www.liberaalarchief.be
CONGRES VAN DE PARTIJ VOOR VRIJHEID EN VOORUITGANG
HASSELT, 18 - 20 oktober 1974
BOUWSTENEN VOOR HET CENTRUM
RESOLUTIES


1. STREVEN NAAR EEN VRIJERE SAMENLEVING


In ons liberaal streven naar een zo groot mogelijke individuele vrijheid en een zo groot mogelijk zelfbeschikkingsrecht, die beide slechts zouden mogen beperkt worden door de vrijheid en het zelfbeschikkingsrecht van anderen, heeft de PVV volgende doelstellingen:

I. In verband met de goede zeden

a) de afschaffing van de wet van 11 april 1936 betreffende het verbod van invoer van buitenlandse ontuchtige publicaties.
Deze wet druist in tegen de artikels 18 en 98 van de Grondwet. Iedere volwassene moet naar eigen inzicht tot de aankoop van de publicaties kunnen overgaan, zonder daarbij medeburgers te storen.

b) artikel 383 van het Strafwetboek moet als volgt herschreven worden:
"Telkenmaal het vervaardigen en op enigerlei wijze verspreiden van liederen, vlugschriften, of andere geschriften, al dan niet gedrukt, afbeeldingen of prenten die strijdig zijn met de goede zeden gebeurt op agressieve wijze of van aard is de bescherming van de jeugd in het gedrang te brengen, wordt het strafbaar gesteld."
De reglementen van douane en accijnzen en van posterijen moeten bepalen dat dergelijke publicaties niet ongevraagd mogen worden besteld en niet voorzien van een sluitband, maar mogen geenszins de bepalingen van het SWB verscherpen.

II. In verband met de familiale verhoudingen

De PVV verzet zich tegen het anonimaat van het natuurlijk kind. Zij wenst een wijziging van de wet op de afstamming en vraagt een uitbreiding van de bewijslevering inzake het natuurlijk vaderschap en een versoepeling van de procedure inzake de ontkenning van het wettig vaderschap.
De natuurlijke afstamming moet daarenboven dezelfde gevolgen krijgen als de wettige en dit op gebied van het erfrecht, het levensonderhoud, de ouderlijke macht, het bezoekrecht, de naam en de nationaliteit.

III. Met betrekking tot doorstroming en vrije verspreiding van informatie

- zoals voor de pers, dient ook voor radio en televisie een systeem van "recht op antwoord" ingevoerd.
- de oprichting van zendgemachtigde verenigingen moet in het nieuwe statuut voor radio en televisie opgenomen worden.
- een Nationale Persraad moet worden opgericht die advies zou geven over alle persproblemen en die zou zijn samengesteld uit de dagbladuitgevers, de zendinstituten en de journalisten.
- tot het behoud van een ruime waaier van meningen zou een statuut van de redactie evenals een statuut van de hoofdredactie kunnen bijdragen.
- wat overheidssteun aan de media betreft, ziet de PVV alleen heil in een ruime, indirecte hulpverlening zoals goedkoper grondstoffen, verminderde posttarieven, verspreiding op overheidskosten en dag- en weekbladen in openbare instellingen.

IV. Gelijkstelling van de confessionele en aconfessionele levensbeschouwingen

Zoals voor katholieken, protestanten, israëlieten en islamieten ontmoetingsstructuren bestaan, zo ook moeten publiekrechtelijke instellingen kunnen worden opgericht voor vrijzinnigen.

V. De eer van burger

Volgende wettelijke beschikkingen ter bescherming van de privé-sfeer van iedere burger dienen onverwijld te worden getroffen:
    a) bestraffing van het afluisteren van gesprekken, en de niet-toegelaten opname van beelden;
    b) bescherming tegen de inbreuken door het gebruik van databanken door
      1. strenge deontologie van de informaticus;
      2. toegangsrecht voor elke burger tot de over hem geregistreerde gegevens en correctierecht van de foutieve gegevens;
      3. systeem van toelating voor het houden van databanken zowel in publieke als in private sector en controlesysteem over hun werking.


