www.liberaalarchief.be
CONGRES VAN DE PARTIJ VOOR VRIJHEID EN VOORUITGANG
BRUSSEL, 24-26 april 1964
RESOLUTIES


Te allen tijde hebben de gemeenten in 's lands leven, bij de culturele ontwikkeling en de economische expansie ervan, een overwegende rol gespeeld. Gedurende de vreemde bezettingen, dan wanneer de regering en alle gezag verloren, zijn de gemeenten integendeel, daarbij blijk gevend van een ononderbroken, aanhoudend verzet, het enig politiek gezag gebleven waardoor het voortbestaan van onze nationale instellingen werd verzekerd. Wordt niet door alle Belgen met fierheid herinnerd aan de grote burgemeesters van onze Hoofdstad, Adolphe MAX en Joseph VAN DE MEULEBROECK, die, tijdens de twee wereldoorlogen, het symbool zijn geweest van het verzet der bevolking tegenover de overweldiger? Terwijl de op het nationale vlak behandelde problemen vaak ontsnappen aan de aandacht en aan het begrip van de gewone burger, stelt deze daarentegen in de grootste mate belang in de plaatselijke problemen. Op het moment dat het land eindelijk inziet dat decentralisatie- en deconcentratiemaatregelen geboden zijn biedt zich voor de gemeentemachten en de provinciale machten gelegenheid om al het belang terug te krijgen dat zij nooit hadden mogen verliezen. Het is de eerste maal dat de PVV vůůr het kiezerskorps verschijnt. Het is dan ook nodig dat, bij de eerstkomende gemeenteverkiezingen, de PVV al haar krachten in de strijd werpt, zorgzaam haar kandidaten uitkiest en tot in de bijzonderheden een program uitwerkt dat in de eerste plaats door onze doctrine is geÔnspireerd. Bedoeld program moet de vrijheid van het individu en de vrije onderneming verdedigen en zich krachtdadig verzetten tegen een travaillisme, dat ertoe leidt de inspanning te beboeten en de werkelijke sociale vooruitgang te remmen. Dit program moet aan de lokale en regionale omstandigheden kunnen worden aangepast. De bijval van de PVV bij de gemeenteverkiezingen zal de voorbode zijn van haar zegepraal bij de wetgevende verkiezingen.



MANIFEST VAN HET CONGRES


In tegenstelling met iedere doctrine die het individu negeert en het aan banden legt stelt de PVV de mens in het centrum van haar bekommernissen. Derhalve wil de PVV de Staat met zijn werkelijke opdracht belasten: steun aan het particuliere initiatief, coŲrdinatie van de inspanningen die daarvan uitgaan, in de plaatstreding ervan bij in gebreke blijven en beteugeling van de misbruiken. Daar de provinciale en gemeentelijke machten het dichtst bij de mens staan, zijn zij ook het best in staat om hem te helpen bij zijn initiatieven en hem te verdedigen tegen de excessen van het centrale gezag. De PVV eist derhalve, voor de Provincies en Gemeenten, een werkelijke autonomie op, welke de aanwending garandeert van de onuitputtelijke middelen van het particuliere initiatief in dienst van de gemeenschap en geconcretiseerd in hierna bepaalde actieprogram en beheersmethoden.



KAPITEL I Ė DE GEMEENTEN


A. Algemene beginselen

1) Veralgemeende deconcentratie en decentralisatie naar de provinciale en gemeentelijke instanties van al de activiteiten met regionaal en lokaal karakter. 2) Een werkelijke gemeentelijke autonomie in het kader van de goedgestemde en goedgekeurde begrotingen. 3) Plaatselijke steun voor de economische expansie in samenordening met de naburige streken. 4) Mogelijkheid voor de gemeenten om zich met name te organiseren in de vorm van verenigingen, waarbij de particuliere sector mag worden betrokken om de rationele ontwikkeling ervan, zoniet die van hun streek, te verzekeren. 5) De samenvoeging van sommige gemeenten is gewenst. Zij moet geschieden buiten iedere politieke bekommernis om, daarbij uitgaande van de belangen der inwoners, van de hun eigen zijnde affiniteiten en van economische en sociale beweegredenen.

B. GemeentefinanciŽn

De PVV vraagt
1) dat de financiŽle onafhankelijkheid van de gemeentebesturen ten opzichte van de Provincies en de Staat wordt verzekerd; 2) dat, bij dezelfde gelegenheid, aan de gemeentebeheerders de volle verantwoordelijkheid van hun beleid wordt gelaten ten opzichte van de inwoners; 3) dat de opcentiemen op het bedrijfsinkomen worden losgemaakt van de geglobaliseerde inkomsten om opnieuw te worden gevestigd op de bedrijfsbelasting zelf, en zulks derwijze de trapsgewijze toegepaste aanslag te voorkomen; 4) dat de lasten van de gemeentelijke fiscaliteit worden verdeeld over alle inwoners van de gemeente, naar gelang van hun mogelijkheden.

C. Onderwijs Ė Cultuur Ė Jeugd en Sport

Zijn onverbiddelijke gekantheid verkondigend tegen de rampspoedige en door de Staat zelf onderhouden concurrentie die, inzake onderwijs, onderling door de verantwoordelijke openbare overheden wordt gevoerd, Stelt de PVV voor:
1) de volstrekte neutraliteit van het gemeenteonderwijs, hetwelk de wijsgerige of godsdienstige overtuigingen van eenieder eerbiedigt; 2) dat aan de jeugd grotere verantwoordelijkheden worden opgedragen, door de verlaging van de minimumleeftijd van de kiezers voor gemeente en provincie tot 19 jaar door toekenning van stemrecht aan de dienstplichtigen; door vaststelling van de verkiesbaarheidsleeftijd voor die kieskorpsen op 21 jaar; 3) de rationalisatie van het Onderwijs: instelling van commissies voor de coŲrdinatie tussen de diverse onderwijscategorieŽn (Staat Ė Provincies Ė Gemeenten en Vrij Onderwijs); 4) de aanpassing van het gemeenteonderwijs aan de plaatselijke economische en sociale behoeften, mits meer in bijzonder rekening te houden met de problemen die eigen zijn aan de plattelandsgemeenten; 5) de oprichting van een autonoom Fonds voor de gemeentelijke schoolconstructies; 6) de coŲrdinatie tussen de onderwijsinrichtingen, enerzijds, en de culturele centra en jeugdtehuizen anderzijds; 7) een dynamische en realistische actie van de gemeente inzake sociaal-culturele en sportbevordering, namelijk ten gunste van plaatselijke vrije organisaties; 8) in de gemeenten met meer dan 5.000 inwoners, inrichting van een schepenambt met bevoegdheid inzake jeugd en sport, en ten opzichte van de vaste afvaardigingen die bij wijze van adviezen en voorstellen bij dit schepenambt optreden; 9) steunverlening aan de jonge gezinnen door aanmoediging van het prenuptiaal sparen en het verwerven van eigendom.

D. Gemeentebeleid

De PVV, bewust van de belangrijke rol die aan het gemeentepersoneel, aan het personeel van de gemeentelijke politie en aan het personeel van de gemeentelijke veiligheidsdiensten is toevertrouwd.

VRAAGT
1) de "depolitisatie" van de benoemingen tot de gemeentebedieningen, dank zij de objectieve schifting van de kandidaten; 2) de veralgemeende organisatie van volmakingscursussen; 3) een bezoldiging in overeenstemming met de functies, de ambtsbevoegdheden en de verantwoordelijkheden van bedoelde personeelsleden; 4) mogelijkheid voor een personeelslid van de besturen van Staat, Provincies en gemeenten om overgeplaatst te worden met een gelijkwaardige graad van ťťn dezer besturen naar een ander en aldaar zijn loopbaan voort te zetten; 5) recht op een gemeentepensioen uitbetaald op de normale rustouderdom en berekend naar rata van de gepresteerde dienstjaren voor de gemeentelijke personeelsleden die uit hun betrekking ontslag hebben genomen vůůr de normale pensioneringsdatum. De PVV eist hetzelfde recht op voor de personeelsleden van Staat en Provincies. 6) een syndicaat statuut, dat toepasselijk is op het gemeentepersoneel; 7) dat de plichten, verplichtingen en rechten die eigen zijn aan de politie- en veiligheidsdiensten worden vastgesteld.

E. Openbare Werken

Overwegende dat de gemeenten er moeten voor zorgen de ordening van hun grondgebied op te vatten en te verwezenlijken in overleg met de Commissie voor aanleg die de Koning gehouden is in te stellen overeenkomstig de wet op de ruimtelijke ordening van het grondgebied en de stedebouw.

Eist de PVV
1) de verwezenlijking van de gemeentelijke autonomie inzake werken, door de oprichting van een Fonds voor de gemeentewerken, automatisch onder de gemeenten te verdelen volgens objectieve criteria, (mits in het speciaal geval te voorzien van de gemeenten die, ofschoon goed beheerd, in financieel opzicht zijn benadeeld) zonder tussenkomst van de hogere overheden en naar rata van het bedrag der uitgevoerde werken; de technische controle op deze werken zou tot de uitsluitende bevoegdheid van de provincie behoren. 2) dat de gemeenten, bij voorbeeld inzake verwezenlijking van plannen voor aanleg en volkswoningenbouw, niet alleen toevlucht zouden nemen tot financieringsstelsels die onder het publiekrecht ressorteren en steeds ontoereikend zijn, maar in de grootste mate beroep zouden kunnen doen op de wettelijke mogelijkheden tot samenwerking met de particuliere sector.

F. Sociale politiek

Als partij voor werkelijke sociale vooruitgang, mits eerbieding van de menselijke persoonlijkheid, prijst de PVV het volgend program van gemeentelijk sociaal beleid aan: 1) de gemeenten mogen zich niet vergenoegen met de verwezenlijkingen die te vervullen zijn door staatsmaatschappijen voor huisvesting, doch integendeel de bouw van volkswoningen vergemakkelijken door beroep te doen op het particuliere initiatief, hetwelk alleen bij machte is om tegemoet te komen aan de talrijke steeds niet-ingewilligde vragen. De PVV wil door alle middelen de verwerving van eigendom aanmoedigen.

2) particuliere plannen van aanleg zullen door de gemeenten worden opgemaakt in samenwerking met de particuliere sector, en zulks derwijze de rationele bouw te bevorderen van huisvestingen die aan de behoeften beantwoorden.

3) volledige gelijkstelling tussen de openbare en de privť-sector wat betreft de financiŽle voordelen, de verkavelingsregeling en de bouwwerknormen.

4) omvorming van de openbare onderstand in maatschappelijk hulpbetoon - onder al zijn aspecten Ė door instelling, in de gemeenten met meer dan 5.000 inwoners, van commissies voor maatschappelijk hulpbetoon en door de oprichting van bureaus voor maatschappelijk hulpbetoon die groeperingen van kleine gemeenten bedienen.

