www.liberaalarchief.be
"LAND- EN TUINBOUWCONGRES", SPA, 14-15 december 1963
CONGRES VAN DE PARTIJ VOOR VRIJHEID EN VOORUITGANG
CONGRESRESOLUTIES


Hoofdstuk I. ALGEMEENHEDEN

Het Congres proclameert:
1. de noodzakelijkheid de problemen op te lossen die zich voor de landbouw stellen, mits de individuele vrijheid te vrijwaren;
2. zijn systematische oppositie tegen alle maatregelen die een collectivistisch doel nastreven.

Stelt vast dat de politieke partijen die van de regering deel uitmaken, zijnde de C.V.P. en de B.S.P., totaal de landbouwbelangen verwaarloosd hebben en het basisprincipe verloochenden dat ertoe strekte een dynamische landbouwpolitiek te voeren, zoals werd aangekondigd in de regeringsverklaring.

Oordeelt:
- dat de C.V.P. door het niet naleven van haar verkiezingsbeloften t.o.v. de landbouwwereld, volledig heeft verraden en meent trouwens dat haar onderworpenheid aan politieke en financiŽle machten onverenigbaar is met de imperatieven die zich stellen voor de landbouwbelangen.
- dat het socialistisch landbouwcharter niets anders is dan een vermomd middel voor etatisatie van de Belgische Landbouw die moet leiden tot de stichting van een groot complex naar het voorbeeld van wat in de Oostelijke landen gebeurt, waar het individu al zijn menselijke waardigheid en zijn vrijheid van handelen heeft verloren.
Anderzijds beschouwt het Congres dat de vooropgestelde maatregelen van dit Charter niet van aard zijn om de toestand van de landbouwarbeiders in ons land te verbeteren, maar dat daarentegen de oprichting van 22 nieuwe organisaties, die zij voorhoudt, en die totaal ten haren laste ligt, een verzwaring betekent van de algemene onkosten die niet verenigbaar is met de algemene mentaliteit en de geest der landbouwers die er op een brutale wijze de gedachte van het "Nationaal Socialisme" van de A.V.L.C. zouden terugvinden.

Legt de nadruk op de onverenigbaarheid voor de B.S.P. om degelijk belangen van de landbouwers te verdedigen en haar geest van klassenstrijd, die nog altijd aan de basis ligt van de doctrine van deze partij.



Hoofdstuk II. STRUCTUUR, NATIONALE ECONOMIE

Het congres oordeelt:
1) dat de aanhoudende achteruitgang van het landbouwinkomen t.o.v. het nationaal inkomen dringende maatregelen in het leven roept die nuttig zijn om het onmisbaar evenwicht te herstellen en een juiste pariteit te verwezenlijken in de verdeling van het Nationaal inkomen.

2) dat uit de geschiedenis van de landbouw, het onderzoek van de huidige produkties, en de Europese conjuncturele vooruitzichten Ėzelfs op wereldvlak- moet besloten worden dat de landbouwpolitiek in functie is van de economische imperatieven en de sociale consideraties.

3) dat het landbouwinkomen, vertrekpunt van alle scheppende aktiviteit, dat voor het ogenblik onvoldoende is, dient verbeterd te worden door een aangepaste politiek van omschakeling (kleine uitbatingen), van specialisatie (sector die de mogelijkheden tot expansie vertegenwoordigt), van kwaliteit en van commercialisatie.

4) dat deze politiek het volgende beoogt:
    a) kapitaalkrachtige afzetgebieden;
    b) praktische actiemiddelen, in een geest van vrijheid en eerbied voor het privaat initiatief en het recht op eigendom;
    c) een drastische vermindering van de produktiekosten;
    d) de bevrijding van de landbouweconomie t.o.v. de politiek van de kleinhandelsprijzen.
5) dat indien het tekort van het landbouwinkomen gedeeltelijk kan verklaard worden door zekere tekortkomingen van de uitbatingsstructuren het evenwel past te onderstrepen dat de zwakheid van de inkomsten van de grond tegelijkertijd voortvloeien uit:
    a) de mindere specifieke waarde van de landbouwprodukten;
    b) de te zware last van de uitbatingskosten;
    c) de te zwakke stijging van de solvabele vraag t.o.v. de stijging van de produktiviteit;
    d) de toekenning van een onvoldoend deel aan de producent van de verkoopprijs van zijn produkten aan de verbruiker.
6) dat de familiale onderneming, degelijk ingelicht door de openbare besturen en door deze geholpen, voor een zekere vertikale en horizontale integratie, nog altijd de meest aangewezen exploitatievorm is om dat doel te bereiken.