2. HET VERLANGEN NAAR GROTERE INSPRAAK


Uitgaande van het verlangen van de bevolking om meer inspraak verklaart de PVV zich voorstander van:

1. Het aanmoedigen van inspraakinitiatieven in de sociale, professionele, culturele, welzijns- en vormingssector dit mits het inbouwen van beveiligingsmiddelen tegen demagogische agitatie zonder dat de inspraakvrijheid echter in iets belemmerd wordt.

2. Het intensifiëren van de inspraak op politiek vlak door:
a) invoering van het stemrecht op 18 jaar en de verkiesbaarheid op 21 jaar voor de parlementsverkiezingen;
b) bevorderen van het rechtstreeks contact tussen de mandatarissen op alle niveaus en de kiezers door de realisatie van o.m.:
    - officiële zitdagen in officiële gebouwen van de ondergeschikte besturen, op verzoek bijgestaan door ambtenaren;
    - inlichtingsbulletin met vragen en antwoorden voor elk niveau van politieke mandaatuitoefening;
    - T.V.- en radio-uitzendingen van Kamer- en Senaatszittingen;
    - gelijke verdeling van de lijststemmen over alle kandidaten van de lijst;
    - openbaarheid en duidelijkheid over de financiële of andere bindingen van de kandidaten;
    - inrichten van hearings met de betrokken bevolkingsgroepen op elk niveau van de politieke mandaatuitoefening.
3. De verdediging van de burger tegen het misbruik van macht door:
1) de inschakeling van een ombudsdienst op nationaal, gewestelijk, provinciaal en gemeentelijk vlak: elke burger benadeeld door te strikte, verkeerde of niet-toepassing van de wetgeving of reglementen zou kunnen beroep doen op deze ombudsdiensten op grond van individuele moeilijkheden of bezwaren.

2) de instelling van een hogere rechtsmacht die geroepen zou zijn om:
    - aanslagen tegen de grondwettelijke rechten gepleegd door de wetgevende macht te sanctioneren.
    - bevoegdheidsconflicten tussen nationale en gewestelijke machten beslechten.
    - uitspraak te doen in verkiezingsconflicten.
3) de inrichting van sectoriële rechtsmachten met het doel de burger beter te beschermen tegen misbruiken op socio-economisch vlak.



3. DEMOCRATISERING VAN DE ECONOMIE


I. Hervorming binnen de onderneming

Om de van de onderneming uitgaande stuwende kracht te bestendigen en te vergroten acht de PVV het nodig de huidige machtsverhoudingen te democratiseren. Met dit doel stelt ze volgende maatregelen voor:

1. Ondernemingen moeten kunnen worden opgericht zowel op initiatief van kapitaalverschaffers als op initiatief van bestuurskaders of van de overige werknemers. De partners hebben verbonden rechten en plichten.

2. De PVV spreekt zich uit voor medebeheer in een nieuw type van onderneming waarbij het dagelijks bestuur onder controle staat van een Raad van Toezicht samengesteld uit de vertegenwoordigers van de initiatiefnemers en de vertegenwoordigers van het kaderpersoneel en van de andere partner (kapitaal of arbeid).
In deze Raad van Toezicht moet het kaderpersoneel, wanneer de onderneming werd opgericht door de kapitaalverschaffers, éénzelfde aantal vertegenwoordigers hebben als de overige werknemers.
De leden van het Bestuur worden uitsluitend benoemd om reden van hun beroepsbekwaamheid, en moeten in staat worden gesteld in de onderneming een daadwerkelijke leiding uit te oefenen.

3. Deze democratisering moet onmiddellijk worden toegepast op ondernemingen die 500 of meer personen te werk stellen.

4. Benevens in de Raad van Toezicht, moet aan het kaderpersoneel ook in andere organen van de onderneming grotere inspraak worden toegekend. De PVV spreekt zich uit voor de oprichting van een Kaderraad bevoegd om bij het Bestuur van de onderneming adviezen uit te brengen betreffende de eigen problemen van het kaderpersoneel.

5. Een bijzonder statuut dient de belangen inzake medezeggenschap en informatie van de kleine aandeelhouder te beschermen. Wat de informatie betreft, dient de omvang en inhoud bepaald door de onafhankelijke, beëdigde commissaris-revisoren van de onderneming.

