www.liberaalarchief.be
CONGRES VAN DE LIBERALE PARTIJ
BRUSSEL, 28-29 april 1951
CONGRESVERSLAGEN


INLEIDING


Van dag tot dag ondergaat het politiek, economisch en sociaal leven van West-Europa nieuwe veranderingen.
Nieuwe stellingen, nieuwe vraagstukken duiken op. Men ziet massa-krachten ontstaan die er op gericht zijn de plaats in te nemen van de leerstellingen en de partijen, die gegrondvest zijn op de eerbied voor de persoon.
De communistische en totalitaire ideologieŽn maken zich met geweld meester van sommige geesten en kondigen de ondergang van onze Westerse levensopvattingen aan.
Van zijn kant beweert het socialisme de enige vorm van sociale democratie te vertegenwoordigen en wil het zijn etatistische formules opdringen in verschillende landen. Het christelijk socialisme, onderworpen aan uiteenlopende invloeden waaronder de godsdienst wel de enige waarde is, is tegelijkertijd demagogisch en tegen de vooruitgang, voelt weinig eerbied voor de intellectuele vrijheid en is gekant tegen de ontvoogding der vrouw.

WELKE PLAATS WORDT DOOR HET LIBERALISME BIJ DIE TEGENOVER ELKAAR STAANDE LEERSTELLINGEN INGENOMEN? IS ZIJN BOODSCHAP NOG ACTUEEL? WAT HEEFT HET AAN DE HEDENDAAGSE MENSEN TE ZEGGEN?

De hiernavolgende uiteenzettingen zijn er op gericht de huidige toestand weer te geven. Zij zouden zich niet binnen de perken van een dadelijk te verwezenlijken programma, zij klimmen op tot de bronnen.
In het leven van een partij is de werking van haar leiders zowel als het opstellen en verdedigen van haar politiek programma van belang. Doch geen enkele blijvende invloed kan worden uitgeoefend zonder te steunen op leerstellingen, op basisprincipes, die de overtuiging der enkeling uitmaken, hun daden beÔnvloeden, hun ideaal weergeven en zelfs hun persoonlijkheid vormen.
Elke generatie moet haar gewetensonderzoek doen.
De hiernavolgende bladzijden vertolken deze krachtinspanning, wat betreft het Belgisch liberalisme.


DE STAAT EN DE PARTIJEN


De politieke partijen leggen stilaan beslag op gans het leven van het land. Ieder jaar dringen zij door in nieuwe sectoren, die vroeger buiten hun bereik waren gebleven. Het feit kan niet geloochend worden en, laten wij het maar dadelijk zeggen, het is een opvallend kwaad.

Rechtvaardiging der partijen.
In democratie hebben de politieke partijen een gewettigd bestaan. Ze zijn noodzakelijk. Ze zijn het logisch gevolg van de politieke vrijheid. Het is normaal, dat mensen met dezelfde politieke opvattingen zich verenigen om deze te verdedigen en te doen zegevieren. Het is nuttig, dat de partijen hun leven van de Staat oriŽnteren, dat zij programma's opmaken, waaronder de burgers hun keuze kunnen doen, dat zij mensen aan het bewind brengen, de tot opdracht hebben ze te verwezenlijken. Dit geschiedt in alle landen met vertegenwoordigend regie en vrij kiesrecht.

Misbruiken der partijen.
Maar de politieke partijen overdrijven. Zij gaan hun normale rol te buiten en nemen alles in beslag. Zij begeven zich ook op gebieden, waarvan zij afzijdig zouden moeten blijven. Indien men ze laat doen, vervormen zij ook de geest van het volk.
Het is niet normaal, dat de partijen rechtstreeks tussenbeide komen bij de benoemingen tot hoge ambten; dat zij soms uitmuntende mannen uit de ministeriŽle functies weren, wier enige misdaad er in bestaat bekommerd te zijn om de onafhankelijkheid van hun gedachte; dat zij zich inlaten met de benoemingen van provinciegouverneurs of van hoge ambtenaars, welke door de Grondwet aan het Staatshoofd voorbehouden zijn mits mede-ondertekening door een minister.
Het is niet normaal dat, vooraleer over te gaan tot de benoeming van een voorzitter, van een rechter, van een directeur-generaal, niet eerst wordt gevraagd of de candidaat bevoegd en eerlijk is, doch wel, welke zijn opinies zijn.
Het is niet normaal, dat de aan het bewind zijnde partij alle openbare ambten aan haar aanhangers voorbehoudt, feit waardoor de andere partijen er worden toe aangespoord ook aldus te handelen, eens het politieke overwicht naar hun kant gekeerd.
Het is niet normaal, dat de regerende partij nog niet voldaan is wanneer zij haar economisch en maatschappelijk programma kan verwezenlijken, hetgeen haar recht is en haar plicht, maar ook nog het geld van de Staat uitdeelt aan haar kiezercliŽntele.
Het is niet normaal, dat de partijen het uitzicht aannemen van reusachtige syndicaten voor particuliere belangen, welke tot eerste bekommernis hebben de macht in handen te krijgen om hun aanhangers te bevredigen. De steeds toenemende rol van de Staat als bedeler van ambten, toelagen, vergoedingen, pensioenen, contingenten en prioriteiten, werkt deze gevaarlijke evolutie nog meer in de hand.
Het is niet normaal, dat de burger steeds meer en meer denkt, dat een politieke steun onontbeerlijk is om van het bestuur diensten te bekomen, die het normaal aan iedereen moet verstrekken.

Eerlijkheid van het Belgisch politiek leven.
Vermelde afwijkingen en misbruiken zijn klaarblijkend. Geen enkele politieke partij kan zich volledig onschuldig verklaren. Doch, doordat zij minder dan andere partijen de gevangene is van een confessionele of sociale cliŽntele, is de liberale partij het best geplaatst om een alarmkreet te slaken en om een poging tot herstel te wagen.
Vooraleer dit te doen, moet er op gewezen worden, dat zo het Belgisch politiek leven te zeer door de partijgeest wordt beheerst, het desondanks een voorbeeld is van politieke eerlijkheid. In BelgiŽ laten de ministers en parlementsleden zich niet omkopen; omkoperij levert niet veel op; zeldzaam zijn de financiŽle schandalen en in 't algemeen verrijken de openbare mandatarissen zich niet door de politiek. Het betaamt dit te zeggen.

Heelmiddelen tegen buitensporigheden.
De grondwettelijke machten van het Staatshoofd vormen een kostbaar tegengewicht voor elk misbruik vanwege een politieke meerderheid. De Koninklijke macht is, op zichzelf, de vrijwaarster der minderheden. Zij mag niet worden verzwakt.
Beperkt door de Grondwet, afgebakend door een jarenlage traditie, toegelicht in verband met sommige van haar aspecten door de werkzaamheden van de Commissie belast met de studie der grondwettelijke beginsels, moet zij integraal worden gevrijwaard. De Koningscrisis, waardoor het land gedurende tien jaar werd geschokt, mag niet ten gevolge hebben de grondwettelijke en gewettigde bevoegdheden van het Staatshoofd, bijgestaan en gedekt door zijn ministers, in te krimpen. De Liberale Partij, die machtig heeft bijgedragen tot de huidige oplossing van het Koningsvraagstuk, welke zij van het begin af had aangeprezen, heeft tot plicht te waken voor het ongeschonden behoud der bevoegdheden van het Staatshoofd, dat zelf de grondwettelijke waarborgen eerbiedigt.

Ander heelmiddel: bestrijding van het beginsel van het regime der gesubsidieerde vrijheid voor zover het wordt toegepast op organisaties welke politieke en confessionele doeleinden nastreven.
Het verlenen van Rijkskredieten aan private organismen zou in elk geval slechts mogen geschieden krachtens geen onderscheidmakende criteria, vastgelegd in een wettekst, derwijze de ministeriele willekeur te beperken, de toelagen af te schaffen welke door partijoverwegingen zijn ingegeven en de verspilling van de openbare geldmiddelen te voorkomen.
Nog menige andere heelmiddelen kunnen voor ogen worden genomen; zij zullen op natuurlijke wijze te voorschijn komen als gevolg van een nieuwe geestestoestand welke dient geschapen en waarvan het ontstaan ongetwijfeld door de openbare opinie met ware voldoening zou worden begroet.

Meerderheid en minderheid.
De verdeeldheid naar aanleiding van de Koningscrisis en het wederopduiken van een homogene regering hebben de kwestie der rechten en plichten van meerderheid en minderheid opnieuw naar voren gebracht. Nogmaals rijst aldus het vraagstuk van de wettigheid en van de actiegrenzen der politieke partijen.
Iedereen is geneigd om slechts rekening te houden met zijn eigen standpunt. De meerderheidspartij oordeelt, dat zij op wettige wijze het gezag uitoefent; daaruit leidt zij af dat zij het recht heeft alles te doen, en elk verzet tegen haar inzichten beschouwt zij als een inbreuk op haar rechten en op de normale werking der instellingen. De minderheid, van haar kant, vindt de meerderheidspolitiek slecht; zij tracht er de ontwikkeling van te belemmeren. Dit kan aanleiding geven tot het aanwenden van buitensporige middelen, en de verleiding om die stap te wagen is groot.

Het vraagstuk ware gemakkelijker op te lossen indien men niet alleen sprak over de rechten, maar meer de nadruk legde op de plichten.

De meerderheid heeft plichten na te komen. Zij moet de gevoelens der minderheid eerbiedigen; zij dient elke provocatiepolitiek te vermijden; zij moet zich hoeden voor al wat aan haar optreden de schijn van een machtsmisbruik zou geven.
Maar bovendien en vooral moet zij vermijden, in haar voordeel en op eigen kracht een oplossing te geven aan de morele vraagstukken die de diepste en innigste gevoelens van de bevolking raken. Voor de oplossing er van is een ruime overeenkomst onontbeerlijk, welke verder reikt dan de partijgrenzen. De rechtse regering heeft gisteren haar oplossing in de Koningskwestie niet kunnen opdringen. Evenmin zou een regering van links, indien zij er ooit neiging mocht toe voelen, het katholiek geweten geweld kunnen aandoen. En thans is het gevaarlijk aanstoot te geven aan het openbaar gevoelen door een politiek van inschikkelijkheid ten opzichte van het incivisme. Hetzelfde zou gebeuren indien de meerderheid, uit eigen wil,onder voorwendsel van buitenlands gevaar, de normale waarborgen van het grondwettelijk leven mocht willen schorsen.

De minderheid heeft ook plichten te vervullen, voor zoveel de meerderheid de hare nakomt. Zij heeft tot plicht door geen andere dan wettelijke middelen de parlementaire meerderheid en de daaruit gesproten Regering te verhinderen hun programma uit te voeren; haar normale wapens zijn: de bespreking, de stemming, de perscampagne, het beroep op de openbare opinie, en niet het geweld, de staking en het oproer.