5) vereenvoudiging van het administratieve toezicht, opgelegd aan de aldus omgevormde commissies van openbare onderstand, door dit speciaal administratieve toezicht alleen toe te vertrouwen aan het echelon van het provinciaal gezag.

6) volledige herziening van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen, door het begrip normale prijs van de verpleegdag te vervangen door de notie werkelijke en gecontroleerde kostprijs.

7) de openbare ziekenhuizen moeten de voorrang bekomen voor:
a) de verzorging der behoeftigen;
b) de dringende dienstverstrekkingen;
c) het academisch onderwijs. De financiŽle last van de dringende dienstverstrekkingen en van dit academisch onderwijs moet door de Staat worden gedragen.

8) de gemeenten moeten doelmatig de bejaarde personen behulpzaam zijn door de oprichting van werkelijke rusttehuizen.



KAPITEL II. Ė DE PROVINCIES


De Partij voor Vrijheid en Vooruitgang,
- Overwegende dat het tempo van de sociale evolutie steeds sneller wordt, dat bij alle overheden de toestand op gevaarlijke wijze teloorgaat;
- Overwegende dat het evenwicht van onze nationale instellingen in gevaar verkeert bij gebrek aan een samenhangend beleid;
- Overwegende het volkomen gebrek aan programmatie bij diegenen die thans de leiding van ons land in handen hebben;
- Van oordeel zijnde dat het ogenblik is aangebroken om de structuur van de openbare instellingen opnieuw te overwegen, met inachtneming van de imperatieven van onze tijd.

BESLIST
In volle klaarheid en met de grootste energie de hernieuwing aan te vatten van de provinciale machten door aan deze een autonomie terug te schenken die tot op heden door een abusieve centralisatie in het gedrang werd gebracht.

Te dien einde heeft de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang een actieprogram opgesteld, dat als volgt kan worden samengevat:

A. DECONCENTRATIE

1. De deconcentratie naar de provincies van de bevoegdheden van provinciale aard, die thans onder de diverse ministeriŽle departementen ressorteren, dient te worden versneld.
2. De goedkeurings- of nietigverklaringsbevoegdheid van de Staat zal nog slechts worden vereist voor de gemeenten met meer dan 10.000 inwoners, met uitsluiting van de arrondissementshoofdplaatsen.
3. Een einde moet worden gemaakt aan het verlammend toezicht van de Staat op de provincies, de gemeenten en de ondergeschikte machten:
a) de thans voor het gemeentepersoneel geldende regelen dienen te worden uitgebreid tot het personeel van de Commissies van Openbare Onderstand;
b) de Provinciegouverneur zal inzake kaders bevoegdheid hebben over alle gemeenten;
c) de bevoegdheid van de Gouverneur en van de Bestendige Deputatie zal worden uitgebreid tot alle gemeenten van de provincie inzake onroerende rechten, giften en legaten;
d) de tussenkomsten van het Bijzonder Onderstandsfonds zullen door de Gouverneur worden bepaald;
e) inzake gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke inrichtingen zullen de staatsdiensten die zich thans met de dossiers bezighouden onder het rechtstreeks gezag van de Gouverneur worden geplaatst en ter beschikking van de Bestendige Deputatie worden gesteld.

4. In het kader van de nationale eenheid zal alleen het provinciaal echelon kennis nemen van de daartoe horende zaken.

5. Een studiecomitť zal worden belast met de voorbereiding van een wetsontwerp tot definitieve regeling van de kwestie der deconcentratie.

B. DECENTRALISATIE

Aan de betrachtingen van de grote Belgische gemeenschappen kan slechts worden tegemoet gekomen door een daadwerkelijke decentralisatie waardoor de negen provincies van ons land in staat worden gesteld om die betrachtingen te verwezenlijken buiten iedere overdreven tussenkomst vanwege het centrale gezag.
De uitbreiding van de bevoegdheden der provincies moet nochtans geen aanleiding zijn tot nieuwe uitgaven, daar de administratieve verplichtingen in verband met die bevoegdheden verzekerd dienen te worden door de overheveling, van het Hoofdbestuur naar het provinciebestuur, van het thans met die taken belast personeel.

Rekening houdende met wat voorafgaat:
1. moet de leeftijd van het gemeentelijk en provinciaal kiezerskorps tot 19 jaar worden verlaagd en stemrecht moet aan de dienstplichtigen worden verleend;

2. moet de verkiesbaarheidsleeftijd voor die kiezerskorpsen tot 21 jaar worden verlaagd;

3. moet de verantwoordelijkheid van het mandaat van provincieraadslid worden gerevaloriseerd bij gelegenheid van de instelling van de grote commissies waarin alle partijen verplicht vertegenwoordigd zouden zijn, met name:
a) Centrale commissie voor de culturele bevordering en de sport;
b) Centrale commissie voor de economische en sociale bevordering;
c) Centrale commissie voor de grote werken en de wegeninrichting;
d) Commissie voor het onderwijs en de jeugd;
e) Centrale commissie voor landbouwbevordering;
f) Centrale commissie voor het gezin en voor de huisvesting.

4. moeten op de provinciale begroting worden ingeschreven de wedden, vergoedingen en pensioenen van het provinciaal personeel, van de provinciegriffier en van de personeelsleden van het provinciaal bestuur (deze laatsten behouden hun huidig benoemings- en bezoldigingsstatuut);

5. moet aan de Belgische Deputatie, in overleg met de Staat, de algemene ordening toevertrouwd worden van het grondgebied der provincie op het niveau ervan;

6. zal de arrondissementscommissaris medewerken aan de nieuwe taken die aan de provincies zullen toevertrouwd worden en hij zal de Gouverneur behulpzaam zijn bij de vervulling van de nieuwe ambtsbezigheden die deze ingevolge de deconcentratie ten deel zullen vallen.

C. ONDERWIJS

1. Aan de provincies en gemeenten dient de verantwoordelijkheid opgedragen voor de inrichting van het technisch en buitengewoon onderwijs ten behoeve van lichamelijk of geestelijk gehandicapten;
2. De Staat mag zich slechts met die sectors van het officieel onderwijs bezighouden in geval van klaarblijkend in gebreke blijven van de provinciale of plaatselijke overheden;
3. Om tot een thans onbestaande coŲrdinatie inzake oprichting van scholen van het officieel onderwijs te komen, moet worden overgegaan tot de oprichting van een orgaan in de schoot waarvan de Staat, de provincies en de gemeenten verplicht hun advies dienen uit te brengen voor iedere beslissing tot oprichting of afschaffing van scholen of schoolafdelingen. De beslissingen van dit organisme mogen slechts genomen worden op eensluidend advies van de afgevaardigden van de provincies en gemeenten.
4. De Partij voor Vrijheid en Vooruitgang gaat, in de geest van het schoolpact, de verbintenis aan, de wijsgerige of godsdienstige overtuigingen van iedereen in de schoot van het provinciaal onderwijs te doen eerbiedigen.

D. PROVINCIALE FINANCIEN

1) Het Fonds der Provincies, opgericht bij de wet van 24 december 1948, heeft de provinciale mandatarissen verlaagd tot de rang van eenvoudige fondsenverdelers. Zij hebben tot plicht een doelmatige actie te voeren om hun werkelijke politieke rol, vastgelegd in de Grondwet, terug te krijgen. Zij moeten volledig hun initiatiefrecht terugvinden en opnieuw de enige verantwoordelijken zijn, tegenover de aan hun beleid toevertrouwde bevolking, voor het beheer van de provinciale belangen.
2) Alle speciale taksen moeten worden overgelaten aan de gemeenten, die beter uitgerust zijn om de inning ervan te verzekeren.
3) Het financieel probleem kan slechts een deugdelijke oplossing bekomen dank zij een belastingwezen dat op de opbrengst van de voornaamste rijksbelastingen is afgestemd. De ongelijke opbrengst van die belastingen, naar gelang van de provincie, zal worden getemperd door de oprichting van een egalisatiefonds, gespijsd door het samenbrengen van een bij de wet te bepalen deel van het bedrag der door de provincies geÔnde opcentiemen.

Het Ve Congres van de PVV

- na ophaling, met zeer gewettigde fierheid, van de herinnering aan onze grote gemeente- en provinciebestuurders;
- vaststellende dat in menige domeinen de initiatieven van de provincies en van de gemeenten voorheen de welvaart van BelgiŽ hebben verzekerd;
- bewust van de dienst die het aan de Gemeenschap bewijst door het voorstellen van een aan de behoeften van een moderne staat aangepast program voor gemeentelijke en provinciale actie;
- ervan overtuigd dat de gemeentelijke en provinciale mandaten moeten worden toevertrouwd aan bevoegde en bijzonder met de openbare belangen begane burgers;

BESLIST
1) Alles in het werk te stellen opdat, bij de aanstaande gemeente- en provincieraadsverkiezingen het program van de PVV zou worden voorgedragen, verdedigd en nadien toegepast door bijzonder dynamische en van het partijideaal doordrongen kandidaten en mandatarissen;
2) aan het Kaderinstituut Omer VANAUDENHOVE de oprichting voor te stellen van een afdeling bestemd voor de opleiding of de volmaking van de kandidaten en mandatarissen van de Partij inzake gemeentelijk en provinciaal beleid;
3) een Nationale Federatie van de provinciale en gemeentelijke PVV-mandatarissen op te richten.


