www.liberaalarchief.be
LIBERAAL CONGRES, CHARLEROI, 20-21 oktober 1962
SOCIAAL CONGRES VAN DE P.V.V.
RESOLUTIES


I. BEVORDERING VAN DE ARBEID EN VAN DE BESTAANSZEKERHEID

        De tewerkstelling bevorderen, de bestaanszekerheid organiseren, aan het individu de mogelijkheid verschaffen zich vrijelijk te ontplooien, ziedaar de onmiddellijke doelstellingen die wij inzake sociale politiek dienen voor ogen te hebben.

        Te dien einde neemt de P.V.V. zich voor de volgende maatregelen aan te wenden.

A. DEELGENOOTSCHAP DER WERKNEMERS

a) Aandeelhouderschap der arbeiders

        Invoering, in het kader van een ruimere eigendomsverspreiding, van een aandeelhouderschapsregeling voor de arbeiders in de maatschappijen die een beroep doen op de openbare spaargelden.

WIJ STELLEN ONMIDDELLIJK VOOR:

b) Inzake loon

1. De hervorming van het stelsel der sociale zekerheid met het oog op een snellere aangroei van het rechtstreeks dan van het onrechtstreeks loon; dit laatste mag slechts verhoogd worden na goedkeuring van een desbetreffende wet.

2. De door een paritair comitť vastgestelde vergoedingsbedragen dienen beschouwd te worden als minimumbedragen, waaraan de werkgever een bijkomende vergoeding mag toevoegen, steunend op de persoonlijke waarde van de werknemer.

3. Bij het vaststellen van de rangorde der vergoedingen dienen de sociale partners een groter onderscheid te maken naar gelang van de anciŽnniteit en van het peil der beroepskwalificatie.

4. In alle ondernemingen dienen, op grond van wettelijke bepalingen, premies te worden ingevoerd die het aandeel van de arbeiders in de winsten vertegenwoordigen volgens een stelsel dat rekening houdt met de persoonlijke waarde, de vakbekwaamheid en de anciŽnniteit, en zulks voor zoveel een normaal inkomen aan het kapitaal is gewaarborgd.

5. Bij middel van specifieke en tijdelijke maatregelen dient de wetgever de opvoering van de produktiviteit aan te moedigen in alle economische sectoren, waar normaal lage lonen worden uitbetaald, ten einde deze te kunnen verbeteren in overeenstemming met de produktiviteitsverhoging.

6. Het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk dient integraal te worden toegepast, zonder onderscheidmaking tussen de werknemers ongeacht hun lidmaatschap of niet-lidmaatschap van vakbonden.

7. Het nemen van iedere maatregel die er kan toe bijdragen de vrouwenarbeid toegankelijk te maken voor een hogere kwalificatie en voor specialisatie.

c) Inzake menselijke betrekkingen

1. De ondernemingen dienen ertoe aangemoedigd aan bedrijfsbelastingvrij deel van hun winsten te besteden aan het oprichten van een fonds, dat beheerd wordt door al de werknemers van de onderneming, en dat bestemd is om sociale of ontspanningsinstallaties in te richten of te verbeteren.

2. Strengere toepassing en controle inzake hygiŽne in de ondernemingen.

3. Ondernemingen van zeker belang dienen ertoe aangespoord te worden een dienst voor "Menselijke Betrekkingen" op te richten, die rechtstreeks onder de Algemene Directie ressorteert.

4. Economische, technische en financiŽle inlichtingen dienen algemeen in de onderneming te worden verspreid, met het oog op de latere instelling van technische ondernemingsraden.

5. Leergangen betreffende de menselijke betrekkingen dienen ingevoerd te worden op elk niveau van het hoger secundair, technisch of universitair onderwijs.

6. Over bovenvermelde aangelegenheden dient avondonderwijs verstrekt te worden.

7. Uitbreiding van de sociologische instituten, van de universiteitsfaculteiten ter bevordering van navorsing en onderwijs inzake menselijke betrekkingen onder de leiding van de Stichting Industrie-Universiteit.

8. Binnen het kader van de Instituten voor Journalisme dienen bijzondere cursussen voorzien waar gehandeld wordt over de ondernemingsbladen.

d) Inzake de intellectuele bevordering van de werknemers

1. Veralgemening van de universitaire avondcursussen.

2. Toekennen van een belangrijker aantal studiebeurzen aan werknemers, die hun opleiding wensen te voltooien.

3. Revalorisatie van de sociale taak van de leerkrachten.

B. ARBEIDSSTATUUT

IN HET KADER VAN DE VERWEZENLIJKING VAN HET EENHEIDSSTATUUT VAN DE ARBEID STELLEN WIJ VOOR:

1. MOETEN ONMIDDELLIJK HET GENOT HEBBEN VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR BEDIENDEN, met inbegrip van de buitenwettige voordelen die de ondernemingen doorgaans aan hun bedienden verlenen;

a) HET LEIDINGGEVEND PERSONEEL (Kaderpersoneel), met inbegrip van werkmeesters, ploegbazen, monitors en hetzij welk personeelslid dat, ongeacht zijn benaming, het werk van andere werknemers moet leiden door het geven van onderrichtingen die de bekomen onderrichtlijnen vertolken.

b) De houders van diploma's A2 en B1 en alle werknemers wier taak de kennis vergt die wettelijk door deze diploma's is bevestigd.

c) De houders van de diploma's A3 en B2 en alle werknemers wier functie de kennis vergt die wettelijk door deze diploma's is bevestigd, na vijf jaar praktijk in hun specialiteit.