Dit is de opvatting van het liberalisme in verband met de rol, de wettigheid en de actiegrenzen van een politieke partij. Overtuigd doch niet sectarisch, bezieler doch geen verdrukker, vol eerbied voor de wettelijkheid, evenzeer bewust van zijn plichten als van zijn rechten ten opzichte van het land, tracht het aldus de burgers van goede wil te verenigen, de openbare mening te leiden en een verheven ideaal te dienen.


DE POLITIEKE DEMOCRATIE EN DE OPENBARE VRIJHEDEN


Overal ter wereld is men getuige van het heersend conflict tussen de op persoonlijke vrijheid gevestigde regimes en de totalitaire stelsels.
Onder voorwendsel de veiligheid der enkelingen of de grootheid van de Staat te verzekeren wordt door de fascistische, Hitleriaanse of communistische regimes beslag gelegd op de mensen, op hun bedrijvigheid, op hun geest en op hun gemoed.
Inlijving in het bedrijfsleven, bewerking door de propaganda, toezicht van de politie, bespieding van zijn betrekkingen, van zijn gesprekken, zijn lectuur en zijn omgang, vervolg zonder inachtneming van vormen, aanhouding zonder waarborgen, afpersing van bekentenissen door verdoving, terechtstelling wegens afwijkende opvattingen, zoals vroeger wegens ketterij werd verbrand, dit zijn de middelen waardoor de mens door de totalitaire Staat wordt herleid tot een werktuig of een volgnummer.

Tegenover die moderne vormen van barbaarsheid, bevestigt de liberaal met beslistheid de eerbied voor de persoon. Een politiek regime is niet vooruitstrevend, doch integendeel achterlijk, indien het de burger niet de gelegenheid biedt zijn eredienst, zijn politieke partij, zijn blad of zijn vrienden vrijelijk uit te kiezen. Geen enkele overweging van economische of sociale aard rechtvaardigt de afschaffing van het meest verhevene dat in de mens aanwezig is: de geestesvrijheid. De mensen hebben deze niet veroverd na twintig eeuwen strijd tegen de geestelijkheid en tegen de tyrannen om ze thans op te offeren voor de Staatsverdrukking.
De taak van de Staat bestaat niet in het afschaffen van de originaliteit der ťťnlingen, doch integendeel in het verzoenen van de eerbiediging van deze persoonlijke kenmerken met de behoeften van het gemeenschappelijk leven. Weliswaar is er geen samenleving zonder organisatie en het huidig liberalisme is niet te verwarren met het sociaal verouderd anarchistisch individualisme der XIXe eeuw. Maar het is niet minder waar, dat er zonder vrijheid geen menselijke beschaving meer bestaat.


Het volstaat niet zich uit te spreken voor de vrijheid van de mens; zij moet ook worden ingericht en verdedigd. Ze inrichten betekent: haar het tegengewicht verzekeren van de werkelijke verantwoordelijkheid van al diegenen die er gebruik van maken. Er is geen vrijheid zonder verantwoordelijkheid. Ze verdedigen betekent: het hoofd bieden aan alle heroplevende vormen van tyrannie, waardoor ze in gevaar wordt gebracht. Er is geen vrijheid zonder strijd.

De geschiedenis van het liberalisme loop samen met die van de gewetens- en meningsvrijheid. Het heeft steeds zijn eerbied bevestigd door wijsgerige, godsdienstige en politieke overtuigingen.
Elk tijdperk zag bepaalde vormen van fanatisme opnieuw opduiken, waartegen moet worden verdedigd het recht van de mens om anders te denken dan zijn maatschappelijke groep. Het Oosten heeft niet steeds ongelijk en het Westen gelijk, alleen maar omdat ons land gekant is tegen het Stalinistisch communisme. De banden der Westerse solidariteit, ontstaan uit een gemeenschappelijk gevaar, mogen er niet toe leiden, bij ons een geest van intellectueel conformisme te doen heersen. Het liberalisme maakt een onderscheid tussen de opvattingen, die vrij zijn, en sommige bedrijvigheden waartegen men zich moet verzetten. Het is gewettigd en noodzakelijk, dat de Staat zich verdedigt tegen de ondermijnende werking der vijfde kolonne, maar wij geloven niet dat de gedachten doeltreffend kunnen worden bestreden worden door de politie, en wij herinneren ons steeds, dat men in de geestesstrijd slechts geesteswapens moet gebruiken.

De persvrijheid werd door de opstellers van de Grondwet beschouwd als de vrijwaring van alle andere vrijheden. Dit is thans nog het geval. De dictatoriale regimes vergissen zich niet dienaangaande: zowel te Praag als te Buenos-Ayres vallen zij in de eerste plaats de vrije pers aan. Want daar waar verschillende nieuwsbladen onafhankelijk zijn bestaat er geen officiŽle noch ťnige waarheid.
De pers heeft rechten en plichten. Als rechten heeft men bepaald: "vrije toegang tot het nieuws, vrije uiting der opvattingen, vrij verschijnen der nieuwsbladen". Dit behelst het recht zich op volledig onafhankelijke wijze uit te drukken, zonder vrees voor de aan het bewind zijnde personen. De rechten omvatten insgelijks voorwaarden van gelijkheid in de mededinging, door een zelfde mogelijkheid van toegang tot het nieuws en tot de telefoon- en postdiensten voor de overseining ervan.
Haar plichten? De waarheid eerbiedigen, wetens en willens geen valse berichten verspreiden, de tegenstanders op billijke wijze behandelen.
Zo de persvrijheid op dit ogenblik is verzekerd, dan moet evenwel nog haar verantwoordelijkheid worden vastgelegd. De vrijwillige verspreiding van valse nieuwsberichten wordt door de wet niet gestraft; de stelselmatige laster, schuil gaande achter de traagheid en de ondoelmatigheid der rechtskundige procedures, ontsnapt feitelijk aan elke sanctie. Slechte gewoonten en oneerlijke middelen hebben hier en daar ingang gevonden. Het is vooral de taak van de rechterlijke macht en van de beroepsorganismen, in de geest van het publiek opnieuw het begrip van de persverantwoordelijkheid te prenten, als noodzakelijkheid uitvloeisel van de vrijheid, die de pers geniet. Wellicht zou Groot-BrittanniŽ, waar de pers zelf in oorlogstijd vrij is, maar waar zware boeten de lasteraars treffen, ons op dat gebied nog iets kunnen leren.

Niemand denkt er aan de vrijheid van onderwijs aan te tasten. Wie een school wil openen mag dit doen: de autoriteiten mogen over geen monopolie beschikken. Doch het recht op het geven van onderwijs is niet gekoppeld aan het recht op toelagen. Indien morgen overal in het land marxistische scholen werden ingericht, waar aan de kinderen onderwijs, in de klassenstrijd zou worden gegeven; communistische scholen, waar volgelingen van Staline zouden worden gekweekt, zou de Staat dan verplicht zijn ze met toelagen te helpen? Zulk standpunt houdt geen steek.
Het liberalisme wenst dat de bezorgdheid niet zou gaan naar die inrichtingen, die op verdeeldheid der burgers aansturen, doch integendeel naar diegene die Ė zoals de openbare en nationale school - de landgenoten trachten samen te brengen, boven alle politieke wijsgerige en godsdienstige meningsverschillen, in een poging om eendracht te verwezenlijken.

De vrijheid van vereniging en van vergadering wordt niet betwist in haar beginsel, doch het gebeurt, dat er feitelijk inbreuk wordt op gepleegd. De Grondwet duldt op dit gebied geen voorbehoedende maatregelen, en het politietoezicht op de openbare vergaderingen, door overheidsvertegenwoordigers, moet ophouden. De grenzen van die vrijheden zijn voldoende afgebakend door de strafwet. Het is niet nodig er andere te voorzien.
De politieke democratie komt niet alleen tot uiting op het Staatsplan.
Zij moet ook tot uiting komen bij de werking der plaatselijke overheid.
Artikel 108 van de Grondwet kent aan de provincie- en gemeenteraadsleden als bevoegdheid toe, al hetgeen van provinciaal en gemeentelijk belang is, onder voorbehoud van goedgekeurd hunner handelingen in de gevallen door de wet bepaald en geregeld.
Het liberalisme verzet zich tegen elke inbreuk op de aldus door de Grondwet bepaalde zelfstandigheid,en komt er tegen op dat de voogdij van de hogere overheid zou veranderen in tyrannie of dictatuur.

Het liberalisme staat niet allťťn om op te komen voor de verdediging der vrijheden van het volk. In menige omstandigheden bevestigen katholieken en socialisten hun gehechtheid aan een politiek regime, dat eerbied betoont voor de menselijke persoon.
Aldus wordt hulde gebracht aan de kracht der liberale gedachte, welke stilaan in de brede lagen der bevolking is doorgedrongen en de grenzen der Liberale Partij verre heeft overschreden.
Al mag worden gezegd, dat geheel het Belgisch politiek leven diep doordrongen is van het liberalisme, is het nochtans nodig, dat de liberalen waakzaam blijven. Zij mogen niet rekenen op hun tegenstrevers, die zich laten leiden door dogma's om de vrijheid in het algemeen, en de vrijheden in het bijzonder te verdedigen. De katholieke kringen blijven nog steeds zeer onder de invloed van de oude overheersingsgeest, en die geestesgesteldheid komt tot uiting in de wijze waarop zij zowel hun eigen non-conformisten als hun politieke tegenstrevers behandelen. Bij de socialisten verdwijnt de eerbied voor de persoon zodra zij, door rechtstreekse actie en druk aan de massa, inbreuk willen maken op de vrijheid van arbeid en, zoals in Groot-BrittanniŽ, op de vrijheid van vereniging.
Alleen de liberalen zijn niet te vinden voor geschipper wanneer de persoonlijke vrijheden op het spel staan.
De taak van het politiek liberalisme is nooit volbracht. De krachtinspanning moet onafgebroken blijven om de eerbiediging te verzekeren van de vrijheid, welke onophoudend wordt bedreigd door opnieuw opduikende dwangmaatregelen en verdrukking De vormen der tyrannie ondergaan wijzigingen, doch de strijd er tegen is eeuwig. Die strijd zal steeds door het liberalisme worden gevoerd.