CONGRESBESLUITEN


DE GEMEENTEN


Kapitel 1. Ė DE ROL VAN DE GEMEENTEN

Het Congres,
Gelet op het rapport over de rol van de gemeenten en over de gemeentelijke autonomie;
Overwegende dat de gemeente, in historisch opzicht, de eerste administratieve en politieke kern is die steeds heeft bijgedragen tot de economische, sociale en culturele ontwikkeling van het land en tot de ontluiking van de bevolking;
Overwegende dat de Staat de blijvende verplichting heeft de bescherming en de expansie van de plaatselijke belangen ten gunste van de gemeentelijke instellingen te waarborgen;
Overwegende dat deze een stevige bareel vormen, waardoor hun bevolkingen tegen absolutisme en etatisatie worden beschermd;
Overwegende dat de sfeer van de gemeentebelangen alles omvat wat nuttig of noodzakelijk voor de burgers kan zijn, mits bepaalde beperkingen in 't belang van 't algemeen;
Overwegende dat de gemeenten, eensdeels, de gemeentebelangen beheren op het hun eigen zijnde domein, doch dat zij bovendien samenwerken met de Staat en met de Provincie voor het beheer van de algemene en provinciale belangen op het plaatselijke vlak;
Overwegende dat de gemeentelijke autonomie dient verdedigd te worden tegen de steeds meer dwingerige voogdij van de Staat;
Overwegende dat deze autonomie, uitgeoefend door bemiddeling en onder de verantwoordelijkheid van de gemeentelijke verkozenen, slechts daadwerkelijk en doelmatig kan zijn indien de gemeente een voldoende financiŽle autonomie geniet;
Overwegende dat op de vooravond van een grondwetsherziening het de PVV toehoort de gemeentelijke autonomie te waarborgen tegen formules met autoritaire strekking, die zouden schuilgaan onder de dekmantel van een bedrieglijke administratieve decentralisatie of van een vermomde deconcentratie;

Verkondigt:
1. dat er dient voor gewaakt de formules tot deconcentratie van de machten, eensdeels, en tot administratieve decentralisatie anderdeels, harmonisch te combineren om de autonomie van de gemeenten te vrijwaren, en om deze aan een te dwingerige voogdij te onttrekken;
2. dat aan de gemeenten hun financiŽle verantwoordelijkheid dient teruggeschonken te worden en dat hun moet worden toegestaan toevlucht te nemen tot de door hen gewenste belastingmogelijkheden onder voorbehoud van een in redelijke zin door de hogere machten uitgeoefende voogdij;
3. dat in elke omstandigheid ervoor dient gezorgd dat de plaatselijke autoriteiten over het vrije genot van hun voorrechten beschikken bij al wat van gemeentelijk belang is, mits geen inbreuk te maken op het algemeen noch gewestelijk belang noch enigerlei onwettigheid te begaan;
4. dat aan de Belgen de gestadige ontwikkeling van de rol der gemeenten dient te worden gewaarborgd, dit tot hun grootste welzijn en tot het verschaffen van faciliteiten aan de burgers;
5. dat, met het oog op de vorming van het Europa van morgen, de gemeenten de plicht hebben de contacten in de hand te werken met de plaatselijke organisaties van andere landen teneinde de verstandhouding tussen de volkeren, die door een zelfde lot zijn verbonden, te bevorderen.

KAPITEL 2. Ė HET STATUUT VAN HET GEMEENTE- EN POLITIEPERSONEEL

1. UITEENZETTING

Uit het rapport nopens die kwestie blijkt:
1. dat een vereenvoudiging zich opdringt inzake het statuut van het gemeentepersoneel en de politie;
2. dat een einde moet worden gemaakt aan de op dit gebied ontstane werkelijke technocratie;
3. dat men het gemeentepersoneel over de mogelijkheid moet laten beschikken om een werkelijke loopbaan te doorlopen door te voorzien, ofwel in vlakke loopbanen, ofwel in een principalaat, ofwel in bevorderingen.
4. dat een regeling dient te worden ingevoerd voor de vaststelling van de kaders en voor de wervingsvoorwaarden, ten nutte van onze steden en gemeenten, alsook van de gemeentepersoneelsleden die er de trouwe dienaars van zijn.

2. RESOLUTIE

Het Nationaal Congres van de PVV,
Na grondig de huidige regeling inzake het geldelijk statuut en de weddeschalen van het gemeentepersoneel te hebben onderzocht:
Betreurt de ingewikkeldheid van de teksten waarin de richtlijnen zijn vervat die de regeling, sedert drie jaar, laat verschijnen in verband met de bezoldiging van het gemeentepersoneel in 't algemeen;
Stelt vast dat buiten de specialisten, waaraan de kiese taak inzake weddenberekening is toevertrouwd, weinig leden van het gemeentepersoneel nog in staat zijn om de juistheid van hun bezoldiging na te gaan, en weinig gemeentebestuurders bekwaam zijn om de reglementering te begrijpen die zij moeten uitvaardigen;
Beschouwt zulks als onduldbaar, daar dit tot een feitelijke toestand leidt, die grenst aan de administratieve onverantwoordelijkheid;
Stelt vast dat zulk verval moet stopgezet worden;
Overwegende dat de personeelsleden der overheidsdiensten om dezelfde redenen als de andere maatschappelijke categorieŽn recht hebben op de verhoging van het nationaal inkomen;

Gaat de verbintenis aan de verdediging op zich te nemen van en mede te werken aan de redactie van een enig geldelijk statuut, ingesteld bij de wet, waaraan de volgende grote beginselen ten grondslag liggen;
1. voor gelijkwaardige functie, ambtsbezigheid en verantwoordelijkheid, hetzelfde loon voor het personeel van Staat, Provincies, Gemeenten, openbare en publiekrechtelijke instellingen;
2. behoud van de indeling der gemeenten overeenkomstig het bevolkingscijfer, eerst in 22 categorieŽn (art. 109 G.W.) vervolgens in 10 categorieŽn, zulks akkoord met de wetgever.
3. vaststelling van algemene regelen (werkelijke of wetenschappelijke criteria) waardoor de herindeling van sommige steden en gemeenten mogelijk wordt gemaakt, met behoud van de thans bestaande beperking der herindelingen;
4. hiŽrarchie van de gemeentegraden, afgestemd op de graad van gemeentesecretaris, wiens maximumwedde, na een eenvormige loopbaan van 22 jaar, zou overeenstemmen met die van onderbureauchef voor gemeenten met 1000 inwoners en met die van secretaris-generaal van de Staat voor de localiteiten met meer dan 100.000 inwoners;
5. behoud, voor de vaststelling van hun wedden, van de bij de wet van 3 juni 1957 voor de gemeenteontvangers en politieofficieren bepaalde wedden;
6. vaststelling van behoorlijke weddeschalen, met name voor de klerken, de typisten, de stenotypisten, de opstellers, het technisch personeel en het werkliedenpersoneel, waarbij een zekere, welbepaalde autonomie, aan de gemeenten wordt gelaten voor de aanpassing van de interne structuur van de schaal;
7. vaststelling, voor de politie en het veiligheidspersoneel, van een ware geldelijke hiŽrarchie, waardoor het personeel in de mogelijkheid wordt gesteld om, buiten de functies van officier, het maximum te bereiken waarin is voorzien ten behoeve van het administratief personeel op het 2e niveau, zulks door invoering van een nieuwe functie van eerstaanwezend speciaal agent;
8. koppeling van alle tegemoetkomingen en vergoedingen (bonificaties voor diploma's, kledijvergoedingen, fietsvergoedingen, tegemoetkomingen voor ziekenfonds) aan het indexcijfer der kleinhandelsprijzen;
9. vaststelling van een syndicaal statuut voor het gemeentepersoneel;
10. mogelijkheid voor een personeelslid van de besturen van Staat, Provincies en gemeenten om overgeplaatst te worden met een gelijkwaardige graad van ťťn dezer besturen naar een ander en aldaar zijn loopbaan voort te zetten;
11. recht op een gemeentepensioen, uitbetaald op de normale rustouderdom en berekend naar rata van de gepresteerde dienstjaren voor de gemeentelijke personeelsleden die uit hun betrekking ontslag hebben genomen voor die normale rust ouderdom;
De PVV eist hetzelfde recht op voor de personeelsleden van Staat en Provincies;
12. behoud van de perekwatie van de gemeentepensioenen.

Kapitel 3. KLEINE GEMEENTEN EN SAMENVOEGING VAN GEMEENTEN

Het Congres:
Het feit vaststellende dat het aantal gemeenten in BelgiŽ merkelijk groter is dan in de ons omringende landen;
vaststellende dat het in het belang van een tegelijk efficiŽnt en weinig geldvergend beheer wenselijk is dat door samenvoeging belangrijkere gemeentelijke administratieve eenheden tot stand komen, op voorwaarde dat zij ertoe in staat zijn aan dit criterium te beantwoorden; vaststellende evenwel dat de voorstellen tot samenvoeging van gemeenten in de allereerste plaats de belangen en het gemak van de inwoners moeten dienen, waarvan de opinie moet gevraagd worden;
vaststellende dat de inwoners aan de gemeente waar zij leven een eerbiedwaardige traditionele en sociale waarde hechten;
vaststellende dat de door de regering ontworpen samenvoegingen al te vaak ingegeven zijn door overwegingen van plaatselijke politieke aard;
vaststellende, dat buiten het stelsel van samenvoeging, het administratief probleem van de kleine gemeenten bovendien kan worden opgelost bij wijze van verbetering van gebiedsgrenzen, derwijze meer evenwichtige en leefbare administratieve eenheden tot stand te brengen;

is van oordeel:
dat mits de belangen, de faciliteiten en de wensen van de inwoners der kleine gemeenten te vrijwaren, het wenselijk is bij wijze van samenvoeging of verbetering van gebiedsgrenzen, tot de vorming te komen van meer bevolkte, financieel meer leefbare, administratief meer efficiŽnte gemeentelijke eenheden, die ook meer geschikt zijn om ten bate van hun inwoners de hun toegewezen sociale en economische rol te vervullen;
dat daar waar de samenvoeging van gemeenten moeilijk blijkt te zijn - wegens te uitgebreide of te verspreide gebieden, of de demografie (geringe bevolkingsdichtheid) - zou toevlucht moeten worden genomen tot een stelsel van samenwerking onder kleine gemeenten hetzij tot intercommunales voor bepaalde diensten, hetzij tot de gemeenschappelijke beschikking over een gemeentesecretaris, een gemeenteontvanger en een veldwachter;
dat de C.O.O. van de betrokken gemeenten het voorwerp zouden moeten zijn van een gelijkaardige behandeling als die welke geldt voor de gemeenten waarvan zij afhangen;
dat, daar waar samenvoegingen of verenigingen geschieden, het centraal gezag ervoor waakt zonder zich te laten leiden door bekommernissen van politieke aard dat de nieuwe administratieve eenheid wordt heringericht op een rationele, economische en leefbare basis, en over voldoende financiŽle middelen beschikt;
dat, bij de samenvoeging van de gemeenten de verkregen statuten van het in functie zijnde personeel integraal worden in acht genomen.

Kapitel 4. Ė DE INTERCOMMUNALEN

Het Congres,
Vaststellende dat de gemeenten een aanzienlijke versterking van hun gemeentelijke actie kunnen vinden bij de oprichting van intercommunalen of de toetreding tot de reeds bestaande;
Vaststellende dat de deelname aan intercommunalen kan geschieden, hetzij door toetreding tot een intercommunale van publieke organismen alleen, hetzij door middel van een intercommunale met deelneming van de privť-sector;
Vaststellende dat tijdens de laatste tientallen jaren de gemeenten steeds meer toevlucht hebben genomen tot de oprichting van intercommunalen, ten einde hun actiemiddelen op het lokale vlak te verstevigen en uit te breiden, of om een werk tot gewestelijke ontwikkeling te verwezenlijken;
Vaststellende dat de wetgeving van 1922 op de intercommunale verenigingen niet meer ten volle beantwoordt aan de actienoodwendigheden in het domein van de samenwerking onder gemeenten.

