www.liberaalarchief.be
CONGRES VAN DE PARTIJ VOOR VRIJHEID EN VOORUITGANG
KORTRIJK, 26-28 oktober 1979 en 18-19 januari 1980
MANIFEST VAN KORTRIJK - Handvest van het modern liberalisme
RESOLUTIES


I. EEN MAATSCHAPPIJ IN DE MIST


1. Waar ligt de grens?

Iedereen voelt het aan: onze samenleving maakt een periode door van uiterst snelle wijzigingen en diepgaande mutaties. Wat een tiental jaren geleden nog niet kon uitgesproken worden, wordt thans luidop en openbaar gezegd. Wat vroeger als vaststaande gold, is vandaag dikwijls voorbijgestreefd. Wat vandaag nog norm is, kan morgen op de helling geplaatst worden. Dit is niet alleen het geval met economische en sociale opvattingen, maar ook met ethische normen, met politieke beleidsopvattingen, met persoonlijke gedragingen en verzuchtingen.

Voor de enen gaat dit alles veel te snel; anderen, daarentegen, vinden dat het nog niet snel genoeg gaat.

De Amerikaanse socioloog DaniŽl Bell beweert, dat de meest vooruitstrevende landen van de Westerse wereld aan het einde van hun "industriŽle periode" gekomen zijn, en dat ze thans het tijdperk ingaan van de "post-industriŽle" samenleving. Een ander auteur, Zbigniew Brzezinski, in zijn werk 'Between two Ages', verklaart dat de technologische en electronische verwezenlijkingen op het huidig ogenblik de belangrijkste determinanten zijn van alle revolutionaire veranderingen in normen en gedragingen, die we over de Westerse wereld meemaken.

De uitvinding en verspreiding van de televisie heeft een gelijkaardige invloed op ons beschavingspatroon als destijds de uitvinding van de boekdrukkunst; alleen is het maatschappelijk effect van het "beeld-woord" thans nog veel ruimer, dieper en fundamenteler. Er mag in dit verband gesproken worden van een verstrekkende cultuurhistorische dimensie, waarvan alle gevolgen nog niet te overzien zijn. Door de ontwikkeling van de massa-media krijgt de moderne mens ogenschijnlijk een totaalbeeld van het wereldgebeuren, daar waar vroeger de horizont, zowel in tijd als in ruimte, eerder beperkt bleef.

De ontwikkeling van de auto, bijvoorbeeld, heeft destijds een revolutie op gang gebracht, waarvan de gevolgen op heden nog voelbaar zijn. Redelijkerwijze mag verwacht worden, dat een even fundamentele invloed zal uitgaan van de electronica, de computers, de transistors en andere moderne verwezenlijkingen, die het gevolg zijn Ė of zullen zijn Ė van de technologische vooruitgang.

De mens evolueert hoe langer hoe meer naar de status van "wereldburger". Dank zij de moderne communicatiemedia is een gebeurtenis, die zich vandaag ergens voordoet, over enkele uren over de hele wereld bekend. Ook een lokaal conflict dat vroeger, normaal gesproken, tot binnen de grenzen van een land of van enkele landen beperkt bleef, kan in de huidige omstandigheden plotseling internationale dimensies aannemen.

Anderzijds blijven vroegere nationaliteitsgevoelens en historisch gegroeide opvattingen onze nieuwe gemeenschap nog diepgaand beÔnvloeden en verdelen. Terecht mag men zich dan ook de vraag stellen, of er geen kloof ligt tussen de actuele, grensoverschrijvende vooruitgang van de wetenschap, enerzijds, en een archaÔsch, nationalistisch-bekrompen politiek beleid, anderzijds.


2. De wereld rondom ons

Het is thans niet meer voldoende de ideologische rol en de maatschappelijke invloed van een politieke partij te bepalen of af te wegen in een louter plaatselijke context, zonder rekening te houden met de politieke en vooral met de ideologische verhoudingen op wereldniveau. We leven niet meer op een eiland. In geen enkel opzicht kunnen we ons nog van de buitenwereld afzonderen. Internationale gegevens, zoals de ideologische machtsstrijd tussen dogmatische leerstelsels allerhande, enerzijds, en de vrije, liberale wereldopvattingen, anderzijds, beheersen zowel de economische als de maatschappelijke aspecten van een bepaalde binnenlandse situatie.

Liberaal-geŽngageerd als we zijn, moeten we stelling nemen tegenover het gebeuren in de wereld rondom ons. Onze houding is zo duidelijk als consequent: het liberalisme is gekant tegen elke dictatuur, van welke aard of oorsprong ook. Het is gekant tegen de "linkse" dictatuur, naar marxistisch-leninistisch model, die de Staat als het begin en het einde van alles beschouwt. Het verzet zich evenzeer tegen elk "rechts" dictatoriaal bewind, waar principes als de nationale veiligheid alleen maar alibi's zijn voor onderdrukking van de bevolking. In ťťn woord, liberalisme en dictatuur zijn en blijven tegenstrijdige begrippen als water en vuur.

Maar men moet de werkelijkheid onder ogen durven zien: allerlei autoritaire machtsstructuren, zij het van uiteenlopende (en tegenstrijdige) signatuur, beheersen of beÔnvloeden op het huidige ogenblik hele werelddelen. Enerzijds is de marxistische invloed overal sterk doorgedrongen, hetzij rechtstreeks in de electorale cijfers, hetzij onrechtstreeks in de verwachtingen van een egalitaire heilstaat. Anderzijds worden in sommige staten, als reactie tegen het communisme of met de communistische bedreiging als "excuus", even verwerpelijke dictatoriale regimes in stand gehouden.

Het is tevens een feit, dat de horizontale, ideologische tegenstelling tussen Oost en West op het ogenblik op een uiterst gevaarlijk wijze doorkruist wordt door een verticale tegenstelling, namelijk die tussen Noord en Zuid, tussen de rijke en de ontwikkelingslanden. Het valt te vrezen dat, indien hier niet tijdig en doordracht opgetreden wordt, Noord en Zuid, West en Oost, in een kruiswijze en gecumuleerd conflict tegenover elkaar zullen komen te staan. Te zoeken naar een nieuw en op de mens gericht ontwikkelingsbeleid, dat radicaal breekt met het verleden, is dan ook een dringende politieke opgave.

Een nieuwe economische ordening, die aan allen gelijke rechten en kansen biedt, moet tot stand komen op basis van warme menselijkheid, van solidariteit en verantwoordelijkheidszin. Maar dit is ook een kwestie van harde "Real-politiek". Meer en meer ontwikkelingslanden beginnen zich trouwens terdege rekenschap te geven van hun rijkdommen aan grondstoffen en van hun latente economische machtspositie in dit opzicht. Mocht het in dit verband tot scherpe conflicten komen, dan zou dit ons Oude Continent wel eens duur te staan kunnen komen.


3. Vooruitgang tegen welke prijs?

Iedereen zal zich verheugen over de wetenschappelijke en technologische vooruitgang, die de laatste decennia tot stand is gebracht. Deze ontwikkeling heeft voor de meesten een grotere welvaart gebracht, maar daarom niet altijd Ė en zeker niet in even grote mate Ė een overeenstemmend gevoel van individueel en maatschappelijk welzijn.

Daar komt nog bij, dat de technologische vooruitgang dikwijls gebeurd is ten koste van roof van de natuur. Betonnen autowegen dringen ons landschappelijk schoon meer en meer op de achtergrond, terwijl waterlopen en kanalen grondig vervuild worden. Niet alleen het hele ecosysteem maar ook de privacy van de mens wordt door een alles overheersende techniek bedreigd.

Het is dan ook met reden dat individuen en groepen zich meer en meer verzetten tegen de voortdurende, onverantwoorde aanslagen op de natuur. Dit verzet geldt ook voor het gebruik van systemen die, uit wetenschappelijk oogpunt, vooralsnog onvoldoende garanties bieden tegen het gevaar van totale vernietiging van het ecosysteem en van de mens zelf. Mede daarom mag geen kans worden gelaten aan een ongecontroleerde, ongeordende wildgroei van kerncentrales. Deze laatste, evenals de vrijkomende kernafval, houden immers al te grote milieurisico's in.

Het exponentieel en op de spits gedreven, economische groeimodel, zoals dit tot voor kort nog werd gehuldigd, heeft definitief afgedaan. Recente feiten en inzichten hebben, tot onze schade en schande, de beperktheid van de materiŽle hulpbronnen aangetoond. Deze nieuwe en ongenadige realiteit legt op haar beurt een ware hypotheek op het welzijn van de komende generaties.

Maar binnen het raam van deze korte beschouwingen over de economische groei en de technologische vooruitgang moet ook de bijzondere aandacht van elke politieke partij, van elke ideologische groepering, in de eerste plaats gaan naar het enorme en afschrikwekkende vernietigingspotentieel, dat door de twee militaire supermachten is opgebouwd. Een eventueel nucleair conflict zou, volgens betrouwbare gegevens, in een tijdspannen van luttele uren aan ongeveer driehonderd miljoen mensen het leven kunnen kosten.

De zeer kleine gemeenschap, waar wij in leven, kan in geen geval beschuldigd worden van militaire of andere machtsaanspraken. Zonder onze weerbaarheid op te geven of zelfs maar te veronachtzamen zouden wij, op internationaal vlak, samen met andere staten die hiertoe bereid zijn, al het mogelijke moeten doen om tot een stop en afbouw van de vernietigingswapens te komen.