VERKLARING VAN DE PLICHTEN VAN DE BURGER


Sedert anderhalve eeuw is er vooral sprake van de rechten van de mens. Het wordt tijd de burger er aan te herinneren dat hij ook plichten heeft.
Het openbaar leven wordt steeds beÔnvloed door groeperingen, waarvan het enige doel is eisen te stellen. Zowel de economische als de sociale, professionele, syndicale, gewestelijke of plaatselijke groepen, alle hebben het op de Staat gemunt. De overheid bezwijkt ten slotte onder de druk van die tussenkomsten, terwijl de burgers de gewoonte krijgen eisen te stellen zonder einde.
Het wordt hoog tijd om het begrip van plicht opnieuw ingang te doen vinden. Vooraleer eisen te stellen moet men iets aanbrengen: geen enkele samenleving kan bestaan zo men niet vooral de goede wil en de krachtinspanningen van allen verenigt.
In oorlogstijd ziet eenieder dit duidelijk in. Eenieder weet, dat hij moet bijdragen tot 's lands verdediging, en het misprijzen der natie treft diegenen, die er zich trachten aan te onttrekken.
Maar de Belg die bereid is zijn bloed op te offeren voor het Vaderland betwist het zijn geld.
In vredestijd is het bewustzijn van die plicht nog flauwer: worden de vaandelvluchtigen, de belastingontduikers, diegenen die zich onttrekken aan gemeenschappelijke verplichtingen, gebrandmerkt door het openbaar misprijzen, dat hen zou moeten treffen? Wie zou zulks durven beweren?

Dat iedereen zijn eigen gedrag maar onderzoeke en niet steeds de schuld op zijn gebuur legge.
Hij die de misbruiken der werkloosheid laakt vindt het normaal de fiscus te bedriegen. De arbeider die zijn stem verheft tegen de belastingontduiking bedriegt de maatschappelijke zekerheid en de verzekering tegen ziekte en invaliditeit. Eenieder veroordeelt vol verontwaardiging de fouten van anderen, doch betoont de grootste inschikkelijkheid voor die van zijn eigen maatschappelijke kring.

Wij denken dat een ernstig streven naar rechtschapenheid en toewijding van allen wordt gevergd om het begrip "burgerdeugd" te doen herleven.
Het civisme bestaat niet alleen in het nakomen der politieke en militaire plichten in oorlogstijd; het bestaat ook in vredestijd in de uitvoering van alle plichten van trouw en toewijding door de burger, het bestaat in de eerbied voor de eigendom van de Staat (de Staat bestelen is ook diefstal), in de betaling der belastingen, het verstrekken van het juiste antwoord op de administratieve vragenlijsten, het gebruik van de nieuwe maatschappelijke rechten in een geest van samenwerking en niet van voortdurende eisen; in het bevredigen, niet van zelfzucht, doch van rechtvaardigheid; in het aanbrengen, in het gemeenschappelijk leven, van een ploeggeest en een geest van maatschappelijk dienstbetoon.

De geestesgesteldheid van ons openbaar en van ons maatschappelijk leven dient in haar geheel worden gewijzigd.
Gedurende zijn ganse leven wordt de Belg niet behandeld als een vrij en verantwoordelijk burger, doch als een mogelijk overtreder. Van kindsbeen af tot zijn dood staat hij onder toezicht, wordt hij behandeld als een leugenaar en als een oneerlijk mens. Zelden wordt hij op zijn woord geloofd, zelden wordt beroep gedaan op zijn goede wil, zijn spontane krachtinspanning, op zijn rechtschapenheid. Hij is er zodanig aan gewoon, dat hij zich daarover niet meer ergert. Voor hem vereenzelvigt de overheid zich met een formulier, een loket of een sanctie. Dit is niet de goede wijze om vrije, verantwoordelijke en zedelijk ontvoogde mensen te vormen.
Wij vragen de wijziging van die atmosfeer.
- Op school, eerst grondslag voor dit nieuw uitgangspunt, moet men de kinderen op hun woord geloven; men moet ze leren zichzelf te leiden, niet door vrees voor bestraffing doch door persoonlijke tucht en fierheid. Soms geschiedt dit reeds, maar zulks zou overal het geval moeten zijn. De methode is reeds van toepassing maar dient veralgemeend te worden.
- In het maatschappelijk leven zou men de meeste contrŰles moeten afschaffen, doch de bedriegers streng moeten straffen.
- Bij de vervulling der dagelijkse plichten zou meer eerlijkheid moeten worden betoond, alsook een ruimere zin voor verantwoordelijkheid, opdat men, bij voorbeeld in stations vrijelijk in- en uit zou kunnen gaan zonder een kaartje te tonen, terwijl diegenen die reizen, zonder te betalen, met gevangenisstraf zouden worden beboet.
- Bij de openbare besturen zou moeten worden overgegaan tot de afschaffing van de meeste formaliteiten, bewijsstukken, visa's en waarmerkingen van handtekeningen; elke burger weze op zijn woord geloofd, doch, bij het eerste bedrog, moet hij veroordeeld worden tot drie dagen gevangenisstraf, zonder uitstel.
- Bij eenieder zou men het bewustzijn moeten aankweken van eigen verantwoordelijkheid, van de noodzakelijkheid het voorbeeld te geven, van de waarde van een ja of neen, en aan de mensen zou dienen aangeleerd, dat het welzijn van de Staat minder afhangt van de daden der Regering dan van de houding van ieder burger afzonderlijk.

De Belgen zijn niet minder bekwaam dan de Britten of de burgers der Scandinavische landen om blijk te geven van eerlijkheid, fair-play en burgerdeugd.
Daarop moet echter beroep worden gedaan.
De klerikale opvoeding, steunend op onderwerping, heeft veel bijgedragen tot het indompelen van het gevoelen van persoonlijke verantwoordelijkheid bij de burgers. Het hoort ons, liberalen, toe, dit wakker te schudden.
Een zeer uitgebreide krachtinspanning is daartoe nodig. Doch zij zal de moeite lonen. Want een land waar de burgers, mannen en vrouwen, zich bewust worden van hun sociale verantwoordelijkheid is een hervormd en hernieuwd land.
Met die gedachte en hoop bezield, legt het liberalisme tegenover de Belgische openbare opinie deze verklaring van de plichten van de burger af.


HET LIBERALISME OP ECONOMISCH GEBIED


Het liberalisme is vooral een leer van krachtsinspanning en solidariteit.
Het steunt op het privaat initiatief, de ondernemingsgeest, de persoonlijke verantwoordelijkheid, welke de beste bronnen zijn van 's mensen energie, van voorspoed en sociale vooruitgang.
Het gelooft in de vrijheid, docht het weet dat die vrijheid begrensd is.

A. Vrijheidsdeugden
Het liberalisme gelooft in het nut van de mededinging welke, in het algemeen belang, de krachtinspanningen aanmoedigt, de kwaliteit verbetert, de prijzen doet dalen, de productiviteit aanmoedigt.
Het gelooft in de markteconomie, welke door de vrije werking der prijzen, het evenwicht behoudt tussen de aangeboden hoeveelheden waren en de gevraagde hoeveelheden, waardoor zowel de schaarste als de verspilling wordt voorkomen.

Het liberalisme bestrijdt al wat die mededinging en dit prijzenmechanisme in gevaar brengt, met name:
- Misbruiken van de monopolies, welk de uitbuiting van de verbruiker ten gevolge hebben;
- Het bilateralisme, waardoor het internationaal ruilverkeer wordt vervalst;
- De toelagen, die de wisselwerking van de economische wetten vervalst;
- De nationalisaties, die de persoonlijke inspanning verlammen.

Het Liberalisme strijdt voor:
- De veralgemening van de individuele eigendom, wat in tegenstelling staat met de veralgemening van de onteigening;
- De vrije omloop der gedachten, der mensen, der goederen en der kapitalen;
- De trapsgewijze verlaging der tolmuren, hetgeen de beste wijze is om Europa tot stand te brengen en zijn economische macht en levensstandaard te verhogen;
- De samenwerking van arbeid, spaarwezen en verbruikers met de overheid, inzake exploitatie van de diensten van openbaar nut en in de gevallen waar de private activiteiten ontbreken.
- De bescherming van het sparen.

Het stemt in met elk initiatief tot ťťnmaking, dat er toe strekt de economie van verschillende landen te versmelten en ruimere afzetgebieden tot stand te brengen.

De liberale leer is fundamenteel gekant tegen het collectivisme. Zij heeft niet het minste vertrouwen in de hoedanigheden, wat betreft beheer en leiding, van de overheid op economisch gebied. Zij is bevreesd voor haar onbevoegdheid, traagheid en neiging tot uitgaven.

Dan wanneer het collectivisme het bedrijfsleven door dwang wil besturen en door het uitvoeren van een vooropgesteld plan, dat wordt toegepast door een overal vertakte en oppermachtige administratie, wil het liberalisme de bedrijvigheid aanmoedigen door de ontluiking der persoonlijke initiatieven.

B. Grenzen der Vrijheid
De economische vrijheid, zoals elke vrijheid, is begrensd. De welvaart mag niet verward worden met de wedloop zonder wetten, waarbij de sterken de zwakken verpletteren, waarbij de minst nauwzienden hun evenmens uitbuiten.
Het liberalisme mag al evenmin verward worden met "het laten begaan", waarbij de vrijheid der burgers zou gelijkstaan met anarchie.
De Staat heeft in het bedrijfsleven een rol te vervullen: hij is de bewaarder van de munt, de toeziener op de handelsmoraliteit, de bevorderaar der nationale en internationale overeenkomsten.

De liberale leer is gekant tegen de misbruiken van het kapitalisme en keurt de misbruiken af van de economische macht. Het liberalisme is van oordeel, dit wanneer de opduiking van een groep belangrijke ondernemingen van aard is de andere en de verbruiker nadeel te berokkenen, dat de Staat tot plicht heeft tussenbeide te komen om het monopolie te breken en de concurrentie te herstellen. En wanneer een groep landen er zich op toelegt om zich, door hun koopkracht, sommige bronnen aan grondstoffen voor te behouden, de andere naties gerechtigd zijn om een reglementering te eisen, welke dank zij een billijke verdeling, hun bevoorrading vrijwaart.

Het liberalisme is insgelijks niet te vinden om op muntgebied vrijelijk te laten begaan. Het is van oordeel dat het behoud van de koopkracht van de frank de beste aanwakkering is voor initiatief en spaarwezen.
Het keurt sommige maatregelen goed met het oog op de bescherming der munt. Het is nochtans de mening toegedaan, dat het beste middel tot bestrijding van avontuur op muntgebied en van prijsstijging er in bestaat de productie te bevorderen en deze tot bloei te brengen in een vrijheidsatmosfeer.
De ware bestrijding van inflatie en muntonvastheid bestaat in het in evenwicht houden van de Rijksbegrotingen door inkrimping van de uitgaven.

