W. Prevenier. Vijfentwintig jaar Vlaamse liberalen (2)
Het verhaal van de liberalen tussen 1972 en 1997
Om het actuele liberalisme te begrijpen, moeten we een aanloop nemen vanaf 1961. Toen heeft Omer Vanaudenhove met de oprichting van de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV) een punt gezet achter de negentiende eeuw. Het meest in het oog springend facet van zijn nieuwe koers, amper drie jaar nadat het schoolpact een einde had gesteld aan een ideologisch spanningsveld dat een eeuw lang gesmeuld had in de Belgische politiek, de schoolkwestie, was de ontkoppeling door Vanaudenhove van antiklerikalisme en politiek, door de toen vermolmde en verschrompelde Liberale Partij open te stellen voor gelovigen.
In de logica van de aldus in beweging gebrachte dynamiek kon, tussen 1966 en 1968, de inhoudelijk meest liberale regering van het naoorlogse België duidelijk economisch-liberale accenten leggen. Hoezeer de Vlaamse liberale ministers in die coalitie ook op communautair vlak creatief waren, ze konden niet voorkomen dat de ploeg struikelde over de taalkundige ontdubbeling der universiteiten Leuven en Brussel. Zij hadden het gewicht van het communautaire dossier nochtans accuraat ingeschat. Vanderpoorten, Grootjans en De Clercq brachten in die logica na '68 de oratorische argumenten en de vereiste diplomatie aan om in 1972 de unitaire PVV te doen overgaan in een Vlaamse PVV. Met zijn in de loop der jaren opgebouwd gezag als economisch expert kon De Clercq zelfs de Waalse liberalen overtuigen van het nut der scheiding, door te stellen dat Wallonië even veilig als Vlaanderen op eigen vleugels zou kunnen vliegen, als het tenminste zijn liberale dynamiek niet verloor, wat inderdaad op dramatische wijze geschiedde, trend die nu eindelijk omgebogen lijkt te kunnen worden.
De twee voorzitters van de PVV tussen 1972 en 1981, De Clercq en Grootjans, hebben beiden met verve, en prompt na de geboorte van de jonge PVV, die partij een eigen Vlaams ideologisch gelaat bezorgd, dat zich significant onderscheidde van dat van de Waalse zusterpartij, en van alle andere Belgische en Vlaamse partijen. Grootjans gaf, congres na congres, vanaf het memorabele stichtingscongres van mei 1972, de PVV een progressieve koers op ethisch en cultureel vlak, die schril afstak tegen de oubollige conservatieve grijsheid van de vroegere liberale partij. Tevens lanceerde hij met het thema 'de staat tegen de burger' de vereiste 'bouwstenen voor het Centrum'. De Clercq legde van zijn kant, als financieel expert, dan weer 'bouwstenen voor een sociaal verantwoorde fiscaliteit', en bepleitte een samenspel van economische democratie en politieke democratie.
Dit dubbel ideologisch spoor effende de weg voor het ideologisch congres van Kortrijk in 1979, waar Verhofstadt en de liberale jongeren nieuwe radicale contouren tekenden voor een gezonde vrije markteconomie, waarin concurrentie, winstdeling en gezinsvermogen niet langer vieze woorden zijn. Ze creëerden eindelijk een coherent alternatief voor de naoorlogse overlegeconomie en sociale wetgeving, die na dertig jaren van bestaan onrustwekkende scheuren begon te vertonen. Het radicaal liberalisme wenst allerminst een economisch succesverhaal te bouwen op een sociale woestijn. Het Manifest van Kortrijk impliceerde ook de idee van winstdeling voor dynamische werknemers in de groei van hun onderneming, en voorzag in het verminderen van de successierechten om het bescheiden gezinsvermogen te beveiligen. Vandaar ook vlijmscherpe analyses van 'arm'-makende factoren en drempels op het congres in mei 1981 over 'meer kansen voor kansarmen'.
In 1980 nam de PVV gedurende enkele maanden deel aan een driepartijenregering die vooral de staatshervorming moest zien rond te krijgen. Voor een echt liberale inbreng op sociaal-economisch vlak was de tijd te kort. Het bleef dus bij een ietwat frustrerende vingeroefening voor de echte liberale regeringsparticipatie in de loop van de Golden Eighties, van 1981 tot 1988, wanneer de opeenvolgende liberale vice-premiers De Clercq en Verhofstadt de economie in dit land eindelijk radicaal moderne en creatieve vrijemarkt-toetsen gaven, terwijl andere PVV-excellenties als Herman De Croo, Karel Poma en Patrick Dewael deze idee concreet gestalte gaven, resp. in de federale en de Vlaamse regering, op gevoelige terreinen zoals verkeerswezen, cultuur en media. De Clercq was in 1985 uit de regering vertrokken, maar zette zijn liberale taak verder door van dan af, als briljant Europees commissaris, de Europese regering een forse liberale signatuur te verlenen.
Daarna begon voor de liberalen een lange tocht door de woestijn van de oppositie. Ideologische congressen tekenden in 1989 en 1990 nog scherper de contouren van het radicaal liberalisme. En Guy Verhofstadt produceerde tussen 1991 en 1994 niet minder dan drie Burgermanifesten. Een en ander was de basis voor een grondige operatie, onder impuls van Guy Verhofstadt, ter verbreding van de politieke basis van het politiek liberalisme, door gelijkgestemden in andere partijen of van buiten de klassieke politieke milieus te inviteren een nieuwe formatie te vervoegen, die onder de naam VLD op 12 november 1992 effectief boven de doopvont werd gehouden. Congressen over Burgerdemocratie, in 1993, en over de hervorming van de sociale zekerheid, in 1994, verdiepten de ideologische basis van de nieuwe partij. De Europese verkiezingen van juni 1994 en de wetgevende van mei 1995 vielen, tegen alle voorspellingen en verwachtingen in, tegen, en de voor het Belgisch parlement behaalde 20,8 % was ontoereikend om de meerderheid van CVP en socialisten te breken, en de deelname aan de regering te forceren. Guy Verhofstadt trok zich ontgoocheld terug. Herman De Croo, in tal van opzichten zijn tegenspeler in het leggen van ideologische accenten, volgde hem op 19 september 1995 op aan het hoofd van de partij.