www.liberaalarchief.be
CONGRES VAN DE PARTIJ VOOR VRIJHEID EN VOORUITGANG
BLANKENBERGE, 16 - 18 november 1973
DE STAAT TEGEN DE BURGER: PLEIDOOI VOOR EEN MODERN CENTRUMBELEID
PROCLAMATIE


De Vlaamse PVV richt zich, bij gelegenheid van haar congres te Blankenberge, op 16 en 17 november 1973, tot allen die begaan zijn met de politieke vernieuwing in ons land. Deze politieke vernieuwing dringt zich op nu de politieke keuze van de burger steeds minder door wijsgerige of godsdienstige overtuigingen wordt opgedrongen, de klassenstrijd grotendeels is geluwd en de gemeenschapsvraagstukken hun scherpe kanten verloren hebben. In het belang van onze democratische instellingen moet het openbaar beleid duidelijk en geloofwaardig gevoerd worden. De politiek moet voor de kiezer begrijpbaar zijn.

Dergelijk doel kan langs verschillende wegen bereikt worden. In de eerste plaats kan overgegaan worden tot de oprichting van een "Centrum voor politieke vernieuwing", als contactpunt voor gezaghebbende figuren uit de verschillende politieke horizonten, die op zoek zijn naar een nieuwe politieke visie. Op die manier ontstaat de mogelijkheid van een stembusakkoord en nog later eventueel de vorming van een nieuwe partij. De Vlaamse PVV wenst overleg met al wie de volgende stellingen kan onderschrijven:



1. STREVEN NAAR EEN VRIJERE MAATSCHAPPIJ

De moderne mens wil steeds vrijer worden. Meer dan ooit wil hij zijn eigen leven beheersen. Het gaat erom te beletten dat de overheid aan de burgers een opvatting van het "geluk" opdringt. Het geluk is een zuiver persoonlijke aangelegenheid. De taak om over de geldigheid van de levensinzichten uitspraak te doen berust niet bij de overheid of haar beleidsorganen. Deze taak ligt uitsluitend bij de burgers zelf.

De taak van de overheid bestaat er wťl in aan de verschillende levensopvattingen bestaansrecht en ontwikkelingsmogelijkheid te verschaffen.

"De grootst mogelijke vrijheid voor het grootst mogelijk aantal" kan slechts gewaarborgd worden als deze vrijheid wordt geÔnstitutionaliseerd. Zoniet belandt men in de anarchie: de grootste vijand van de vrijheid. Dit institutionaliseren van de vrijheid moet worden toevertrouwd aan een democratische overheid. Zij zal zorgen voor wetten en voorschriften die ook de "vrijheid van de gebuur" waarborgen. Gezag en vrijheid, vullen mekaar aan.

Onze gemeenschappelijke toekomst hangt af van de toenemende mondigheid van de burger. Deze mondigheid veronderstelt een diepgewortelde zin voor verdraagzaamheid. Onverdraagzaamheid moet als een gebrek aan beschaving worden aangevoeld.

Niet iedereen zal zich in staat achten om op eigen krachten de levensvragen te beantwoorden. Niets belet dat een groep een geestelijke autoriteit aanvaardt. Daaruit vloeit logisch voort dat religieus levende burgers privatim strengere levensregels zullen eerbiedigen dan die welke officieel in wetten en rechtsregels zullen worden vastgelegd.



2. VERLANGEN NAAR GROTERE INSPRAAK

De burger wenst meer zelfstandigheid ten overstaan van de structuren en de instellingen; meer participatie aan de beleidsorganen van het sociaal, economisch en cultureel leven. De overlegstructuren zijn niet mee gegroeid met deze betrachtingen. In deze "participatiedemocratie" eist de burger zijn deel op.

De ruimst mogelijke participatie moet beginnen op onderwijsgebied. Kennis betekent een beslissend instrument van economische en maatschappelijke beÔnvloeding. Medezeggenschap in de onderneming alleen zal niet meer volstaan. Inspraak zal ook nadrukkelijker worden opgeŽist in de culturele en sociale organisaties. In veel gevallen zijn de sociale organisaties uitgegroeid tot topzware administraties, waar het contact met de basis is verloren gegaan. Moderne technieken van beluistering en permanente ondervraging moeten dringend opgebouwd worden, teneinde de interne democratie te herstellen.



