W. Prevenier. Vijfentwintig jaar Vlaamse liberalen (4)
Het heropnemen van liberale draden tussen 1972 en 1997
Wanneer ik de jaren 1972-1997 overschouw ben ik telkens opnieuw verrast door de ongemene densiteit en de onwaarschijnlijke vinnigheid waarmee binnen de Vlaamse liberale familie een permanente discussie binnen de partijkaders én dialoog met de kiezers wordt gevoerd. En ik ben daarbij danig gecharmeerd door het non-conformisme en de non-nonsense waarmee men dat denkwerk verricht, telkens weer vertrekkend van de liberale uitgangspunten, lerend uit en inspelend op de ervaring. Zonder de bronnen van het liberalisme te vergeten en te verraden.
In de jaren 1972-77, onder impuls van voorzitter Grootjans, stond het optimistisch vertrouwen in onderwijs en cultuur centraal. Talentrijke, maar economisch zwakkere, individuen moet men kansen bieden om op te stijgen en te emanciperen. Het was ook logisch dat in die dagen de PVV (met het Willemsfonds en met het LVV) een centrale rol speelden in de realisatie van de cultuur-autonomie. Dit moest dan wel gepaard gaan met de opbouw van een open society, gegarandeerd door een Cultuurpact, dat bedoeld was om de CVP-staat te counteren, met wat dat inhield aan het opdringen van ethische christelijke eenzijdigheid en censuur-mentaliteit. In dezelfde lijn lag ook de progressiviteit van het Blankenbergs congres van 1972, dat de ethische problemen met open mind aanpakte, met begrip voor alternatieve vormen van samenleven van partners, voor homofilie en voor abortus, voor bescherming van de privacy en van het milieu. Het waren nieuwe, frisse accenten, hoezeer ook conform aan de aloude tolerante vrijzinnige stroming in de liberale familie. Grootjans wist maar al te best dat dit progressisme tegen de haren streek van de aloude generatie in de partij, maar hij zette door, in eenklank met nieuwe en jongere kiezers.
In de jaren 1977-1985 zorgde, onder voorzitter Willy De Clercq, later onder Guy Verhofstadt, de dialoog tussen oudere en jongere generaties in de PVV voor een wel heel ingrijpend aggiornamento, de mutatie van Kortrijk 1979. Ontvetting van de staat, beloning van de prestatie van het individu in een vrijemarkteconomie, staan thans centraal. De wortels van dit radicalisme liggen in een boekenkast, volgeschreven door liberale ideologen en economisten, maar ook in de dynamiek van de eigen liberale partij. Het aggiornamento van 1979 is inderdaad een weerklank van het anti-travaillisme van Omer Vanaudenhove en diens congres van oktober 1961, dat toen een hartverwarmend liberaal alternatief wou bieden voor het virulente gauchisme, dat in de felle stakingen tegen de eenheidswet vooral in het Wallonië van vakbondsleider Renard opborrelde. Het kende een eerste revival onder het voorzitterschap van Frans Grootjans op diens congres onder het motto 'Een vermageringskuur voor de staat?' (weliswaar nog met een vraagteken). Grootjans zette zich toen af tegen het conservatisme van de sociale partners, zowel de syndicaten als de patroonsorganisaties, vermolmd in hun overlegstructuren en aldus gekant tegen economische vernieuwing, en die in hun interne structuren nauwelijks inspraak van hun leden dulden. Participatie-democratie stelde Grootjans in de plaats, en u merkt al waar we dit later nog zullen horen. De strategie van voorzitter De Clercq bood, in deze lijn, vanaf 1977 een alternatief voor het opkomend poujadisme en de anti-belastingpartijen die toen als eendagsvliegen opdoken, door een filosofie voor te stellen van sociaal verantwoorde hervorming van de fiscaliteit. Sociale rechtvaardigheid is, stelde De Clercq, enkel mogelijk dankzij het 'liberale tweespan, economische democratie én politieke democratie'. Maar op het congres van Kortrijk in 1979 radicaliseerden de PVV-jongeren, aangevoerd door Guy Verhofstadt, het reeds opgestarte anti-etatisme en anti-collectivisme, door de vrijemarkt-idee door te trekken tot in de culturele sector, met het doorbreken van het monopolie van de openbare omroep, met het inschakelen van referenda in de politieke besluitvorming en zelfs met het kritisch doorlichten van de sociale zekerheid. Deze thesen vormden het logische eindstation van de geschetste evolutie vanaf de winter 1960-61. Ze waren tevens de kiem van wat komen zal in een derde fase. Het verdient aangestipt te worden dat het dubbel spoor, radicaal en sociaal liberalisme, ook na 1979 niet werd verlaten, zoals het congresthema van 1981 illustreert: 'Meer kansen voor kansarmen' (zonder vraagteken dit keer).
De derde fase 1985-1997 kende drie voorzitters (Annemie Neyts, Guy Verhofstadt en Herman De Croo), tenminste drie sensibiliteiten (of zo men wil stromingen) binnen de partij, in elk geval drie Burgermanifesten. Maar niets daarvan valt samen. Indien ik hen zou interviewen, zouden ze zich allicht alle drie schatplichtig verklaren aan zowel de radicale als de sociale trend, en zonder twijfel zouden ze me nog wel meer navelstrengen opsommen die hen met het rijke liberale verleden verbinden. Het zal dus wel een kwestie van dosering der ingrediënten zijn. Maar uiteindelijk toch ook van onderling verschillende persoonlijkheden, en dus toch van accenten in de ideologische prioriteiten.