4. Herwaardering van de werkende mens

Diezelfde technologische vooruitgang die "technisch" alles mogelijk maakt, zowel in het heilzame als in het afschrikwekkende, heeft ook belangrijke verschuivingen teweeggebracht in onze bedrijven en ondernemingen. Of het koel en eenzijdig arbeidsproces, afgestemd op de idee van de produktie, hierdoor heeft afgedaan, kan in twijfel worden getrokken. Noch de slogan "leven om te werken", noch deze "werken om te leven", kan richtinggevend zijn voor de nieuwe opvatting van de werkende mens. Arbeid moet in elk geval mede als doel hebben, de veelzijdige ontplooiing van individu en samenleving.

De laatste tijd is er een gevaarlijk spanningsveld ontstaan tussen de hoogst gesofisticeerde, materiŽle produkten die nu tot stand komen, en sommige arbeidstoestanden die nog uit het industriŽle tijdvak dateren. Arbeiders, bedienden en zelfs kaderleden worden bijvoorbeeld door compartimentering, door specialisatie, tot een monotone en minieme deeltaak gedwongen, die elk globaal inzicht onmogelijk maakt en daardoor elke arbeidsfierheid en elke mogelijkheid tot zelfrealisatie tot een aanfluiting maakt.

Gelukkig heeft de politiek van "human relations" zich tegelijk aanmerkelijk uitgebreid, maar ze kan het spanningsveld onmogelijk volledig ontladen, want de oorzaken liggen veel dieper. De arbeidende bevolking wil voor alles erkenning, waardering en zekerheid, niet alleen op het gebied van de arbeidsvergoeding maar ook op het vlak van de psychologische en menselijke arbeidsrelaties. Een samenleving, die wenst te stoelen op de principes van vooruitgang, werkkracht, inzet en initiatief van haar leden, moet aan deze laatsten ook de gelegenheid bieden tot inzicht te komen van eigen prestaties, tot fierheid over eigen werk. Dit is alleen mogelijk in een produktie-organisatie, gesteund op een brede en gevarieerde taakverdeling.

Die betrachting naar meer waardering voor de werkende mens (in de ruimst mogelijke zin) is een algemeen verschijnsel, dat de grenzen van de loutere arbeidsvoorwaarden te buiten gaat. De vervulling van die betrachting vereist een vernieuwde vorm van samenleven en samenwerken, waarbij onderling contact en kleinschaligheid in de plaats komen van een onpersoonlijke en afstandelijke relatie tussen de naamloze massa en de feitelijke machthebbers (de nieuwe elite). Vandaar ons verzet tegen de suprematie van techno- en bureaucratie, hoofdkenmerk en hoofdgebrek van onze huidige samenleving.


5. Op zoek naar een houvast

Ons land, zoals vele andere trouwens, ligt in de greep van een zware en gevaarlijke economische crisis. Deze laatste wordt vooral uitgedrukt in uitvoer- en invoercijfers, in alarmerende begrotingstekorten, in termen van economische groei, inflatiepercentages en werkloosheidsstatistieken. Langzaam maar zeker worden de gevolgen voelbaar van deze diepe recessie, die in de eerste plaats onze materiŽle veiligheid in gevaar brengt. Maar deze cijfers kunnen en mogen niet verbergen, dat de huidige crisis ook een vertrouwenscrisis is met sociale, culturele en zelfs psychologische aspecten.

Dat die economische crisis slechts een onderdeel is van een veel ruimere ontreddering, blijkt uit een summiere analyse van de wereldsituatie. Door de financieel-economische nevel heen dringen vier hoofdproblemen zich als levensgrote dreigingen aan de hele mensheid op: overbevolking, grondstoffenschaarste, pollutie en militair machtsvertoon. Geen enkel land of volk, ongeacht het heersend politiek of sociaal regime, ontsnapt aan de inwerking van deze karakteristieke en universele tijdsfactoren, die onze toekomst letterlijk aan de speling van het lot overleveren. Reden te meer om alle liberale en democratische krachten te bundelen, ten einde aan die gevaarlijke ontwikkeling een krachtig halt toe te roepen.

Zoeken wij naar een verklaring voor deze vrij recente ontwikkeling, dan komen wij tot een verrassende, om niet te zeggen paradoxale vaststelling. Enerzijds is het een feit, dat twee eeuwen technologische en industriŽle vooruitgang, gesteund op en gestuwd door liberale beginselen, ons een niet te ontkennen welvaart hebben gebracht. Anderzijds moeten wij constateren dat, niet eens ten onrechte, heel wat aspecten van het maatschappelijk leven in vraag worden gesteld. Op alle gebieden van ons dagelijks bestaan grijpt de onzekerheid om zich heen: op economisch en sociaal, op filosofisch en cultureel, alsmede op politiek gebied, zowel nationaal als internationaal. De indruk overweegt dat wij leven in een maatschappij in de mist, die niet alleen haar roer maar bovendien haar kompas is kwijtgeraakt. Aan de zoekende mens in deze stuurloze maatschappij opnieuw een houvast en een toekomstperspectief te bieden, moet het eerste doel zijn van een moderne politieke ideologie.

Is het liberalisme in staat dat houvast te geven, dat is de alles omvattende vraag waar het Manifest van Kortrijk een overtuigend antwoord wil op geven. Dat antwoord zoeken wij vooreerst in een korte terugblik in de politieke en economische geschiedenis.


6. Terug naar de bronnen van het liberalisme

Naar de oorsprong is het liberalisme het resultaat van een dubbele bevrijdingsdrang: de mens die zich bevrijdt van een politieke of religieuze onderwerping, de economie die bevrijd wordt van de verlammende greep van de Staat en de staatsadministratie. De eerste van die bevrijdingen is het gevolg van een reactie tegen het vorstelijk absolutisme en het kerkelijk dogmatisme. De tweede vloeit voort uit de scheiding van politiek gezag en economisch apparaat, en dit ten voordele van de vrije mededinging in een systeem van markteconomie. Een en ander vormen samen de liberale democratie die, na het Noord-Amerikaanse voorbeeld, met de Franse revolutie haar intrede deed op het Europese continent. Van kapitaal belang is nu de vraag of de belofte, welke die historische bevrijding van mens en economie in zich hield, door de feiten is bevestigd en, zo niet, waarom?
Het antwoord op deze vraag is vooreerst belangrijk uit historisch oogpunt, gelet op de "eenzijdige" voorstelling, systematisch voor- en volgehouden door de klassieke geschiedschrijving. Zo worden de sociale wantoestanden uit de vorige eeuw zonder meer en exclusief toegedicht aan liberalisme en kapitalisme, die voor de gelegenheid gewoon door elkaar worden gehaald. De positieve invloeden, die datzelfde liberalisme op het verloop van de geschiedenis heeft uitgeoefend, worden zedig met de mantel van het stilzwijgen bedekt. De instelling van de parlementaire democratie, de toekenning van de grondwettelijke rechten en vrijheden, de scheiding van kerk en staat, de algemene verhoging van de levensstandaard als gevolg van de industriŽle expansie, zijn slechts voorbeelden van deze historische "vergetelheden".

Het antwoord op die vraag raakt bovendien de actualiteit, daar de laatste jaren een gelijkaardig scenario zich voor onze ogen afspeelt. Economische crisis en sociale ongelijkheid, inflatie en werkloosheid, een verziekte en verzuilde consumptiemaatschappij, behoren tot ons dagelijks levenspatroon. In de meest traditionele stijl kennen ook de hedendaagse herauten van de heilstaat maar ťťn zondebok, namelijk de markteconomie, en dit alsof het de evidentie zelf was. De vraag of soms geen andere factoren oorzaak of, ten minste, mede-oorzaak kunnen zijn van al die kwalen, mag niet eens gesteld, laat staan objectief beantwoord worden.

En toch, als het nu eens andersom was: als nu eens de ongebreide uitbreiding van de staatsinterventie de hoofdoorzaak mocht zijn van de voorbije en de huidige malaise. Met andere woorden, als nu eens niet een "te-veel-aan-markt" maar, integendeel, "te-weinig-markt" daar verantwoordelijk zou voor zijn. Deze, welhaast revolutionaire hypothese dient als uitgangspunt voor de studies van een nieuwe pleiade van economisten die, vooral in de Verenigde Staten, na wereldoorlog II het hoofd hebben opgestoken. Op heden zijn die studies (neergelegd in talrijke publikaties) zo ver gevorderd, dat deze hypothese tot een wetenschappelijk verdedigbare thesis is uitgegroeid.

Grondstelling van de "nieuwe economisten" is, dat wij allen slachtoffer zijn van een ware mythe, van een echte vervalsing van de geschiedenis. Voor het eerst wordt krachtig gereageerd tegen de voorstelling die het liberalisme verantwoordelijk stelt voor de politieke en economische degradatie. Aan de hand van historisch bewijsmateriaal worden de verschillende vormen van het staatskapitalisme, met als uitwas de bureaucratische inefficiŽntie, in al hun naaktheid blootgelegd en aangeklaagd.

Om hun instellingen te staven onderwerpen de nieuwe economisten alle tot nog toe geformuleerde theorieŽn over de evolutie van de economie, vanaf de industriŽle omwenteling tot op heden, aan een uiterst kritisch onderzoek.