De liberale partij wil de maatschappij vooruitgang. Zij wil de ellende doen verdwijnen en de veiligheid tot stand brengen.
De liberale leer is voorstander van hoge lonen, doch zij wil dat deze overeenstemmen met een werkelijk hoge koopkracht, hetgeen slechts door de verhoging der productiviteit kan worden bereikt.
Het wil de billijke verdeling van het nationaal inkomen, voor het welzijn van allen en niet tot eenieders ellende.
Het liberalisme wenst te zien komen tot de deproletarisatie der werkende standen, dank zij de uitbreiding van het kleine bezit, de bouw van goedkope woningen en uitbreiding van de kleine landeigendom, de aanmoediging van het spaarwezen.
Het wenst een vertrouwelijke samenwerking tussen werkgevers en arbeidersklasse, zowel als tussen de staat en de economische krachten van het land.
Uit de uiteenzetting van de beginselen, de hoedanigheden en de perken van de economische vrijheid blijkt dat het Liberalisme de noodzakelijke voorwaarde uitmaakt om de uitbreiding van het bedrijfsleven te verzekeren zowel op gebied van productie als op dit van het verkeer, de verdeling en het gebruik, en om, door de vrijwaring van het individueel en algemeen belang, de finaliteit van de menselijke inspanning te verwezenlijken.
Het is dank zij zijn liberalistische economie en de krachtinspanning van zijn inwoners dat het BelgiŽ van 1918, ten onder gebracht en geplunderd, zijn fabrieken vernield en zijn werkhuizen verwoest zijnde, zijn economie heeft hersteld in een tempo waarover de ganse wereld zich heeft verwonderd.
Het is inzonderheid omdat het in geringere mate dan zijn buurlanden toevlucht heeft genomen tot dirigistische leerstelling, dat BelgiŽ in 1944 zo snel zijn productiviteit en zijn levensstandaard heeft hersteld.


DOCTRINAAL STANPUNT VAN DE PARTIJ
OP FINANCIEEL EN BELASTINGGEBIED


FINANCIELE VRAAGSTUKKEN
Inleiding
Dit werk ligt buiten het eng actualiteitsgebied en is gericht op het opsporen der grote beginselen welke, in het leven van de Staat, ten grondslag moeten liggen aan een samenhangende financiŽle en fiscale politiek, niet alleen bekommerd om de huidige belangen doch insgelijks om de toekomst.
Dit om te zeggen dat wij er niet hebben aan gedacht een omstandige kritiek te maken van de financiŽle politiek van BelgiŽ en van de wetten waarbij zijn fiscaliteit wordt geregeld.
Wij hebben ons beperkt bij een onderzoek der principes, in de overtuiging dat de improvisatie- en gemakzuchtspolitiek waartoe de Staat thans zijn toevlucht neemt slechts leiden kan tot zware ontgoochelingen, en voor de gemeenschap slechts pijnlijke gevolgen met zich brengen kan.
Van nu reeds menen wij te moeten bevestigen dat de terugkeer tot een wijze politiek op belastinggebied voor sommigen opofferingen en verzakingen ten gevolge zou kunnen hebben. Dergelijke vaststelling ontslaat ons niet van de plicht de waarheid te zeggen. De geschiedenis heeft ons aangetoond dat het verval der politieke regimes steeds gepaard ging met een aangroei van functionarisme en van fiscaliteit.
Indien de parlementaire democratie wil blijven bestaan, de grote overwinningen der mensheid vrijwaren en het behoud der intellectuŽle en morele vrijheden verzekeren, moet zij de noodzakelijkheid inzien van een terugkeer tot een gezonde en vooruitziende financiŽle politiek, tot een gematigd en soepel belastingwezen.
Het uit te voeren werk is machtig groot. Maar het is zo dringend nodig, dat noch zijn omvang noch de er aan verbonden moeilijkheden ons kunnen tegenhouden.

Openbare uitgaven en diverse ontvangsten
Eenieder weet hoe de Staat zijn begrotingen opmaakt. Elk ministerieel departement maakt de raming op van zijn uitgaven en deze wordt voorgelegd aan het departement van FinanciŽn en, sedert enkele tijd, aan het Begrotingscomitť.
De Minister van FinanciŽn tracht bij ieder departement inkrimpingen van uitgaven te bekomen.
Wanneer aldus de eindcijfers worden bepaald, is het totaal der door de verschillende ministeriŽle departementen voorziene uitgaven een aanwijzing voor de Minister van FinanciŽn wat betreft het bedrag der inkomsten waarvan hij de inning moet verzekeren.
Wie ziet niet het ongezonde in van dergelijk stelsel?
Gans het economische leven van het land, alle individuele begrotingen worden getroffen, niet in overeenstemming met hun moeilijkheden, doch met de behoeften van de Staat.
Dit kwaad is des te erger daar het jaarlijks karakter der begrotingen en belastingwetten niet meer beantwoordt aan de noodwendigheden van een moderne Staat.
Wat gebeurt er feitelijk?
In tijdperken van hoge economische conjunctuur, wanneer de belastingontvangsten gemakkelijk geschieden, verhoogt de Staat zijn uitgaven. Bij inzinking van de conjunctuur, ziet de Staat zich genoopt, om het hoofd te bieden aan zijn verhoogde uitgaven, ofwel de fiscaliteit uit te breiden, dan wanneer logischerwijze de verlichting er van zou zijn geboden, ofwel tot muntmanipulaties over te gaan.
Om die vaststelling toe te lichten zou het volstaan de gebeurtenissen in herinnering te brengen welke zich sinds 1919 tot heden ten dage hebben voorgedaan.
Een rationele inrichting van de Staat zou hedendaags financiŽle plannen vergen, gaande over verschillende jaren. De boni's en de tekorten zouden moeten kunnen overgedragen worden en verdeeld of afgelost op verschillende dienstjaren.
Toen POINCARE, na 1918, op zich nam de Franse financiŽn gezond te maken, temidden van blijkbaar onoverkomelijke moeilijkheden, nam hij zijn toevlucht tot zulk procťdť. Het herstel werd als een mirakel aangezien. Doch de terugkeer tot de vroegere vergissingen bracht snel het werk van den gewezen President der Republiek ten onder.
Laten wij hieraan toevoegen, dat het huidig stelsel der Staat dwingt tot het toepassen van financieringsmiddelen of tot kunstmatige middelen waardoor de toekomst met lasten wordt belemmerd.
De buitengewone begroting wordt dikwijls bezwaard met uitgaven welke op de gewone begroting zouden moeten voorkomen en uit deze slechts worden geweerd om haar schijnbaar evenwicht te verzekeren. Vandaar de toevlucht tot leningen voor uitgaven welke door normale ontvangsten dienen te worden gedekt.
In dit opzicht heeft de lening in het leven van de Staat een overdreven plaats ingenomen. De lening zou slechts bij uitzondering mogen geschieden en maar mogen dienen voor blijvende beleggingen.
Dit misbruik van lening - die verdaagde belasting of, zo men verkiest, die voorbode van devaluaties - noopt de Staat tot initiatieven welke op zijn minst paradoxaal zijn. De vrijstelling van belastingen, welke hoe langer hoe meer wordt voorzien voor de Staatsleningen, is niet te verantwoorden en tevens ongezond. Aldus ontsnappen aan de belastinggreep inkomsten die door de nationale gemeenschap aan particulieren worden betaald.
En wij mogen niet vergeten dat die vrijstelling aan de staat, met het oog op het bekomen van krediet, zulk voordeel oplevert dat de privaatsector er onder lijdt en dat, langs die omweg, de baan der nationalisaties gemakkelijk kan worden opengesteld.

Druk der openbare uitgaven
Het ligt voor de hand dat elke sanering van onze financiŽle politiek de beperking der Rijksuitgaven vooropstelt.
Wat ook gezegd worde, die beperking is mogelijk. Maar zij vergt een radicale herziening der Staatsbedrijvigheden. "De Staat terug op zijn plaats en in zijn rol", aldus moet de toe te passen formule luiden.
De Staat stelt zich heden ten dage aan als geldschieter, bankier, inrichter van schouwspelen, verzekeraar, exploitant, invoerder, uitvoerder en veel meer nog - hetgeen hem, dit terloops gezegd, een steeds groter wordend politioneel uitzicht geeft.
Alles is gereglementeerd. Elke reglementering onderstelt administratie en functionarisme. De Staat schaft nooit een overbodige dienst af, omdat die afschaffing in electoraal opzicht te duchten protesten zou uitlokken. De Staat beschikt niet over een vast inventaris van zijn materieel. De Staat richt de arbeidsproductiviteit niet in.
En, wat paradoxaal is voor onze tijd, die overal indringende Staat verzaakt in handen van parastatale inrichtingen een ruim deel der bevoegdheden die hij zichzelf heeft toegekend. Hij doet afstand zonder de minste doelmatige contrŰle.
Hij is onwetend van het bedrag der door hem in die organismen feitelijk uitbetaalde bezoldigingen. Hij sluit de ogen voor het onnodig naast of boven elkander gestelde bedrijvigheden van menige parastatale instellingen, inzonderheid in zake krediet.
Hij schijnt niet in te zien dat verschillende bedrijvigheden waarvan hij de last draagt terug aan de privaatsector zouden kunnen worden toevertrouwd en aldus de uitgavenlast verminderen.
Hij wil zich met alle bedrijvigheden der ondergeschikte besturen bemoeien. Dan wanneer in BelgiŽ de decentralisatie zou nodig zijn, wurgt de Staat - door de gedurige verzwaring van zijn administratieve machine Ė de gemeentelijke zelfstandigheid en de provinciale initiatieven. Aldus nemen de uitgaven onophoudend toe. De begrotingen vertonen nog slechts theoretische evenwichten. De fiscaliteit verergert. Het spaarwezen is uitgeput en de arbeid ontmoedigd.
De Staat moet besluiten tot de afschaffing van de nutteloze of gewoonweg overbodige diensten of ook nog van al diegene welke zonder bezwaar terug kunnen worden overgelaten aan het privaat initiatief.
Wij kunnen er niet aan denken hier de opsomming te doen van alle diensten en besturen welke tot deze categorieŽn behoren.
Te beginnen met het bestuur, waaronder thans het urbanisme ressorteert, tot de diensten welke in verschillende departementen belast zijn met de uitgifte van vaak confidentiŽle publicaties, ziet men de opeenvolging van menigvuldige bestuurscellen waarvan het nut meer dan te betwisten valt.
Het toelagenstelsel is ook een der ongezondste die men zich kan indenken. Dit regime, ten dienste gesteld, niet alleen van het bedrijfsleven doch ook van de partijpolitiek, is niet te verantwoorden. De verhindering van de stijging der levensduurte door middel van toelagen is zinsbedrog: de gemeenschap betaalt in de vorm van belastingen hetgeen zij aan de nijverheid zou hebben betaald. Bovendien vervalst zulk regime de werking der economische wetten en verdraagt het slechts onvermijdelijke aanpassingsmoeilijkheden.
Wat de aan privaatorganismen uitgekeerde toelagen betreft, zoals die verstrekt worden door het Ministerie van Volksgezondheid, deze hebben feitelijk geen ander doel dan partijbelangen te dienen, zonder enige bekommernis om het gemeenschappelijk belang.
Die vaststellingen dringen zich op aan iedereen. Sedert jaren maken zij het onderwerp uit van redevoeringen, onderzoeken, beloften. Het blijft daarbij.
Het zal het liberalisme tot eer strekken het land te hebben aangetoond welke zijn financiŽle politiek moet zijn en zich krachtdadig en onverzettelijk te hebben aangesteld als de voorvechter van de onontbeerlijke heropbeuringsmaatregelen. Aldus zal het land ten slotte begrijpen waar het zijn heil kan vinden en door wie dit kan worden verzekerd.