2. DE VASTHEID VAN BETREKKING VOOR ALLE WERKNEMERS, wedde- en loontrekkenden zal door volgende wettelijke maatregelen op eenvormige wijze worden ingevoerd en verbeterd:

a) DE OPZEGGINGSTERMIJN BIJ ONTSLAG EN WERKLOOSHEID, die evenredig moet zijn met de diensttijd, zal geleidelijk dezelfde worden voor de arbeiders en bedienden.

b) DE ARBEIDSOVEREENKOMST ZAL WORDEN GESCHORST voor een duur van ten hoogste ťťn jaar en zal niet mogen worden verbroken als het ontslag om economische redenen wordt gegeven.

c) DE WETGEVING OP DE OVERUREN ZAL WORDEN VERSOEPELD ten einde het hoofd te kunnen bieden aan de buitengewone bestellingen zonder aanwerving van personeel noch investering die tot overproductie moet leiden.

d) EEN "PART-TIME" ARBEIDSOVEREENKOMST zal worden uitgewerkt ten gerieve van de gehuwde vrouwen en de gepensioneerden.

e) IN GEVAL VAN FAILLISSEMENT van de werkgever, zal het loon, dat aan de werknemers, zowel arbeiders als bedienden, is verschuldigd voor de 6 maanden die aan de faillietverklaring voorafgaan, als bevoorrechte schuld van de eerste rang worden beschouwd.

f) Het voeren van een conjuncturele politiek van openbare werken door middel van het door Minister VANAUDENHOVE voorgelegd vijftienjarenplan, waarin met naam voorkomt het verlenen van bijkomende toelagen aan de ondergeschikte machten, de verbetering van het secundair wegennet, de uitvoering van waterbouwkundige werken, de constructie van gebouwen van openbaar nut.

3. HET EENHEIDSSTATUUT VAN DE ARBEID ZAL WORDEN INGEVOERD MITS JUISTE BEPALING VAN DE WAARDE VAN HET WERK. Het zal dus nodig zijn:

a) EEN NATIONALE PARITAIRE RAAD OP TE RICHTEN, die door algemene stemming wordt verkozen door alle werknemers, kaders, hogere kaders en patronale kaders.

b) EEN WETTELIJKE MINIMUMLOONSCHAAL VAST TE STELLEN, waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd en het aantal dienstjaren voor alle werknemers die onder toepassing van arbeidsovereenkomst voor bedienden vallen.

c) Onder het gezag van de NATIONALE PARITAIRE RAAD MONOGRAFIňN UIT TE GEVEN MET VALORISATIECOňFFICIňNTEN, die een minimum beroepsloopbaan voor elke functie zouden bepalen ten opzichte van een wettelijke minimumschaal. Deze monografiŽn zullen in de eerste plaats moeten worden opgesteld voor de hoofdarbeiders en het leidinggevend personeel (kaderpersoneel), daarna waar het werkzaamheden geldt waarvoor op grond van de wet een kennis wordt gevergd die door de diploma's A2 of B1 wordt bekrachtigd, vervolgens door de diploma's A3 met 3 jaren ervaring en de gespecialiseerde werkzaamheden met 5 jaren ervaring en tenslotte voor de werkzaamheden die minder hoge eisen stellen.

d) HET GENOT VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR BEDIENDEN EN DE OVEREENSTEMMENDE BEROEPSLOOPBAAN AAN ALLE WERKNEMERS TE VERLENEN, naargelang van de publicatie van monografiŽn.

e) Onze wetgeving en in het bijzonder de arbeidsgerechten aan de huidige omstandigheden aan te passen.

4. BOVENDIEN:

a) De onmiddellijke invoering van een opzeggingstermijn van zes maanden, behoudens ernstige gevallen, voor alle arbeiders die 40 jaar oud zijn en die 15 jaren dienst tellen in de onderneming.

b) De valorisatie van de functie en van de stand van het leidinggevend personeel.

c) De verbetering van de rechtstoestand van de werkende vrouw door de daadwerkelijke toepassing van het beginsel, gelijk loon voor gelijke arbeid.

d) De algemene toekenning van een moederschapsverlof van een duur van zes weken met volledig behoud van het loon, om de daadwerkelijke gelijkheid tussen vrouwelijke bedienden en arbeidsters te bereiken.