VERKONDIGT
1. dat alleen het gemeentelijk belang en de verhoogde macht van de gemeenten als criterium moeten gelden van de noodzakelijkheid of de gepastheid van de toevlucht tot de etatisatie en tot de oprichting van intercommunalen, zonder evenwel in de strijd te zijn met het algemeen belang, noch de sectors die normaal aan het particulier initiatief zijn voorbehouden concurrentie aan te doen;

2. dat de keuze tussen de vorm van zuivere intercommunale of gemengde intercommunale slechts zal worden geleid door het enig belang van de gemeente en het goed beheer ervan, en geenszins zal worden ingegeven door ideologische overwegingen;

3. dat wanneer de gemeenten tot een intercommunale toetreden, zij ervoor moeten waken dat de statuten hun een juist evenwicht voorbehouden in de organen van de vereniging en hun een billijk aandeel verzekeren in de verwezenlijkte winsten;

4. dat de wet van 1 maart 1922 moet worden herzien, versoepeld en gemoderniseerd ten einde de gemeenten de mogelijkheid te verschaffen om ten volle hun rol te vervullen, niet alleen in het domein van het gemeentebeheer, doch ook bij de deelneming aan de verwezenlijking van regionale en economische doelstellingen; dat men in ieder geval bij de op te maken wetgeving ervoor zal moeten in de schoot van de intercommunalen het overwicht te behouden van de gemeenten, zelfs en vooral wanneer andere hiŽrarchisch hoger, openbare overheden of particuliere organismen deel uitmaken van de intercommunale;

5. dat het door de hogere overheden op de intercommunalen uitgeoefend toezicht soepel en snel genoeg moet zijn, opdat de activiteiten ervan niet zouden worden belemmerd;

6. dat de hogere overheden, die ofwel een recht van toezicht ofwel een recht van aandeelhouder uitoefenen, geen enkele directie- noch beheerspost mogen bekleden, opdat zij geen controleurs en gecontroleerden zouden zijn.

Kapitel 5. Ė PROBLEEM VAN DE GROTE COMMISSIES VAN OPENBARE ONDERSTAND DIE VERPLEGINGSINRICHTINGEN BEZITTEN

Het congres van de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang, na onderzoek van het probleem van de grote Commissies van openbare onderstand die verplegingsinrichtingen bezitten;
1) Acht een hervorming van de openbare onderstand volstrekt noodzakelijk, vooral sedert het van kracht worden van de nieuwe wetgeving op de ziekenhuizen en de verzekering tegen ziekte en invaliditeit; is van oordeel dat de openbare onderstand verdient bevorderd te worden tot dienst voor "Maatschappelijk Hulpbetoon", zoals reeds bestaande voor iedereen, terwijl de dienst voor behoeftigen is verzekerd;

2) Stelt in geval van hervorming als beginsel de volstrekte noodzakelijkheid voorop, de openbare onderstand om redenen van praktische aard op het lokale vlak in stand te houden; stelt te dien einde de werking voor van twee types van bestuur: de "Commissie voor Maatschappelijk Hulpbetoon" in de grote centra en in de middelgrote steden en gemeenten en het "Bureau voor Maatschappelijk Hulpbetoon" hetwelk een bepaald aantal kleine gemeenten groepeert;

3) Brengt in herinnering dat de regels van administratieve voogdij, opgelegd aan de C.O.O., ingewikkeld zijn en te veel controle- en toezichtstadia omvatten, de werking van de met de onderstand belaste besturen merkelijk verzwaren en vertragen, op een gebied waar het welzijn, de gezondheid, zelfs het leven van onze medeburgers op het spel staan; prijst terzake aan dat de speciale administratieve voogdij alleen toevertrouwd zou worden aan het echelon van het provinciaal gezag;

4) Wat betreft de verplegingsinrichtingen, is van oordeel dat de wet van 23 december 1963 geen enkele deugdelijke oplossing aan het probleem van de financiering der ziekenhuizen geeft, dat de regering, door het opleggen van een "normale prijs voor de onderhoudsdag" die ver beneden de werkelijke kostprijs ligt, het tekort van de commissies van openbare onderstand blijft organiseren; dat het enige middel om aan dit bestand te verhelpen bestaat in de terugbetaling van de "gecontroleerde" werkelijke kostprijs;

5) Is de mening toegedaan dat de openbare ziekenhuizen ofschoon zij naast de particuliere inrichtingen het verplegingswerk verrichten, wegens hun tweevoudig karakter van openbare dienst en van "neutrale" inrichting de voorrang moeten hebben voor: a) de verzorging der behoeftigen;
b) de diensten voor dringende tussenkomst;
c) de ter beschikking van het universitaire onderwijs te stellen ziekenhuisdiensten.

Daar beide laatste diensten hoofdzakelijk aan de gemeenschap ten goede komen, moeten zij rechtstreeks door de staat worden gesubsidieerd.

Kapitel 6. Ė HET GEMEENTELIJK GEZAG EN HET VRAAGSTUK VAN DE VOLKSVERHUIZING

Het Congres,
Gelet op het in gebreke blijven van de overheid inzake de bouw van volkswoningen;
Overwegende dat dit in gebreke blijven te wijten is aan het feit dat nooit genoegzaam beroep werd gedaan op het particulier initiatief voor de bouw van diezelfde volkswoningen;
Overwegende dat op dit gebied menigvuldige initiatieven van de particuliere sector tot uiting komen;
Overwegende dat het verwerven van het individuele kleine eigendom de voornaamste factor is voor de vernieuwing van de woongelegenheden in BelgiŽ en dat de overheden tot plicht hebben dit verwerven van eigendom aan te moedigen;
Overwegende dat als volkshuisvestingen dienen beschouwd, zowel de als dusdanig beschouwde huisvestingen als de huisvestingen bestemd voor de middenstand, voor de "kaders" en voor de landbouwers;
Overwegende dat de gemeenten en provincies, in het kader van hun bevoegdheden en van hun machten, ter zake een belangrijke rol moeten vervullen;

Neemt de volgende resoluties aan:
A. De gemeenten moeten inzake volkswoningenbouw op gelijke voet worden gesteld als maatschappijen die afhangen van de N.M. voor de huisvesting.

B. De overheden moeten de initiatieven van de particuliere sector inzake de bouw van volkshuisvestingen aanmoedigen, instede van zich in de plaats ervan te stellen en ze te bestrijden;
Deze aanmoediging kan in de volgende vormen tot uiting komen:

1) Samenwerking tussen de twee sectors, de openbare en de particuliere, voor de goede inrichting van de zones voor sociale bouwwerken, door met name toevlucht te nemen tot de wettelijke bepalingen waardoor de particuliere sector in de mogelijkheid wordt gesteld om, op eigen kosten, particuliere plannen van aanleg uit te voeren en zijn eigen goederen onder dezelfde voorwaarden te verkavelen;

2) Hernieuwing en toepassing van dezelfde bouwnormen, zowel in de particuliere sector als in de openbare sector;

3) Toepassing van dezelfde voordelen, normen en regels voor de twee sectors, de particuliere en de openbare, alsook voor alle verwervers van volkshuisvestingen;

4) Bovendien moeten de Gemeenten en de Provincies premies of aanvullende leningen kunnen toestaan aan de kopers van volkswoningen.

C. Stelselmatig onderzoek van de behoeften en van de realisatiemogelijkheden, zowel van de openbare sector als van de particuliere sector, inzake volkshuisvesting.

Kapitel 7. Ė DE GEMEENTEFINANCIňN

1. Het systeem ingevoerd door de eenheidswet om de financiŽle toestand der gemeenten te saneren, was op twee punten merkwaardig. Er werd een einde gemaakt aan de steeds toenemende belastingdruk der gemeentefiscaliteit op de eigenaar van onroerende goederen, en dus vooral op middenstand, kaderpersoneel en kleine eigenaars, en anderzijds werd de onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid van de gemeentelijke bestuurders vergroot.

2. De politiek der regering LefŤvre heeft deze toestand terug in ongunstige zin gewijzigd door:
a) de gemeentelijke opcentiemen, uitgenomen de opcentiemen op de grondbelasting, terug te verminderen.
b) het wijzigen van het woordje "bedrijfsbelasting" in "personenbelasting" en aldus eens te meer de eigenaars van onroerende goederen, ingevolge de globalisatie der belastingen, te treffen.

3. De nieuwe wet op het Gemeentefonds verwezenlijkt niet het beoogde dubbele doel. Minstens gedurende de eerstvolgende jaren wordt de dotatie niet automatisch aangepast aan de opbrengst der algemene staatsfiscaliteit. Wat de verdeling van de gelden van het gemeentefonds betreft, zijn wij ver van de objectieve criteria, die een verdeling naar rata der werkelijke genormaliseerde behoeften der gemeenten verzekeren moest.

4. Bovendien is het onaanvaardbaar dat bedoelde wet door het Parlement goedgekeurd moest worden zonder dat iemand de waarde van de voorgestelde wiskundige formules kan beoordelen noch de praktische gevolgen ervan, nl. de overeenstemming met het beoogde doel, beoordelen kon.

5. De PVV zal er naar streven:

1. De financiŽle onafhankelijkheid van de gemeentebesturen verzekeren ten opzichte van de Provincies en de Staat en bij dezelfde gelegenheid aan de gemeentebestuurders de volle verantwoordelijkheid voor hun beheer opdragen ten opzichte van hun onderhorigen.

2. De opcentiemen op het bedrijfsinkomen los te maken van de geglobaliseerde inkomsten om ze terug te vestigen op de bedrijfsvoorheffing.

3. Elke inwoner van een gemeente, al naar gelang van zijn mogelijkheden, de last te laten dragen van de gemeentelijke fiscaliteit en niet enkel sommige categorieŽn burgers.

4. Na onderzoek van de gemeentelijke activiteiten, werkelijke en aangepaste objectieve criteria te doen vastleggen die, naar gelang van het eigen karakter der gemeenten, een veel grotere zekerheid zullen verschaffen wat betreft de overeenstemming van het aandeel met de behoeften.

5. Wat betreft de grote steden, een stelsel te doen toepassen waarbij wordt voorzien in de consolidatie van het bestaande tekort en in de overname door de gemeenschap van de buitengemeentelijke rentelasten.

Kapitel 8. Ė STEDEBOUW EN GEMEENTEWERKEN

1. Het is van belang dat de gemeenten onverwijld zouden overgaan tot het opmaken van hun plan van aanleg en de uitvoering hiervan te laten geschieden in overeenstemming met de Commissie voor aanleg, die de Koning gehouden is in te stellen overeenkomstig de wet op de ruimtelijke ordening en de stedebouw.