3. DE ONDERNEMING GERICHT OP VOORUITGANG IN VRIJHEID

Door de onderneming worden de economische voorwaarden tot de materiŽle vooruitgang geschapen. Door de toenemende produktiviteitsgraad van vele ondernemingen wordt het mogelijk dat de burger meer vrije tijd verwerft onder de vorm van kortere arbeidsduur, langer verlof, vervroegd pensioen of niet effectieve deelname aan het produktieproces. Daarvoor moet zijn koopkracht stijgen. De actieve periode van een mensenleven, ongeveer de helft van de "bewuste" tijd wordt op het werk doorgebracht. Dit werkterrein is de plaats waar de menselijke persoonlijkheid wordt afgebroken of opgebouwd; waar de creativiteit wordt gestimuleerd of droog gelegd.


A. DE ONDERNEMING
De oude opvatting van de onderneming, als een middel om voor enkele mensen winsten te maken, is niet meer gangbaar: de onderneming moet het vervullen van maatschappelijke behoeften tegemoet komen. De ondernemingsvrijheid veronderstelt een grote zin voor verantwoordelijkheid. Bij de uitoefening van die vrijheid kunnen daden gesteld worden die de politieke gemeenschap schaden en door haar zullen gesanctioneerd worden: pollutie, enzÖ


B. DE PRIVATE ONDERNEMING
dient verkozen boven de overheidsonderneming op basis van principiŽle of ideologische gronden, en op basis van pragmatische vaststellingen zoals: a) de hogere efficiency die in de regel in een private onderneming bestaat en daardoor kans biedt op hoger rendement en ruimere verdeling der resultaten (fiscus, lonen, beloning van het kapitaal); b) de overheidsonderneming vertoont een groot gevaar tot politisering, en staat bloot aan invloeden die met de economische efficiency niets te zien hebben. Het gevaar van corruptie in de overheidsonderneming is geenszins denkbeeldig; c) alle voorbeelden van genationaliseerde bedrijven bewijzen dat de sociale conflicten er niet minder en de lonen er niet hoger zijn dan in de private ondernemingen.

Gezien de hoogst belangrijke functie die de ondernemingen vervullen in het economisch en sociaal leven, hebben de leiding en de kaders recht op een positieve waardering vanwege de gemeenschap.

De winst waartegen zo ten aanval wordt getrokken is een begrip dat herwaardering verdient. Inderdaad, "winst" is niets anders dan de economische uitdrukking van rendement. Daarom moet de winst door de overheid behandeld worden als iets dat aan te moedigen valt en niet iets dat moet vernietigd worden. De overheid moet er door een anti-kartelwetgeving voor zorgen dat de concurrentie blijft en ze moet ongenadig monopolies bestrijden. Zo zal de winst op een aanvaardbaar peil blijven.



4. DE NOODZAKELIJKE HERVERDELING DER INKOMSTEN

Het eigendomsrecht ligt mede aan de basis van de vrijheid van het individu. Zoals deze vrijheid grenzen kent, kent ook het eigendomsrecht perken. De absolute gelijkheid tussen de burgers is niet te verwezenlijken. Het is de morele taak van elk politiek bestel de voorwaarden te scheppen opdat iedereen het maximum van zijn capaciteiten kan doen gelden. Dit wordt slechts haalbaar wanneer de materiŽle toestand van iedereen voldoende zal zijn. Dit is het probleem van de ideale inkomensverdeling.

Onze welvaartstaat heeft de armoede niet uitgeschakeld. Ze kreeg slechts een andere naam. Weliswaar kon een einde worden gemaakt aan het zogenaamde "lompenproletariaat". Maar er ontstonden nieuwe "vergeten" groepen. Deze groepen zijn de bejaarden (nagenoeg 12% van onze bevolking is ouder dan 65 jaar) en de lichamelijke en geestelijk mindergeschikten (hun aantal neemt voortdurend toe). Sociale voorzieningen zijn derhalve een noodzaak.

Eťn van de meest treffende kenmerken van ons stelsel van sociale zekerheid is echter dat het op een ongedifferentieerde manier te werk gaat. Heel ons stelsel van sociale zekerheid draagt de sporen van een oncontroleerbare groei, een overmatige bureaucratie en een ontmoedigende ondoelmatigheid. Het moet ook dringend worden gedepolitiseerd. Ook sterk sociaal geŽngageerde milieus wensen dat sommige diensten en voorzieningen in samenwerking met de privť-sector zouden gereorganiseerd worden. Een afremming van de kostprijs door gedeeltelijke privatisering, zou niet alleen economisch werken maar ook vanuit sociaal herverdelend standpunt heilzaam werken. Een herstructurering, waarbij de verschillende sociale instellingen tot ťťn centrale boekhouding herleid worden, is ťťn van de noodzakelijke agendapunten. Bij deze herstructurering is een democratischer besluitvorming vereist.