C. DE BEJAARDE LIEDEN

ER DIENT IN DE EERSTE PLAATS VOOR GEZORGD TE WORDEN DAT DOOR ALLE MIDDELEN AAN DE OUDEN VAN DAGEN EEN PENSIOEN WORDT VERLEEND DAT HUN EEN BEHOORLIJK BESTAAN VERZEKERT.

1. De mogelijkheid dient geboden aan de gepensioneerden, een winstgevende activiteit uit te oefenen, waarbij ze niettemin hun recht behouden op een volledig pensioen. In dit verband dienen de paritaire comitťs erover te waken, dat alle kans op broderen van de lonen uitgesloten wordt.

2. Progressieve verwezenlijking van kosteloze geneeskundige verzorging.

3. Aan de erkende bouwondernemingen dient de verplichting opgelegd een percentage van functioneel opgevatte woongelegenheden voor te behouden aan bejaarde lieden.

4. Er dient overgegaan tot het oprichten van een algemene dienst voor hulp en bijstandsverlening aan huis.

5. Het pensioenstelsel dient aangepast door: a) de terugkeer naar de opvatting van de wet van 21 mei 1955, waarbij de arbeider verondersteld wordt het bewijs te hebben geleverd van een volledige beroepsloopbaan, met recht op een volledig pensioen, indien hij kan bewijzen dat hij hoofdzakelijk als arbeider is tewerkgesteld geworden gedurende de jaren van zijn beroepsloopbaan na 1 januari 1955, zonder dat het aantal aldus te bewijzen werkjaren minder dan 15 mag bedragen begrepen tussen zijn 45e en zijn 50e verjaardag en de datum van zijn op pensioenstelling, naargelang het een vrouw of een man geldt;

b) de toewijzing van een eigen pensioen aan elk van de echtgenoten, ongeacht het feit of man en vrouw al dan niet onder dezelfde pensioenregeling hebben gearbeid;

c) de mogelijkheid voor de arbeiders, tewerkgesteld in ongezonde ondernemingen, om een vervroegd pensioen aan te vragen;

d) de mogelijkheid de pensioenaanvraag ťťn jaar vůůr de pensioengerechtigde leeftijd in te dienen;

e) de uitkering van een gezinspensioen aan de overlevende echtgeno(o)t(e) tot het einde van de derde maand na het overlijden;

f) de reorganisatie van de administraties die zich met de pensioensector bezig houden met het oog op hun meer doeltreffende werking en opdat de uitbetaling der pensioenen vlugger zou geschieden;

g) het aanpassen van het stelsel der vrijwillige verzekering door de onmiddellijke opheffing van de "verplichting tot onderhoud" vanwege de kinderen t.o.v. de pensioenaanvragers, de vrijstelling van stortingen voor de periode vůůr 1954, de toepassing van dezelfde criteria als voor de onafhankelijken bij het vaststellen van de inkomsten, en de toekenning van een pensioen aan de vrouwen van 60 jaar en meer, met mogelijkheid tot vervroeging zoals bij de andere regelingen.

6. De toekenning aan de gepensioneerden van een aantal reisbiljetten tegen verminderde prijs op de gemeenschappelijke vervoermiddelen, wat het aantal reizigers zou doen stijgen en daardoor de ontvangsten van de vervoermaatschappijen zou doen toenemen, zonder hun lasten te verhogen.

7. Voor de mijnwerkers: de toekenning van het evenredig pensioen op de leeftijd van 55 of van 60 jaar, naargelang het een ondergrondse of een bovengrondse arbeider betreft, zonder dat de eis wordt gesteld dat de betrokken mijnwerker 20 jaar dienst zou hebben in de mijn of dat hij op de pensioengerechtigde leeftijd in de mijn werkzaam zou zijn geweest, maar vermits hij aan andere algemene voorwaarden voldoet inzake het stopzetten van alle bedrijvigheid.

D. DE MINDER-VALIDEN

1. Koppeling, voor de gebrekkigen en verminkten, van een invaliditeitstoelage op basis van 100% aan de werkloosheidsuitkering, hetzij 37.000 F voor gehuwde mannen en 33.000 F voor de andere verkrijgers (huidige bedragen 27.500 en 26.500 F).

2. Opvoering van de schalen tot vaststelling van de behoeftige toestand op basis van het huidige minimumloon (25 F i.p.v. 17) en koppeling van de nieuwe schalen aan het indexcijfer.

3. Toekenning van de vrijstelling van 2/3 der beroepsinkomsten van de echtgenote van een niet werkende minder-valide, zo diens invaliditeit ten minste 50% bedraagt.