2. Te dien einde moeten de gemeenten niet uitsluitend hun toevlucht nemen tot financieringssystemen die onder het publieke recht ressorteren (openbare leningen, subsidies, taksreglementen, belastingen), die steeds ontoereikend zijn, maar vooral beroep doen op de privť-kapitalen, door de medewerking van de particuliere sector bij de verwezenlijking van het plan te bekomen overeenkomstig het bepaalde in de wet van 29 maart 1962, nl. op het gebied van de herstructuratie der stadskernen;

3. Door toevlucht te nemen tot dit laatste middel zal de gemeente de ware houding aannemen die de overheid in een democratisch land zou moeten hebben, d.w.z. aanmoedigen, leiden, eventueel de particuliere sector beteugelen en een werkelijk medebeheer tot stand brengen tussen de openbare en de particuliere sector;

4. Verwezenlijking van de gemeentelijke autonomie inzake werken, door de oprichting van een Fonds voor de gemeentewerken, automatisch onder de gemeenten te verdelen volgens objectieve criteria, zonder tussenkomst van de hogere overheden en naar rata van het bedrag der uitgevoerde werken; de technische controle op deze werken zou tot de uitsluitende bevoegdheid van de provincie behoren. Er zal rekening worden gehouden met de bijzondere toestand van de goed beheerde doch in financieel opzicht arme gemeenten.

5. Wanneer het regionaal belang zulks vereist, moeten de gemeenten nooit aarzelen toevlucht te nemen tot de formule van de intercommunalen om opgenomen te worden in een ruimer plan van regionale ordening.

Kapitel 9. Ė DE ECONOMISCHE EXPANSIE IN GEMEENTELIJK OPZICHT

Het Congres, na te hebben vastgesteld dat:
- Sedert de tweede oorlog de nijverheidsontwikkeling in BelgiŽ werd aangemoedigd door een reeks zogenaamde wetten tot economische expansie;
- Het nodig is de industrieŽn te groeperen in rationele, goed uitgeruste zonings, die in de hoogste mate beschikken over het hulpmiddel dat door een grote regionale en nationale infrastructuur wordt verschaft;
- Dat de geografische lokalisatie van deze zonings verband houdt met de gewestelijke studies die gewijd zijn aan de ontwikkeling en de inrichting van het grondgebied;
- Dat de nijverheidszonings hun plaats innemen op het grondgebied der gemeenten.

Neemt de volgende resoluties aan:
1. De gemeenten van een streek of van een sector zijn niet alle op nijverheid aangewezen;
2. Zij die als industriŽle gemeenten worden erkend moeten in de hoogste mate gebruik maken van de soms substantiŽle tegemoetkoming vanwege Staat en provincie, waarin bij de economische wetten en verordeningen is voorzien;
3. Zij zullen voorkomen dat een verkwistende opbodpolitiek wordt gevoerd en zullen streven naar een nauwe samenwerking met de privť-sector, waardoor investering en tewerkstelling van de actieve bevolking wordt begunstigd;
4. Zij zullen een rationele politiek inzake ruimtelijke ordening toepassen vooral inzake huisvesting en sociale uitrusting, door de belangstelling van de privť-sector op te wekken, mits tevens een gematigde grondpolitiek te voeren;
5. Zij zullen een politiek tot bevordering van de hoge technische kwalificatie toepassen, hetzij op eigen grondgebied (voor nijverheid geschikte gemeente), hetzij in samenwerking met de naburige gemeenten, indien die bevordering zich onder de beste voorwaarden kan ontwikkelen;
6. De gemeenten mogen zich niet alleen met zichzelf bezighouden, en wanneer het regionale belang zulks vergt, mag niet worden geaarzeld om toevlucht te nemen tot de formule van de intercommunale ten einde opgenomen te worden in een plan voor streek- of sectorontwikkeling en Ėordening.

Kapitel 10. Ė DE BRANDWEER

De PVV is van oordeel dat de wet op de civiele bescherming, van in vredestijd, de opstelling vergt van alle veiligheidsinstallaties die in oorlogstijd zouden moeten in werking worden gesteld, maar dat de Brandweerdiensten, waarvan de bijdrage in vredestijd dagelijks geschiedt, derwijze moeten worden ingericht dat zij op een minimumtijd kunnen worden gemobiliseerd wanneer zich rampen voordoen.

De PVV vraagt de oprichting van een Bijzonder Fonds voor de uitrusting van de brandweerdiensten, gesteund door de Staat en bestemd om aan de groepscentrumgemeenten, in het kader van hun beslissingsautonomie, een automatische minimale toelage te verzekeren voor de aankoop van materieel, voor de beroepspersoneelsuitgaven en voor de bouw van brandweerkazernes of -stations, zijnde verstaan dat rekening wordt gehouden met de bijzondere toestand van de goed beheerde doch financieel arme gemeenten en met het samengevoegd leenvermogen van de gezamenlijke gemeenten die door een groepscentrumgemeente worden bediend.

Het statuut van het Personeel der Brandweerdiensten moet worden herzien om de oprichting te begunstigen van beroepskorpsen in de zeer belangrijke centra; en van beroepsafdelingen in de andere centra; het vrijwilligerschap moet worden aangemoedigd door de toekenning van substantiŽle voordelen, opvoering van het bedrag van de uurprestaties; hoge vergoeding bij ongeval of blijvende arbeidsongeschiktheid; in geval van overlijden, toekenning aan de rechthebbenden van een behoorlijk pensioen, ongeacht de leeftijd van het slachtoffer of het aantal zijner dienstjaren.
De PVV zal ervoor waken dat de inrichting van de Burgerlijke Bescherming zoveel mogelijk afgestemd wordt op de bestaande en verbeterde organisatie van de gemeentelijke Brandweerdiensten.

Kapitel 11. Ė POLITIE

I. Organisatie van de politie.
- behoud van haar hoofdzakelijk gemeentelijk karakter, mits haar de grootste onafhankelijkheid te waarborgen ten opzichte van het politieke gezag bij de vervulling van haar taak (met name voor de handhaving van de orde en de politie der waterwegen);
- noodzakelijke toenemende samenwerking tussen al de polities van een zelfde streek, van een zelfde kanton of van een zelfde agglomeratie, voor de modernisering en het uniformiseren van de vervoermiddelen, de instelling van eenvormige en gestandaardiseerde radioverbindingen, de indienststelling van het telexverbindingstelsel;
- uitbreiding van art. 127 bis van de Gemeentewet (mogelijkheid voor een politie om, als hulppolitie, haar bevoegdheden in de aanpalende gemeenten uit te oefenen) tot een ganse agglomeratie, tot een gerechtelijk kanton of tot een streek, om een betere samenwerking onder de politiekorpsen mogelijk te maken, en opdat hun tussenkomst doelmatiger zou zijn.

II. Syndicaal en geldelijk statuut.
- De gemeentepolities zouden, in syndicaal opzicht, over een bijzonder statuut moeten beschikken en verdedigd kunnen worden door afgevaardigden van hun corporatie.
- In geldelijk opzicht is het dringend nodig dat men de in politiekorpsen heersende malaise doet verdwijnen, die aanleiding gaf tot betogingen en tot stiptheidstakingen door de verwezenlijking van volgende punten na te streven:
- eenvormig maken van de verschillende provinciale rechtspraken;
- wijziging van de wet van 3 juni 1957 om de verdere toepassing van uiteenlopende percentages voor de vaststelling van de wedde van de politieofficieren te verhinderen;
- invoering van de vijfdagenweek;
- bezoldiging van de overuren instede van de toekenning van compensatieverlof;
- invoering van een rationeel en functioneel uniform ter vervanging van het in 1953 voorgeschrevene, hetwelk niet meer beantwoordt aan de huidige vereisten, en heraanpassing van de bedragen bepaald in de circulaire van 6 oktober 1955 betreffende het kledingfonds.

III. Het politiepersoneel.
- vaststelling van een statuut voor de politie, opdat alle leden ervan hun plichten, hun verplichtingen en hun rechten zouden kennen (werving Ė opleiding Ė bevordering Ė tuchtregeling);
- vervanging van het empirische en fragmentarisch opleidingsstelsel voor het politiepersoneel door oprichting van gespecialiseerde politiescholen, naar rata van een school per provincie, waar de opleiding dezelfde zou zijn voor iedereen;
- evenzo, hervorming van de provinciale scholen voor politieofficieren en oprichting van een nationale school met twee taalafdelingen;
- noodzakelijkheid om de nadruk te leggen op de preventieve rol van de gemeentepolitie, die het bindteken moet zijn tussen het gemeentelijk gezag en de bevolking.
- ook noodzakelijkheid aan het personeel een opleiding te waarborgen waardoor het in staat wordt gesteld met welslagen zijn kiese taak te vervullen, namelijk op het gebied van de jeugdbescherming;
- de oprichting bekomen van een dienst voor "public relations" die met de buitenwereld, welke met het leven van ons politie- en brandweerkorps niet is vertrouwd, voorlichtingsbetrekkingen zou hebben, die onontbeerlijk zijn voor een beter onderling begrip;
- de toekenning bekomen ten gunste van de veiligheidsdiensten (politie, brandweer, ambulantie enz.) van gelijkaardige sociale voordelen als verleend aan de andere openbare sectoren.

IV. Speciaal probleem; veldwachter.
Het ware nodig de wettelijke bepalingen aan te passen aan de nieuwe bevoegdheden die aan de veldwachters zijn toevertrouwd, de standing van deze agenten op te voeren, de veldwachters een eenvormige uitrusting in gans het land te bezorgen.

V. Politieparketten.
- integrale terugbetaling door de staat van de wervingskosten die voortvloeien uit de door de gemeente voor rekening van het centraal gezag gepresteerde diensten;
- in de minder belangrijke kantons, mogelijkheid om de burgemeester door substituten te vervangen of om over te gaan tot een hervorming van de rechtsgebieden, derwijze dat er per kanton in iedere hoofdplaats een politiecommissaris zou zijn.

Kapitel 12. Ė ONDERWIJS Ė CULTUUR Ė JEUGD Ė SPORT

- Overwegende dat in een pluralistische, geestelijk niet homogene gemeenschap de waarachtige vrijheid van onderwijs en de gelijkheid van kansen voor alle staatsburgers enkel kunnen verzekerd worden indien de openbare machten een onderwijsnet organiseren dat neutraal is en de filosofische of godsdienstige overtuigingen van iedereen eerbiedigt;
- Overwegende dat een systematische politiek een deconcentratie en decentralisatie van vitaal belang is geworden voor een efficiŽnte organisatie van het onderwijs, evenals voor de noodzakelijke aanpassing aan de regionale en lokale behoeften;
- Overwegende dat een rationalisatie van de verschillende onderwijsnetten in ons land onontbeerlijk is geworden ten einde de zware inspanningen die door de gemeenschap op het stuk van het onderwijs worden geleverd in overeenstemming te brengen met haar werkelijke behoeften en met haar financiŽle mogelijkheden.