Hoofdstuk III. WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK EN VULGARISATIE

Het Congres, bewust van de noodzakelijkheid om de economische landbouwvooruitzichten te ontwikkelen in een geest van totale onafhankelijkheid en handelend in het algemeen belang, stelt vast:
1. dat deze vooruitzichten moeten gebeuren in het raam van de algemene economische tendens;

2. dat de ontwikkeling van de intellectuele investeringen de economische ontwikkeling bepaalt;

3. dat het vooruitzicht van deze noodzakelijkheden de elementen moet bevatten van volgend drieluik: onderzoek, onderwijs en vulgarisatie;

4. dat het noodzakelijk is, om zulks te bekomen, een systeem van vorming en permanente voorlichting voor de landbouwers te verwezenlijken;

5. dat het absoluut noodzakelijk is de vulgarisatiediensten te decentraliseren en rekening te houden met het bijzonder karakter van de streken;

6. dat een hervorming noodzakelijk is met het oog op:
    a) een administratieve vereenvoudiging van de beheerorganen van het landbouwonderzoek;
    b) een vermindering van het aantal financieringssystemen van de instituten voor onderzoek;
    c) een harmonieuse ontwikkeling van de drie onderzoekstypes;
            1) vrij fundamenteel onderzoek,
            2) toegepast basisonderzoek,
            3) georiŽnteerd onderzoek,
    d) de oprichting van gewestelijke centra;
7. dat het noodzakelijk is de vorsers en het personeel van de wetenschappelijke instituten te bedelen met een statuut dat hun loopbaan en bezoldiging waarborgt in verhouding met de belangrijke rol die zij spelen in de schoot van de nationale gemeenschap.



Hoofdstuk IV. GEMEENSCHAPPELIJKE MARKT EN INTERNATIONALE INSTELLINGEN

De elementen die voorafgaan in aanmerking genomen, meent het Congres dat hun belangrijkheid nog verdubbeld wordt door de verplichting voor de openbare besturen zonder verwijl de schikkingen te nemen die zich opdringen om onze landbouw toe te laten zich harmonisch in te schakelen in de schoot van de Europese gemeenschap, zowel wat betreft de structurele ordening als de oriŽntaties van de produkties en hun commercialisatie.

Het Congres is van oordeel, teneinde de Belgische landbouw voor te bereiden om het hoofd te kunnen bieden aan het definitief regime van de E.E.G., dat het van belang is aan een gespecialiseerd studiebureau opdracht te geven de landbouweconomie van de verschillende landen van de gemeenschap te bestuderen, op te zoeken welke de aanvullende en concurrerende produkties zijn teneinde op een rationele manier de niet te vermijden reconversie van onze landbouw te organiseren.

Het Congres wenst dat de Zes onmiddellijk tot een algemeen akkoord voor een gemeenschappelijk landbouwbeleid komen en dit in functie der regels vastgelegd in het akkoord van 14 januari 1962.

Wat de prijzen betreft, wenst het Congres een gelijkschakeling van de verkoopprijzen in de E.E.G., die overeenstemt met een gelijkschakeling van de produktiekosten.

Het Congres is van oordeel:
1) dat de algemene oplossingen die zouden kunnen onder oog genomen worden tijdens de onderhandelingen te GenŤve, in het raam van de "Kennedy Round", in geen enkel geval een om het even welke degradatie van de toestand der landbouwprodukten mogen teweegbrengen op het ogenblik dat een sterkere concurrentie wordt waargenomen van grote producenten die geen lid zijn van de E.E.G.;

2) dat geen enkele bespreking met het oog op het aanvaarden van nieuwe leden in de schoot van de gemeenschap zou voortgezet of aangevat worden zolang de grote innerlijke problemen en meer in het bijzonder het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet opgelost zijn;

3) dat een eventuele aansluiting van een nieuw lid in de schoot van de gemeenschap zal moeten geschieden binnen de perken van de onvoorwaardelijke aanvaarding van het Verdrag van Rome;

4) dat van het ogenblik af dat de oriŽntatielijnen van de produktie zullen vastgelegd zijn, alles zal moeten in het werk gesteld worden om op zijn best de commercialisatie te organiseren en dit door een nauwe samenwerking tussen de beroepsorganisaties en de gespecialiseerde diensten van het Rijk en o.m. door het organiseren op ruimere basis en de medewerking van de diensten van de landbouwattachťs.

Bovendien verzet het Congres zich tegen het feit dat waarborgen zouden gegeven worden aan "derde" landen met het oog op het afzetten van hun produkten in het raam van de gemeenschap aan bevoordeligde voorwaarden.



Hoofdstuk V. ZUIVELPRODUKTEN EN VLEES

Niettegenstaande het onderzoek hieraan gewijd in de algemene studie van de landbouweconomie schijnt het noodzakelijk deze speculaties, die van het grootste belang zijn voor de economie van de culturen met familiaal karakter, afzonderlijk te behandelen.

In dit verband stelt het Congres het volgende vast:
1. de progressieve vermindering van het verbruik van boter;

2. de proportionele verhoging van het verbruik van margarine;

3. de smokkelinvoer van Hollandse boter en de passiviteit van de openbare besturen t.o.v. de strijd tegen deze smokkel;

4. de betaling van de melk aan een prijs die steeds lager ligt dan de kostprijs.