4. Waarborg voor de minder-valide, dat hij op zijn 65ste jaar dezelfde voordelen zal genieten als voordien.

5. Invoering van een Rijksbijdrage van 75 % voor de noodzakelijke aankoop van prothese- en bewegingsapparaten.

6. Uitbreiding van de hoedanigheid van verkrijger tot de mindervaliden die niets ontvangen van de ziekteverzekering.

7. Onmiddellijke toepassing van de wet met betrekking tot de opleiding, de herscholing en de revalidatie van de lichamelijk en verstandelijk minder-validen en bijzonderlijk versnelling van de maatregelen tot verplichte tewerkstelling zowel in de privť- als in de openbare sector en met name de oprichting van beschermde werkplaatsen.

8. Toepassing van alle maatregelen tot sociale integratie van verstandelijk achterlijke personen.

E. DE GENEESKUNDIGE VERZORGING

1. Behoud van het pluralisme en van het beginsel van de vrije keuze inzake van ziekteverzekering (vrijheid van keuze van de geneesheer en van de medische inrichting, vrijheid van recept) ter vrijwaring van het menselijk karakter der geneeskunde.

2. Verwezenlijking van een grotere sociale doeltreffendheid van de verzekering door in grotere mate de belangrijke risico's te dekken.

3. Invoering van kosteloze medische verzorging voor bejaarde lieden, kosteloosheid bij de langdurige opname in een ziekenhuis, en, in een tweede stadium, parallellisme tussen de invaliditeitsuitkering en het pensioen.

4. De oprichting van een dienst voor "public relations" tot het verwerven van een betere kennis en het bekomen van een beter rendement van de verzekering.


II. HET SCHEPPEN VAN EEN SOCIALE EN CULTURELE SFEER

        Het volstaat niet, de arbeidsvoorwaarden van de mens te bevorderen: men moet hem niet alleen welstand bieden, doch tevens zijn lot verbeteren op het drievoudige vlak van de maatschappij (zijn gezin), van de cultuur (zijn vrijetijdsbesteding), en van zijn materiŽle levensvoorwaarden (zijn huisvesting en comfort).

        Te dien einde neemt de P.V.V. zich voor volgende politiek te voeren.

A. HET GEZIN

1. Bevordering van het gezin door:

a) Het voeren van een politiek tot verspreiding en voorlichting, om aan het gezin het moreel krediet terug te schenken, dat dit nooit had mogen verliezen.

b) De daadwerkelijke vertegenwoordiging van de gezinnen bij de internationale en nationale openbare machten.

c) Een onderwijs, dat ertoe strekt de jongeren bewust te maken van hun verantwoordelijkheden als echtgenoten en als ouders, en het veralgemenen van de "scholen voor ouders".

d) Het afleveren van voorrangskaarten aan moeders die 3 of meer kinderen hebben.

e) Het scheppen van een gunstige sfeer voor het onthaal van het kind en tot bescherming van de jeugd.

2. Scheppen van een atmosfeer van demografische expansie door:

a) Invoering van de huwelijkslening tegen lage interest, met progressieve aflossing naargelang het aantal geboorten, en aanmoediging van het prenuptiaal sparen;

b) Het verlenen van kraamgeld van eenzelfde bedrag bij iedere geboorte, vastgesteld op 7.650 F, hetzij 5.250 F als eigenlijke toelage en storting van 8 maandelijkse sommen van 300 F beschouwd als prenatale toelagen;

c) Het toekennen van het maximumbedrag van de kinderbijslag vanaf het derde kind, ongeacht de leeftijd ervan;

d) Het toekennen van enige salaristoelage, die de bijslag voor het enig kind vervangt, en die gelijk is aan deze laatste, te storten vanaf de huwelijksdatum en te schorsen hetzij na twee jaar, indien het gezin geen kinderen telt, hetzij, wanneer het gezin slechts ťťn kind heeft, op het ogenblik dat dit laatste de leeftijd van zes jaar bereikt;

e) De wettelijke organisatie van het "part-time" werk van de vrouw en van het langdurig verlof voor de huismoeder;

f) De regeling van het statuut der gezinshelpsters;

g) Een speciaal statuut voor lichamelijke en verstandelijke gehandicapte kinderen, ten laste van de Staat, en oprichting van een volledig net van gespecialiseerde instellingen (klassen, scholen en externaten) die zich bezighouden met de verzorging en de opvoeding van deze kinderen;

h) De inrichting van prefrŲbelklassen en veralgemening van kinderkribben in de ondernemingen;

i) Huisvesting die rekening houdt met de behoeften van de gezinnen en van de kinderen;

j) Een gezinsfiscaliteit, die de afzonderlijke belasting behoudt van de beroepsinkomsten der echtgenoten.

3. Gewesten die meer speciaal door denataliteit zijn getroffen

Wettelijke vaststelling van extravoordelen, ten laste van de Staat, de ProvinciŽn en de Gemeenten waar blijkt dat het geboortecijfer deficitair is.