Het Parlement en de financiŽle politiek.
Wie zou het kunnen ontkennen dat wij getuige zijn van een nadelige afwijking van het parlementair regime? De hoofdzakelijke taak van het Parlement, de controle der uitgaven, wordt niet mee vervuld.
De stelselmatige goedkeurig der voorlopige twaalfden, het onderzoek der begrotingen wanneer deze reeds zijn toegepast, de toevlucht tot in Ministerraad overlegde kredietenÖ door dit alles wordt aan het Parlement een hoofdzakelijke taak onttrokken.
Dan wanneer het Parlement de politiek van de Regering moet beoordelen en oriŽnteren door middel van de controle op de uitgaven en het verlenen van geldmiddelen, geniet de Uitvoerende Macht heden ten dage een nagenoeg volledige vrijheid.
In dit opzicht valt niet te betwijfelen dat de verantwoordelijkheden zijn verdeeld. De Wetgevende Kamers besteden aan bijkomstige taken de tijd die aan het hoofdzakelijke zou dienen gewijd.
De Uitvoerende Macht, die in die afwijking als voordeel vindt te ontsnappen aan de controle der gekozenen van het Volk, doet niets om het Parlement terug te brengen tot de uitoefening van zijn voornaamste taak: de controle op de openbare uitgaven.
Met spijt moet men een ware parlementaire verzaking vaststellen, wanneer men volgende ernstige realiteit beschouwt: thans wordt de waarde van de munt door de Uitvoerende Macht bepaald, buiten het Parlement om. Met andere woorden, de muntdevaluaties ontsnappen aan de controle der Kamers.
Aan deze stand van zaken dient een eind te worden gemaakt.

Besluit. Het land is gewikkeld in een financiŽle politiek zonder vooruitzicht, bestaande in improvisaties, en die slechts een gevaar kan zijn voor de arbeidsinspanning, de spaarmogelijkheden en, per slot van rekening, de muntstabiliteit.
Een heropbeuring is nodig.
Dit doet onderstellen:
1) De aanpassing der Rijksuitgaven aan 's Lands middelen;
2) De strenge beperking der openbare uitgaven: de Staat moet op zijn plaats en in zijn rol worden teruggebracht;
3) De terugkeer tot strenge beginselen op begrotingsgebied: gewone en buitengewone begroting;
4) Een gematigde en aan de beleggingsnoodwendigheden aangepaste leenpolitiek;
5) Om de toepassing van die beginselen te verzekeren, opmaken van cyclische begrotingen met mogelijkheid tot overdracht van overschot en tekort;
6) De eenmaking en de verduidelijking van de comptabiliteit van het Rijk en van de parastatale instellingen.

DE FISCALITEIT
De op ons land drukkende fiscaliteit is het onvermijdelijk gevolg van een op zichzelf slecht zijnde algemene politiek.
Zo de belastingverlichting in BelgiŽ een dwingende noodzakelijkheid is, moet nochtans worden bevestigd dat daaraan niet kan worden voldaan zonder een voorafgaande vermindering der openbare uitgaven.
Het Belgisch belastingswezen is grotendeels na 1918 ontstaan.
Het lijdt geen twijfel dat te dien tijde een fiscale ideologie, ingegeven door de meest lofwaardige redenen, ten grondslag lag aan de regerings- en parlementaire initiatieven. De directe belasting, welke de aangegeven en gecontrŰleerde inkomsten trof, was een nieuwigheid, welke in beginsel onaanvaardbaar leek te zijn.
Door de toenmalige belastingwetenschap werd een duidelijke grens getrokken tussen de directe belasting, waardoor het inkomen werd getroffen, en de indirecte belasting, welke gold voor het verbruik van goederen. De eerste beantwoordde aan een onbetwistbare betrachting naar democratische rechtvaardigheid.
De ondervinding heeft die fiscale ideologie zwaar aangetast.
Thans wordt niet betwist dat de directe belasting uiteindelijk wordt opgenomen in de levensduurte, zowel als de indirecte belasting.
Anderzijds, was de directe belasting van het arbeidsinkomen in sociaal en economische opzicht slechts te aanvaarden op voorwaarde dat zij bijzonder gematigd zou zijn.
Ongelukkiglijk, daar de behoeften van de Staat aanhoudend toenamen, werd die belasting steeds zwaarder. De gevolgen van die toestand bleven niet lang achterwege: uitbreiding van het bedrog, administratieve reactie en wettelijke ingewikkeldheid, ontmoediging van de arbeid, aantasting van de spaargeest. Aldus is een op zichzelf billijke belasting ondraaglijk geworden, waardoor tussen de Staat en de belastingplichtige een vijandige atmosfeer werd geschapen.
Overdreven directe belasting, ingewikkeldheid der wetten zijn niet de enige te verhelpen kwalen: de gedurige veranderingen der belastingwetten verergeren nog de verwarring van de belastingplichtige.
Sommige administratieve practijken verscherpen nog het kwaad.
Het is ondenkbaar dat het bestuur weigert zich neer te leggen bij de beslissingen van het gerecht, en dat soms een wet tot stand komt opdat een einde zou worden gemaakt aan een bepaalde interpretatie der wet door de Hoven en Rechtbanken.
Het staat vast dat onze belastingwetgeving moet worden herdacht en derhalve grondig moet worden gewijzigd.
In het belang, zowel van de Staat als van de belastingplichtige, moet zij beantwoorden aan sommige normen die als volgt kunnen worden samengevat: billijkheid, eenvoud, gematigdheid.

Billijkheid
De directe belasting, zoals zij thans wordt geÔnd, is niet meer billijk van aard.
Op dit gebied kunnen menige kritieken naar voren worden gebracht:
1. De samenvoeging van de inkomsten der echtgenoten druist in tegen de rechtvaardigheidsgeest en de maatschappelijke moraal. Het kan niet worden aanvaard dat een man en een vrouw die beiden werken een veel zwaardere belasting betalen indien zij gehuwd zijn dan wanneer zij onwettig samenwonen;
2. Door het mechanisme der vrijstellingen en de toevlucht tot de rechtspersoonlijkheid, is het thans de belastingplichtige met een gemiddeld inkomen die de zwaarste belastingen betaalt;
3. Het jaarlijks karakter der belasting is zelf strijdig, Ťn met billijkheid, Ťn met 's lands belang. De belastingplichtige die, in de loop van een jaar, een uitzonderingswinst boekt, welke soms de bezoldiging uitmaakt van een over verschillende jaren vervulde arbeid, zal zich zwaar zien belast, zonder dat rekening wordt gehouden met zijn vroegere of toekomstige inkomsten.
4. Gans ons belastingstelsel in zake gezinslasten is insgelijks strijdig met 's lands belang en met de billijkheid. Wat in BelgiŽ beter dient beschermd is het middelmatig gezin.
5. Om de trusten te bestrijden is het nodig onze bedrijven in fiscaal opzicht op gelijke voet te behandelen. Te dien einde is het onontbeerlijk dat de overdrachtsbelastingen derwijze zouden worden aangepast dat de nijverheids- en handelsconcentraties niet worden bevoordeligd.

Eenvoudigheid
De ingewikkeldheid van onze belastingwetten moet niet meer worden bewezen. Ieder Belg heeft er gedurig mee af te rekenen.
De wetten moeten worden vereenvoudigd. Zij kunnen het zijn.
Het forfaitair stelsel biedt aan het bestuur een aanzienlijke mogelijkheid tot vereenvoudiging en tot verlichting der contrŰles.
De vaststelling van sommige indiciŽn overeenstemmend met een minimumbelasting zou insgelijks de belastingplichtige in de mogelijkheid stellen zich gemakkelijk rekenschap te geven van het bedrag zijner belastingschuld.
Bovendien, zonder dat het hier mogelijk zou zijn de ontelbare gebieden op te sommen waar dit beginsel toegepast zou kunnen worden, dringt zich de terugkeer op tot de grote beginselen van het recht. Al te vaak, en des te langer hoe meer, wijkt het fiscaal recht af van het gemene recht. De belastingplichtige die vertrouwd is met dit laatste begrijpt niet meer dat hetgeen burgerlijk waar is, in fiscaal opzicht geen waarheid meer zou zijn.
Tenslotte moet gans de regeling der administratieve geschillen worden herzien. Het Bestuur mag niet langer rechter en partij zijn. Als rechter is het verdacht. Het overlaadt zich met een bezigheid welke niet de zijne is.

Gematigdheid
De belasting op het arbeidsinkomen moet gematigd zijn.
Zo men aan het algemeen belang denkt is het een grove dwaling zich in te beelden dat de belasting aanzienlijk mag zijn wegens het enkel feit dat het inkomen belangrijk is.
Men verliest aldus uit het oog dat het door het inkomen is, voor zoveel het niet uitgegeven noch belast is, dat spaargeld kan worden vergaard, dat de oprichting wordt bevorderd van nieuwe ondernemingen of ten minste de modernisatie van de bestaande bedrijven.
De economische crisissen worden verscherpt door het feit dat, wegens ontoereikende wedersamenstellingen van gespaarde kapitalen, elke inzinking van de conjunctuur niet meer wordt gestuit door een overgangsperiode tijdens welke beroep kan worden gedaan op individuele reserves.
Wij aarzelen niet om te zeggen dat men vůůr de keuze staat tussen de gematigdheid op belastinggebied, waarbij het spaarwezen en initiatief worden geŽerbiedigd, en het communisme.
Er is geen duurzame middelmatige oplossing.
De belastingwetgeving geldend voor de vennootschappen verergert dan nog het gevaar.


SOCIALE VRAAGSTUKKEN


De sociale liberale leer omvat drie onafscheidelijke aan elkander verbonden beginselen: sociale vooruitgang Ė vrijheid Ė solidariteit. Het is in de vereniging van deze drie van elkander onafscheidbare elementen dat de oorspronkelijkheid en de kracht er van schuilt.