6. In bepaalde uitzonderlijke gevallen moet de onderneming bevoegd zijn om eigen aandelen van de onderneming in te kopen, met name om haar aftakeling te voorkomen (bvb. dreigende sluiting van de onderneming).

7. Een enquêterecht moet worden ingevoerd. Op verzoek van de aandeelhouders, de werknemers, het kaderpersoneel of van het openbaar ministerie kan een enquête bevolen worden naar de gang van zaken in de onderneming.

8. De PVV wenst de invoering van een gespecialiseerde rechtsmacht (zonder oprichting van nieuwe rechtbanken), i.v.m. het economisch beleid en het statuut van de onderneming. De rechtbanken van koophandel moeten worden omgevormd tot economische rechtbanken, die beslissingen moeten nemen betreffende o.a.:
    - het medebeheer in de onderneming
    - de toepassing van het enquêterecht
    - het statuut van de kleine aandeelhouders
    - de inkoop van eigen aandelen door een onderneming.
II. Het openbaar industrieel initiatief

Het oprichten van openbare ondernemingen door de Staat, of het verwerven van participatie door de Staat in particuliere ondernemingen, moet volgens de PVV minstens aan de volgende voorwaarden worden onderworpen:
- de overheid mag optreden wanneer het privé-initiatief kennelijk in gebreke blijft om de prioriteiten van het economische vijfjarenplan te verwezenlijken, of wanneer in een bepaalde sector een monopoliepositie ontstaat ten nadele van gebruikers of verbruikers;
- de openbare onderneming moet marktconform optreden (geen financiële, fiscale of andere voordrachten)
- vooraleer de staat een openbare onderneming opricht, moet middels een openbare aanbesteding op internationaal vlak en onder voorwaarde van wederkerigheid, aan het privé-initiatief de voorkeur gegeven worden om die onderneming op te richten;
- het oprichten van een openbare onderneming en het verwerven van participaties moeten telkens door een afzonderlijke wet gebeuren;
- de kapitaalinbreng geschiedt door één of meerdere bestaande publiekrechtelijke financiële instellingen uit eigen land die evenwel op generlei wijze de functie van een holding mogen uitoefenen.
Desnoods moet het statuut van die publiekrechtelijke financiële instelling worden aangepast om het verwezenlijken van de kapitaalinbreng mogelijk te maken;
- de openbare onderneming moet beschikken over dezelfde beheersautonomie als een particuliere onderneming; de leden van de Raad van Toezicht en van de Directie worden uitsluitend uit hoofde van beroepsbekwaamheid benoemd;
- voor de werknemers van de openbare onderneming geldt de sociale wetgeving die ook van toepassing is in particuliere ondernemingen;
- de voorkeur moet steeds gaan naar een partnership met privé-ondernemingen in het kader van een "gemengde onderneming"
- de voorgaande principes moeten in een organieke wet worden vastgelegd.

III. Staatssteun aan de privé-sector

Bij staatssteun aan (particuliere of openbare) ondernemingen wil de PVV volgende beleidsprincipes gehuldigd zien:
- de steun mag geen technisch of economisch verouderde activiteiten in stand houden. Hij moet eventueel reconversie naar een meer belovende activiteit in de hand werken;
- de steun moet stimuleren. Hij moet uitsluitend gedurende een aanloopperiode de achterstand of handicap van bepaalde ondernemingen compenseren. Hij mag derhalve niet permanent zijn, en hij mag niet leiden tot een scheeftrekking van de concurrentieverhoudingen;
- de verlening van sectoriële steun moet gebaseerd zijn op criteria en prioriteiten die duidelijk in het economisch vijfjarenplan worden geformuleerd; de Staat neemt, in gemeen overleg met de betrokken sectoren en met de instellingen van de Europese Gemeenschappen maatregelen opdat de Belgische ondernemingen steun zouden kunnen genieten tot wanneer de lonen en sociale lasten in de verschillende E.E.G.-landen convergeren;
- de steun moet doorzichtig zijn; een relatie moet kunnen worden waargenomen tussen de investeringen en het bedrag van de hieraan verleende steun. Deze doorzichtigheid moet bijdragen tot een doeltreffende parlementaire controle. Indien de steun geschiedt in de vorm van fiscale tegemoetkomingen, geldt de eis van doorzichtigheid enkel indien hij eveneens van toepassing is in de andere E.E.G.-landen;
- wanneer het globaal en gecumuleerd bedrag van de staatssteun aan een onderneming 500.000 F overschrijdt, dienen het nauwkeurige bedrag en de naam van de begunstigde in het Belgisch Staatsblad te worden bekendgemaakt.