B. DEMOCRATISERING VAN HET HOGER ONDERWIJS door

1. Invoering van een presalaris dat thans kan worden vastgesteld op 50.000 F in het eerste stadium voor alle studenten die zich op een licentiaat en een doctoraat voorbereiden.

2. Behoud van de kinderbijslagen tot de normale voleindiging van de studiŽn voor de studenten die geen presalaris genieten.

3. Toekenning van studiebeurzen, van veranderlijk bedrag, aan de studenten in de candidaturen en aan diegenen die de 3de cyclus volgen (specialisatie, thesissen, postuniversitair onderwijs).

4. Oprichting en uitbreiding van studentenwijken.

5. Toelating tot optie voor de K.R.O. tussen de bestaande formule van verlengde dienstplicht of voorbereidende militaire opleiding tijdens de universitaire studies.

6. Bevordering van vacantiestages.

7. Toekenning van een fictief salaris vanaf de leeftijd van 21 jaar, tot toepassing van de sociale zekerheid ten gunste van de studenten die geen presalaris genieten, ten einde het hun mogelijk te maken de voordelen van een volledige beroepsloopbaan te genieten.

8. Maatregelen tot regelen van de overgang van het hoger technisch onderwijs naar het universitair onderwijs.

9. Bevordering van de 3de cyclusstudiŽn.

10. Voorlichting inzake studie- en beroepskeuze en informatie aan de ouders over de voordelen die door het onderwijs worden geboden.

C. JEUGDBELEID

1. Werkelijke verwezenlijking van de kosteloosheid van het onderwijs.

2. Verlenging van de leerplicht tot tenminste 16 jaar.

3. Invoering van een speciaal statuut voor de jonge arbeider en hervorming van het leercontract, met name door een doeltreffende controle op de beroepsbekwaamheid van de leermeesters, de toepassing van de maatschappelijke zekerheid, de progressieve verhoging van het loon volgens de duur van de leertijd, de verplichte tewerkstelling van de leerjongen gedurende een bepaalde tijd aan het einde van zijn opleiding.

4. Verlening van acht winterverlofdagen aan de jonge arbeiders beneden de 21 jaar.

5. Stemgerechtigdheid vanaf de leeftijd van 19 jaar en stemgerechtigdheid van de dienstplichtigen.

6. Invoering van aanmoedigingspremies inzake beroepsvervolmaking.

7. Valorisatie van het cultureel verlof.

8. Verlening van een aanvullende culturele beurs aan studenten die een studiebeurs genieten.

9. Gespecialiseerde opleiding van de naschoolse opvoeders en van de opvoeders in internaten en tehuizen.

10. Verplichting speelpleinen en Ėzalen in de grote woningcomplexen te voorzien; vermenigvuldiging van de jeugdtehuizen met het oog op een gezonde vrijetijdsbesteding en toenemend getal inrichtingen voor moeilijk opvoedbare kinderen. 11. Uitbreiding van de nationale en internationale uitwisseling en met name door opvoering van het aantal reisbeurzen, uitbreiding van het sparen voor "reizen naar het buitenland", inrichting van jeugdwerkplaatsen, onthaalcentra om BelgiŽ beter bekend te maken, opleiding van gespecialiseerde monitors.

D. VRIJETIJDSBESTEDING

1. Verkondiging van het recht op vrijetijdsbesteding van de enkeling en van zijn recht op voorlichting inzake de vrijetijdsbesteding op het opvoedend vlak.

2. Bevordering van studies en onderzoekingen op dit nieuw gebied.

3. Oprichting van een kader van monitors en animatoren voor de vrijetijdsbesteding.

4. Inrichting van centra voor vrijetijdsbesteding en uitbreiding van jeugdtehuizen "Occupational centres", wijkspeelpleinen, nationale en internationale uitwisselingen.

5. Omvorming van sommige dorpen en tehuizen in installaties voor toerisme, vacantie of "'half-time" pedagogische tijdsbesteding ter beschikking van de jeugd.

6. Vooruitstrevende T.V.-politiek met actieve medewerking van de kijkers.

7. Aanmoediging van boeken-, foto-, T.V.- en filmclubs.

8. Vermenigvuldiging van inwijdings- en vervolmakingscursussen in verband met de culturele activiteiten en oprichting van werkplaatsen met inbegrip van het verschaffen van het nodige materieel.

9. Aangepaste ontspanning voor bejaarde personen.

10. Inwijding in de sport en ontwikkeling van de sportuitrusting van het land, zowel wat betreft installaties als materieel.