SOCIALE VOORUITGANG: hierdoor stelt zij zich tegenover het conservatisme, ongevoelig voor het menselijk lijden. Zij verwerpt het op maatschappelijk gebied reeds voorbijgestreefd "paternalisme"en zij eist hervormingen, ingegeven door een geest van maatschappelijke rechtvaardigheid.
VRIJHEID: hierdoor verzet zij zich tegen de collectivistische leerstellingen, zowel van links als van rechts, welke de maatschappelijke evolutie slechts inzien door de tyrannie van de groeperingen en van de Staat; zij bevestigt daarentegen dat de vooruitgang van de maatschappij dient verwezenlijkt te worden met eerbied voor de vrijheid der mensen en door aanmoediging van de persoonlijke inspanning;
SOLIDARITEIT: hierdoor verzet zij zich met klem zowel tegen een egoÔsme, onverschillig tegenover andermans lot, als tegen de leerstellingen welke gegrondvest zijn op klassenstrijd; zij vergt een maatschappelijke atmosfeer van bijstand, voorzorg en onderlinge hulp en zij bevestigt dat alle mensen solidair zijn bij de scheppende krachtsinspanning tot welzijn en maatschappelijke vooruitgang. Zij vindt haar uitdrukking en bekrachtiging in de beginselen opgetekend in het Handvest van de Rechten van de Mens.

Het liberalisme plaatst de eigendom van de arbeid als een fundamenteel recht aan de basis van zijn maatschappelijk programma, waardoor het iedere burger, tot welke maatschappelijke stand hij ook behoort, het zo volledig mogelijk genot van de vruchten van zijn arbeid wil waarborgen.
Het acht alleen als wettig, een maatschappelijke rangorde gesteund op de kwaliteitswaarde, op het sociaal en economisch nut en op de verantwoordelijkheden verbonden aan het door eenieder verrichte werk.
Het streeft naar de verbetering van de sociale vorming der elite en de ontwikkeling van de sociale geest in opvoeding en onderwijs, van oordeel zijnde, dat de omgang onder mensen die tot een verschillend maatschappelijk peil behoren, dient bevorderd te worden om aldus de maatschappelijke scheidsmuren neer te halen.
Volgens hem heeft die elite niet meer tot grondslag het geld, doch de arbeid, de cultuur en het dienstbetoon, bij alle lagen van de maatschappij. Daarom wil het de vorming bevorderen van de intellectuele en handenarbeiderskaders, dank zij een stelsel van studievergoedingen, waardoor feitelijk de gelijkheid zal worden bewerkt van alle burgers die door hun aanleg tot studie zijn voorbestemd.
Gelet op de bijzondere plaats die de geestesarbeiders in de moderne wereld innemen, kan het, anderzijds, niet aanvaarden dat de huidige strekkingen tot economische en sociale gelijkschakeling er, ondanks hun studiŽn en krachtinspanningen, gewone intellectuŽle handlangers zouden van maken.
Het bevestigt opnieuw, dat de werkloosheid de sociale plaag is van deze tijd en dat de Staat derhalve tot opdracht heeft, ieder mens zijn recht op arbeid te doen genieten.
Het beginsel van de syndicale vrijheid - een andere grondslag van het liberaal standpunt op maatschappelijk gebied - moet in een rechtsstatuut der arbeiders worden vastgelegd.
Het modern liberalisme aanziet de staking als een recht der arbeiders, doch als een uiterste middel, dat geen aanleiding mag geven tot oproer en wanorde, noch een belemmering worden door de vrijheid van arbeid. Inzonderheid is het de menig toegedaan dat de ambtenaars het stakingsrecht slechts mogen uitoefenen voor zooverre dat de levensbehoeften van het land steeds worden verzekerd.

Wat de maatschappelijke zekerheid betreft, aanvaardt het de grondbeginselen van het besluit van 28 December 1944, doch is van oordeel dat de regeling der maatschappelijke zekerheid door een gestadige ontwikkeling, het vergelijk tussen de enkeling en de gemeenschap moet voltooien.
Zonder echter toevlucht te nemen tot veel geld kostende omvormingen, die slechts twijfelachtige uitslagen zouden kunnen opleveren, kan het volstaan het bestaande stelsel te saneren en leniger te maken.
Is het niet aangewezen, door de opvoering van het huidige maximumbedrag, nieuwe lasten op te leggen noch aan de arbeiders noch aan de nijveraars, des te meer daar de eersten slechts een bedrieglijke compensatie zouden vinden in de gevergde opofferingen.
Is de menig toegedaan, dat in elke sector van Maatschappelijke Zekerheid vooreerst naar financieel evenwicht dient gestreefd te worden zonder daarbij lapmiddelen te gebruiken ingegeven door politieke oogmerken.
De Staat moet zorg dragen voor de gestadige verbetering van de lichamelijk gezondheidstoestand der bevolking, door ten bate van alle burgers, te strijden tegen ziekten met sociale weerslag, zoals longtering, kanker, kinderverlamming, venerische ziekten en lupus. Deze strijd zal doelmatig worden ingezet door een politiek van hygiŽne en volksgezondheid, waarbij begrepen een uitbreiding der watervoorziening en der rioleringsnetten, alsook een verbetering van de uitrustingen in 's lands ziekenhuizen.
De Staat moet insgelijks 's lands zedelijke gezondheid verzekeren, niet alleen door bestrijding van de werkloosheid doch ook door het nemen van nationale maatregelen met het oog op de wederopleiding der invaliden.
Het liberalisme acht het nodig de verzekering tegen de gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood te zien worden aangemoedigd bij de zelfstandige arbeiders die zich niet vrijwillig aansluiten bij alle op sociaal gebied genomen schikkingen, zonder daarom de verplichte aansluiting bij veel geld kostende inrichtingen op te dringen aan diegenen die zulks niet willen.
Ten slotte meent het sociaal liberalisme dat de Staat het gezin moet beschermen door, met een stelsel van leningen tegen geringe interest, de jonge gezinnen te helpen bij het stichten van een haard en verder door het voeren van en kredietpolitiek, waardoor de arbeiders in de gelegenheid worden gesteld om eigenaar te worden van een onroerend goed.


JEUGDVRAAGSTUKKEN


I. HET LIBERALISME EN DE JEUGD
Het uitzien naar een liberale doctrine welke bestemd is voor de jeugd betekent niet zich overlaten aan wijsgerige beschouwingen over jonge lieden, zoals men, ten tijde van de salons, aangename gesprekken heeft kunnen voeren over de vrouw, over haar aantrekkelijkheden en haar zwakheden. Dit vergt evenmin lange redevoeringen vol uitlatingen en bekommernis voor diegenen die het beu worden "'s lands toekomst" te zijn, met andere woorden diegenen die in het hedendaagse aan kant worden gelaten. Het opmaken van een geldige doctrine eist verzaking aan het kunstmatige en het oppervlakkige.
Maar voor de jongeren die de actie beminnen Ė de jonge liberalen hebben tot leefregel en gewoonte handelend op te treden en te scheppen Ė is de bekoring groot om de leerstelling tot de feiten te herleiden.
De doctrine is niet de actie: zij is de regel der actie, opgeklaard door de geest ener philosophie, opgemaakt voor een bepaalde periode, door het in overeenstemming brengen van de gedachte met het geheel van omstandigheden en werkelijkheden.
Dit intellectueel kader voor onze studie lijkt ons wijselijk in een tijd waar de etiketten worden vermengd en men zich door woorden het hoofd op hol laat brengen.

II. HET LIBERALISME TEGENOVER DE JEUGD
Laat ons het liberalisme als vertrekpunt nemen; zijn zekerste en origineelste grondslag is ongetwijfeld een wijze om de zaken en de vraagstukken in te zien. Deze is een humanisme, gericht op de mens, met al zijn rijkdom, met zijn ganse complexiteit, met al zijn levenswijzen. Het houdt zich vrijwillig buiten het bereik van de willekeurige metaphysica, van ideologieŽn en dogmatiek.
Het liberalisme heeft opgehouden uitsluitend individualistisch te zijn, zij beschouwt de maatschappij als het historische en natuurlijke kader van de mens en het beschouwt de groep, in overeenstemming met het sociologisch pluralisme dat door professor DUPREEL werd bepaald.
Fataal bekommert het zich om de jeugd, een der meest vanzelfsprekende maatschappelijke realiteiten, niet alleen door de gemeenschappelijke eigenschappen van al diegenen die er toe behoren (ouderdom, lichamelijke eigenschappen, intellectuele en morele eigenschappen), maar ook door hun gevoelens van te behoren tot de groep, van hun eigenlijke identiteit en van solidariteit. Aldus vertoont zich het samentreffen van het liberaal humanisme met de jeugd.
De twee fundamentele karaktertrekken er van zijn realisme en vooruitstreven. Zijn realisme verbiedt het onwetend te zijn van het bestaan en de gewettigde betrachtingen van menselijke wezens, of te weigeren hun stem te horen. Zijn progressisme, 't is te zeggen zijn eerbied voor evolutie, spoort het er toe aan de jeugd een der eerste plaatsen voor te behouden onder zijn bekommernissen. De jongeren bekleden inderdaad een steeds belangrijker wordende plaats in onze samenleving, dank zij de veralgemening van het onderwijs: zij studeren meer, denken dieper na, en wensen deelachtig te zijn aan de regeling van hun lot.
Ten slotte is de grootste eigenschap van het liberalisme, geen ideologie te zijn. Het is in volledige tegenstelling met alle wereld- en maatschappelijke philosophiŽn welke zich vertonen als definitieve verklaringen en vervat zijn in onveranderlijke bijbels. De politieke groepen welke zich op een dezer denkwijzen beroepen hebben de zwakheid de steeds veranderende en ingewikkelde werkelijkheid aan dwingende en onveranderlijke formules te willen onderwerpen: de toepassing van het plan heeft de voorrang op de wil en de vrijheid van de mens waarvoor het nochtans werd opgevat; de doctrine is schoon en geheiligd: des te spijtiger voor de wetenschap, des te spijtiger voor het leven, zo zij maar de waarde heeft behouden van een historische getuigenis.
De voorvechters der ideologie, zij mogen zich marxisten of katholieken noemen, zijn geneigd om de jongeren uitsluitend te beschouwen als in te lijven propagandisten, als soldaten die men gebruikt tot zogezegd verhevener doeleinden. Tegenover die geÔnteresseerde houding stelt zich de liberale opvatting: de mens vormen is een doel op zichzelf, hetwelk gebiedt zich het lot der jeugd aan te trekken om haarzelf. Het ligt niet in de bedoeling, de jeugd ten dienste te stellen van het liberalisme, doch aan de jeugd een begripsvolle hulp te bezorgen omdat men liberaal is.