4. DE NOODZAKELIJKE HERVERDELING DER INKOMENS EN VERMOGENS


De herverdeling van de inkomens en vermogens mag niet bekomen worden door collectivistische maatregelen, omdat deze het bezit en het eigendomsrecht uithollen.
Een doorgedreven fiscalisering wordt als een verkapte vorm van collectivisering van het inkomen beschouwd.
De PVV wil een maximaal welvaartsinkomen verzekeren voor allen o.m. in functie van de prestatie, de verantwoordelijkheid, opleiding en kennis, initiatief en creativiteit.

Om de noodzakelijke herverdeling der inkomens en vermogens in onze welvaartsmaatschappij te bereiken wil de PVV volgende voorstellen realiseren:

1. In verband met de sociale zekerheid:
1. Op korte termijn
- de gelijkwaardigheid van de verschillende gemeenschappelijke sociale vergoedingen bewerkstellingen voor de diverse socio-economische groepen.

2. Op lange termijn
- de heroriëntering van de sociale zekerheid met volgende structuur:
    a) aan de basis een stelsel van sociale voorzieningen die betrekking hebben op de ganse bevolking, gefinancierd door bijdragen op het belastbaar inkomen.
    b) daarnaast specifieke sociale voorzieningen, eigen aan de verschillende socio-economische groepen en gefinancierd door bijdragen. Het creëren van aanvullende vrije vergoedingsstelsels dient aangemoedigd te worden.
    c) spreiding van de bijdragen in functie van de noden eigen aan elk stelsel.
2. Inzake erfrecht:
- het kerngezin (vader, moeder, kinderen, broers en zusters) dient prioritair te worden beschermd.
- erfenissen tussen ooms of tantes, neven of nichten en tussen alle andere personen dienen te worden verzwaard teneinde deze vermogens eer te verdelen en te verspreiden.

3. Het verwerven van een eerste onroerende eigendom moet worden vergemakkelijkt door:
    a) bevriezen van bouwgronden beletten;
    b) verminderen van de registratierechten van 6% op 3%
    c) uitbreiding van de premies voor de aankoop van gebouwde huizen.
4. Het aanmoedigen (zonder wettelijke verplichting) van overheidswege van het verwerven door de werknemers van aandelen in de onderneming waar zij tewerkgesteld zijn, waardoor de band van de werknemer met zijn onderneming wordt versterkt.



5. GROEIENDE AANDACHT VOOR HET LEEFMILIEU


De PVV stelt vast:
- dat, niettegenstaande de meer dan lofwaardige inspanningen geleverd door Staatssecretaris voor Leefmilieu K. POMA, om een coherent leefmilieubeleid te voeren, de versnippering van bevoegdheden over talrijke ministeries en diensten, alsook het bewust blijven vastklampen aan achterhaalde structuren door sommige politieke gezagsdragers, een werkelijke milieupolitiek onmogelijk maken;
- dat slechts een werkelijke en doelgerichte milieupolitiek kan gevoerd worden indien de vereisten van het milieu voorrang krijgen;
- dat de wil om een leefmilieupolitiek te voeren, dient te blijken uit de middelen die men de Staatssecretaris voor Leefmilieu ter hand stelt; dat deze middelen zich totnutoe tot zeer weinig herleiden;
- dat een degelijke milieu-educatie via onderwijs en media dringend nodig is;
- dat aan de "milieugoederen" een waarde dient gegeven te worden, die in rekening moet gebracht t.o.v. de waarde van de economische goederen.

