres van april 2004 eisten heel wat VLD’ers de terugtrekking van de partij uit de regering bij een goedkeuring van het migrantenstemrecht, en dit voorstel werd pas ingetrokken na een memorabele interventie van een zeer geëmotioneerde Willy De Clercq. Toen partijvoorzitter De Gucht toch wou doorgaan met zijn verzet, voltrok zich een koningsdrama, waarbij premier Verhofstadt tijdelijk de leiding van de partij uit diens handen nam. Voor de partij was het kwaad echter geschied. Bij de verkiezingen voor het Vlaamse Parlement op 13 juni 2004 viel de VLD met 19,79 % terug naar de derde plaats en verloor ze de leiding van de Vlaamse regering. De federale regering werd bovendien fors verzwakt doordat Frank Vandenbroucke (SP.a) overstapte naar de Vlaamse regering, vice-premier Louis Michel Europees commissaris werd en vice-premier Johan Vande Lanotte in 2005 Steve Stevaert opvolgde als SP.a-voorzitter. Bovendien had de VLD af te rekenen met enkele afscheuringen: eerst Ward Beysen, daarna Hugo Coveliers. Tot overmaat van ramp slaagde de paarse regering er niet in om in oktober 2004 de zaak van de nachtvluchten op Zaventem van luchtkoerier DHL op te lossen en in mei 2005 tot een akkoord te komen over de splitsing van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde.
De paarse regering scoorde wel op andere terreinen. Ze realiseerde betekenisvolle belastingverlagingen zonder tot begrotingstekorten te leiden. Ondanks heftig verzet van vooral de socialistische vakbond forceerde ze op sociaal vlak een oplossing voor de toenemende vergrijzing van de bevolking door in oktober 2005 het generatiepact door te voeren met 66 maatregelen om het langer beroepsactief te blijven aan te moedigen. Op ethisch vlak werd de wet op het huwelijk van homoseksuelen uitgebreid voor personen uit landen waar deze regeling niet bestaat. In april 2006 werd het mogelijk voor holebi’s om kinderen te adopteren.
De kiezer zal aangeven of de liberale boodschap kan blijven overtuigen.
Walter Prevenier
juli 2006