Een tweetal voorbeelden slechts, ter illustratie. In de eerste plaats wordt de gangbare interpretatie van de beginnende industrialisatie en haar gevolgen scherp op de korrel genomen. Op grond van een historische analyse wordt het oorzakelijk verband tussen de opkomst van het economisch liberalisme en de sociale wantoestanden uit vorige eeuw radicaal van de hand gewezen. Op eenzelfde manier wordt afgerekend met de gebruikelijke verklaring van de economische crisis van de jaren dertig. Keynes ten spijt is hier de slotsom, dat niet een gebrekkig marktmechanisme, maar, integendeel, een onverantwoord staatsinterventionisme aan de basis ligt van die crisis.

De conclusie van dit historisch intermezzo is, dat heel wat traditionele opvattingen niet kunnen weerstaan aan een ernstige historische kritiek. Dit geldt heel in het bijzonder voor de beschuldigingen aan het adres van het liberalisme, daar waar veeleer het gebrek aan liberalisme, of de verkeerde toepassing van de liberale principes, moet worden aangeklaagd. Een hernieuwde geschiedschrijving, met eerbiediging van de historische waarheid, is de eerste voorwaarde tot het eerherstel van de liberale beginselen. Het baanbrekend werk van de nieuwe economisten heeft althans reeds dit voor gevolg, dat het liberalisme sedert kort van beschuldigde tot aanklager is geworden.

Dit moge volstaan als historische inleiding tot dit Manifest dat, alhoewel toekomstgericht, aan de lessen uit het verleden niet kan voorbijgaan. Uit zijn eigen bronnen moet en kan het liberalisme de inspiratie putten voor zijn vernieuwing die, consequent doordacht en toegepast, synoniem zal zijn van radicalisering.



II. LIBERALE GRONDBEGINSELEN


1. Een radicaal liberalisme

Het eerste, en zeker niet het minste terrein, waarop het vernieuwd Ė of radicaal Ė liberalisme zich laat gelden, is dat van de politieke grondbeginselen. Aan deze theoretische grondslagen ontleent het een speciale eigenheid ten opzichte van alle andere politieke denkrichtingen, inclusief de traditionele of bepaalde, pseudo-liberale opvattingen.

"Ons" liberalisme verschilt dus vooreerst van het actueel geldend liberalisme dat, met verwaarlozing van ideologische onderbouw, al te zeer verwaterd is tot een louter politieke praxis, met voorrang voor opportunistische op ideologische overwegingen. Daarentegen wil het "nieuwe-stijl-liberalisme" een rationeel en coherent ideologische denkpatroon zijn, dit wil zeggen het resultaat van objectieve vaststellingen, enerzijds, getoetst aan een deductieve denkmethode, anderzijds. Mede hierdoor, en wars van arrogantie of pretentie, lijdt het radicaal liberalisme niet aan een minderwaardigheidscomplex, integendeel. Gesteund op een sluitende bewijsvoering, wil het voor geen andere politieke ideologie onderdoen waar het erop aankomt aan het voorgestelde levenspatroon een exclusieve vorm en inhoud te geven.

Uitgangspunt van de radicaal-liberale levensvisie is "dat de menselijke natuur geen machine is die men naar een model kan bouwenÖ maar een boom, die naar alle kanten moet kunnen uitgroeien, in overeenstemming met de innerlijke krachten die er een levend wezen van maken" (John Stuart Mill). Deze filosofische stellingneming krijgt een historisch steuntje uit de hoek van de vernieuwde geschiedschrijving, luidens welke de vrije loop van de menselijke creativiteit, de effectieve waardering van de persoonlijke inspanning, de verwerping van elke vorm van bevoogding en daarop gesteunde reglementering, aan de basis liggen van de maatschappelijke vooruitgang. Anders gezegd, de filosofie en de geschiedenis zijn unaniem om te besluiten, dat individueel geluk en maatschappelijk welzijn bepaald worden door de mate waarin elk lid van de gemeenschap zich vrij en ongedwongen kan ontplooien. Van belang is nu te weten, langs welke banen dat groeivermogen kan worden geleid om een optimaal ontwikkelingspeil te bereiken. Een theoretisch model voor het verloop van dit ontwikkelingsproces werd, op grond van empirische waarnemingen, geschetst in de zogenaamde "behoeftenpyramide" van de humanistische psycholoog Abraham Maslow.

Bij wijze van samenvatting: centraal in de radicaal-liberale levensvisie staat de overtuiging dat de mens zich naar eigen inzichten moet kunnen ontplooien, en dat het maatschappelijk optimum wordt bereikt zodra iedere burger die mogelijkheid krijgt en benut. Dit vereist een ontplooiingsstrategie, waarvan het liberaal model zo dadelijk in zijn trapsgewijze constructie wordt ontvouwd.


2. De vrijheid eerst

De eerste stap in het radicaal-liberale denken ligt besloten in de vraag, bij welk punt de weg naar die algehele persoonlijkheidsontplooiing vertrekt. Het antwoord op deze vraag is zo logisch als eenvoudig: die weg vertrekt bij de vrijheid, zonder dewelke de andere liberale waarden elke zin en inhoud verliezen. Dit wordt volkomen duidelijk bij een omgekeerde veronderstelling: maximale zelfontplooiing en onvrijheid in doen en laten zijn van nature tegenstrijdige en in de praktijk onverzoenbare begrippen. Evenwel, onze "vrijheidsliefde" maakt ons geenszins tot vrijheidsmaniakken, gelet op de rationale motivering van onze houding. Wij kiezen de vrijheid niet zo maar om de vrijheid, niet zo maar in een opwelling of sentimentele bevlieging. Wij kiezen de vrijheid als zijnde de eerste en noodzakelijke voorwaarde tot onze centrale doelstelling, namelijk zoveel mogelijk geluk voor zovelen mogelijk.

Het volstaat niet het waarom van onze keuze te verantwoorden, zonder tegelijk de precieze inhoud van het voorwerp van die keuze te bepalen. Dit is des te meer nodig in een tijd als de onze, waar (gewilde en ongewilde) spraakverwarring aan de orde van de dag zijn. Zo ook kan de term vrijheid heel verschillende ladingen dekken, naargelang van de hoek waaruit hij wordt gehanteerd.

Naar liberaal inzicht, en ontdaan van filosofische franjes, is de vrijheid in essentie: het beschikken over keuzemogelijkheden, de beschikking over gedragsalternatieven. Waar geen keuzemogelijkheden aanwezig zijn, waar niet mťťr dan ťťn gedragslijn mogelijk of toegelaten is, waar eenvormigheid schering en inslag is, kan ook geen vrijheid bestaan. Omgekeerd, in hoe meer gebieden men zelfstandig en effectief zijn gedragingen kan bepalen tegenover mensen en dingen rondom zich, des te vrijer men is.

De consequente toepassing van deze definitie leidt regelrecht naar een eerste, principiŽle stellingneming. In een democratisch regime, met verschillende politieke partijen die zich competitief tegenover elkaar opstellen, heeft de "kiezer" inderdaad de mogelijkheid van ďkeuzeĒ. In een ťťnpartijstelsel, daarentegen, is dit niet het geval (hier kan hij zich ten hoogste onthouden). In een samenleving waar, door verschillende onderling concurrerende producenten, verscheidene produkten op de markt worden gebracht, in diverse kwaliteiten en tegen verschillende prijzen, beschikt de consument over een rijke keuze. In een maatschappij waar, door verworven machtsposities, de produktie of dienstverlening in ťťn hand geconcentreerd ligt (hetzij privť, hetzij van de Staat), heeft de consument die materiŽle keuzemogelijkheid niet meer.

Dat brengt ons tot het besluit dat het democratisch stelsel, gesteund op politieke competitie, en het vrije-markt-regime, gebaseerd op zo hoog mogelijke, vrije en eerlijke concurrentie, onverbreekbaar met elkaar verbonden zijn. Het zal dan ook geen verwondering wekken, dat ook onze economische visie (volgend hoofdstuk) vertrekt van deze fundamentele stelregel.

Wanneer wij, liberalen, altijd en overal de vrijheid nastreven, dan is dit omdat die vrijheid telkens weer wordt bedreigd. Vooreerst is er de alsmaar groeiende staatsinvloed, die langs alle kanten ons bestaan binnendringt: de Staat kiest in onze plaats, de Staat beslist "in ons belang", de Staat beschermt ons tegen onszelf! Dit houdt in zich het gevaar van een totale rolverwisseling en begripsverwarring, waardoor de bevolking uiteindelijk gaat geloven dat menselijk geluk en overheidsbemoeiing niet meer te scheiden zijn. Bovendien leven wij in een netwerk van economische en andere machtsstructuren die, mede door hun politiek gewicht, even zwaar als de Staat zelf op onze vrijheid wegen. Een fundamenteel wantrouwen tegen elke machtsconcentratie, uit welke hoek ook, is derhalve een principiŽle, liberale gedragslijn.