Oordeelt:
1. dat dringend maatregelen moeten genomen worden om de bestendige degradatie in deze sector tegen te gaan;

2. dat de steunmaatregelen moeten behouden blijven voor wat betreft de boter, zelfs na de E.E.G.-akkoorden om deze speculatie te handhaven op een prijzenniveau aan de produktie in verband met de sociale rol;

3. dat doeltreffende en efficiŽnte maatregelen dienen in het leven geroepen om de fraude uit te schakelen;

4. dat een actieve propaganda moet ondernomen worden teneinde tot een meer intens verbruik te komen van melk en boter;

5. dat een actie zich opdringt ten gunste van het natuurprodukt dat concurrentie ondergaat van ersatzen voortkomende uit importen die ten onrechte voorgesteld worden onder het mom van boter door het gebruik van toevoegingen die volledig in strijd zijn met de imperatieven inzake de gezondheid van onze bevolking;

6. dat de produktie van andere melkderivaten niet mag verwaarloosd worden.



Hoofdstuk VI. TUINBOUW, DRUIVENTEELT, BOSBOUW

Het Congres, na onderzoek van de verslagen voorgesteld op de studie van de economische landbouwsectoren,

1) TUINBOUW
Stelt vast
1) dat het verbruik van de moes- en luxetuinbouwprodukten in zuivere expansie is in ons land en in de gemeenschap van de E.E.G.;

2) dat de prijzen die in deze produkties voorkomen in constante verhoging zijn gedurende meer dan tien jaar;

3) dat de produkties van hoge specialisatie en luxeprodukten nog een grote uitbreiding kunnen nemen;

Meent
        a) in het raam van de E.E.G.
1) wat de tuinbouwprodukten betreft, moet men zo spoedig mogelijk, zowel bij ons als bij onze partners, de handel op commissieloon verbieden. Deze handel stelt sommige landen in staat massale hoeveelheden fruit, groenten en bloemen op de markt te werpen, die aan om het even welke prijs moeten verkocht worden;

2) met het oog op het behoud van de kwaliteitsnormen, vastgelegd door Koninklijke Besluiten, moet een efficiŽnte controle ingericht worden;

3) teneinde het vrij verkeer van personen en goederen toe te laten, moet onverwijld overgegaan worden tot de vereniging van de wetten en besluiten die hier en elders van toepassing zijn op dit vervoer. Het is onaanvaardbaar dat men zich in BelgiŽ kan vestigen in om het even welk branche, mits een minimum aan formaliteiten, terwijl in andere landen de vestiging verbonden is aan verscheidene criteria waarvan ťťn het aantal personen bepaalt die in bedoelde branche mogen werken. De eventuele uitgeschakelden kunnen zich dan vrij in ons land vestigen en onze uitbaters concurrentiŽren;

4) men moet eveneens de mogelijkheid nastreven opdat ieder vrij zou kunnen kopen in een land van de E.E.G. zonder zich tot een gevestigde handelaar te moeten wenden. De handel van bolgewassen is in dit opzicht een typisch voorbeeld;

5) door middel van besprekingen met de grote nijverheid moet men komen tot de gelijkschakeling van de prijzen van het materiaal in de zes landen (bv. meststoffen, stalen buizen, phytofarmaceutische produkten, glas, enz.);

6) de Belgische landbouw is vertegenwoordigd in de E.E.G., enerzijds door de I.V.T. (Internationale Vereniging voor Tuinbouwproducenten) voor de niet voedingsprodukten en anderzijds, voor de voedingsprodukten, o.a. de afdeling groenten en fruit, door de C.O.P.A. (Comitť van de Landbouwberoepsverenigingen van de E.E.G.). Een verder doorgedreven onderzoek zal duidelijk doen uitschijnen dat voor de samenstelling van die commissies volgens een unilateraal procťdť werd te werk gegaan.

        b) Ministerie van Landbouw
1) Het huidige besluit betreffende het postscolair onderwijs aanpassen. Een gedeelte van het onderwijzend personeel moet onder contract worden aangeworven. Gedurende de zes wintermaanden zou hun activiteit uitsluitend gericht zijn op de postscolaire sectoren. Tijdens de zomermaanden zouden zij de uitbatingen bezoeken, onder het toezicht van een Staatstuinbouwingenieur.

2) De diensten van de Staatstuinbouwingenieur uitbreiden.

Uitbreiding van deze diensten om aan de voorlichtingsaanvragen te kunnen voldoen, met een wetenschappelijke vulgarisatie tot doel. Het is wenselijk dat de tuinbouwconsulent zou bijgestaan worden door een economisch adviseur, belast met de beheers- en investeringsproblemen teneinde de tuinbouwconsulent toe te laten volledig zijn rol als vulgarisator te vervullen.

3) de onderverdeling in tuinbouwomschrijvingen mag niet gebonden worden aan de provinciegrenzen maar moet opgesteld worden volgens de specialiteiten.

4) stichting van een instituut voor tuinbouwtechniek belast met de studie van het bouwen van serres, verwarmingsinstallaties, het bouwen van koelkelders, tuinbouwmachines, enz.