11. Bevordering van het opvoedend sociaal toerisme.

12. Winterverlof van 8 dagen voor arbeiders beneden 21 jaar.

13. Geleidelijke invoering van het cultureel verlof.

14. De valorisatie van al onze culturele rijkdommen. De modernisatie van de instrumenten voor de volksopleiding en meer in het bijzonder van de musea, en dit zowel wat betreft de structuur van onze musea als wat betreft hun uitrusting en de geest waarin ze worden beheerd. De oprichting van culturele centra die een dynamische rol zullen kunnen vervullen in het kader van de uitbreiding en van de democratisering op dit gebied van de vrijetijdsbesteding.

E. HUISVESTING

1. Invoering van een huisvestingspolitiek, waardoor bij voorkeur de sociale woongelegenheden in volle eigendom worden afgestaan en niet langer verhuurd, zoals heden het geval is.

2. Invoering van een huurkoopsysteem voor de bewoners van reeds gebouwde sociale woongelegenheden, die er aldus eigenaar van zullen worden van zodra een kapitaal, gelijk aan 10% van de koopwaarde van het gebouw, zal zijn gevormd door stortingen ter aanvulling van de huur, terwijl de koper bovendien de premie zal bekomen.

3. Uitbreiding van het bouwen door de openbare sector, mits belofte van aankoop. De eisen inzak de inkomsten bij het verkrijgen van een woning gebouwd door de Nationale Maatschappij voor de Kleine Landeigendom zullen niet meer mogen verschillen volgens de beroepscategorie waartoe de eigenaar behoort.

4. Verlening van de bouw- en aankooppremie, zowel voor appartementen als voor eengezinswoningen.

5. Verhoging van het bedrag der bouwpremie tot 48.000 F, op voorwaarde ze voor te behouden aan de gezinnen met bescheiden inkomsten. De huidige maxima zijn echter ontoereikend. Opdat de inkomsten van de echtgenote niet in aanmerking zouden komen, wordt de duur van het huwelijk van 4 op 6 jaar gebracht. Het bedrag van de premie wordt met 20% verhoogd voor elke van de eerste drie kinderen, en met 30% vanaf het vierde kind.

6. Keuze voor de kandidaat-eigenaar tussen de bouwpremie of een vrijstelling van belasting gedurende 20 jaar, ten belope van 50 F per gebouwde m2.

7. Aanmoediging van het sparen met het oog op het verwerven van onroerend bezit, tot het verkrijgen van de nodige morele waarborg om een tweede-rangslening te bekomen buiten de normaal op dit ogenblik toegestane leningen, derwijze dat het aanvangskapitaal kan verminderd worden.

8. Lening ten belope van 100%, onder Staatswaarborg, overeenstemmend met de waarde van de enige woningen, en zulks tegen een rentevoet van 3%, op voorwaarde dat de waarde van de woning 300.000 F niet overschrijdt.

9. Invoering van de Staatswaarborg voor de tweede-rangslening, mits strenge morele voorwaarden en onder te bepalen sociale voorwaarden.

10. Verzekering van gelijke voordelen aan de privť-sector die de bouw onderneemt van gegroepeerde volkshuisvestingen als toegestaan aan de openbare sector: verlaging der registratierechten, aankooppremie.

11. Uitbreiding van de privť kredietsector bij de bouwfinanciering (waarbij het verschil in rente tussen het normaal percentage en dat van de openbare sector ten laste wordt gelegd van de Staat, wanneer het krediet bestemd is voor een bescheiden woning, derwijze dat de leningen van de privť-sector niet meer zouden kosten dan die van de openbare sector).

12. Verhoging van het afbraakritme der 200.000 krotwoningen, dank zij een conjuncturele bouwpolitiek.

13. Voorbereiding van een conjuncturele politiek door jaarlijks het saldo voor te behouden van de som die de Staat ter beschikking van de Nationale Huisvestingsmaatschappij moet stellen krachtens de wet van 27 juni 1956, voor de uitvoering van bouwprogramma's betreffende volkshuisvestingen. In periode van hoogconjunctuur, zouden de N.M.H. en de N.M.K.L. hun bouwpolitiek verder moeten doordrijven.

14. Versoepeling van de procedure voor de toepassing van de wet van 8 maart 1954 tot inrichting van het krediet voor middelmatige woningen.

15. Fiscale vrijstelling van de winsten, door de ondernemingen bestemd voor de bouw van de volkshuisvestingen die in eigendom worden afgestaan aan hun werknemers.

16. Inrichting van coŲperatieven van toekomstige eigenaars en van huisvestingspermanenties, meer in het bijzonder om steun te kunnen verlenen aan "minder gegoede" personen.

17. Verlaging van de bouwprijzen door gegroepeerde bouw, rationalisatie, industrialisering en prefabricage.

18. De effectieve aanpassing van de nieuwe kadastrale inkomens, met het oog op de toe te passen verlaging op de registratierechten.