Bijgevolg eist de PVV:
- de oprichting van een volwaardig Ministerie voor Leefmilieu, waarin alle openbare diensten die zich met leefmilieu inlaten en die nu verspreid zijn over alle mogelijke ministeries, tot een coherent en efficiënt bestuur gegroepeerd worden;
- onmiddellijk een consequente toepassing van de wet van 1 augustus 1974, die tot de regionalisering van het Bestuur van Waters en Bossen dient te leiden, en waarvan het effectief beheer voor het Vlaams Gewest dient overgedragen te worden aan de Staatssecretaris voor Leefmilieu wardoor reeds een eerste stap zou gezet worden naar een specifiek leefmilieubestuur;
- de oprichting van het Instituut voor Natuurbeheer, zoals bepaald in de wet van 12 juli 1973 op het Natuurbehoud, waardoor een wetenschappelijke aanpak van de leefmilieuproblemen mogelijk wordt.



6. RECHT OP ONDERWIJS EN PERMANENTE VORMING


Het huidige onderwijsbeleid stoelt op twee essentiële liberale verwezenlijkingen: de veralgemeende leerplicht en de kosteloosheid van het onderwijs.
De PVV wil echter meer: het activeren van de deskundigheid en de optimale ontplooiing van elke persoon dienen hierbij als vertrekpunt.

1. De PVV wil de vrijheid van de ouders gewaarborgd zien bij de keuze van het onderwijs voor hun kinderen.
De leerlingen moeten een opleiding en een vorming krijgen die beantwoorden aan de pluraliteit van de levenswaarden in een moderne samenleving.
Als voorstander van het vrij initiatief is de PVV gewonnen voor een experiment met een beperkt aantal pluralistische gemeenschapsscholen. Na dit experiment kan blijken of de versmelting of de opheffing van bestaande scholen uit verschillende netten wenselijk of mogelijk is.

2. De PVV wenst een grondige sanering van het rijksonderwijs: elke politieke willekeur moet worden uitgeschakeld en fouten in het personeelsbeleid weggewerkt door een aanpassing van het Statuut van het personeel.
De scholenbouw moet worden gerationaliseerd en geprogrammeerd, vooral ook in functie van de optimalisering van de pedagogisch-didactische behoeften.
De pedagogische taak van het bestuurspersoneel, alsmede van de leerkrachten en de opvoeders moet door beperking van het administratieve werk geherwaardeerd worden.
De herziening van de leerlingennormen mag niet langer uitgesteld worden.

3. Daar de mogelijkheden van het kind ten volle benut dienen te worden, acht de PVV het wenselijk dat de leerplicht vervroegd wordt terwijl een onmiddellijke verlenging van de leerplicht tot 16 jaar en in een later stadium tot 18 jaar zich opdringt.
Dit laatste houdt een grondige inhoudelijke en methodologische wijziging van het onderwijs in.

4. De studenten moeten op objectieve wijze voorgelicht worden over hun studie- en beroepsmogelijkheden. Daartoe is de oprichting van gespecialiseerde researchcentra noodzakelijk.
Bovendien moeten deze centra aanwijzingen verstrekken over de onmisbare kwaliteiten, die voor de studie- en beroepskeuze onmisbaar zijn.
Een bindend selectiesysteem kan echter alleen aanvaard worden als objectieve criteria beschikbaar zullen zijn.

5. Leerkrachten moeten voor elke onderwijshervorming opgeleid en bijgeschoold worden. De opleiding van de leerkrachten van het voorschools-, basis- en lager secundair onderwijs in de Pedagogische Hogere Instituten moet rationeel en kwalitatief worden uitgebouwd. Tevens moet de aggregaatopleiding aan de universiteiten herzien en uitgebreid worden. In het kader van het Pedagogisch Hoger Onderwijs dienen Centra voor Didactiek opgericht, die in samenwerking met de Universitaire Centra alle problemen in verband met de onderwijsvernieuwing bestuderen.

6. De PVV opteert voor een stelsel van "credits", dat enerzijds de sterk gestandaardiseerde leerplannen zou vervangen en anderzijds de schotten tussen de verschillende vormen van hoger onderwijs zou wegnemen.
In die optiek kan de "open universiteit" nieuwe kansen bieden.
Om dat alles mogelijk te maken, moet o.m. in het kader van de sociale promotie het systeem van de kredieturen ernstig bestudeerd worden.
Het stelsel van de studiebeurzen, en studieleningen, dient uitgebreid en versoepeld.