STELT VAST
- dat de bepalingen van het Schoolpact en van de wetgeving die eruit voortvloeit de initiatiefmogelijkheid der onderschikte besturen (provinciŽn en gemeenten) op verschillende punten in het gedrang brengt en een aantal ongerechtvaardigde discriminaties tussen de verschillende vormen van officieel neutraal onderwijs in het leven hebben geroepen, aldus de voorwaarden scheppende voor een nieuwe schoolstrijd.
- dat in de door het Departement van Nationale Opvoeding en Cultuur gevoerde politiek duidelijk een strekking tot uiting komt om het Rijksonderwijs als de enige geldige vertegenwoordiger van het officieel neutraal onderwijs te beschouwen, en dit onder miskenning en vaak openlijke bestrijding van de provincies en gemeenten die, bij de ontwikkeling van dit officieel neutraal onderwijs, zeer grote historische verdiensten kunnen doen gelden.

VRAAGT:
- dat alle door openbare machten georganiseerd onderwijs zou dienen te beantwoorden aan de criteria van neutraliteit.
- dat, in afwachting dat zulks progressief is geschied, alle vormen van officieel neutraal onderwijs volledig op dezelfde voet zouden worden behandeld, en dit zowel wat de toelagen betreft voor wedden, werking en uitrusting als voor gebouwen en het leerlingenvervoer.
- dat de procedure tot het bekomen van deze toelagen zou worden vereenvoudigd en dat termijnen zouden worden vastgesteld binnen welke over de aanvragen tot het bekomen van toelagen een beslissing zou worden medegedeeld.
- dat de oprichting van nieuwe neutrale scholen zou gebeuren op grond van objectieve, sociale, economische en demografische criteria, derwijze steriele concurrentie en onnuttige uitgaven te voorkomen.
- dat onverwijld de organen zouden worden in het leven geroepen die door art. 5 van de wet van 29.5.1959 worden voorzien ten einde fundamentele onderwijshervormingen te doen voorafgaan door een confrontatie van standpunten onder afgevaardigden van het onderwijs van de Staat, het provinciaal, het gemeentelijk en het vrij gesubsidieerd onderwijs.
- dat de provincies en gemeenten stelselmatig zouden worden betrokken bij de werking van hoge raden, verbeteringsraden, homologatiecommissies en dgl.
- dat de onderwijsprogramma's in 't algemeen in een meer Europese geest zouden worden opgevat.

Kapitel 13. Ė "JEUGDPROBLEMEN" en "SPORT EN OPENBARE MACHTEN"

Het Congres
- Overwegende dat de politiek van de overheid ten gunste van de jeugd, van de opvoedende vrijetijdsbesteding en van de sport nauw verbonden dient te zijn en dat deze politiek, op het plaatselijk vlak, niet kan worden opgevat zonder dat opnieuw het beleid wordt bepaald dat in de eerste plaats door het centraal gezag en vervolgens door het provinciaal gezag dient te worden gevoerd.
Neemt de volgende gemeenzame resolutie aan, die voortvloeit uit de rapporten over "de jeugdproblemen" en over "de sport en de overheid".

Het Congres
- bewust van de belangrijke plaats die de lichamelijke opvoeding en de sport in de moderne maatschappij innemen en van de positieve factoren ervan op het vlak van de algemene opvoeding en op dat van de gezondheid;
- van oordeel zijnde dat de voorrang dient te worden gegeven aan het particulier initiatief bij de opleiding van het individu en van de groep, ter aanvulling van die welke wordt versterkt door de gezins-, school- en beroepsmilieus;
- inziende dat in de huidige conjunctuur dit particuliere initiatief niet genoegzaam gewapend is om alleen zulk doel te verwezenlijken; dat derhalve de daadwerkelijke hulp van de overheid onontbeerlijk is, zonder dat zij zich moet vertolken door een overdreven of dwingend interventionisme;
- vaststellende dat deze problemen tot nog toe niet genoegzaam de aandacht van de gezagvoeders heeft gaande gemaakt; dat vanaf het centraal gezag tot het plaatselijk gezag geen enkel gezamenlijk program werd uitgedacht; dat geen enkele doelmatige en gecoŲrdineerde structuur wed aangewend om het op te vatten en uit te voeren; dat in geen enkel degelijk middel werd voorzien, noch enig middel werd voorbehouden om een deugdelijke actie te steunen;
- betreurende dat de jeugdorganisaties door dit feit niet over de mogelijkheden beschikken om bij de jongeren belangstelling op te wekken voor het openbare leven en voor de technieken voor opvoedende opleiding, waardoor zij, zonder inlijving, hun rol van actieve burger kunnen vervullen;
- de "minimalisatie" betreurende van de Belgische sport, zoals gewild door de huidige Regering, die, namelijk door de verlaging van de rol van het N.I.L.O.S., de mogelijkheid verhindert om ontoereikendheid te verhelpen van 's lands uitrusting in sportinstallaties, de ontoereikendheid van de hulp aan de vrijwillige sportorganisaties, het nijpend gebrek aan monitors, de endemische crisis van de lichamelijke opvoeding in de school;
- zijn vastberaden wil bevestigend de jeugd en de sport verder buiten het bereik te stellen van iedere partijdige, ideologische, filosofische en taalinmenging vanwege de overheid,

Het Congres verklaart:
- dat de jeugdproblemen en de sport een overwegende bekommernis moeten uitmaken van al diegenen die het gezag op alle sporten uitoefenen;
- dat de PVV een van haar volgende congressen zal wijden aan de grondige studie van al deze problemen in hun geheel.

Het spreekt zich uit voor:
1. Evenwichtige en nuttige politieke structuren
Om een doelmatige gecoŲrdineerde politiek te kunnen voeren blijkt de opstelling van een goed gestructureerde pyramide, waar de bevoegdheden zelfstandig zouden zijn ten opzichte van de andere opvoedingskringen (gezin, school, werk) onontbeerlijk. Op alle sporten moeten mandatarissen en geÔnstitutionaliseerde comitťs uitdrukkelijk belast worden met de problemen in verband met de jeugd, de sport, de opvoedende vrijetijdsbesteding en de daartoe bestemde installaties.
Indien, op het centrale vlak, een enkel Minister te dien einde moet worden aangewezen; indien gespecialiseerde parlementaire commissies moeten worden ingesteld, is het nodig:
in iedere provincie, een lid van de bestendige deputatie aan te wijzen en speciaal met die kwestie te belasten;
- een "vaste afvaardiging" die alle belangensferen vertegenwoordigt aan te stellen, bevoegd om adviezen en voorstellen bij dit lid van de bestendige deputatie uit te brengen;
in iedere gemeente, met ten minste 5.000 inwoners:
- dat een schepenambt uitsluitende bezorgdheid inzake jeugd en sport zou hebben mits indien het onontbeerlijk zou blijken een aanpassing van de gemeentewet.
- een "vaste afvaardiging" die alle belangensferen vertegenwoordigt aan te stellen, bevoegd om adviezen en voorstellen bij dit schepenambt uit te brengen.
- dat de wettelijke ingestelde structuren, die tot op heden hun taak niet hebben aangevat, ten spoedigst in een geest van loyale samenwerking, wars van alle politieke demagogie, hun opdracht zouden kunnen ten uitvoer brengen.

2. GecoŲrdineerde en rendabele administratieve structuren
indien, op het centrale vlak, een autonoom departement moet worden ingesteld met algemene directies of parastatale culturele vrijetijdsbesteding Ėsociale, culturele en sportuitrusting Ė Kaderproblemen- moet, met dezelfde bevoegdheden worden voorzien:
- in iedere provincie, in een gespecialiseerde dienst, met toepassing van de gewestelijke decentralisatie en tot regeling van materieeluitlening en van kaderopleiding.
- in iedere gemeente, een gespecialiseerde dienst of beambte die de plaatselijke decentralisatie toepast, en in het bijzonder het beheer van de installaties en de hulp aan de plaatselijke groeperingen verzekert.

3. een samenhangende en vooruitstrevende politiek, gesteund, onder meer:
a) op de medewerking van de school: ontlasting van de leerplannen, volledig gebruik van de installaties, pedagogische halve tijd, sneeuw-, zonne- en zeeklassen, dagelijks uur voor lichamelijke opvoeding, 1 weinig kostende kom voor zwemlessen per gegroepeerde scholen, per gemeente of per groep van gemeenten in die mate dat die zwemkom op optimale wijze zou kunnen gebruikt worden.
b) op de daadwerkelijke medewerking met de vrijwillige jeugd- en sportorganisaties door verlening van werkingstoelagen, het detacheren van monitors en animeerders, beschikbaarstelling van installaties en materieel;
c) op het proselitisme onder de massa door organisaties die een eventueel in gebreke blijven van het particuliere initiatief kunnen verhelpen.

4. Behoorlijke en onontbeerlijke financiŽle middelen
a) Infrastructuur.
- Planning van sociaal-culturele en sportuitrustingen; bestemd om op twintig jaar het gehele land te beslaan;
- Verantwoordelijkheid van de ondergeschikte machten bij de oprichting van installaties, met instelling van een "nationaal fonds voor sociaal-culturele en sportinfrastructuur", waardoor bijstand kan worden verleend aan de openbare en particuliere organismen, die goed beheerd zij doch niet in staat om dadelijk grote investeringen te doen. Het is verstaan dat dit fonds dient te worden gespijsd naar gelang van de werkelijke behoeften.

b) Werkingstoelagen
Het centraal gezag moet toelagen ter beschikking van de nationale organisaties en voor de werking van speelpleinen en van sociaal-culturele installaties stellen.
De provincie ten opzichte van de regionale organisaties; de gemeente wat betreft de plaatselijke organisaties (de gemeentebegrotingen moeten in die zin worden goedgekeurd).
De begrotingskredieten moeten op alle echelons worden heraangepast aan de werkelijke behoeften.
De toelagen moeten worden verdeeld, in het kader van het pluralisme, volgens objectieve criteria, met uitsluiting van iedere gecommercialiseerde activiteit.
De organisaties van opvoedende of sportieve aard moeten op alle echelons van taksen worden vrijgesteld of gedeeltelijk ontheven.
N.B. De evenwichtige opvoering van de begrotingen zou kunnen geschieden door de heraanwending van alle opbrengsten van taksen die door de gecommercialiseerde sociaal-culturele en sportactiviteiten aan de schatkist worden bezorgd.