III. BEVORDERING VAN DE TOESTAND DER LANDBOUWERS OP ECONOMISCH EN SOCIAAL GEBIED

        Een evenwichtige economische en sociale structuur onderstelt dat alle bedrijvigheidssectoren op gelijke voet geplaatst worden: elke sector moet werkelijk baat vinden bij de verhoging van het nationaal inkomen rekening gehouden met de tewerkgestelde arbeidskrachten en de geÔnvesteerde kapitalen.

        De P.V.V. wil dat de huidige ongelijkheden geleidelijk zouden verminderen door het treffen van volgende maatregelen, van aard om de trek naar de grote steden te stuiten.

A. OP HET ECONOMISCH VLAK

1. De gelijkmaking van de levensstandaard van alle arbeiders, landelijke en industriŽle, door de goedkeuring van een pariteitswet, die geleidelijk de nodige financiŽle middelen ter beschikking van de landbouw zou stellen, om de noodzakelijke structuurhervormingen te verwezenlijken en op die manier de gewenste opgang mogelijk te maken.

2. Wijziging van het indexcijfer en voortdurende aanpassing ervan aan de werkelijke consumptiestructuur, om de prijs van de landbouwproducten te onttrekken aan de mogelijke manipulatie van het indexcijfer.

3. Werkelijke invoering van het recht van voorkoop ten bate van de huurder-exploitant, door een wettelijke hervorming ter bevordering van de rechtstreekse exploitatie.

4. Dringende maatregelen om de rentabiliteit te verzekeren van de kleine en middelmatige exploitatie door valorisatie van het product (industrialisatie en rechtstreekse commercialisatie) en van de grond (specialisatie, reconversie, ruilverkaveling).

5. Verhoging van de consumptie van natuurlijke producten namelijk door stelselmatige prospectie van de markten, richten van de productie in functie van de behoeften van de verbruiker, inrichting van de collectieve publiciteit en aanbieding van kwaliteitsproducten.

6. Integratie in de landbouwsector van alle landbouwindustrieŽn, van de bosbouw en van de visserij. Uitbreiding van de exclusieve bevoegdheid van de Minister van Landbouw tot deze sectoren.

7. Goedkeuring van een coŲperatief statuut, met tussenkomst in bijkomende zin, waardoor een werkelijke en vruchtbare coŲperatie wordt verzekerd en een volledige bloei aan een ware coŲperatie wordt gewaarborgd mits te verhinderen dat bepaalde vennootschappen de benaming "coŲperatief" zouden aannemen zonder de principes ervan toe te passen.

8. Wederinvoering van de forfaitaire schalen, die tot basis dienden voor de berekening van de bedrijfsbelasting vůůr de fiscale agressie die door de huidige Regering is opgedrongen, wat tot gevolg had dat de belastingen met 40 ŗ 80 % zijn gestegen ondanks het feit dat het landbouwinkomen onveranderd is gebleven.

9. Aanmoediging van instituten voor landbouwresearch ten einde de productie aan te wakkeren en te valoriseren, onder meer door de onverwijlde oprichting van een programmatiebeurs, die tot taak zal hebben een studie te wijden aan de problemen die zich op halflange en op lange termijn kunnen voordoen, om, zowel op productiegebied als dat van de commercialisatie en van de investeringen, de nodige oriŽntatiemaatregelen te bepalen die de Belgische landbouw in staat moet stellen om zich op economisch gebied te beschermen in het Europa van morgen.

B. OP SOCIAAL GEBIED

1. Trapsgewijze doorgevoerde gelijkheid van de sociale voordelen, de pensioenen en de kinderbijslagen.

2. De verbetering van de plattelandswoning en van haar inrichting door de toepassing van maatregelen die gelijklopen met de voorzieningen die in het algemeen verslag over de huisvesting worden voorgesteld, ten einde betere levensomstandigheden mogelijk te maken voor de boerin en haar gezin.

3. Wetenschappelijke vulgarisatie om de massa van de kleine en middelmatige landbouwers te oriŽnteren naar de voorgestelde oplossingen.

4. Inrichting van vervolmakingscursussen, o.m. van avondcursussen.

5. Hulp aan de jongeren die het landbouwberoep willen uitoefenen, door toekenning van ruime kredieten en subsidies, eventueel voorbehouden aan diegenen die het bewijs kunnen leveren van een voldoende beroepsopleiding.

In haar programma, dat voor onmiddellijke uitwerking in aanmerking komt, stelt de P.V.V. bovendien, ter oplossing van gewestelijke problemen, het volgende voor:

1. Gelet op het belang van de melkproductie in de landbouweconomie eist het Congres van de Regering dat de Schatkist de onlangs toegepaste en trouwens ontoereikende verhoging van de richtprijs der melk voor haar rekening zou nemen.

2. Het Congres eist dat schikkingen zouden worden genomen opdat de prijs van de boter die in BelgiŽ wordt verbruikt de botersmokkel aan de grens zou onmogelijk maken.