III. HOE WORDT DE JEUGD DOOR DE LIBERALEN BESCHOUWD?
Met welke feiten moet men bijzonderlijk rekening houden wanneer men zich met de jeugd inlaat?
Eerst en vooral met twee realiteiten uit onze tijd.
De eerste is het passiva van de oorlog: verwijzen we slechts naar het lijden, de rouw, de gebroken of vertraagde toekomst, die soms paradoxale toestand van nooit het normale, vreedzame en ongedwongen leven te hebben gekend. Laten wij meer de nadruk leggen op de huidige familiale en nationale atmosfeer. De in rouw gedompelde of verbitterde gezinskring is meestal van vreugde beroofd en weinig geschikt om begeestering op te wekken. Wat de nationale atmosfeer betreft, zij wordt beheerst door vinnige partijstrijd en door de grote vrees op internationaal gebied.
De tweede huidige werkelijkheid is de ontgoocheling der jongeren ten opzichte van de ideologie, het aan kant stellen der ultra-gedisciplineerde groepen, de afkeer voor uniform en optochten, de betrachting van een ideaal dat meer eerbied betoont voor waardigheid en vrijheid.
Hierbij dient dan nog een blijvende realiteit gevoegd welke behoort tot het gebied der psychologie; het is het idealisme der jongeren en de vaak onberedeneerde wens een leidsman te volgen. Het gebrek aan intellectuele en geestelijke rijpheid maakt er wezens van die niet in de grond noch voorgoed vrij zijn. Het idealisme is een vorm van de behoefte aan het oneindige; het zoeken naar een leidsman is als het heimwee naar moederliefde en het vertrouwen in de vader van het gezin. Het is trouwens tussen vijftien en twintig jaar dat zich de crisissen van mysticisme voordoen en dat men zich toewijdt aan een leider, zelfs ware hij een bedrieger.

IV. WAT WILLEN DE LIBERALEN AAN DE JEUGD SCHENKEN?
Zij willen vooreerst de jeugd als kader een familie schenken waar de beklemming niet steeds wederom de huidige onheilen opwekt, een land waar de eerbied voor de burgerdeugden en het economische evenwicht het leven waard maken geleefd te worden, een wereld bevrijd van angst en de oorlog.
Zij wensen de jeugd te geven een menswaardig en begeesterend ideaal; geloofwaardige en onbaatzuchtige leidsmannen.
Zij wensen de jeugd een daadwerkelijke deelname in het maatschappelijk leven geven, bijzonder op de gebieden waarbij zij is betrokken, opdat zij het gevoelen zou hebben van, buiten de toekomst, ook nog een gedeelte van het tegenwoordige te bezitten.
Zij willen ze een geest inboezemen van maatschappelijke toewijding in een atmosfeer van zelfstandigheid en vrijheid.
Zij wensen eindelijk dat de openbare machten een jeugdpolitiek zouden ontwikkelen en coŲrdineren, waarvoor ze in de raderwerken van de maatschappij wordt opgenomen; dat men ondernemingen welke een heilzame invloed hebben op haar lichamelijke, verstandelijke en morele vorming zou oprichten en vermenigvuldigen.

V. DE ZENDING DER LIBERALE JEUGD
De taak van de liberale jeugdorganisaties? Zij wordt bepaald door de hiervoren aangehaalde bedenkingen.
Het is niet van belang ontbloot er de nadruk op te leggen dat de Liberale Jeugdbeweging zich niet als eerste doel stelt jonge liberalen te vormen, maar wel deel te nemen aan het jeugdleven in een liberale geest. Haar zending is essentieel aan jongeren de leerschool voor maatschappelijke solidariteit en vriendschap te verschaffen.
Haar opvoedende rol lijkt haar zeer belangrijk: verstandelijke ontwikkeling; de geest toegankelijk maken voor vraagstukken van allerlei aard; een objectieve en doordachte werkwijze eigen maken.
Zonder twijfel zullen de jongeren zich vooral door ideaal tot het liberalisme aangetrokken voelen: doch niets mag opgedrongen worden en de deur blijft steeds open voor diegenen die mochten menen zich van weg vergist te hebben en tegenover welke men het als een erezaak beschouwt geen uiteindelijk verbintenis gevraagd te hebben.

VI. WAT BIEDT DE LIBERALE GEDACHTE AAN DE HEDENDAAGSE JEUGD?
De liberale gedachte biedt een levensbeschouwing aan, afgestemd op de mens en eerbied betonend tegenover de natuur; deze wijsbegeerte hebben wij reeds vroeger omstandig bepaald: het is het moderne humanisme, realistisch en vooruitstrevend, hetwelk zich niet tot een ideologie leent.
Zij brengt tevens een levens- en actiebeschouwing innig aan de jeugd gehecht, beschouwing welke er niet dient aan toegevoegd te worden noch zichzelf dient tegen te spreken.
Daarenboven brengt zij de edelmoedigheid van het liberalisme, bezorgd om altruÔsme en schoonheid.
Zij brengt tevens een moeilijk te omschrijven doch dadelijk aan te voelen bepaling; het is wat men zou kunnen noemen de liberale levensatmosfeer, welke, niettegenstaande alles, haar stempel drukt op een volk zoals het onze, en welke tactvol de verdraagzaamheid en de begeestering verzoent.
De kracht van de werkelijkheidszin, de wijsheid van een humanisme, de schoonheid van de kunst om te leven: ziedaar wat het liberalisme de jeugd schenkt. Wie zal haar een hoger ideaal aanbieden?


VROUWENKWESTIES


Het liberalisme is hoofdzakelijk gegrond op de volstrekte gelijkheid van alle menselijke wezens ten opzichte van de wet. Het is fundamenteel gekant tegen een maatschappelijke organisatie waarbij mannen en vrouwen ongelijke rechten hebben en niet beschikken over dezelfde ontwikkelings- en uitingsmogelijkheden.
Daarom is het, dat onze Partij de vrouwen wil bevrijden van de verbodsbepalingen, belemmeringen en nadelen waaronder zij nog steeds te lijden hebben en die te wijten zijn aan verouderde wetsbepalingen en gewoonten.

Burgerlijke rechten
Wij achten het rechtvaardig en noodzakelijk dat de vrouw, getrouwd of niet, een volledige rechtspersoonlijkheid, gelijk aan die van de man, zou bezitten.
De toepassing van dit beginsel vergt grondige wijzigingen in het Burgerlijk Wetboek en overeenstemmende veranderingen in het Strafrecht.
De liberale opvatting van het gezinsleven heeft noodzakelijk de afschaffing van het gezag van de man en de erkenning van een volledige rechtsbevoegdheid van de vrouw ten gevolge.
Duidelijk gezegd, willen wij, dat de gehuwde vrouw vrijelijk een arbeidsovereenkomst zou mogen sluiten en hetzij welk beroep zou kunnen uitoefenen; dat zij over haar eigen goederen zou mogen beschikken, elke gerechtelijke daad zou mogen stellen, elke verbintenis zou kunnen aangaan, zonder de machtiging van haar man of van de rechtbank. Zij moet behandeld worden als een meerderjarige, die zich bewust is van haar verantwoordelijkheden.
Wij willen ook, dat de vrouw over haar kinderen dezelfde rechten zou hebben als de vader. Wij veroordelen de onrechtvaardigheid en de maatschappelijke dwaling vervat in de dubbele moraal waardoor onze huwelijkswetgeving werd beÔnvloed.
Het liberalisme kan niet aanvaarden, dat de wet inzake overspel veel strengere straffen voorziet voor de vrouw dan voor de man, noch dat de gronden van echtscheiding verschillend zouden zijn naar gelang het de echtegenoot of de echtgenote geldt.
Het liberalisme kan het onrechtvaardig lot niet aanvaarden, dat door de wet wordt beschoren aan de natuurlijke kinderen en in het bijzonder aan sommigen van hen, nl. de overspelige en de bloedschendige kinderen.
Het is gewis noodzakelijk dat het wettig gezin worde beschermd, doch dit doel wordt voorbijgestreefd, zoniet buiten bereik gesteld, wanneer kinderen, zonder enige schuld, in de ban der samenleving worden gesteld en de natuurlijke vader de mogelijkheid wordt aangeboden om aan de morele en economische verantwoordelijkheid van zijn daden te ontsnappen.
Het liberalisme kan niet aanvaarden dat de wet de hindernissen zou verscherpen waardoor sommige menselijke wezens vanaf hun geboorte worden getroffen. Hier ook eist onze leer grondige wijzigingen aan ons burgerlijk recht.

Economische rechten
Het liberalisme eist dat de vrouw, los van de huwelijksbanden en het moederschap, steeds en onder dezelfde voorwaarden als de man, zelf zou kunnen beslissen of zij een bezoldigd werk zal aanvaarden.
Noch wetten, noch besluiten, noch reglement mogen haar beroven van dit voor ieder menselijk wezen essentieel recht, nl. te leven van eigen arbeid.
Het is maar billijk dat alle loopbanen opengesteld zouden worden aan de vrouwen en dat deze er hoge functies zouden kunnen vervullen in overeenstemming met hun bekwaamheden.
Wij vragen ook de gelijkheid tussen man en vrouw bij de vaststelling van het loon, met andere woorden, de veralgemeende toepassing van het beginsel: "Voor gelijk werk, gelijk loon."
Die regel steunt op de meest elementaire rechtvaardigheid en behoeft niet te worden verdedigd.
Het ligt bovendien voor de hand, dat hij voordelig is voor beide geslachten, aangezien de werkgevers de voorkeur geven aan minder goed betaalde vrouwen instede van aan mannen.Aldus worden de vrouwen, ondanks zichzelf, er toe gebracht aan nadelige mededinging te doen met hun mannelijke werkgenoten.
De gelijkheid van loon en wedde, waardoor iedereen op dezelfde voet zou worden gesteld, kan slechts voordelig zijn voor de verdienste en de beroepsbekwaamheid.
Ten slotte is een gepaste vrouwelijke vertegenwoordiging in 's lands economische organismen noodzakelijk. We mogen niet vergeten, dat in de verschillende takken van handel en nijverheid meer dan ťťn miljoen vrouwen bedrijvig zijn.