5. GROEIENDE AANDACHT VOOR HET LEEFKLIMAAT

De aandacht verschuift geleidelijk van de kwantitatieve aspecten naar de kwalitatieve inzichten van het leven. Deze verheugende evolutie mag niet doen vergeten dat zonder economische welvaart de sociale vooruitgang een wensdroom blijft. Niemand betwist dat de economische expansie kwalijke nevenverschijnselen vertoont. Het teloor gaan van het geestelijke evenwicht en de bedreiging van het leefmilieu zijn de meest kenschetsende. De aftakeling van ons leefmilieu vergt een vinnige en snelle reactie. De tijd dringt! Niemand betwist dat voor elk verontreinigingsprobleem een technische oplossing kan worden gevonden. Het komt neer op de financiŽle middelen die de gemeenschap ter beschikking krijgt om de milieuverontreiniging tegen te gaan. Deze financiŽle middelen moeten ruim zijn. De publieke opinie moet voorbereid worden. "De vervuiler betaalt" is een slogan die valse hoop wekt. Uiteindelijk zal de ganse gemeenschap een enorme geldelijke inspanning voor de redding van het leefmilieu moeten leveren.

Een doeltreffende actie kan alleen vanuit een centraal punt geleid worden. De bevoegdheden inzake de strijd tegen de milieuverontreiniging liggen versnipperd over de departementen van Economische Zaken, Tewerkstelling en Arbeid, Huisvesting en Gezin, Landbouw, Openbare Werken, Volksgezondheid, Landsverdediging, Verkeerswezen, Buitenlandse Zaken, Begroting, Streekeconomie, Nationale Opvoeding en Binnenlandse Zaken. Een ministerie voor het leefmilieu is noodzakelijk.



6. DE VORMING EN OPLEIDING VAN DE VRIJE BURGER

Niet alleen armoede, ook welvaart kan slavernij meebrengen. Veel sociologen en pedagogen zijn het erover eens dat samen met de familie de school de menselijke persoonlijkheid moet vormen.

De school moet allereerst gericht zijn op het activeren van de zelfkennis en de zelfbeschikking. Op het onderwijs- en cultuurvlak moet de persoonlijke zingeving centraal staan. Het onderwijsmilieu moet een levensschool en geen fabriek van gediplomeerden zijn.

De jongste schoolpactherziening heeft veel materiŽle ongelijkheden tussen de verschillende netten weggewerkt. Maar de kernvragen zijn onbeantwoord gebleven. Deze handelen over de inhoud van het onderwijs.

Een onderwijsvernieuwing stuit op vooroordeel en achterdocht. De verklaring kan worden gezocht in een totaal verkeerde benadering van de school. Ze blijft voor velen een machtsmiddel in dienst van een filosofie, een partij, een syndicaat. Zulke atmosfeer is niet in het belang van het kind. Men moet het onderwijs zien als een middel tot ontplooiing van de jonge burger. Niet de overheid moet voor de leerlingen en studenten uitmaken welk sociaal systeem voor hen goed of slecht is. De jongeren moeten dat uiteindelijk zelf, in volle vrijheid kiezen.

Er is een grote malaise bij het onderwijzend personeel. Dit personeel is van mening dat het niet voldoende wordt gewaardeerd. In vele gevallen is deze klacht gegrond. Maar dit gebrek aan eerbied is niet zelden het resultaat van het optreden van sommige leerkrachten zelf, die niet objectief bijdragen tot de ontplooiing van de jeugd en die zich soms gedragen op een manier die inderdaad weinig eerbied afdwingt.

Niet alleen de relatie kind-school maar ook de relatie arbeid-vrije tijd dient in een volkomen nieuwe samenhang bekeken te worden. Er kan niet geloochend worden dat de ongelijkheden (o.m. op het economisch vlak) ook in de vrijetijdsbesteding aanwezig zijn. Het is de taak van de overheid deze ongelijkheden op het materiŽle vlak te overbruggen. Er is een nijpend gebrek aan sportinstallaties, speeltuinen, parken, groene zones, culturele centra, bibliotheken, discotheken, zalen voor het beoefenen van een hobby, ruime informatie over het ontspanningsleven.