Anderzijds zijn bepaalde, vrij aanvaarde gezagsstructuren wenselijk en nodig om de maatschappelijke verzuchtingen op te vangen, gestalte te geven in maatschappelijke spelregels en de toepassing hiervan te verzekeren. Daarom kan het aangewezen zijn, in de verschillende sectoren (politiek, sociaal, economisch, cultureel) van de maatschappij, intermediaire structuren in te bouwen en efficiŽnte controlemechanismen in te schakelen, mits de macht zoveel mogelijk gespreid blijft. Die intermediaire organisaties kunnen wij dus aanvaarden, op voorwaarde dat de pluraliteit (meer dan ťťn) en de interne democratie (democratische besluitvorming) er gewaarborgd zijn, dat zij hun verantwoordelijkheid ten volle op zich nemen, dat zij het hun toegewezen terrein niet te buiten gaan en dat hun specifieke belangen ondergeschikt blijven aan het algemeen belang. Onder geen beding, daarentegen, is een vermenging van politieke en economische macht met onze liberale opvattingen verenigbaar.

Voorwaar, redenen te over voor een scherpe en volgehouden waakzaamheid!


3. Vrijheid in verantwoordelijkheid

De tweede stap in de radicaal-liberale redenering betreft de juiste afbakening van de vrijheidsidee, met andere woorden: hoe ver reikt (of reikt niet) de vrijheid?

Voor zover als nodig weze hier vooraf beklemtoond, dat de vrijheid naar liberaal concept geen synoniem is, - noch kan zijn Ė van egoÔsme of een soort recht van de sterkste. Inderdaad, de vrijheid van de ťťn mag nooit indruisen tegen de rechtmatige belangen of het vrijheidsbeleven van de andere burgers. Dit wil zeggen, dat de individuele burger voor zijn gedraging geen verantwoording verschuldigd is aan wie dan ook, voor zover die gedraging uitsluitend zijn eigen belangen betreft. Zijn verantwoordelijkheid speelt wel wanneer het gaat om handelingen, die nadelig zijn of kunnen zijn voor de belangen van anderen of, a fortiori, voor het gemeenschappelijk belang (de som van individuele belangen).

Dit brengt ons op het terrein van de verantwoordelijkheid, die in liberale optiek onveranderlijk en onverbrekelijk verbonden is met het genot van de vrijheid. Daarom weigert een liberaal principieel zijn lotsbestemming in de handen te leggen van de Staat of van enige andere gemeenschapsstructuur.

We moeten echter vaststellen, dat op heden de Staat de neiging heeft zijn burgers hoe langer hoe meer als onmondigen en onvolwassenen te beschouwen. De gebieden waarin de overheid optreedt, gebiedt of verbiedt, zijn al lang niet meer te tellen. En deze interventie (om niet te zeggen bemoeizucht) groeit nog maar steeds, zowel in omvang als in diepte. Met de regelmaat van een klok worden er, in naam van een zogenaamde rechtvaardigheid, nieuwe reeksen reglementeringen, beperkingen en verbodsbepalingen op ons afgevuurd, die zich voegen bij het reeds omvangrijke en ingewikkelde arsenaal van bureaucratische verordeningen. Die toenemende overheidsinmenging heeft voor logisch gevolg, dat de zin voor zelfstandige verantwoordelijkheid bij de bevolking afneemt. Verre van bevrijdend te werken, leidt deze vlucht uit de verantwoordelijkheid tot een steeds verder gaande bevoogding van de individuele burger.

De verwezenlijking van onze zopas gedefinieerde vrijheidsidee vereist de instelling van een passend samenlevingsverband. Het principe hierbij is en blijft de non-interventie van de samenleving, en dit zolang andermans belang niet onrechtmatig aangetast wordt of het algemeen belang niet in het gedrang wordt gebracht.


4. Sociale basisgelijkheid

De derde stap in het radicaal-liberale denkpatroon betreft de instelling van de sociale basisgelijkheid tussen alle burgers. Deze basisgelijkheid is een essentiŽle voorwaarde voor het vrijheidsbeleven van elke mens. Zij vormt bovendien de grondslag voor de relatie tussen de individuele burger en zijn medeburgers, die, samen met hem, de samenleving, de gemeenschap vormen. De liberale solidariteit stoelt dus niet op vage morele beginselen, maar wel op een rationeel-doordacht vrijheidsbegrip.

Dank zij dit derde principe moeten aan elk individu, zonder onderscheid, dezelfde kansen worden gewaarborgd om zijn persoonlijke ontplooiing ten volle te realiseren. Het is de rol van de overheid, om binnen het samenlevingsverband, de daartoe nodige voorwaarden te scheppen en te handhaven. Evenwel, bij de instelling en beveiliging van deze basisgelijkheid begint en eindigt de rol van de overheid. Aan het individu, en aan hem alleen, komt het toe te bepalen op welke wijze en in welke mate hij de aangeboden kansen wil waarnemen.

Met andere woorden, de sociale basisgelijkheid waarborgt aan eenieder dezelfde kansen bij de start, maar laat elkeen vrij in de keuze van de eindmeet. Een opgelegde middelmaat, een soort langste gemene deler, kan geen liberale stelregel zijn omdat dit precies het tegendeel is van de maximale zelfontplooiing.

Wat vooraf gaat houdt nauw verband met het feit dat de mens een sociaal wezen is, dat leeft en beÔnvloed wordt door de hem omringende gemeenschap. Maar dit moet daarom niet betekenen dat diezelfde gemeenschap een monolitisch blok is, een soort verstikkend geheel waarin het egalitaire voor en boven alles moet worden nagestreefd, waarin elke persoonlijke differentiatie uit den boze is. Dit is in ieder geval niet onze opvatting.

Waar anderen de nadruk leggen op de "collectiviteit" (voor ťťn enkele klasse), legt het liberalisme de nadruk op de waarde van de "mens", ťn als individu ťn als gemeenschapswezen. Waar anderen de gelijkheid zien in een nivellering-naar-beneden, wil het liberalisme de gelijkheid aan de basis. Van hier af spelen dan opnieuw de persoonlijke vrijheid ťn verantwoordelijkheid, dit wil zeggen de eerste twee stappen in de liberale ontplooiingsstrategie.

Ten slotte, de sociale basisgelijkheid, gepaard met de daaruit voortvloeiende solidariteit, geeft aan het radicaal liberalisme een stevige sociale basis. Bijgevolg moeten de minder bedeelden, dit zijn diegenen die door fysische, culturele of sociale handicaps allerhande achterop geraken, door hulpmiddelen vanuit de gemeenschap op een menswaardig welvaarts- en welzijnspeil worden gebracht. Deze solidariteit kan en mag evenwel nooit eenzijdig of parasitair zijn, waardoor men zich gaat nestelen in een sociaal, of zogezegd sociaal systeem. Daarom ook mag versterking van de zwakkeren nimmer gelijk staan met verzwakking van de sterkeren, want solidariteit tussen alleen maar zwakkeren is een schoolvoorbeeld van contradictio in terminis.


5. Maatschappelijk pluralisme

Elke samenleving is van nature pluralistisch. Inderdaad, niet iedereen denkt op dezelfde manier, niet iedereen handelt met dezelfde oogmerken. Die individuele opvattingen vloeien samen in een aantal bredere gedachtenstromingen, die de samenleving beroeren en verdelen, bijvoorbeeld op filosofisch, politiek of religieus gebied. Het is van belang, zowel voor het persoonlijk geluk als voor het maatschappelijk welzijn dat elk van die geestesrichtingen vrij en volwaardig, zonder discriminatie, aan bod kan komen. Dit is de betekenis van de vierde en laagste stap in de opbouw van ons ontplooiingsmodel, die wij het best kunnen definiŽren onder de benaming "maatschappelijk pluralisme".

Het is niet ongepast, de non-discriminatie van de verschillende opiniestromingen te vergelijken met het principe van de gelijke kansen voor het streven van de individuele burgers. Maar niet alleen de overheid moet aan die differentiatie van opinies de ruimste kansen bieden, ook de burgers moeten elkaars, onderling verschillende overtuigingen eerbiedigen. Maatschappelijk pluralisme omsluit dus evident de verdraagzaamheid, die een universeel en onvervreemdbaar kenmerk is van het liberalisme. Het maatschappelijk pluralisme en de verdraagzaamheid, die wij beogen, steken schril af tegen de opeenstapeling van onbegrip, vooroordeel en fanatisme, die vandaag de maatschappelijke verhoudingen tot haarden van verzuiling omvormen.

Bereid als we zijn begrip op te brengen voor de mening van andersdenkenden, mogen we ook verwachten dat de anderen op hun beurt begrip opbrengen voor onze mening. Niemand bezit immers de volle waarheid. Onze verdraagzaamheid is dus niet grenzeloos. Antipode van het fanatisme, staat die tolerantie geenszins gelijk met onverschilligheid of gebrek aan weerbaarheid. De dialectiek van de verdraagzaamheid is, dat zij niet kan en niet mag gedogen wat haar eigen grondslagen aantast. Onze eigen, liberale idealen kunnen dus nooit in naam van de verdraagzaamheid worden prijsgegeven.

Steeds in datzelfde verband verwerpen wij elke vorm van censuur, en bestrijden wij inzonderheid de wijsgerige en godsdienstige onverdraagzaamheid. Anderzijds betekent verdraagzaamheid voor ons geen goedkeuring van politiek terrorisme of gelijk welke vorm van geweld, met of zonder politieke drijfveren.

Wat de godsdienstige en filosofische overtuiging betreft, is een liberaal in essentie gekant tegen elk sectarisme, van welke zijde ook. Alle partijen, zowel gelovigen als vrijzinnigen, moeten begrip opbrengen voor elkaars overtuiging en respect voor de praktische beoefening daarvan. Voor zover als nodig weze hier nogmaals beklemtoond, dat de liberale ideologie ťn de godsdienst ťn de vrijzinnigheid niet alleen als feiten erkent maar de beleving ervan als een fundamenteel recht eerbiedigt. Inzonderheid de bewering, als zou in een liberale partij alleen plaats zijn voor laatstgenoemde strekking, met uitsluiting van de eerstgenoemde, is enkel een overblijfsel van een overjarig maar hardnekkig vooroordeel.