Kapitel 14. Ė CULTURELE ACTIVITEITEN

De PVV stelt vast dat:
- De gemeentebestuurders dagelijks met hun geadministreerden omgaan en hun betrachtingen en hun tradities kennen. Zij zijn daarom volkomen aangewezen om een openlijke en doelmatige politieke actie te voeren ter aanvulling van die van de Staat en van de provincies.
- Nochtans moeten de overheden er voor zorgen dat zij niet de vrije ontwikkeling van de cultuur dwarsbomen maar wel het particuliere initiatief terzake steunen.
- In de mate van hun middelen moeten de gemeentelijke overheden trachten de kunstmanifestaties toegankelijk te maken voor iedereen en er een ruime verspreiding van te verzekeren door aanwending van diverse middelen naar gelang van de plaatselijke omstandigheden.

De PVV is van oordeel:
- dat rekening houdend met de plaatselijke mogelijkheden en noodwendigheden de gemeenten een inspanning op het gebied van de culturele activiteiten moeten ontwikkelen; mits tevens de bestaande activiteiten in stand te houden zullen zij de ontluiking van nieuwe realisaties begunstigen:

1. op onrechtstreekse wijze, ten gunste van de groeperingen of maatschappijen met cultureel karakter:
- door toekenning van subsidiŽn,
- door materiŽle steun,
- door vrijstelling van taksen,
- door het ter beschikking stellen van lokalen.

2. Op rechtstreekse wijze,
- door stedebouwkundige maatregelen ter bewaring van historische, folkloristische of schilderachtige oorden en tot het scheppen van een voor het leven aangename omgeving;
- door de oprichting volgens plaatselijke imperatieven van gebouwen die bestemd zijn voor het onderbrengen van culturele activiteiten (bv. bibliotheken, musea, expositiezalen, schouwburgen, kunstenaarstehuizen, culturele centra, discotheken en cinemathekenÖ)
- voor de kleine gemeenten door gewestelijke itinerante lokalen te gebruiken met name voor de bibliotheken en de tentoonstellingen (bibliotheekbussen);
- door het instellen van prijzen (schilderkunst, beeldhouwkunst, muziek, letterkunde);
- door steun aan de kunstenaars en dor de verrijking van hun kunstbezit, met name door aankoop van kunstwerken;
- door steunverlening aan jeugdtehuizen;
- door het inrichten van uitwisselingen van jongeren;
- door de instelling of uitbreiding van het kunstonderwijs en van het onderwijs met cultureel karakter, met name in de vorm van muziekscholen of -academie, tekenscholen of -academie, enzÖ

Nochtans, gelet op de zware financiŽle last van die in de gemeenten onontbeerlijke culturele activiteiten, vraagt de PVV:
- dat de gemeenten gemachtigd zouden worden om een dynamische culturele politiek te voeren, met een daadwerkelijke hulp van de Staat en van de Provincies;
- dat de Staat toelagencriteria zou vaststellen voor de ter beschikking van de culturele activiteiten te stellen gebouwen, welke nagenoeg gelijkaardig zouden zijn als die welke voor de schoolgebouwen gelden;
- dat de procedure tot het bekomen van de subsidiŽn en van bouwvergunning voor die gebouwen zou worden vereenvoudigd;
- dat de Staat op een vrij gunstigere wijze zou tussenkomen om de werking, het onderhoud en de ontwikkeling van de bibliotheken te verzekeren.

Kapitel 15. Ė VOORSCHOOLSE OPVOEDING

OVERWEGENDE dat het feit van de moeder die uit werken gaat een gevestigd sociaal verschijnsel is, dat de opvoeding het resultaat is van een groot aantal invloeden van het sociaal en fysiek milieu op het kind, op zijn jongste leeftijd en zelf van vůůr zijn geboorte, dat de rijkdom van een land wordt berekend volgens de fysieke, intellectuele en morele waarde van zijn genoegzaam talrijke inwoners;

VASTSTELLENDE dat de onder toezicht staande opvoeding van de kinderen die de schoolleeftijd nog niet hebben bereikt, wier moeder uit werken gaat of afwezig is, vraagstukken doet rijzen die tot nu toe geen gezamenlijke oplossing hebben bekomen; dat alleen de leeftijdsgroep van 3 tot 6 jaar een degelijke pedagogische organisatie in een actieve school geniet, waarvan de officiŽle benaming bevrijd zou moeten zijn van het voorvoegsel "bewaar";

VAN OORDEEL ZIJNDE dat de maatschappij tot plicht heeft:
- het besparen, aan de toekomstige moeder die uit werken gaat van de bekommernissen en de moeilijkheden die veroorzaakt kunnen worden door het vooruitzicht van de huiselijke problemen in verband met de eerste opvoeding en het verwachte kind;
- het verzekeren van meer stabiliteit en van een betere geesteshygiŽne van de gezinnen door de moeder behulpzaam te zijn bij het vervullen onder de beste voorwaarden van haar moederlijke en sociale rol;
- het begunstigen van de normale ontwikkeling van de kleine kinderen die overdag van hun moeder gescheiden zijn en al te vaak aan onbevoegde personen zijn toevertrouwd, door hun de fysieke en affectieve geborgenheid te bezorgen die aan hun behoeften beantwoordt en waarvan het gehele of gedeeltelijke gebrek van aard is enkele stoornissen te verwekken bij de ontluiking van personaliteit van het kind en bij de ontwikkeling ervan;

BEVESTIGEND, evenwel dat de rol van de moeder bij de opvoeding van een zeer jong kind overwegend en onvervangbaar is;
WORDEN DOOR HET CONGRES DE VOLGENDE RESOLUTIES AANGENOMEN:
1. De oprichting van "Centra voor vůůrschoolse opvoeding" is geboden, daar waar er behoefte aan bestaat. Onder "Centrum voor vůůrschoolse opvoeding" dient te worden verstaan de hummelschool en de kinderbewaarplaats nauw verbonden en geplaatst onder een zelfde pedagogisch gezag, bijgestaan door een psychisch-medisch-sociale dienst, die met het vroegtijdig opsporen is belast van de somatische, psychische en sociale afwijkingen en die raadgevend kan optreden op het hele vlak;
2. De bewaarplaats van een Centrum voor vůůrschoolse opvoeding moet uitsluitend bestemd worden voor de kinderen wier moeder uit werken gaat of zich in de onmogelijkheid bevindt om zich met haar kind bezig te houden;
3. De centra voor vůůrschoolse opvoeding worden onder het gezag geplaatst van de Minister van Nationale Opvoeding en Cultuur, indien het rijksinrichtingen geldt, of gecontroleerd door de diensten van hetzelfde Ministerie, indien het gesubsidieerde inrichtingen zijn.
4. In alle wet- en reglementteksten zullen de termen "bewaarschoolonderwijs, bewaarnormaalschool, bewaarschool en bewaarschoolonderwijzeres" vervangen worden door "voorschoolse opvoeding, kindertuinnormaalschool, kindertuinschool, kindertuinonder-wijzeres".

Kapitel 16. Ė DE BIJZONDERE ONDERWIJSPROBLEMEN IN DE KLEINE GEMEENTEN

Het Congres, overwegende dat de kleine plattelandsscholen, op het opvoedkundige en pedagogische vlak, beantwoorden of geschikt zijn om te beantwoorden aan de eisen van een verzorgde opvoeding en van een stevig onderricht, en dat zij, in dit opzicht, beter aangewezen zijn om zich aan de eisen der landelijke milieus aan te passen;
Overwegende dat de afschaffing van deze scholen zou bijdragen tot het uitsterven van de plattelandsmilieus in sociaal, cultureel en demografisch uitzicht, terwijl de nationale overheid alles in het werk stelt om de landvlucht te voorkomen;
Overwegende dat de kleine plattelandsscholen op gevaarlijke wijze worden ontvolkt en zelfs op verdwijning aangewezen zijn ingevolge de ernstige en steeds voor de openbare financiŽn duur uitvallende concurrentie die hun wordt aangedaan, zowel door de Staatsscholen als door de vrije scholen die in de centra zijn gevestigd;
Overwegende dat onze dorpskinderen het recht hebben in hun milieu en in de nabijheid van hun gezin behoorlijk opgevoed en onderricht te worden, en daarbij dezelfde voordelen te genieten als de kinderen die de scholen der grote centra bezoeken;
Overwegende dat, zo de oprichting van nieuwe Staats- of vrije scholen in menige gevallen verantwoord is, die verwezenlijkingen slechts zouden moeten geschieden in overeenstemming met de werkelijke behoeften, waardoor zou voorkomen worden dat die scholen, om te kunnen bestaan, verplicht zouden zijn, op een voor de Schatkist duur uitvallende wijze, de ondergang van de kleine plattelandsscholen te bewerken;
Overwegende dat, aangezien de gemeentescholen feitelijke openbare diensten zijn, zij neutrale scholen zouden moeten wezen waar alle kinderen kunnen worden toegelaten, en zulks naar de geest van het Schoolpact;

Eist volgende maatregelen, die bestemd zijn om de plattelandsscholen in 't algemeen belang in stand te houden:
1. Verplichting voor de gemeenten om aan hun lager en bewaarschoolonderwijs gezonde en functionele lokalen, de onontbeerlijke leermiddelen alsook kinderbewaardiensten en refters, die als noodzakelijk worden beschouwd te bezorgen;
2. Instelling van een fonds voor schoolgebouwen ten gunste van de gemeenteinrichtingen, met toekenning aan de gemeenten van toelagen die 100% van de uitgaven kunnen bereiken;
3. Ten laste neming door de Staat van de kosten veroorzaakt door de kinderbewaarplaatsen en schoolrefters die noodzakelijk worden geacht;
4. Toekenning aan de inspectie van de bewaarschool en lager onderwijs van werkelijke machten, zowel op het pedagogische als op het administratieve vlak;
5. Naar de geest van het Schoolpact, verplichting voor de gemeenten geleidelijk de neutraliteit van hun onderwijs te verzekeren;
6. Steeds in dezelfde zin van het Schoolpact, radicale afschaffing van de bezoeken voor de werving van leerlingen, en andere handelingen die de schoolstrijd uitlokken;
7. Verbod met de schoolcars kinderen te vervoeren die de leeftijd hebben bereikt om de lagere school of de bewaarschool te bezoeken en die verblijven in gemeenten die een gepast neutraal gemeentelijk onderwijs bezitten;
8. Vaststelling voor de kleine plattelandsscholen van schoolbevolkingsnormen die aangepast zijn aan de regionale toestanden, met name inzake bevolkingsdichtheid, bestaande wegennet, afstanden, enz. enz.
9. Indien gemeenteonderwijzers of -onderwijzeressen in disponibiliteit moeten worden gesteld wegens afschaffing van betrekking, weder tewerkstelling bij voorrang, van deze personeelsleden in een rijksinrichting van hun streek.