Cultuurexpressie is het maximaal beleven van de eigen geaardheid door vrije mensen. In een culturele aangelegenheid kan de scheppingsdrang van een kleine gemeenschap, of van een enkeling, evenwaardig en zelfs waardevoller zijn dan deze van grote groepen. Daarom mag het cultuurbeleid niet gezien worden in functie van machtsverhoudingen, waarbij het aantal steeds de doorslag geeft. Inzake cultuurbeleving dient krachtig gepleit voor een zo gering mogelijke inmenging van de overheid. Men moet zich verzetten tegen gelijk welke vorm van staatscultuur. Er mag aan niemand een cultureel patroon worden opgedrongen. Wat het privť-initiatief goed doet moet de Staat niet overdoen. De taak van de overheid dient complementair te zijn. Waar het privť-initiatief faalt of afwezig blijft moeten de materiŽle voorzieningen door de overheid ter beschikking worden gesteld. Het cultuurbeleid dient ook democratisch te zijn, o.m. in de wijze waarop het tot stand komt. Het cultuurbeleid moet ontstaan uit een voortdurende dialoog tussen de overheid en de burger.



7. HET GELOOF IN EEN BETERE WERELD

Vooral in de loop van het laatste decennium is de wereldsituatie grondig veranderd. Er is vooreerst de krachtige, soms felle bewustwording van de ontwikkelingslanden. Gerechtigheid, broederlijkheid en solidariteit zijn ook hier gericht op de "vergeten" groepen, die recht hebben op de steun van de welvarenden. Welvaart voor de ontwikkelingslanden wordt slechts mogelijk wanneer op economisch vlak, in de jonge landen zelf, resultaten worden bereikt.

Indien de voortekens ons niet bedriegen zal de ontspanning in de wereld verder doorgang vinden. Maar wat er ook uit de bus komt, nu de Verenigde Staten zowel met de Sovjet-Unie als met het communistische China opbouwende contacten zoeken, het epicentrum van de wereldpolitiek werd uit Europa gehaald.

De Europese landen zijn nog steeds niet in staat hun nationalisme te verzaken. Het gebrek aan een werkelijk Europees ťlan, dat de grenzen wegwuift, belet dat Europa meetelt. Belangrijke kerngebieden als Oostenrijk, Zweden, Zwitserland, behoren nog steeds niet tot de Gemeenschap der Negen.

Opnieuw stelt men vast dat een breuk tussen de burger en de instellingen (in dit geval op Europees vlak) fatale gevolgen heeft voor het systeem zelf. Het Europa der Negen heeft veel van een collectivistische Staat; geleid door een beperkt comitť van topministers die aan niemand uitleg verschuldigd zijn, in de steek gelaten door een Europees Parlement dat weinig of geen bevoegdheid bezit; gefinancierd op een manier die geen controle toelaat en miljarden aan alle betrokken landen kost; ontwricht door dirigistische maatregelen op economisch en agrarisch gebied zodat de markt volkomen in de war zit. Dit Europa heeft geen toekomst. De toekomst van Europa ligt in de parlementaire democratie, met rechtstreekse verkiezingen voor een Europees Parlement, dat in zijn schoot een meerderheid moet vinden die een Europese regering aanstelt, dus uiteindelijk de Verenigde Staten van Europa schept.

De kleine landen kunnen daarbij een aanzienlijke rol spelen. Waarom zou men niet proberen in Beneluxverband het voorbeeld te geven? Heel het Beneluxstreven, dat onmiddellijk na de tweede wereldoorlog duidelijk aansloeg, is in de schaduw geraakt. Nu dat door het enge nationalisme van sommige machtige Europese partners, grote kansen worden verkeken mogen wij niet aarzelen. De Atlantische Alliantie zal eveneens aan een nieuw onderzoek dienen onderworpen. Wat is het Europees antwoord? Op deze vraag kan men een antwoord geven in Beneluxverband, in afwachting dat de andere mogendheden zich uitspreken. In elk geval dient het Atlantisch bondgenootschap te worden behouden.



OP WELKE MANIER WIL DE VLAAMSE PVV DEZE DOELSTELLINGEN BEREIKEN?

De diepgaande keuze waarvoor men, als democraat zal worden gesteld is deze tussen een humanistisch-liberale en een collectivistisch-socialistische visie. Terwijl de eerste voorrang verleent aan de mens, verleent de tweede de prioriteit aan de Staat, de instellingen, hun structuren, hun bureaucratie. De collectivisten beweren dat ook zij de mens centraal stellen. Maar als zij moeten kiezen tussen het individu en de gemeenschap gaat hun voorkeur naar de gemeenschap. De Staat achten zij belangrijker dan de burger.

Het humanisme streeft naar een mensbeeld dat gekenmerkt wordt door een stel rechten, waaronder het recht op zelfbeschikking, op leven, op veiligheid, gezondheid, arbeid, geestelijke ontwikkeling, maatschappelijke geborgenheid, levensbeschouwelijke vrijheid, vrije meningsuiting, vrije informatie, vrijheid van vereniging, e.a. Belangrijk is hoe men deze rechten beveiligt.