Op het vlak van de principes ging het Vlaams liberalisme in deze fase mijlen ver in het radicalisme dan ooit: het Gentse congres van 1985 stelde privatiseringen voor bij de vleet, van post tot spoorwegen, beperking van de personenbelasting van 50 % en een bijgestuurde sociale zekerheid. Het congres van 1990 stelde de automatische koppeling van index en loon in vraag, wilde de werkloosheidsvergoeding beperken in de tijd en de verzekerden in grotere mate zelf laten instaan voor hun sociale zekerheid. Het radicalisme van dit platform, zelfs nadat het terminologisch werd genuanceerd op het congres van Hasselt in 1994, voorbereid door Pierre Chevalier, joeg syndicaten en mutualiteiten de gordijnen in, maar ook een deel van de eigen liberale achterban. De verkiezingen van 1994 en 1995 brachten weliswaar lichte winst voor de partij, maar niet de verhoopte en voorspelde forse doorbraak. Het is nog te vroeg om te beslissen of de verklaring hiervoor essentieel ligt in de al te korte incubatietijd voor deze nieuwe ideeën, dan wel in de meer fundamentele onaangepastheid aan de sociale weefsels en de mentale tradities van het Belgische en Vlaamse politieke leven.
Intussen voltrok zich, op de tonen van Verhofstadts drie Burgermanifesten, een intellectueel avontuur zonder voorgaande, een nog ambitieuzer proces. Het eerste Manifest (1991) vertrekt van de vaststelling dat er een gevaarlijke kloof is gegroeid tussen burger en politiek. Om de betrokkenheid te herstellen wordt gepleit voor het invoeren van referenda en het afschaffen van de kiesplicht. De idee ligt in de lijn van Grootjans' ideeën van 1972-77, die ook toen reeds vertrok van het bestaan van volwassen en zelfbewuste kiezers. De tweede component uit de toenmalige analyse van Grootjans werd eveneens geactualiseerd in 1992, namelijk diens idee van een brede centrumpartij. De ervaring leerde dat men met 20 % kiezers niet evident in een regering geraakt, en dat in die regering, zoals in 1981-88, zoveel compromissen nodig zijn, dat van het radicale platform niet veel overeind blijft. De creatie van de VLD in 1992 was bedoeld om die politieke landkaart te hertekenen, door te polariseren rond een liberale kern, als duidelijk alternatief voor een travaillistische tweede kern. Daartoe moesten aloude stoorzenders zoals de spanningsvelden vrijzinnig-gelovig, Vlaams-radicaal en Vlaams-gematigd, sociaal en radicaal liberalisme, definitief verstillen. Ik hoor hierin, althans voor het eerste spanningsveld, een echo van de mutatie Vanaudenhove uit 1961. Het plan van 1992 is echter aanzienlijk ambitieuzer. Zoals in 1961 werd dit proces, bij de oprichting der VLD in 1992, gevisualiseerd voor de kiezers door een operatie 'verruiming', waarbij een aantal bekende figuren uit andere partijen en horizonten overstapten naar de nieuwe koepel. De verkiezingen van 1995 hebben vooralsnog deze trend nog niet bij de kiezers te zien gegeven. Verhofstadts verruimingsidee heeft nochtans voortreffelijke adelbrieven in de liberale partijtraditie. De kritische beschouwingen terzake van huidig voorzitter De Croo en anderen evenzeer. Deze laatsten pleiten immers voor het ongeschonden vrijwaren van zowel de ethisch-progressieve als de sociaal-progressieve verworvenheden van de congressen der jaren '70, zoals die gestalte kregen in de traditie van het politiek dienstbetoon (als personalistische correctie op het dysfunctioneren van het collectieve staatssysteem), en in het ethisch pluralisme. In oktober 1996 werd door Herman De Croo en Karel De Gucht gepleit voor het opheffen van het taboe rond de bio-ethiek op een liberaal ethisch partijcongres. Het VLD-onderwijscongres van maart 1997 ligt dan weer in de lijn, zowel van de traditie der jaren '70 met de eisen tot democratisering en tot het heropstarten van de pluralistische formule, als van de radicale trend door de onderwijsmensen zelf als verantwoordelijke burgers meer inspraak in het beleid van hun school te geven.
De waaier aan zopas gepresenteerde ideeën toont de rijkdom van het Vlaams liberalisme. Er zijn ontelbare variaties op het thema. Op elk ervan kan men namen kleven. Liberale ministers brachten deelfacetten in de praktijk: Herman Vanderpoorten een humanistischer wetgeving, Karel Poma de milieuproblematiek, Willy De Clercq, Frans Grootjans en Guy Verhofstadt de financiële creativiteit, Herman De Croo de luchtvaartproblemen (waarvoor hij in het National Air and Space Museum op de Mall in Washington zopas vereeuwigd werd), Annemie Neyts het zeer liberale beginsel van de persoonsgebonden materies in het communautaire dossier en een liberaal onderwijsbeleid, Patrick Dewael een liberaal cultuurbeleid, met name via het doorbreken van het omroepmonopolie.