6. Van liberalisme naar humanisme

Zoals uit de tekst zelf is gebleken, zijn bovenstaande categorische standpunten in feite de vertaling, in moderne versie, van de grote en tijdloze, liberale idealen. De vrijheid van denken en handelen, oudste pijler van het liberalisme, wordt opnieuw Ė en zonder schuld of schaamtegevoel Ė prioritair gesteld. Verantwoordelijkheid voor alle daden, die de eigen belangensfeer te buiten gaan, was en is steeds de natuurlijke bondgenoot van de vrijheid. De sociale basisgelijkheid en het maatschappelijk pluralisme zijn de grondslagen voor de solidariteit en de verdraagzaamheid, die het liberalisme te allen tijde hebben gekenmerkt.

In het modern, of radicaal liberalisme, worden die principes evenwel tot in al hun consequenties doorgedrukt, als afweermiddelen tegen de nieuwste vorm van verdrukking, namelijk de suprematie van de techno- en bureaucratie. Eerst de mens en pas daarna de instituties, dit is de diepere zin van onze globale mens- en maatschappijvisie. Samengevoegd monden die principes uit in een bij uitstek humaan liberalisme, dat gericht is op de verheffing van de mens ťn op de "vermenselijking" van de maatschappij. Liberalisme en humanisme worden hier in een zeldzame broederschap verenigd.

Nu komt het erop aan, aan die algemene beginselen in de voornaamste sectoren van het maatschappelijk gebeuren gestalte en inhoud te geven. Dit is de bedoeling van de nu volgende hoofdstukken, die mens en maatschappij telkens van een verschillende zijde belichten. De heruitvinding van de vrije markt, een doelgericht sociaal beleid, een cultuur naar ieders maat (geen middelmaat), halt aan verstaatsing en bureaucratisering, naar vrede in de wereld, dat zijn de kernideeŽn van het herboren liberalisme. Herboren, inderdaad, ingevolge de nieuwe en radicale geluiden, die ook verder in dit Manifest van het Modern Liberalisme zullen te horen zijn.



III. LIBERALISME EN ECONOMISCHE DEMOCRATIE


1. Doel en middelen

Het universele doel van de economie blijft het bevredigen van de behoeften en het wegwerken van de schaarste, dit door middel van de produktie. Waar in onze Westerse consumptiemaatschappij het bestaan van die schaarste soms al te weinig nog wordt aangevoeld, schept zij in de ontwikkelingslanden dramatische en mensonterende toestanden.

Globaal gezien kan de produktie langs twee wegen georganiseerd worden.

De eerste weg loopt langs het klassieke, 19de-eeuwse Manchesteriaanse model van de volledige vrije volkshuishouding. Goederen en diensten worden geproduceerd en verdeeld door zelfstandige ondernemingen. Het individueel welzijn werd in deze vroeg-industriŽle periode opgevat als een louter persoonlijke aangelegenheid.

Radicaal daartegenover staan de stelsels van gedecentraliseerde economie. Omvang, aard en prijs van de produktie, organisatie van de handel, arbeidsverhoudingen, enz., worden volledig en dwingend planmatig bepaald, hetzij door de Staat (centraal-geleide economie), hetzij door de grote monopolies of oligopolies. Het individueel welzijn van de burger wordt een staats- of machtsaangelegenheid. Niet alleen de economische maar ook de politieke en zelfs de culturele produktie, niet alleen de economische maar ook de politieke en culturele consumptie van de staatsburger wordt rechtstreeks of onrechtstreeks door het gezag beÔnvloed; elke vorm van individuele vrijheid wordt aan banden gelegd.

De werkelijkheid is meestal een combinatie van de twee vorige stelsels, waarbij twee hoofdvarianten kunnen onderscheiden worden:
- een model waarin de idee van de centraal-geleide economie domineert, en waar het marktmechanisme slechts een aanvullende taak heeft;
- een model gebaseerd op het marktmechanisme, waarbij bruikbare elementen van centraal-geleide economie aanvullend en corrigerend optreden.


2. Vrije markteconomie en parlementaire democratie

In theorie, en alle niet-economische gegevens buiten beschouwing gelaten, kunnen de hierboven genoemde wegen gelijkwaardig schijnen. Maar het dagelijks leven is geen theorie. In de realiteit blijkt, dat elk van die economische wegen met een bepaald politiek model overeenstemt. Voor het eerste dienen wij slechts terug te denken aan de toestanden in de 19de eeuw in West-Europa; de nu bestaande totalitaire regimes horen thuis bij de tweede weg, terwijl ook de eerste variant van de gemengde vorm daar nauw bij aansluit; de laatste variant, ten slotte, hoort thuis in een regime met een parlementaire democratie.

Vermits voor ons, liberalen, laatstgenoemde staatsvorm de uitdrukking is van een vrije samenleving zoals wij die zien, opteren wij ondubbelzinnig voor een economie gesteund op de principes van de vrije markteconomie, aangevuld en begeleid door soepele en beperkte overheidsmaatregelen. Inderdaad, tot nu toe werd te veel over het hoofd gezien dat economische vrijheid en politieke democratie moeten samengaan, omdat ze beide volgens een identiek schema werken.

Zowel in de economie als in de politiek moet er een veelheid en diversiteit van aanbod zijn. Een eerlijke concurrentiestrijd op een al dan niet te corrigeren markt moet zorgen voor een maatschappelijk evenwicht, waarin iedereen aan zijn trekken kan komen. In beide gevallen doet de aanbieder een beroep op de publiciteit om zijn waar (produkt of programma) aan het publiek (koper of kiezer) kenbaar te maken. In beide gevallen is het uiteindelijke het individu, dat vrij en soeverein beslist (iets te kopen of voor een partij te stemmen). Het grote verschilpunt, tot nu toe, is dat in de economie het marktmechanisme aan het individu dagelijks meerdere malen de mogelijkheid biedt om zijn behoeften en verlangens uit drukken, terwijl in de politiek de kiezer normaal slechts op vaste tijdstippen zijn keuze kan kenbaar maken. Vandaar dat wij verder zullen vooropstellen, dat door overleg en participatie de burger nauwer bij de politieke besluitvorming dient betrokken, zodat hij meer frequent zijn politieke behoeften kan affirmeren.

Een economisch model, gebaseerd op het marktmechanisme en aangevuld of begeleid door een beheerst overheidsoptreden, kadert bijgevolg volledig in onze globale, liberale maatschappijvisie.


3. Vrije markteconomie: een economische keuze

Naast het zopas omschreven principiŽle motief, pleiten nog andere positieve kenmerken voor de vrije markteconomie. Vooreerst is er het feit, dat de vrije markteconomie ons tot op heden een hoge graad van welvaart heeft gebracht. Dit systeem vormt de meest efficiŽnte weg om de middelen te verschaffen, nodig om de behoeften van de mens te bevredigen.

Meer in het bijzonder waarborgt het marktmechanisme de consumentenvrijheid en de consumentensoevereiniteit. Dit wil zeggen, de consument kiest niet alleen vrij binnen datgene wat aangeboden wordt, maar door zijn keuze bepaalt hij uiteindelijk ook wat zal aangeboden worden, in functie van zijn behoeften en persoonlijke voorkeur. Met andere woorden de consument is en blijft aldus de spil van het economische proces.

Niettemin moeten we waarschuwen voor het gevaar van de fictieve behoeftencreŽring. Dit proces van kunstmatige behoeftenschepping probeert de relatie vraag-aanbod om te draaien. Het is immers de producent die, via vernuftige marketingtechnieken, die al dan niet latente behoeften van de consument gaat opsporen en in functie daarvan de produktie organiseert. Naderhand worden die behoeften heel sterk levendig gemaakt via een immense publiciteitscampagne, die de consument als het ware tot aankopen dwingt. Aldus aangewakkerde behoeften brengen niets wezenlijk bij een vervreemden de burger uiteindelijk van het liberale einddoel, namelijk een maximaal welzijn voor iedereen.

Een goed functionerende markt, dit wil zeggen een markt met gezonde en eerlijke concurrentie beperkt economische machtsconcentraties. De niet-vervalste mededinging dwingt tot voortdurende aanpassingen, waakzaamheid en dynamisme. Het bestaan van grote (al dan niet multinationale) ondernemingen als zodanig is nog geen voldoende reden om te spreken van marktverstoring. Pas als die grote ondernemingen nieuwe markttoetreding onmogelijk maken, de concurrentiestrijd vervalsen of via afspraken de markt domineren, moet de overheid optreden.

Het marktmechanisme spoort iedereen aan om met de schaarse middelen, zowel de grondstoffen als de energiebronnen als de elementen van ons hele leefmilieu, zo zuinig mogelijk om te springen; het bevordert aldus de creativiteit en de efficiŽntie.

Dank zij het marktmechanisme komt men tot een prijsbepaling, die zowel in het voordeel van de consument als in dat van de producent werkt:
- een goede prijsvorming informeert de producent over de ware schaarsteverhoudingen en behoeften, zodat hij op basis van juiste informatie tot een optimale samenvoeging van de produktiefactoren kan komen;
- een gezonde mededinging garandeert een zo laag mogelijke prijs voor de consument.