Gezins- en sociale politiek
De Liberale Partij wenst, zozeer als welke andere, dat in het gezin meer welstand en zekerheid zou worden gebracht, dank zij een stel maatschappelijke hervormingen.
Wij menen, dat een gezin moet beschermd worden van wanneer het gesticht wordt en zelfs vroeger.
Die bescherming moet worden gesteund op een ernstige en grondige opleiding der meisjes. Doch daartoe volstaan niet enkele leergangen in koken en kinderverzorging. Daarom stellen wij de invoering voor van een verplichte burgerdienst voor alle jonge meisjes. De duur van die dienst zou zes tot twaalf maanden kunnen bedragen en, volgens de beroepsnoodwendigheden, worden vervuld tussen 18 en 21 jaar.
Tijdens die burgerdienst zouden de meisjes een nodige aanvulling van het schoolonderwijs bekomen. Zij zouden niet alleen worden onderricht in hun rechten en plichten als burgers, doch tevens zouden haar menige begrippen worden ingeprent welke onontbeerlijk zijn voor de moeder en huisvrouw. Die begrippen vinden geen voldoende plaats in de reeds overladen schoolprogramma's. Overigens, zou dit onderwijs, om ernstig te zijn, moeten gespecialiseerd worden. Ten slotte zouden de meisjes, tijdens die burgerdienst, een militaire opleiding krijgen, waardoor het hun zou mogelijk zijn in oorlogstijd dienst te nemen in de hulpkaders van het Leger. Met elk recht stemt een plicht overeen. De vrouwen die de gelijkheid van politieke rechten hebben bekomen, moeten ook de gelijkheid van burgerplichten opeisen.
De Liberale Partij bevestigt haar wens, van heden af de vrijwillige dienstneming door de vrouwen voor de hulpdiensten van het leger ingewilligd te zien.
Vele jonge lieden aarzelen om te trouwen omdat hun materiŽle toestand hen niet toelaat aan de inrichtingskosten van een gezin en aan de latere lasten het hoofd te bieden.
De verloofden zouden door een stoffelijke steun moeten aangemoedigd worden.
Die hulp zou kunnen verwezenlijkt worden in de vorm van een huwelijkspremie die onder bepaalde voorwaarden zou worden verleend, van een erelening tegen zeer lage interest of ook nog van fiscale ontlastingen.
Het vraagstuk der huisvesting is hierbij eveneens van groot belang.
Urbanisatieplannen zouden de bouw van huisvestingen moeten voorzien, en voorrang moeten verlenen aan de jonge gezinnen.
Zodra de jonggehuwden zijn ingesteld, dienen ze aangemoedigd tot het opvoeden van een gezin. Wij menen dat het voor ons land belang oplevert een meerderheid van middelmatige gezinnen te tellen en niet een groot aantal gezinnen zonder kinderen met daarnaast een beperkt aantal grote gezinnen. Daarom wensen wij de hervorming van het stelsel der gezinstoelagen, vooreerst dank zij een hervorming van de bedragen.
Het is wenselijk dat de morele en economische last der kinderen op min of meer gelijke wijze over alle gezinnen zou verdeeld worden.
Bovendien is het noodzakelijk, om in sommige provinciŽn het te gering geboortecijfer doelmatig te bestrijden, vooral de geboorte van de eerste kinderen aan te moedigen.
Daarom acht de Liberale Partij het nodig de bijslag voor de eerste kinderen te verhogen. Het betaamt insgelijks de bedragen der gezinsbijslagen eenvormig te maken voor loontrekkenden en niet-loontrekkenden.
Ten slotte wenst de Liberale Partij de maatschappelijke en economische waarde van de huishoudelijke arbeid te erkennen. Daarom vragen wij de uitbreiding tot de huishouders van het genot der wetten op de maatschappelijke zekerheid.
De vrouwen dragen niet alleen zeer zware lasten, doch ook lasten welke van hoofdzakelijk belang zijn voor onze economie, door de leiding en dikwijls al het werk van het gezin op zich te nemen.
Wij moeten bovendien de louter materiŽle bezigheden van de huisvrouw verlichten door passende maatregelen en in het bijzonder door een betere technische inrichting der woningen, opdat zij zich ofwel meer zou kunnen wijden aan de opvoeding van haar kinderen, ofwel kinderen zou kunnen ter wereld brengen en tevens een ambacht of een beroep uitoefenen.
De Liberale Partij eist de spoedige oprichting, van een vrouwelijke politie, welke in het bijzonder zou belast worden met het onderzoeken van misdrijven waarbij vrouwen en kinderen als schuldigen, slachtoffers of getuigen betrokken zijn.


GEWESTELIJKE VRAAGSTUKKEN


Niemand kan nog redelijkerwijze het bestaan in BelgiŽ ontkennen van twee grote volksgemeenschappen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP en de WAALSE GEMEENSCHAP. Het Centrum voor het Onderzoek naar de oplossing van de sociale, politieke en juridische vraagstukken in de Vlaamsche en Waalse gewesten, korter gezegd Centrum Harmel, erkende dit onmiddellijk als een feit.
Beide gemeenschappen worden in drie entiteiten ingedeeld: Vlaanderen, als voornaamste gebied der Vlaamse gemeenschap; WalloniŽ, als voornaamste gebied der Waalse gemeenschap, en de Brusselse agglomeratie, gebied waar beide gemeenhappen met elkaar in voeling komen en beide zich thuis voelen.
De drie hogervermelde entiteiten verschillen wat taal en cultuur betreft. Na allerhande ervaringen, is Vlaanderen Nederlandssprekend. WalloniŽ is steeds louter Franssprekend geweest. De Brusselse agglomeratie, van haar kant, heeft haar aandeel in beide strekkingen en is vanzelfsprekend tweetalig.
Zij verschillen ook door sommige wijsgerige en politiek reacties, alsook door machtige economische en sociale belangen. Dit zijn normale verschillen en het ware vruchteloos ze te willen doen verdwijnen zoals het vruchteloos zou zijn alle individuen in eenzelfde vorm te willen gieten. De morele eenheid van BelgiŽ dient het gevolg te zijn van een harmonisch samengaan van verschillende bestanddelen, en niet van een kunstmatige en onvruchtbare versmelting.
De drie Belgische entiteiten gaan heftig tekeer omdat zij niet behoorlijk kunnen ademen in de atmosfeer die het unitair en tot het uiterste gecentraliseerd bestuur van BelgiŽ voor hen schept. De Vlamingen beweren dat de ontluiking van hun taal wordt belemmerd, dat het hun toegewezen aandeel in de besturen ontoereikend is, dat het centraal gezag zich nagenoeg niet bekommert om de in hun nijverheidstakken heersende werkloosheid, enzÖ De Walen tekenen verzet aan tegen het in gebreke blijven van de Staat op demografisch gebied, tegen hun verdringing uit de leidende ambten, tegen het voorrecht dat Vlaanderen op gebied van openbare werken geniet, enzÖ De Brusselaars zelf verwijten de Staat zijn overdreven centralisatie, en zijn anderzijds gerechtigd om er over te waken dat geen enkele oplossing zou tot stand komen in het nadeel van hun veelzijdige belangen.
De Liberale Partij acht voor haar het ogenblik gekomen om zich met dit vraagstuk in te laten en om, in eendracht en met goede wil, uit te zien naar een nationale oplossing voor de ontelbare geuite grieven.
Welke oplossing kan hieraan gegeven worden?
Sommigen spreken zich uit voor een sterke decentralisatie, waardoor de provinciale machten aanzienlijk worden uitgebreid doch mits behoud van BelgiŽ's administratieve eenheid.
Andere prijzen, samen met die decentralisatie, de omvorming aan van de huidige Senaat in een paritaire Senaat, waardoor de uitwerking van de overwegend Vlaamse invloed in de Kamer der Volksvertegenwoordigers zou worden gemilderd.
Anderen ten slotte Ė dit is het geval in de meeste Waalse federaties der Liberale Partij Ė denken dat het heelmiddel moet gezocht worden in de invoering van een federaal stelsel: Federale Staat of Bondstaat.

Wij stellen het Liberaal Congres de bekrachtiging voor van de stellingen vervat in dit eerste verslag en de aanduiding van een Commissie Ė op billijke wijze samengesteld uit Vlamingen, Walen en Brusselaars Ė die tot opdracht zou hebben, aan een volgend Congres, de beste oplossing voor te leggen van dit ernstig vraagstuk - wellicht het belangrijkste van al de vraagstukken die onze aandacht vergen - in het bijzonder belang der drie volksgemeenschappen waaruit BelgiŽ bestaat, en in het algemeen belang van ons gemeenschappelijk vaderland.


BESLUIT

HET LIBERALISME, ACTUELE BOODSCHAP


De liberale boodschap is noch oud, noch verouderd; in de hedendaagse beroerde wereld geeft het, aan de naar vrede, rechtvaardigheid en vooruitgang hunkerende mensen, het volledigste antwoord, het antwoord tevens dat het rijkst Is aan mogelijkheden, het meest opwekkend voor de menselijke krachtsinspanning.
Andere leerstellingen bedienen zich van zwetserij om hun superioriteit te bewijzen; doch steunende op de overdreven overmacht van een Staat, van een godsdienst of van een klasse, beantwoorden zij slechts gedeeltelijk aan de betrachtingen der mensen.
Wanneer men van het politiek liberalisme afwijkt komt men tot de dictatuur met haar nasleep van verdrukking, omkoperij en oorlog; wanneer men afwijkt van het liberalisme op economisch gebied komt men terug tot het malthusianisme van een door administratieve dwangmaatregelen verarmd bedrijfsleven; wanneer men van het liberalisme op sociaal gebied afwijkt, dan komt men tot klassenstrijd en dwangoplossingen.
Het liberalisme is de leer van de politieke vrijheid, het is het geloof in de democratie, gegrondvest op de vrije keuze van een vrije mening, van een nieuwsblad en van een partij en op de vrije instemming van het grootste aantal burgers.
Het liberalisme is de leer der intellectuele verdraagzaamheid, de wil andermans persoonlijkheid te eerbiedigen zonder op te houden zichzelf te zijn, het is de verzoening tussen de eerbiediging van andermans mening en de bevestiging van eigen overtuiging.
Het liberalisme is de leer van de krachtsinspanningen, het is de overtuiging dat een maatschappij niet gezond en sterk is dan wanneer de mensen waaruit zij bestaat zijn opgegroeid in een atmosfeer van vrijheid en verantwoordelijkheid; het is het geloof aan de noodzakelijkheid van een bedrijfsleven hetwelk gevestigd is op de ondernemingsgeest, van de zin voor risico, en het begrip der verantwoordelijkheden.
Het liberalisme is de leer van de sociale vooruitgang, die niet gegrondvest is op de dwang van sociale groepen of van de Staat, doch op de solidariteit der mensen: het is de doctrine die voor allen verspreiding van de cultuur, de vrije jeugdontwikkeling en de ontvoogding van de vrouw opeist.
Het liberalisme is de leer van de maatschappelijke en internationale vrede, deze van de mensen die niemand bedreigen, en die meer verwachten van samenwerking den van dwang, meer van solidariteit dan van klassen- en volkerenstrijd.
Het liberalisme heeft niets gemeens met het hunkeren naar het voorbije, het stelt zijn hoop in de toekomst. Het is het grootste en edelste streven dat door de mens ooit werd ondernemen om volledige levens en gelukkige staten op te vouwen: het is de hoogste uitdrukking van de waarden van vrijheid, vrede en maatschappelijke vooruitgang, die het wezen zelf uitmaken van de Westerse beschaving.



top