DE PROVINCIES


Kapitel 1. Ė DECONCENTRATIE

De partij voor Vrijheid en Vooruitgang,
- Overwegende de noodzakelijkheid in het kader van de nationale eenheid, de deconcentratie naar de provinciale diensten te bespoedigen van de thans aan de verschillende ministeriŽle departementen toevertrouwde bevoegdheden van provinciale aard;
- Overwegende dat het aldus mogelijk zal zijn binnen veel kortere termijnen, voldoening te schenken aan de gewestelijke betrachtingen mits de huidige overstelping van dossiers in de centrale diensten te voorkomen;
- Overwegende dat het dringend nodig is tot een definitieve oplossing te komen wat betreft de reorganisatie van het toezicht van de staat op de provinciale financiŽn voor de goedkeuring van de wedden, lonen, pensioenen, van provincies, gemeenten en ondergeschikte instellingen;
- Overwegende dat het nodig is over te gaan tot de deconcentratie van de bevoegdheid tot goedkeuring en vernietiging in verband met beslissingen die het Kader van de ambtsbevoegdheden te buiten gaan, die de wet overtreden of inbreuk maken op het algemeen belang, voor de gemeenten met minder dan 10.000 inwoners, met uitzondering van de gemeenten die hoofdplaats van een arrondissement zijn.

VRAAGT
- dat het deconcentratieproces zou worden bespoedigd dat sedert enkele tijd door het Centraal gezag is ingezet zonder te streven naar coŲrdinatie en met het grootste gebrek aan samenhang;
- dat een einde zou worden gemaakt aan het verlammend toezicht van de staat op de provincies, de gemeenten en de ondergeschikte machten;
- dat de provincie alleen kennis neemt van de zaken die tot haar bevoegdheid behoren;
- dat de activiteiten inzake toezicht wat betreft de provinciale en gemeentelijke instanties zouden worden versoepeld of afgeschaft inzake de volgende aangelegenheden, met name:

1. Personeel van de Commissie van Openbare Onderstand: De voor het gemeentepersoneel geldende regel dient tot dit personeel te worden uitgebreid, welke ook de belangrijkheid weze van de gemeenten;

2. Gemeentelijk personeel: het is nodig de bevoegdheid van de gouverneur uit te breiden tot al de gemeenten inzake kaders.

3. Onroerende rechten, schenkingen en legaten: De bevoegdheid van de gouverneur en van de Bestendige Deputatie zou moeten worden uitgebreid tot al de gemeenten en Commissies van Openbare Onderstand.

4. Speciaal Onderstandfonds: De tussenkomsten van het Fonds zouden door de gouverneur moeten worden vastgesteld.

5. Gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke inrichtingen: Alle rijksdiensten zouden onder het rechtstreeks gezag van de gouverneur moeten staan en ter beschikking gesteld van de Bestendige Deputatie.
- dat een studiecomitť belast zou worden met het klaar maken van de aan de wetgever voor te leggen teksten om voorgoed deze zeer actuele aangelegenheid te regelen, mits grondig alle voor te stellen wijzigingen te onderzoeken buiten die welke hier bij wijze van vb. zijn aangehaald.

Kapitel 2. Ė DECENTRALISATIE

De Partij voor Vrijheid en Vooruitgang,
- Overwegende dat de grote Belgische gemeenschappen met aandrang een ruimere autonomie eisen, vooral op het culturele, economische en sociale vlak en in het opzicht van de onderwijsinrichting;
- Overwegende dat die betrachtingen slechts verwezenlijkt kunnen worden dank zij een daadwerkelijke decentralisatie, waardoor de negen provincies van ons land ertoe in staat worden gesteld deze betrachtingen te realiseren buiten iedere overdreven tussenkomst vanwege het centrale gezag;
- Overwegende dat de uitbreiding van de bevoegdheden der provincies geen aanleiding moet geven tot nieuwe lasten, en dat de administratieve verplichtingen in verband met die bevoegdheden verzekerd dienen te worden door de overheveling, van het Hoofdbestuur naar het provinciebestuur, van het thans met die taken belast personeel;
- Overwegende dat men zich dient te verzetten tegen de oprichting van regionale organen met supra-provinciaal karakter, hetgeen tot gevolg zou hebben de huidige concentratie naar nieuwe centraliserende organen te verplaatsen, zulks ten nadele van de provinciale autonomie en op gevaar af 's lands eenheid te bedreigen.

BESLIST
- Onverpoosd de verwezenlijking na te streven van een werkelijke decentralisatie, dank zij de omwerking van de wet op de provinciale organisatie en van de kieswet, omwerking waardoor kan worden verwezenlijkt:
1. de verlaging van de leeftijd van het gemeentelijk en provinciaal kiezerskorps tot 19 jaar, en aan de dienstplichtigen stemrecht verlenen;
2. de verlaging van de verkiesbaarheidsleeftijd voor die kiezerskorpsen tot 21 jaar;
3. de revalorisatie van de verantwoordelijkheid van het mandaat van provincieraadslid bij gelegenheid van de instelling van de grote commissies waarin alle partijen verplicht vertegenwoordigd zouden zijn, met name:
a) Centrale commissie voor de culturele bevordering;
b) Centrale commissie voor de economische bevordering van alle lagen der bevolking;
c) Centrale commissie voor de grote werken en de weginrichting;
d) Commissie voor het onderwijs en de jeugd;
e) Centrale commissie voor landbouwbevordering;
f) Commissie voor het gezin en de huisvesting;
4. in het kader van de grondwetherziening en van de door de PVV voorgestelde oplossingen, vaststelling van het mandaat van provincieraadslid op 6 jaar;
5. de inschrijving van de provinciale begroting van de uitgaven inzake wedden, vergoedingen en pensioen van het provinciaal personeel, van de provinciegriffier en van de personeelsleden van het provinciale bestuur, welke laatsten hun huidig benoemings- en bezoldigingsstatuut behouden;
6. het toevertrouwen aan de bestendige deputatie, in overleg met de Staat, van de ordening van het grondgebied der provincie in de ruimste zin en haar verwezenlijking dank zij de samenwerking tussen de openbare en privťsector;
7. de vergemakkelijking van de taak van de provinciegriffier door eventuele aanwijzing van een algemeen ambtenaar benoemd onder het personeel van de provincie, die belast wordt met bepaalde administratieve bezigheden, en met name de wettige taak eensluidende kopies en expedities af te leveren;
8. het betrekken van de arrondissementscommissarissen bij de nieuwe taken die de provincies zullen te beurt vallen, en de Gouverneur behulpzaam te zijn bij de vervulling van de nieuwe ambtsbezigheden die aan deze ingevolge de deconcentratie zullen worden toevertrouwd.

VERZOEKT de PVV-parlementsleden wetsvoorstellen in overeenstemming met de door het Congres aangenomen resoluties in te dienen.

Kapitel 3.- ONDERWIJS

De Partij voor Vrijheid en Vooruitgang:
- betreurt de stelselmatige beslaglegging van de Staat en zijn steeds toenemende inmenging inzake officieel onderwijs;
- eist een decentralisatiebeleid, waardoor aan de provincies en de gemeenten de verantwoordelijkheid wordt opgelegd inzake inrichting van het technisch en buitengewoon onderwijs voor lichamelijk of geestelijk minder-validen;
- dat de Staat niet gemachtigd wordt zich met die sector van het officieel onderwijs bezig te houden dan in geval van klaarblijkend in gebreke blijven van de provinciale of plaatselijke overheid;
- vraagt dat nauwe en permanente contacten worden tot stand gebracht tussen het technisch onderwijs en de firma's die gediplomeerden van dit onderwijs kunnen bezigen, ten einde, onder beste voorwaarden, te kunnen beantwoorden aan de werkelijke tewerkstellingsbehoeften van de streek;
- eist dat een einde wordt gemaakt aan de ontvolking van de gemeente- en provinciale scholen dank zij een in demografisch en geografisch opzicht betere structuur voor de spreiding van de scholen;
- vraagt de aanwijzing van een centraal orgaan waarin de provincies en de gemeenten zouden vertegenwoordigd zijn en dat zou besluiten tot de oprichting of de afschaffing van de inrichtingen van het officieel onderwijs. De beslissingen zullen slechts worden genomen op eensluidend advies van de provinciale en gemeentelijke afgevaardigden.
- vraagt dat op de begroting van de provincies een subsidie wordt uitgetrokken om te worden verleend aan de scholen met andere taalregeling dan die van de streek, voor zoveel de onderwezen tweede taal die van de streek is.
- wil de volkomen eerbiediging van het schoolpact en van de wijsgerige overtuigingen van iedereen in het officieel onderwijs. In die geest bestaat voor de provincies de verplichting de neutraliteit van het onderwijs te verzekeren.

Kapitel 4.- PROVINCIALE FINANCIňN

De Partij voor Vrijheid en Vooruitgang:
- Overwegende dat het van hoofdzakelijk belang is de provincies de financiŽle autonomie te verzekeren die voor de verwezenlijking van hun initiatieven onontbeerlijk is zonder dat het daartoe nodig is de belastingdruk te verhogen;
- Overwegende dat ieder stelstel van omslagfonds, zoals het Fonds der provincies, de provinciale mandatarissen van alle initiatieven berooft, derhalve het normaal beheer van de provinciale belangen belemmert en de verantwoordelijkheid devalueert van bedoelde mandatarissen, die nog slechts de rol van eenvoudige fondsverdelers moeten vervullen;

1. Eist de afschaffing van het door de wet van 24 december 1948 opgericht Fonds der Provincies;
2. Beschouwt als enige deugdelijke oplossing van het probleem der provinciale financiŽn de vrije heffing van opcentiemen op de voornaamste rijksbelastingen, verstaan zijnde dat de ongelijkheid inzake belastingsopbrengst per provincie getemperd zou worden door een gepaste mathematische formule;
3. Acht het geraden dat de provincies afstand zouden doen aan de gemeenten van alle bijzondere taksen die zij tot nog toe zelf hebben geÔnd.

Kapitel 5.- POLITIEKE ACTIE OP HET PROVINCIALE VLAK

De Partij voor Vrijheid en Vooruitgang:
Bewust van het toenemende belang van de rol der provincieraden in 's lands politieke, economische, culturele en sociale leven, beslist dat, met het oog op de vergemakkelijking van de taak der provinciemandatarissen van de PVV:
1. er in iedere provincie een Provinciale PVV-federatie zal worden opgericht;
2. dat iedere Provinciale Federatie een afgevaardigde in het Politieke Bureau van de Partij zal hebben;
3. dat door toedoen van de Partij een periodiek bulletin zal worden gepubliceerd, waarin onderwerpen van provinciaal en gemeentelijk belang worden behandeld;
4. dat ten minste eenmaal 's jaars een colloquium zal worden ingericht, waarvoor alle provinciale mandatarissen van het land zullen bijeenkomen.


top