Ook het probleem van de vervuiling kan door middel van het marktmechanisme aangepakt worden. Voorafgaandelijk is het dan wel nodig een aantal misverstanden weg te werken. Zo beweren sommigen, dat de vervuiling een niet-splitsbaar goed is en dus ook niet op markt kan verhandeld worden. Het is echter niet de vervuiling die moet verhandeld worden, het is het voorkomen ervan, en dat is wel een splitsbaar goed. Anderen willen van de vervuiling een verdelingskwestie maken, door alle kosten in verband met milieusanering alleen op de producenten te laten drukken. Ook dit is een misverstand. De produktie geschiedt immers in de eerste plaats om de behoeften van de consumenten te bevredigen. Het is dan ook maar billijk en logisch, dat de consument via het prijsmechanisme alle voor hem veroorzaakte kosten draagt. Dit is de ware inhoud, die het liberalisme wil geven aan het principe "de vervuiler betaalt". De toepassing van dit principe zal onvermijdelijk de prijs van heel wat produkten verhogen. Vandaar dat het dan ook onvermijdelijk is, het probleem van de vervuiling internationaal aan te pakken. Zoniet zou de concurrentie tegenover het buitenland scheefgetrokken worden. Zolang deze internationale consensus er niet is, kan overheidstussenkomst uit algemene middelen noodzakelijk zijn. In ieder geval is het nodig, na te leven emissienormen en andere voorwaarden op te leggen. Deze normen dienen langs democratische weg en met kennis van zaken te worden vastgelegd.

Dat de markt onvoldoende rekening zou houden met de belangen van de komende generatie, is andermaal een verkeerde opvatting. Als Ė via het marktmechanisme Ė de belangen inzake leefmilieu van de huidige generatie maximaal worden beveiligd, zullen automatisch de kansen op een gezond en evenwichtig leefmilieu voor de komende generaties gevrijwaard blijven. De onmisbare randvoorwaarde daartoe is een soepel en snel werkend juridisch apparaat dat kan instaan voor een maximale beveiliging van de eigendomsrechten. Want vervuiling is niets anders dan een ongeoorloofde aantasting van iemands eigendomsrechten door een derde. Overdreven verstaatsing en interventionisme kunnen hier geen oplossing bieden. Een goed werkende markt, gekoppeld aan de vrijwaring van de eigendomsrechten, biedt in onze optiek de beste waarborgen.

Ten slotte is de vrije markteconomie een soepel instrument, waarmee gemakkelijk en op een slagvaardige manier kan gereageerd worden, zowel op tijdelijke of toevallige "schokken" als op structurele veranderingen, op voorwaarde dat de overheid geen verstarrende elementen inbouwt. Daarom verdient dit systeem de voorkeur boven elk stelsel van centraal-geleide economie, waar starre meerjarenprogramma's het economisch proces trachten te ordenen en het kleinste onvoorziene voorval grote bureaucratische problemen veroorzaakt.


4. Humanisering van de economie: een liberaal objectief

In de regel wordt de vrije markteconomie als een louter globaal gegeven, in haar grote verbanden beschouwd. Wij, liberalen, willen de vrije markteconomie ook evalueren in haar effecten ten aanzien van het individu. In dit opzicht vertoont het vrije marktmechanisme onvolkomenheden en scherpe kanten. Het is precies in de erkenning daarvan dat onze liberale eigenheid ligt.

In tegenstelling met andere politieke ideologieŽn, die in een verre toekomst een heilstaat projecteren, met (volgens hen!) alleen voordelen maar geen gebreken, zoeken wij voortdurend naar onmiddellijke verbeteringen. Een humanisering van de economie, dit wil zeggen het "vermenselijken" van het streven naar behoeftenbevrediging van het individu binnen de samenleving, is het hoofddoel van het liberaal streven.Ten realisatie van dit objectief zullen wij onze krachten inzetten voor het bestrijden van de ongewenste effecten, die een gevolg zijn van de kapitalistische en verstaatsende tendenzen in onze samenleving. Meer welvaart mag immers nooit ten koste gaan van het welzijn.

Zo dient er naar onze mening aanhoudend over gewaakt te worden, dat de economische groei zich ontwikkelt binnen de grenzen van onze kennis van het ecosysteem (relatie mens-natuur), en dat de produktievergroting geen afnemend welzijnsbeleven voor de mens doet ontstaan. De liberalen zijn immers voorstander van een gezonde, harmonische en evenwichtige groei, niet als een doel op zichzelf, noch als een middel ter verrijking van bepaalde enkelingen, maar wel als een instrument tot verheffing van alle leden van de samenleving. Daarbij gaat de aandacht niet alleen naar kwantitatieve gegevens, maar evenzeer naar alles wat de kwaliteit van het leven kan verhogen.

Anderzijds mag het marktmechanisme niet diepgaand verstoord worden ten nadele van de consument: monopolievorming, onderlinge afspraken die de concurrentie beperken, door de overheid opgelegde kunstmatige prijzen, bedrieglijke of misleidende reclame, schadelijke produkten en milieu-vervuilende produktiemethodes vinden in onze ogen geen genade. Om dit alles onmogelijk te maken, denken wij in de eerste plaats aan de inrichting van autonome, economisch-gespecialiseerde rechtscolleges binnen de thans bestaande rechtbanken, bij dewelke eventuele geschillen volgens een eenvoudige procedure kunnen aanhangig gemaakt worden. Ten tweede dient de verdere oprichting en uitbouw van diverse, onafhankelijke en onderling concurrerende verbruikersverenigingen te worden aangemoedigd. Zulke verenigingen kunnen immers op een snelle, degelijke en goedkope manier bijdragen tot een betere informatie van de consument en mogelijke machtsmisbruiken opsporen en bekend maken.

Deze manier om machtsmisbruik, invoering van schadelijke produkten en dies meer tegen te gaan, zal in het belang van de consument heel wat vlugger en efficiŽnter werken dan een bureaucratische controle van overheidswege.

Ook de aan het marktmechanisme verbonden sociale consequenties moeten en kunnen opgevangen worden. Dit zal de opdracht zijn van de sociale sector. Het individu moet zo hoog mogelijke basisgaranties krijgen, die hem beveiligen tegen alle feiten of toestanden waartegen hij persoonlijk geen verweer heeft (ziekte, ouderdom, werkloosheidÖ). Die garanties mogen echter nooit leiden tot sociale misbruiken.

Inkomensverschillen als zodanig, wanneer zij gebaseerd zijn op persoonlijke inspanning, op speciale lasten, verantwoordelijkheden en risico's, op prestaties door wezenlijk schaarse talenten, zijn niet te verwerpen. Daarentegen keuren wij, liberalen, wel die inkomensverschillen af die uitsluitend het resultaat zijn van macht, corporatisme of privileges.

Vandaar dan ook, dat een liberaal beleid inzake inkomensverdeling zeker geen synoniem is of kan zijn van egalitarisme en nivellering, die initiatiefdodend en derhalve vooruitgangremmend werken. Inkomensherverdeling mag evenmin aanleiding geven tot een eenzijdige "voorzienigheid-maatschappij", waarin elkeen er voor alles op rekent dat een ander voor hem zal betalen.


5. De rol van de overheid in de economie

Tendentieuze denkers, die beweren dat het marktmechanisme niet zou te verzoenen zijn met echte en gerechtvaardigde sociale verzuchtingen, gaan voorbij aan de tweeledige structuur van ons economisch model. Wanneer, enerzijds, de private sector in de beste omstandigheden zijn specifieke economische taak vervult en, anderzijds, de overheid zich op haar sociale en collectieve opdrachten concentreert, zal een veel beter sociaal evenwicht tot stand komen dan in de omgekeerde situatie, waar de private sector uit zijn economische rol verdrongen wordt, en de overheid zich hoe langer hoe meer die rol zal toeŽigenen. Naar liberaal inzicht moeten beide sectoren elkaar aanvullen en begrip opbrengen voor elkaars moeilijkheden en mogelijkheden.

De essentiŽle taak van de overheid bestaat erin een algemeen macro-economisch kader te scheppen, met maatregelen van algemene draagwijdte, die marktconform en niet marktverstorend zijn. Deze maatregelen moeten onderling gecoŲrdineerd en coherent gericht zijn op de verwezenlijking van democratisch bepaalde doelstellingen. Als neutrale voorbereiding van de economische politiek op middellange termijn, geldt de macro-economische planning als verkenning van de toekomstmogelijkheden. Deze planning zorgt voor de coŲrdinatie, de samenwerking en het evenwicht van de inzet van algemene middelen en instrumenten van sociaal-economische politiek. Uiteraard moet een deel van de planning dwingend zijn voor de overheid, waardoor de overige deelnemers aan het economisch leven een beter inzicht verkrijgen om hun beleid te organiseren. Voor het overige heeft die planning een richtinggevend karakter, ten einde de nodige creativiteit en soepelheid van aanpassing te waarborgen.