3. Het Congres vraagt de toepassing van een voldoende accijns op de margarine en de rechtstreekse aanwending van de opbrengst dezer belasting ten behoeve van de landbouwers.

4. Het Congres vraagt dat men in elk geval het gebruik van kleurstoffen in de margarine zou verbieden.

5. Het Congres vraagt dat in de kazernes de margarine door boter zou worden vervangen.

6. Het Congres vraagt dat eens stelselmatige propaganda zou worden gevoerd ter bevordering van het verbruik van Belgische druiven zowel op de binnenlandse als op de buitenlandse markt.


IV. DE REVALORISATIE VAN HET OPENBAAR AMBT

        Het Congres van de P.V.V. brengt in herinnering:
1) dat de hervorming van het openbaar ambt door de hele publieke opinie met nadruk wordt gevraagd;

2) dat in openbaar dienstverband ongeveer 500.000 personen zijn tewerkgesteld;

3) dat het leven van de Natie rechtstreeks wordt beÔnvloed door de goede of de slechte werking van het bestuur.

        Het stelt vast dat:
1) ongelukkiglijk een groeiende ineenschakeling ontstaat tussen de overheidsdaden van de soevereine staat en de beheerhandelingen.

2) de politieke macht door onophoudende structuurhervormingen en haar gezamenlijk plan betreffende de ministeriŽle departementen het administratieve leven ontreddert;

3) de Regering geen rekening houdt met de besluiten der studies die ertoe strekken administratieve besparingen te doen;

4) de administratieve hervorming, de toepassing van een beheersbeleid en van een personeelsbeleid onderstelt;

        Vraagt:
1) een sociale programmatie voor alle personeelsleden in overheidsdienst met betrekking tot alle aspecten van de revalorisatie van het openbaar ambt en waarbij redelijke etappen en termijnen worden vastgesteld. Hiertoe dient te gelegener tijd in de begroting te worden voorzien.

2) de billijke herziening van de statuten waardoor rechtpositie met het personeel in overheidsdienst, met name bij de veiligheidsdiensten, wordt beheerst;

3) de effectieve revalorisatie van de weddeschalen van het personeel der openbare diensten, rekening gehouden met de wedden aangeboden door de private ondernemingen door sommige parastatale instellingen. Het vaststellen van een werkelijk levensminimum, de invoering van een normale spanning tussen alle weddeschalen en de erkenning van de verdiensten zijn de voorafgaande waarden tot de verwezenlijking van een volwaardig werk;

4) de volledige depolitisatie van de benoemingen en bevorderingen der personeelsleden van het openbaar ambt, met inachtneming van objectieve en strenge regelen inzake de aanwerving en bevorderingen.

5) de regularisatie van de tijdelijke personeelsleden die thans in dienst zijn, zonder nutteloos en geldverkwistend formalisme, en de invoering voor de toekomst van bepalingen die moeten verhinderen dat de huidige toestand zich opnieuw zou voordoen.

6) de wederinvoering van de wet van 1955 houdende de perekwatie van de pensioenen, de uitbreiding van deze wet tot alle personeelsleden in overheidsdienst, de invoering van het beginsel van de gemengde en vervroegde pensioenen.

7) de veralgemening en de gelijkschakeling van de sociale voordelen, buiten die waarin door de sociale zekerheid is voorzien voor alle personeelsleden in overheidsdienst.

8) de oprichting van administratieve organisatiediensten en de reorganisatie van de diensten van Algemeen Bestuur, die beide zouden worden belast met de inrichting van een doeltreffend personeelsbeleid, afgestemd op het rendement en de productiviteit.

9) een daadwerkelijk budgetair toezicht, dat het mogelijk maakt misbuiken en verkwistingen aan het licht te brengen en te keer te gaan.

10) de compenetratie van de besturen die het mogelijk zou maken op doeltreffende wijze de sleur te bestrijden en die door het opheffen van de empirische scheiding tussen de diensten, de kansen op bevordering voor iedereen evenwichtiger zou maken en dubbele bediening voor hetzelfde werk zou uitschakelen.

11) een maximaal gebruik van de decentralisatie door de inschakeling van de provinciale en gemeentelijke diensten, met behulp van Rijkstoelagen.

12) de verbetering van de materiele arbeidsvoorwaarden voor het personeel in overheidsdienst door de oprichting van moderne administratieve kaders die een hergroepering mogelijk maken van alle diensten die ten dienste staan van het publiek, zowel in de provincie als in de hoofdstad.

13) de vaststelling van de administratieve verantwoordelijkheid van de ambtenaren op alle sporten van de hiŽrarchie.

14) de erkenning en de reglementering van het stakingsrecht in de openbare besturen.

15) de stelselmatige voorlichting van het publiek over de problemen en de moeilijkheden waarmede de openbare diensten hebben af te rekenen.

16) de mogelijkheid voor het personeel in overheidsdienst om een openbaar mandaat te aanvaarden.


top