In geen enkel socialistisch land ter wereld zijn deze rechten en vrijheden gewaarborgd. Steeds weer komt het erop neer dat men, in naam van een samenleving die jaren ver in de toekomst wordt geprojecteerd, aan de miljoenen burgers van deze landen vraagt aan hun vrijheden voor onbepaalde tijd te verzaken. Maar nergens ziet men de terugkeer naar deze vrijheden. Integendeel, de zogenaamde proletarische dictatuur blijft gehandhaafd. Niet door het proletariaat zelf, maar door hun oppermachtige mandaathouders.

In de Westerse landen, waar men poogt het collectivisme door te drukken, streeft men dit doel na door de klassenstrijd zo scherp mogelijk te stellen. Hier gaat het niet zelden om een politieke conceptie die speculeert op de agressiviteit van de mensen. Een agressiviteit aangemoedigd door een beperkte politieke "elite" die haar macht honderdvoudig probeert aan te dikken. Het Westerse collectivisme, bezondigt zich evenzeer als het communisme aan een overdreven machtsconcentratie in de handen van de overheid. Dat zij daarbij geholpen worden door christen-democratische "geloofsgenoten" kan voor hen slechts een aanmoediging betekenen.

In de praktijk ontaardt zulk politiek streven heel gemakkelijk in een soort administratief of "ambtenarensocialisme". Zulk socialisme (rood of geel) acht zich kennelijk reeds zeer tevreden wanneer het zoveel mogelijk het staatsapparaat kan bezetten. Dit geldt dan voor zowat alle geledingen, waar de overheid inspraak verwerft: economie, maatschappelijk beleid, onderwijs, financiŽn, enz.



TEGEN DEZE TOENEMENDE VERSTAATSING DIENT, ZONDER LANGER UITSTEL, EEN DAM OPGEWORPEN

Deze reactie tegen de toenemende verstaatsing komt geleidelijk los bij allen die een inspanning leveren om de maatschappelijke ladder op te klimmen. Deze verlangen naar een grote politieke formatie die hun visie willen verdedigen. Men mag stellen dat de wrevel, die thans in alle sociale geledingen heerst, niet uitsluitend dient toegeschreven aan economische of sociale oorzaken. De ontstemming heeft een veel ruimere, een meer algemene achtergrond. Zij stoelt op het ontbreken van een waarachtige eerbied voor de ruime bijdrage die deze burgers leveren ten bate van de andere volksdelen, in het bijzonder de zwakkere groepen.

De sociale niet-collectivistisch gerichte infrastructuur ten dienste van de burgers - o.a. vakbonden, mutualiteiten Ė vinden hun plaats in dergelijke vernieuwing.

Een modern centrumbeleid moet er dan ook op gericht zijn deze eerbied te herstellen. Van dit herstel kan echter geen sprake zijn, indien men niet als uitgangspunt aanvaardt dat de grotere persoonlijke inspanning, door wie ook geleverd, moet beloond worden.

Sommigen verwerpen het prestatiebeginsel als een verouderde idee. Maar ze vergeten dat nergens ter wereld Ė ook niet in het communistisch China - een economisch-sociaal bestel kon worden opgebouwd zonder dat het beginsel "loon naar werken" wordt gehandhaafd of weder ingevoerd. De manier waarop dit beginsel wordt toegepast kan verschillen. Maar het principe zelf lijkt essentieel te zijn.

De PVV, die in 1961 reeds een ernstige poging tot vernieuwing van het politieke bestel in ons land heeft gedaan, meent opnieuw een grote bijdrage te kunnen leveren ter verdediging van een centrumbeleid. Wat meer in het bijzonder de Vlaamse PVV betreft wordt vastgesteld dat zij een partij is die zich tot de niet-collectivistisch gerichte groepen richt. De standpunten die zij, eerst in het "Vlaams Liberaal Manifest" en daarna in haar congres van Blankenberge en thans weer tijdens dit congres heeft geformuleerd, beschouwt zij als een bijdrage ter omschrijving van zulk centrumbeleid. Tot nog toe heeft de Vlaamse PVV het duidelijkst van alle partijen stelling gekozen tegen de verstaatsing die zich in ons land steeds nadrukkelijker doorzet.

Dit wil echter niet zeggen dat de Vlaamse PVV helemaal alleen deze verstaatsing kan tegenhouden. Daarom is zij bereid in ruime afspraak met de PLP de hand te reiken aan al diegenen die een centrumbeleid, zoals hoger werd omschreven, willen verdedigen.

top