5) stichting, daar waar het nodig is, van demonstratietuinen voor de vulgarisatie van nieuwe technieken opdat de tuinbouwers zich "de visu" zouden kunnen rekenschap geven van de nieuwe cultuurmethodes. Deze uitbatingen zouden bovendien het beeld moeten zijn van een uitbating 2UM aangepast aan de streek.

6) teneinde aan de Openbare Machten de nodige boekhoudkundige gegevens te verstrekken voor de verdediging van de Belgische tuinbouwbelangen in de besprekingen op hoger vlak, zou het wenselijk zijn dat voor onze producenten een regelmatige boekhouding wordt toegelaten onder de verantwoordelijkheid van officiŽle diensten, o.a. het economisch landbouwinstituut. Die boekhouding zou niet onderworpen worden aan de fiscus en zou aanleiding geven tot een toelage toegekend voor een eventueel tijdverlies;

7) aanmoediging van de oprichting van conditionering- en commercialisatieorganisaties.

8) gewestelijke verbetering van het hydraulisch stelsel van de gronden in samenwerking met de dienst voor landbouwhydrauliek en de dienst voor de herkaveling;

9) verbetering, aanpassing en uitbreiding van de waarnemings- en waarschuwingsposten met het oog op een verhoging van de bescherming der voedergewassen;

        c) Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid
Dagelijks worden oproepen gedaan door middel van de radio teneinde de arbeiders aan te zetten over te gaan tot de bedrijven waar gebrek heerst aan werkkrachten. Lovenswaardige manier van optreden. Maar dit heeft nochtans tot gevolg dat de tuinbouw alzo moeilijkheden ondervindt om personeel te behouden of aan te werven.

        d) Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur
Een herziening trachten te bekomen van het programma van het huidig technisch landbouwonderwijs en de oprichting van beroepsscholen die de vorming van tuinbouwers, die voldoende beroepskennis bezitten, te vormen.

        e) Wenst dat het Bureau van de PVV de eventuele noodzakelijkheid bestudeert van een reglementering tot toegang van het beroep.

        f) de nodige maatregelen treffen opdat de N.D.A.L.T. zijn zending, waarvoor hij gesticht werd, zou kunnen uitvoeren, d.w.z.: de bevordering, op alle gebied, van de verkoop der land- en tuinbouwprodukten, evenals de studie van de binnen en buitenlandse markten en de afzetmogelijkheden.

        g) Reconversie. Gezien de landbouwstructuur van de Waalse provincies moet men er de tuinbouwreconversie bevorderen in zekere streken die een speciale aanleg vertonen voor deze culturen. Men zou de grote uitbatingen moeten oriŽnteren naar groenten bestemd voor de opleg en de kleine bedrijven naar moesteeltproduktie voor onmiddellijk verbruik.

2) RECONVERSIE

Meent
1) dat in het huidig structureel geheel van de landbouweconomie, de hoeven met kleine uitbating gedoemd zijn om te verdwijnen;

2) dat nochtans het sociaal aspect van deze belangrijke fractie van onze landbouwbevolking in zich de verplichting sluit zich te verzetten met alle aangepaste middelen, tegen de landelijke exodus;

Oordeelt
1) dat de omschakeling van de traditionele landbouw een oplossing is die men zonder uitstel moet bevorderen;

2) dat het betaamt zulks aan te moedigen door aangepaste maatregelen zowel onmiddellijke als voor de toekomst in een Europees geheel;

3) dat de tuinbouw en de produktiespeculaties van vlees een geldige oplossing betekenen voor de toekomst;

4) dat de verwezenlijking van vulgarisatiemaatregelen, nl. de stichting van gewestelijke reconversieorganismen, met privaat karakter, die tot doel hebben de oriŽntering, de techniek en de commercialisatie van nieuwe speculaties, dringend moeten genomen worden;

5) dat de forfaitaire landbouwtaxatie zou toegepast worden gedurende de eerste vijf jaren van de tuinbouwreconversie.

Het Congres, na kennis genomen te hebben van het verslag op de druiventeelt.

stelt vast
dat de sociale evolutie meer en meer het verbruik toelaat van luxe- en kwaliteitsprodukten;
is van oordeel
dat de druiventeelt, bron van inkomsten voor een belangrijke streek van ons land, het voorwerp moet uitmaken van een ernstig onderzoek, dat dringende maatregelen onder ogen moeten genomen worden teneinde de markten te veroveren die voor deze speculaties vatbaar zijn;

stelt de belangrijkheid vast van de bosbouw in het landbouwinkomen en meer in het bijzonder van de streken waar de bodemgesteldheid uitsluitend deze speculatie mogelijk maakt,

Meent dat men aan deze bijzondere sector de oplossingen moet verlenen die hij nodig heeft, d.w.z.:
1. ruilverkaveling; met het doel de vrijwillige ruilverkaveling in de hand te werken, moet men voor de uitwisseling van bossen dezelfde voordelen toekennen als voor landbouwgronden, als men de wettelijke ruilverkaveling toepast.