7. De PVV stelt dat in Europees verband de harmonisering en de integratie van de onderwijssystemen en diploma's versneld moeten worden.

8. Tenslotte bepleit de PVV de afschaffing van de politiek scheiding tussen de ministeries van Onderwijs en Cultuur. Zij wenst het beleid in handen te geven van één minister-coördinator, bijgestaan door twee staatssecretarissen-technici, één voor Nationale Opvoeding en één voor Nederlandse cultuur.



7. HET GELOOF IN EEN BETERE EN VREEDZAME WERELD


Om haar geloof in een betere wereld kracht bij te zetten en het hedendaags gemis aan belangstelling van onze bevolking voor het internationaal gebeuren aan te wakkeren doet de PVV op het stuk van de ontwikkelingshulp enerzijds en dat van onze defensiepolitiek anderzijds volgende aanbevelingen:

1. Ontwikkelingshulp

1. De hulp aan en de samenwerking met de ontwikkelingslanden dient te gebeuren in functie van hun noden, van de efficiëntie, van de hulp van concrete doeleinden. Bij de verdeling van de ontwikkelingshulp dient men rekening te houden met de volgende herindelingen:
- de olieproducerende ontwikkelingslanden die de mogelijkheid tot investering in het eigen land overtreffen;
- de ontwikkelingslanden die met de opbrengsten van hun grondstoffen hun eigen uitrusting kunnen verzorgen;
- ontwikkelingslanden die over vijf à tien jaar in eigen behoeften zullen kunnen voorzien;
- ontwikkelingslanden die over geen grondstoffen beschikken en dus zelf onderworpen zijn aan de stijging der prijzen.

2. De Belgische ontwikkelingshulp moet geleidelijk meer geloofwaardig worden door meer multilaterale en minder bilaterale hulp te beiden. Het koloniaal verleden mag niet het enige criterium zijn dat onze hulp oriënteert.

3. In de ontwikkelingslanden zelf moet, rekening houdend met de historische, filosofische en matschappelijke evolutie, het plaatselijk privé-initiatief zoveel mogelijk worden gesteund en er dient aangeleerd welke de voordelen zijn die het systeem van een vrije markteconomie kunnen brengen. De creatieve krachten in de ontwikkelingslanden dienen te worden aangewakkerd.

4. België moet meewerken aan de reorganisatie van de internationale handel, zodanig dat de ruilvoet tussen de geïndustrialiseerde wereld en de derde wereld verbetert, ondermeer door het toekennen van handelspreferenties en sluiten van grondstoffenakkoorden.

5. Wij van onze kant moeten in de toekomst bepaalde economische activiteiten opgeven om ze over te laten aan de ontwikkelingslanden. Het planbureau kan bij het nemen van opties voor het volgende vijfjarenplan met deze bekommernis rekening houden.

2. Defensiebeleid

1. Defensie en streven naar ontspanning moeten complementair zijn. België dient actief een rol te spelen in alle initiatieven die de spanning in de wereld en bijzonder tussen Oost en West kunnen verminderen. In afwachting moet de NAVO de West-Europese verzekeringspolis blijven.

2. Een nieuwe visie op de Europese verdediging is evenwel onontbeerlijk in het licht van de technische evolutie, zowel op militair vlak als op andere gebieden.

3. Indien de Amerikaanse militaire aanwezigheid strategisch, technologisch of in manschappen in een nabije toekomst uit West-Europa zou verdwijnen, moeten de West-Europese landen zelf de inspanning opbrengen om in die vervanging te voorzien.

4. België moet in die zin alle inspanningen steunen om een Europese defensiegemeenschap tot stand te brengen. De standaardisatie van de onontbeerlijke uitrusting moet dan ook prioritair worden nagestreefd.

5. Ook de Belgische verdedigingsapparatuur moet grondig herzien worden.
    a) nagaan, rekening houdend met onze internationale verplichtingen, of het strategisch zin heeft een drieledige krijgsmacht in het leven te houden;
    b) de geleidelijke overgang naar een beroepsleger is noodzakelijk;
    c) in afwachting is een rationeel gebruik van het kader van het reservepersoneel noodzakelijk;
    d) de klassieke dienstplicht moet vervangen worden door een burgerdienst voor mannen en vrouwen.


top