Wanneer wij thans een economische crisis meemaken, dan is dit niet zozeer te wijten aan een falen van het marktmechanisme, zoals sommigen de publieke opinie willen voorhouden, maar wel aan een falen van de overheid om door een geordende en samenhangende sociaal-economische politiek dit mechanisme naar behoren te laten functioneren. In de plaats van de ware oorzaken weg te nemen houdt de overheid zich te veel bezig met het bestrijden van de gevolgen van de crisis. Hierdoor wordt de toestand alleen maar erger. Wij vragen daarom aan de overheid dat ze in de eerste plaats een klimaat zou scheppen (onder meer door het verlichten van heel wat administratieve procedures, fiscale en sociale lasten, enz.) waarin de mensen weer zin krijgen om te werken, risico en initiatief te nemen en een produktieve bijdrage te leveren tot de verhoging van de maatschappelijke welvaart.

Dat wij, liberalen, via het marktmechanisme alleen datgene willen doen waar "winst" uit te halen is, en al wat niet "winstgevend" is overlaten aan de overheid, is eveneens een verkeerde voorstelling van de feiten. Het is gewoon niet mogelijk en ook niet wenselijk, via de markt echte collectieve voorzieningen te verstreken; gerecht en landsverdediging, bijvoorbeeld, kunnen niet op de markt in splitsbare eenheden worden aangeboden. Daarom behoort het leveren van deze collectieve voorzieningen precies tot dť opdracht van de overheid, waarbij een maatschappelijke rendabiliteit niet uitgesloten is.

Maar ook wat betreft de andere activiteiten die nu door de overheid uitgeoefend worden, is het niet de schuld van het marktmechanisme als daar meestal met grote verliezen gewerkt wordt. De overheid zelf gaat hier voorbij aan de meest elementaire regels van doelmatigheid, creativiteit en dynamisch bedrijfsbeleid. Al te lang heeft men in deze materie ten onrechte twee zaken vermengd en verward. Het is niet omdat het inderdaad verantwoord kan zijn bepaalde economische taken aan de overheid op te dragen, dat dit wil zeggen dat de overheid die opdrachten verlieslatend moet vervullen.

Vandaar dat wij op zichzelf overheidsbedrijven niet veroordelen, zeker niet op gebieden buiten de concurrentiŽle sector (om redenen van "openbare dienst"), maar ook niet binnen de concurrentiŽle sector, bijvoorbeeld in die gevallen waar het privť-initiatief kennelijk in gebreke blijft. In elk geval blijven wij eisen, dat die overheidsbedrijven in dezelfde marktvoorwaarden en dus met dezelfde kostprijselementen zouden werken als de private ondernemingen (dus geen scheeftrekking van de concurrentie), alsook dat ze met de opbrengst van hun produktie al de gemaakte kosten dekken (dus geen eeuwigdurende tekorten). Meteen vragen wij ons echter wel af, of bij vervulling van die voorwaarden het overheidsinitiatief nog zo superieur zal zijn als de collectivisten ons per se willen doen geloven. Dit is niets minder dan een pleidooi voor de privatisering en, waar nodig, de herprivatisering van de economie.

Een liberale stelregel ter zake is dan ook zo logisch als radicaal: al wat de particuliere sector beter of goedkoper kan doen dan de overheid moet aan de Staat worden onttrokken. Consequent als steeds, schrikken wij hierbij voor geen enkele formule terug. Naargelang van het geval kunnen die formules als volgt variŽren: tijdelijke of permanente samenwerking tussen overheidsdienst en privť-sector, tijdelijke overdracht van overheidsopdracht aan particuliere onderneming, definitieve afstand van welbepaalde opdrachten aan de privť-sector.

Het liberalisme pleit dus voor een afgeslankte overheid, die zich in de eerste plaats met haar specifieke opdracht (collectieve voorzieningen en sociaal beleid) bezighoudt, en de economische taak overlaat aan het daartoe best geschikte instrument, de zelfstandige onderneming.


6. De onderneming, spil van de vrije markteconomie

De maatschappij die wij willen tot stand brengen moet werkgelegenheid, mogelijkheid tot verdere opleiding en kansen voor zelfontplooiing bieden aan al haar leden, zonder onderscheid op welke gronden ook. Hoewel deze afspraak elke vorm van discriminatie uitsluit en resoluut afkeurt, moeten we toch nog eens uitdrukkelijk aandacht vragen voor de tweederangsrol (om niet te zeggen minderwaardige rol) die nog aan de vrouwelijke werknemers is toebedeeld. Om dit te verhelpen is er op juridisch vlak al veel gerealiseerd, maar in de praktijk vindt men daar niet steeds de sporen van terug. Voor ons, liberalen, is en blijft het recht op gelijke arbeid, beloning, vorming, bijscholing en promotie voor man en vrouw onaantastbaar.

De beste voedingsbodem om dit alles waar te maken is een regime van vrije markteconomie, met als spil de particuliere onderneming. In de onderneming worden immers de economische voorwaarden voor de materiŽle vooruitgang geschapen.

a) Doel en partners

Ondanks al het positieve, dat onze ondernemingen reeds hebben bijgedragen tot de materiŽle welvaart en mede tot het maatschappelijk welzijn, zijn er toch een aantal punten die voor verbetering vatbaar zijn. Zoals uit het volgende moge blijken, wensen wij een aantal gezonde hervormingen door te voeren zonder daarom, via het zaaien van verwarring, onze hele samenleving op de helling te willen plaatsen.

Vermits de onderneming, als gemeenschap van werknemers, kapitaalverschaffers en werkgevers, niet alleen voor deze rechtstreeks betrokkenen, maar ook voor heel de samenleving de primaire bron van inkomen en welvaart is, is een eerste doelstelling van de onderneming het veilig stellen van haar leefbaarheid, haar continuÔteit. Ver van enig conservatisme, wil dit niet zeggen dat er te allen prijze moet gestreefd worden naar het behoud van elke bestaande toestand. Wel dat een onderneming moet kunnen en mogen inspelen op de nieuwe uitdagingen van de markt, dat er geÔnvesteerd wordt voor de toekomst, zodat via een dynamisch beleid het voortbestaan van de onderneming op een economisch verantwoorde manier verzekerd is. ďHet beheer van de onderneming, aldus Alain Touraine, bestaat steeds meer uit het combineren van steeds ingewikkelder strategieŽn van steeds talrijker wordende medespelers, wier vermogen om invloed uit oefenen steeds groter wordt.Ē

Daarom is het nodig, dat de diverse betrokken groepen op een harmonische manier samen hun beste krachten inzetten. Het is een illusie te denken dat de werknemers allťťn, of de kapitaalverschaffers allťťn of de managers allťťn deze doelstelling kunnen bereiken. Alle groepen moeten "samenwerken", omdat ze te veel gemeenschappelijke belangen hebben. Verre van ons te beweren dat al hun belangen gelijklopend zijn. Verre van ons alle mogelijke conflictsituaties, die zich trouwens in elke ondernemings- of maatschappijvorm kunnen voordoen, te willen minimaliseren. Alle groepen hebben convergerende belangen wat het behalen van het ondernemingsresultaat betreft, wat de stabiliteit van de onderneming aangaat en de daarmee samenhangende arbeids- en bestaanszekerheid. Enkel wat betreft het verdelen van dit resultaat lopen de belangen uiteen.

Vermits heel wat mensen het grootste deel van hun actief doorbrengen in een onderneming, komt het erop aan in deze leefgemeenschap een zodanige werksfeer tot stand te brengen, die aan elk daarbij betrokken individu de kans geeft zichzelf maximaal te ontplooien. Dit is een tweede doelstelling. Het is immers niet via loonsverhogingen allťťn, dat men bijvoorbeeld problemen verbonden aan het monotoon en afstompend werk kan oplossen. Niet alleen aan de welvaart, maar ook en vooral aan het welzijn van de individuele werknemers moet worden gedacht. Het terugbrengen van de arbeidsvreugde en het scheppen van menselijke arbeidsverhoudingen moet langs een verscheidenheid van wegen worden aangepakt, onder meer via een vorm van inspraak en actieve participatie van alle betrokken groepen aan het beheer van, en het overleg in de onderneming.

Voor het liberalisme is er een onverbrekelijke verbondenheid tussen het rationeel en efficiŽnt, imperatief, waarvan een onderneming moet voldoen, en het humaan en democratisch imperatief. In dit opzicht verschillen wij grondig van de voorstanders van de collectivistische staatsordening, die voorhouden dat de produktiefactor "arbeid" zich niet in het zogezegd "kapitalistisch" systeem mag compromitteren. Wij willen binnen de onderneming voor elke groep specifieke maatregelen treffen. Wij willen niet alle betrokken partijen vijandig tegenover elkaar opstellen en uitspelen (het zogezegde conflictmodel), maar wel ze tot een vlotte en evenwichtige samenwerking brengen volgens het "harmoniemodel". Wat wij derhalve nastreven is "fair-partnership".

b) De ondernemer en de kaderleden

Het is vandaag blijkbaar de gewoonte geworden de onderneming te benaderen langs slechts twee produktiefactoren: arbeid en kapitaal. In wekelijkheid is deze zienswijze weinig genuanceerd. Er is inderdaad nog een derde produktiefactor, namelijk de ondernemer zelf, hetzij als zelfstandige werker in zijn eigen eenmanszaak, hetzij als hoofd van een onderneming. Het is immers de ondernemer, die vooreerst initiatief en risico's neemt en vervolgens arbeid en kapitaal samenbrengt.