2. financiŽle hulp van de openbare machten; wat de toekenning betreft van leningen aan verlaagde rentevoet in verband met de investeringen voor boswegen, zou men ze op korte termijn kunnen vooropstellen, vermits de amortisatie vlugger geschiedt.

3. successierechten; er wordt gevraagd de successierechten op de volgende wijze te betalen:
- op de grond: binnen de normale termijnen

- op de bebossing: zich uitsluitend beperken tot de heffing van de rechten op de waarde van de aangroei sedert de laatste erfopvolging (instandhoudingswaarde i.p.v. handelswaarde) wat de inning betreft van de rechten op de bebossing, zou een tijdspanne van 10 jaar moeten toegestaan worden, mits een jaarlijkse intrest van 1%.

4. provinciale belasting: de provinciale belastingen op de bossen afschaffen.

5. Wet van 24 juli 1962 op de aanplantingen: de wet van 24 juli 1962 zou derwijze moeten aangevuld worden dat de aanplantingen vermeld bij art. 3 ß 2 van de ministeriŽle omzendbrief niet beoogd worden door de wet in kwestie.
In de zones, voorbehouden aan de landbouw, nauwkeurig vermelden dat het mogelijk is aanplantingen van Kerstbomen aan te leggen, in zoverre zij een hoogte van 3 meter niet overschrijden.

6. Boomkwekerijen; actieve studie van de buitenlandse markten waar de produkten van de boomkwekerijen kunnen afgezet worden, vooral in het raam van de Gemeenschappelijke Markt;
afschaffing van het Ministerieel Besluit dd. 6 februari 1963 tot vaststelling van de minimumoppervlakte van de boomkwekerijen, bestemd voor bosbouw.

7. Bestuur van Waters en Bossen; de gewestelijke oriŽntatie van de bosbouwproduktie in de hand werken met de technische bijstand van het Bestuur van Waters en Bossen dat over de nodige middelen dient te beschikken.



Hoofdstuk VII. ZEEVISSERIJ

De PVV wenst de zeevisserij bij te staan om de moeilijke periode te boven te komen. Daarom dienen zowel op sociaal, op wetenschappelijk, op publicitair als op internationaal publiekrechterlijk vlak dringend een reeks maatregelen genomen te worden;

De PVV stelt dan ook voor:
- in het kader van Euromarkt een multilateraal verdrag af te sluiten met de niet-lidstaten, welke over visrijke territoriale wateren beschikken (Denemarken, Ijsland, Engeland); en naast de strenge reglementering van het vissen in deze zones, dient echter ook een reglementering uitgevaardigd te worden op de invoer van de visprodukten door deze landen in de Euromarktlanden;

- het personeelstekort op te lossen door o.a.:
    1. het behoud der premies aan de vissers beneden de 18 jaar, en aan de reders die dergelijke vissers laten aanmonsteren;

    2. de toekenning van een pensioen aan de vissers vanaf 55 jaar, met verhoging van de premie tot 25 % in functie van het aantal jaren dienst;

    3. het verder uitbouwen van het herscholingscentrum te Oostende, en de oprichting van een dergelijk centrum te Heist en te Nieuwpoort;

    4. de bevordering der inwijking van vreemde vissersgezinnen en de oplossing van het hiermede gepaard gaande huisvestingsprobleem;

    5. aanpassing van de sociale wetgeving;
- het bevorderen van de nieuwbouw door het behoud der slooppremie en deze nieuwbouw te steunen door wetenschappelijke voorlichting door een rijksstation voor wetenschappelijk onderzoek; streven naar coŲperatie en standardisering;

- het in stand houden van de opvangregeling; een degelijke controle door bevoegde technici dient echter ingesteld te worden; de opgevangen vis mag niet in de verse vishandel gebracht worden;

- de aanpassing van het visserijonderwijs aan de huidige behoeften van de zeevisserij. Er moet bekomen worden dat de afgestudeerden der zeevisserijscholen een renderende loopbaan krijgen;

- het bevorderen van het visverbruik door een meer geordende en doeltreffende publiciteit vanuit het Departement; strenge controle door de bevoegde technici op ieder ogenblik van de visverhandeling;

- de oprichting, in het raam van de door de PVV voorgestelde hergroepering, der Ministeries, van een sector "Zeevisserij", onder de leiding van een terzake bevoegde persoon;

- de verdere uitbouw van het Rijksstation voor wetenschappelijk onderzoek, teneinde te bereiken dat de reders en reders-vissers over een grotere voorlichting kunnen beschikken wat betreft o.a. de rationele bouw der schepen, de kennis der visgronden, het vinden van nieuwe visgronden, e.d.;

- beperking van alle lasten (mijnrechten, kaairechten, sliprechten, e.d.);

- onderwerping der ingevoerde visprodukten aan de Belgische reglementering;

- strenge controle van het Ministerie van Arbeid op het gebruikte materiaal, teneinde arbeidsongevallen te voorkomen;

De PVV verbindt zich de alhier niet aangehaalde problemen door haar bevoegde commissie te laten instuderen, teneinde daarna de passende voorstellen te doen.

Om deze problemen op te lossen weerhoudt het Congres een actieprogramma dat van aard is de rentabiliteit van de landbouw te waarborgen.

1) Heraanpassing van de verkoopprijs aan de produktie van de landbouwprodukten in functie van hun werkelijke kostprijzen, rekening houdend met een normale bezoldiging van de exploitant, de kapitalen die deze investeert en de risico's die deze loopt.
Zulks is des te meer te rechtvaardigen doordat alleenlijk de landbouwprijzen stagneren en dat de openbare besturen niet aarzelen de verhoging toe te laten van produkten die een zwaardere invloed op de index (industriŽle produkten, taksen en belastingen) en uitoefenen.

2) Drukking op de algemene produktiekosten en andere elementen die de kostprijs vormen.

3) Verhoging van het deel van de producent in het verkoopbedrag van zijn produkten aan de verbruiker.

4) Definitieve opheffing van de conditionering der landbouwprijzen aan de imperatieven van de index en in dezelfde gedachtengang wijziging en bestendige aanpassing van de elementen die de index samenstellen aan de werkelijke structuur van het verbruik en de noodwendigheden en aanpassing van de ponderatie voor de voedingsproducten voortkomend van de nationale landbouwsector.

5) Studies en verbetering van de produktiemethoden en de markten

Teneinde de produkties die de noodwendigheden en de plaatsingsmogelijkheden overschrijden, te vermijden, dient er een gespecialiseerd organisme opgericht te worden:
1) voor studie en marktprospectie;

2) teneinde de verlangens van de verbruikers na te gaan en de evolutie van de smaak;

3) teneinde de economische en commerciŽle mogelijkheden te bepalen volgens de akkoorden afgesloten in het raam van de Europese Gemeenschap.

Besluiten van dit onderzoek.

a) de concrete maatregelen bevorderen met het oog op de oriŽntatie der produkties en de aanmoediging tot waardevolle speculaties;

b) hulp bij het oprichten, op initiatief van de private sector in nauwe samenwerking met de beroepsorganisaties der landbouwers, de gewestelijke reconversiecentra die wij vooropzetten en de diensten der betrokken landbouwdepartementen, van een bureau voor raadgevingen dat vooral tot doel zal hebben de producenten op praktische wijze voor te lichten omtrent alle produktievraagstukken, het verbruik en de oriŽntering en tot hetwelk buitenlandse kopers zich zouden kunnen wenden teneinde hun transacties te vergemakkelijken;

c) toevlucht tot het vooruitzicht van de ontwikkeling inzake agronomisch onderzoek vanuit de ontwikkelingsperspectieven der landbouweconomie;

d) verwezenlijking van een systeem van vorming en voorlichting, door de hervorming van het onderwijs en de vulgarisatie met het oog op:

    1. een betere aanpassing van het landbouwonderwijs op alle niveaus;
    2. een verder doorgedreven integratie van dit onderwijs in het algemeen onderwijs;
    3. de hervorming der vulgarisatiemethoden in de zin van het ter beschikking stellen aan de uitbaters van de uitslagen van deze studie, in beide landstalen en de verspreiding van hun resultaat inzake:
    a) het wetenschappelijk onderzoek;
    b) het technisch onderzoek;
    c) het economisch en commercieel onderzoek.
6) Structuur- en infrastructuurhervormingen.
Om hoger aangehaald doel te bereiken en de bevordering te verwezenlijken van de belangen van de Belgische Landbouw zowel op het plan van de nationale economie als op het plan van de wereldeconomie, is ook het volgende nodig:

A.
1. een totale hervorming van het Departement van Landbouw gebaseerd op volgende principes: de techniek moet ten dienste worden gesteld van de economie; de economische studies moeten hun historisch karakter prijsgeven en moeten werkelijk previsioneel worden.

Wij stellen daarom voor:

a) de oprichting van een wetenschappelijke en economische instelling die het huidig landbouweconomisch instituut vervangt en die terzelfder tijd beschikt over een landbouwboekhoudkundig personeel dat gekwalifieerd is en van een wetenschappelijk personeel dat de vooruitzichten op korte en lange termijn kan verzekeren.

b) transformatie van de ondoeltreffende centrale diensten en efficiŽnte studiediensten.

c) versteviging van de dienst der internationale betrekkingen door een directe samenwerking met de consulaire diensten.

d) organisatie van het agronomisch onderzoek in de schoot van ťťn enkele administratie onder rechtstreekse voogdij van de Minister van Landbouw.

e) organisatie van alle controles uitgevoerd door de agenten van het departement of de agenten van de parastatalen (NDALT-NDZ) in ťťn enkele dienst ter beteugeling van de fraudes.

f) oprichting van een vormingsdienst, teneinde de agenten van de vulgarisatie op de hoogte te houden van de technische en wetenschappelijke vooruitgang en de commerciŽle mogelijkheden die bestendig evolueren.

g) hervorming der vulgarisatiediensten door een opgedreven decentralisatie en een versteviging van de middelen die ter beschikking staan van de agenten.

h) volledige hervorming van de NDALT en de NDZ met het doel hun actie te beperken tot de objectieven welke vooropgezet werden bij hun stichting, dit rekening houdend met de noodzakelijke aanpassing en de vereenvoudiging van het administratief raderwerk.

j) bevordering van een politiek inzake kwaliteitsprodukten door het gebruik van de nationale "labels" te veralgemenen.

j) voorlichting en oriŽntatie van de verbruikers door een aangepaste publiciteit (TV, Radio, Pers), volgens de bevoorradingsnoodwendigheden der markten.

k) doeltreffende medewerking van onze toeristische politiek aan de vulgarisatie van onze landbouwprodukten op de vreemde markten.

2. Landbouwfonds.

1) herinrichting van het landbouwfonds volgens het doel dat deze instelling werd toegewezen tijdens zijn stichting en geen afleiding van zijn ontvangsten naar andere sectoren of departementen voor politieke redenen, zoals dit sedert 1958 het geval is:

2) terugbetaling aan de landbouwsector van de compensatiepremies die hem toekomen;

3) de uitgaven onrechtmatig ten laste gelegd aan dit fonds zijn de oorzaak van zijn deficit, nl.:
- de terugzending van de boter die op een frauduleuze manier uit Nederland werd geŽxporteerd;
- de aan de industriŽle sectoren toegekende premies moeten gecompenseerd worden door een nieuwe aanbrengst ten laste van de FinanciŽn.

3. Investeringsfonds.
Indien over het principe van een investeringsfonds niet moet geredetwist worden, blijkt het evenwel noodzakelijk dat zekere tussenkomstcriteria op punt moeten gesteld worden, die dienen gedicteerd te worden in functie van de economische en sociale dienst van het Departement.

B. Herziening van de wet op de ruilverkaveling.
De wet die thans in voege is brengt een langzaam en duur procťdť met zich mee. Het is noodzakelijk voorrang te verlenen aan een dringend plan voor de gewone herkavelingen. De voordelen verhogen die toegekend worden aan vrijwillige ruilverkavelingen.

C. De verbetering van de gronden.
De voorbereidende studie tot onze werkzaamheden toont aan dat een belangrijk gedeelte van ons grondgebied buiten onze produktieomloop ligt, omdat deze onbetrouwbaar en vochtig zijn.
Het bebossen van de onvruchtbare gronden en de grondverbetering van vochtige gronden zouden aan de nationale economie een zeer belangrijk bijkomend inkomen geven.

Om dit te verwezenlijken moet men:
a) een fonds oprichten voor grondverbetering;

b) de werken tot verbeteringen van de gronden die technisch te verwezenlijken en rendabel zijn en die uitgevoerd worden door de landbouwers en alleenstaande eigenaars moeten aangemoedigd en gesubsidieerd worden;

c) dezelfde voordelen moeten uitgebreid worden tot de aanlegging van vijvers bestemd voor het kweken van vissen tot herbepoting.

D. Het renderend maken.
De vermindering van het percentage der uitgebate gronden in verband met het rechtstreeks vruchtbaar maken blijkt ons niet intermate te moeten bekommeren, de prijs van de pacht ten andere legaal gelimiteerd, maakt een kleinere last uit dan de waarde van de kapitaalsintrest die men zou moeten investeren om eigenaar te kunnen worden.
In deze moeilijke investeringsperiode nochtans meent het Congres dat de stabiliteit op de grond zekerder moet zijn om de afschrijving ervan te bevorderen.
Met dit doel moet men het volgende voorzien: de herziening van de pachtwet met het doel een grotere stabiliteit te verzekeren aan zijn uitbater.

E. De produkten van de fokkerij.
a) de melk

I. De basisprincipes
    1) de problemen van de Belgische zuivelmarkt hebben betrekking op een handel die meer afhangt van de openbare Machten dan van de producenten;

    2) de landbouwpolitiek moet gesteund zijn op een meer realistische indexpolitiek rekening houdend met de evolutie van de produktiekosten;

    3) de zuivelproducent heeft het recht een onmiddellijke pariteit voor zijn werkelijk loon, voor de normalisatie der overeenkomsten tussen de prijzen aan de verbruikers en aan de produktie te eisen, alsook om aan de Gemeenschappelijke Markt het hoofd te kunnen bieden.
II. Melksector
    1) de richtprijs voor de melk met 30į vetgehalte moet op dit ogenblik op een minimum van 4,10 F per liter gebracht worden;

    2) iedere graad botergehalte, hoger dan 30, moet 0,10 F betaald worden;

    3) de kwaliteitspremies moeten zowel in de winter als in de zomer behouden worden;

    4) de reductieproef moet vervangen worden door de test op het zuurgehalte en de zuiverheid (filtratie);

    5) de propaganda ten voordele van de verbruiksmelk moet uitgebreid worden;

    6) het deel van de prijs gestort aan de producent moet overeenstemmen met 60% van de prijs gevraagd aan de verbruiker;

    7) het zuivelbedrijf onder al zijn vormen en de leveranciers van kwaliteitshoeveprodukten moeten van dezelfde voordelen genieten als de andere sectoren.
III. Botersector
    1) de prijs van de boter moet gescheiden blijven van die van de verbruiksmelk;

    2) de boter moet door de verbruiker betaald worden met een prijs die deze der Hollandse boter benadert dank zij een systeem dat premies bij de distributie voorziet;

    3) de boerenboter wordt gelukkiglijk geÔntegreerd in de rundereconomie van ons land en in het geheel van de Gemeenschappelijke Markt. De middelen om haar evenredig te valoriseren dienen te worden voorzien en voortdurend vervuld;

    4) de smokkelimport van Hollandse boter moet door alle middelen in de wet voorzien bestreden worden teneinde deze in te dijken;

    5) de botermarkt moet in het algemeen beschermd worden door de verplichting op te leggen aan de margarineproducenten hun produkten met natuurlijke kleur op de markt te brengen en waarvan de smaak niet beÔnvloed wordt door scheikundige technische procťdťs;

    6) alle grondstoffen die in aanmerking komen voor de fabricage van margarine moeten bij de invoeren in ons land belast worden op dezelfde wijze als de ingevoerde produkten die in aanmerking komen voor het voeden van de veestapel. Deze inkomsten zullen aangewend worden om de compensaties aan de boterdistributie te verzekeren;

    7) tijdens de besprekingen van de Gemeenschappelijke Markt voor de melk moet BelgiŽ het principe van de inter-afhankelijkheid steunen voor wat betreft de markten der vette voedingsprodukten, voorgesteld door de Franse producenten teneinde de concurrentie uit te schakelen die aan de natuurlijke boter gedaan wordt door nijverheidsprodukten zoals de margarine.
IV. Sector van de andere melkderivaten
    De inspanningen van het wetenschappelijk onderzoek in de melkstations dienen zonder verpozen te worden opgedreven, vooral op het domein der produktieverhoging van harde kaas en melkpoeder.
V. Budget en Nationale Zuiveldienst
    Het aandeel voorzien in de algemene begroting voor de landbouw moet evenredig zijn aan de belangrijkheid in het algemeen inkomen.
    De vertegenwoordiging van de melkvoortbrengers in de schoot van de Beheerraad van de Nationale Zuiveldienst moet representatief en voldoende zijn. Het voorzitterschap van deze beheerraad zou moeten toevertrouwd worden aan een wetenschappelijke personaliteit, hetzij een professor van een landbouwinstituut, hetzij een directeur van een wetenschappelijk zuivelstation.
b) Vlees

    1) de productieprijzen van het Belgisch vlees moeten vastgesteld worden volgens de kostprijzen regelmatig berekend volgens de kwaliteitscategorieŽn. Het principe van de minimumprijs volgens de kwaliteit van het rundsvlees moet onmiddellijk worden bestudeerd;

    2) de minimumprijs van het varken met een gewicht van 100 Kg voor een kostprijs van 31 F die een uurloon van 39 F inhoudt moet worden vastgesteld op 30 F;

    3) de outsiderprodukties mogen niet zonder meer verboden worden. Maar de normale produktiesectoren moeten verdedigd worden tegen de faciliteiten hun aangeboden door een wetgeving die strikte aggregatievoorwaarden voorziet, een telling op een andere grondslag dan deze van de integratie in de landbouwuitbatingen van minder dan 1 Ha en door het opleggen van een beroepstaxatie;

    4) de verkoop van het geslacht gewicht moet opgedreven worden maar niet opgelegd ten nadele van het gewicht op voet;

    5) de spreiding van de openbare en private slachthuizen moet een loyale mededinging toelaten die de beste waarborg is voor de hoedanigheid en de belangen van de voortbrengers en veel beter dan een overdreven centralisatie;

    6) het fokdier dat minderwaardig vlees op de markt brengt moet geleidelijk worden vervangen door dieren die voortspruiten uit de bevruchting door veredelde voorttelers.

    7) in elk gewest moet een proefstation worden gevestigd met de bedoeling de hoedanigheid van het vlees te verbeteren;

    8) het belang van de verbruiker moet gevrijwaard worden op gebied van prijzen en kwaliteit. De rationalisatie van de tussenbedrijven moet het uitsluiten van verschillende onder hen voor gevolg hebben. De opvoeding van de koper kan met eenvoudige middelen bevorderd worden.

    9) de produktie van de hoenderweek moet beschermd worden tegen de invoer van minderwaardige produkten, in de hand gewerkt door bevoorrechte economische voorwaarden. Het omvormen van de kleine hoeven op hoenderkweekexploitatie moet aangewakkerd worden in de meest voordelige voorwaarden.


top