Eenzelfde nuancering moet aangehouden worden wat betreft de eigenlijke ondernemingsleiding. Waar het wel kenschetsend is, dat in theorie alleen de eigenaars van de onderneming (dit wil zeggen de vennoten) het recht hebben de onderneming te beheren, moet in de praktijk de formule "eigendom is leiding" niet al te sterk worden doorgetrokken. De studies van de bedrijfseconoom Burnham en velen na hem hebben voldoende aangetoond, dat er een "managers-revolutie" heerst die geleid heeft tot een "technostructuur", waarbij het overwicht in de leiding voor een groot deel bij de beroepsmanagers ligt en niet meer bij de aandeelhouders. Er is een geleidelijke verschuiving van een kapitaalmacht naar een kennismacht.

Vandaar dat de plaats en de rol van de kaderleden in de onderneming meer naar waarde moeten worden geschat. De kaders mogen niet meer beschouwd worden als de buffer (of zondebok?) tussen eigenaars en werknemers. Zij vormen in heel wat gevallen de scheppende, bindende en stuwende kracht binnen gezonde ondernemingen.

Akkoord, het begrip "kader" (of kaderlid) is moeilijk te definiŽren en scherp af te lijnen tegenover andere socio-professionele groepen. Dit mag echter geen reden zijn om deze specifieke en belangrijke groep, waarvan het bestaan niet kan geloochend worden, een soort status van "heimatloze werknemer" te geven. Thans zijn de kaderleden in geen enkel van al de bestaande, nationale inspraak- en participatieorganen als zodanig vertegenwoordigd. Nochtans voelen precies de kaders, uit de aard zelf van hun functie, des te meer de behoefte aan om deel te nemen aan de besluitvorming, informatie te geven en te krijgen, enz. Zonder daarom in corporatisme te vervallen, moet toch aan de kaders de kans geboden worden zich te organiseren in een representatief en erkend organisme.

Gezien de verantwoordelijkheden die de kaderleden dragen in het beleid van de onderneming, zou het gevaarlijk zijn indien het initiatiefrecht van de kaders zou beperkt worden. Ook zij zijn immers "ondernemers". Een gebrek aan initiatief zou alleen maar leiden tot verstarring van de besluitvorming in de onderneming en tot verhoging van het wantrouwen bij de diverse sociale partners.

Verder is het zo, dat aan de kaderleden ook heel hoge kwalitatieve eisen worden gesteld wat betreft beroepskennis en algemene vorming. Zij hebben dan ook een veel grotere en meer dringende behoefte aan aangepaste bijscholingsfaciliteiten. Zoniet worden zij immers te vroeg als "verouderd en dus niet meer bruikbaar" opzij geschoven, met alle menselijke en sociale problemen vandien.

c) De aandeelhouders

Wij, liberalen, zijn voorstanders van een zo groot mogelijke democratisering of spreiding van het kapitaal van de onderneming, dit om te beletten dat de lotsbestemming van een onderneming uitsluitend in de handen zou liggen van een actieve minderheid van vennoten. Anderzijds willen wij komen tot een aanmoediging van de beleggingen in risicodragend kapitaal. Bovendien moeten de belangen van de kleine aandeelhouders beter beschermd worden en moet aan hen ook meer beslissingsmacht worden toegespeeld. Wij zien dit gebeuren, onder meer door een veel betere en doorzichtige informatieverstrekking door de onderneming aan haar aandeelhouders in het bijzonder. Anderzijds moeten de kleine aandeelhouders zelf meer bewust hun reeds bestaande rechten en kansen waarnemen. De (kleine) aandeelhouder moet als het ware opgevoed worden om meer en meer actief te participeren aan het beleid van de onderneming.

d) De werknemers

Het liberalisme wil, dat de werknemers nauwer betrokken worden bij het beheer, de stabiliteit en de ontwikkeling van hun onderneming, met de mogelijkheid daarin een financieel belang te verwerven. De oplossing, die wij vooropstellen, houdt rekening met de verzuchtingen en verantwoordelijkheden van de onderscheidene partners.

Deze voorstellen gelden, als principiŽle stellingname, vanzelfsprekend voor alle ondernemingen. Via verschillende toepassingsmodaliteiten moeten ze uiteraard aangepast worden aan de grootte van de onderneming. Niettemin kan het in eerste instantie nodig en nuttig zijn ze alleen in de grote ondernemingen toe te passen. Daar zijn immers de vervreemding en de afstand tussen leiding en uitvoering het grootst. In een later stadium kunnen, op basis van de opgedane ondervinding en de wensen van de betrokkenen, deze voorstellen veralgemeend worden.

Onze fundamentele hervorming strekt zich uit over twee vlakken: - wat de top van onderneming betreft, opteren de liberalen voor het medebeheer. De kapitaalverschaffers, het kaderpersoneel en de overige werknemers dienen, via daarvoor geŽigende kanalen, samen betrokken te worden bij het globaal beheer van de onderneming. Uiteraard delegeren zij, wat betreft de dagelijkse leiding van de onderneming, hun macht aan bekwame en weerbare managers; - wat betreft de interne arbeidsverhoudingen en het werkoverleg aan de basis van het bedrijf, wordt gedacht aan systemen, waarbij het arbeids- en produktieproces overzichtelijker, zinvoller en dus menselijker wordt gemaakt. Naargelang van de bedrijfseconomische doelstellingen, de concrete arbeidssituatie en de gewettigde wensen van de arbeiders kunnen in aanmerking komen: formules zoals de auto-organisatie (autonome groepsverbanden, bevoegd inzake uitvoering en controle van taken), de taakafwisseling, de flexibele arbeidsduur, enz.

Deze formules, gekoppeld aan het "mede-beheer", mogen niet verward worden met "zelfbeheer". Inderdaad, de hier vooropgestelde modellen laten vooreerst het karakter zelf van de onderneming (privaat, gemengd, openbaar) ongemoeid. Verder hebben zij betrekking, zowel op het beheer als op het inhoudelijk en vormelijk aspect van het arbeids- en produktieproces. Als dusdanig wordt het principe van de autonomie van de bedrijfsleiding niet in vraag gesteld.

e) Winst, een sociale plicht

De opvatting van de onderneming als een uniek middel om steeds mťťr te accumuleren voor enkele kapitaalkrachtige belangen is voorbijgestreefd. Maar, zoals tegenwoordig maar al te dikwijls gebeurt, moet men ook niet in het andere uiterste vervallen en steeds en overal het gerechtvaardigd winststreven van de onderneming verdacht maken. Een onderneming die geen winst maakt, die dus geen bewegingsruimte meer krijgt om wetenschappelijk en technologisch te investeren en te vernieuwen, is na enige tijd veroordeeld om weg te kwijnen en te verdwijnen, tenzij ze met kunst- en vliegwerk op staatskosten in stand worden gehouden. Daarom durven wij vooropstellen dat winst maken een sociale plicht is van de onderneming. Bovendien is het enkel daardoor mogelijk, met het oog op de toekomst, een correcte samenvoeging van de schaarse produktiefactoren te verwezenlijken.

Meer algemeen gezien is winst immers de uitdrukking van het feit dat de onderneming rendabel werkt, dit wil zeggen de maatschappelijke welvaart verhoogt. Geen enkel produktiesysteem ter wereld kan aan de winst, als vertaling van het rendement, voorbijgaan. Want het begrip "winst" om politieke of ideologische redenen willen doodzwijgen of uitschakelen, betekent nog niet dat dit begrip als zodanig ook werkelijk verdwijnt. Er komen dan, ter beoordeling van de efficiŽntie van de onderneming, andere en vooral meer autoritaire concepten in de plaats, die zowel voor het individu als voor de gemeenschap veel moeilijker en zwaarder om dragen zijn.

f) Democratisering van het kapitaal

Winst is ook het resultaat van solidair geleverde prestaties en inspanningen door werknemers, ondernemers en kapitaalverschaffers. Daarom zijn wij, zoals hoger reeds gezegd, fundamenteel voorstanders van een zo groot mogelijke spreiding of democratisering van het maatschappelijk kapitaal van de onderneming, zodat ook de individuele werknemers betrokken worden (zowel in goede als in slechte tijden) bij de financiŽle resultaten van hun onderneming.

Volgens het liberalisme is een middel daartoe de invoering van een stelsel van resultaatdeling. Naast hun inspraak in het beleid van de onderneming, delen de werknemers aldus ook in de resultaten van de ondernemingsactiviteit en de ondernemingsgroei.


7. Dreigend gevaar

De huidige samenleving wordt gekenmerkt door een steeds grotere starheid, waardoor heel wat burgers hun gerechtvaardigde ambities en verwachtingen niet kunnen waarmaken, met alle frustraties vandien.

Een liberale maatschappij is van nature onverenigbaar met misbruik door, of te sterke concentratie van economische, sociale of politieke machten. Nochtans, zowel op het nationale vlak als op het vlak van de onderneming, zowel bij de werkgevers als bij de werknemers, zien wij dergelijke misbruiken, zoals een steeds verder oprukkend protectionisme en corporatisme, de kop opsteken. Zij betekenen een rechtstreekse dreiging voor het dynamisme en de leefbaarheid, niet alleen van onze economie maar uiteindelijk van onze hele samenleving.

De dreiging kan vele vormen aannemen: denken we maar aan allerlei beperkende handelspraktijken, omdat men zich tegen de concurrentie niet kan weren; het halsstarrig vasthouden aan zogezegde verworven rechten, waardoor het egoÔsme zegeviert op de solidariteit; het kunstmatig in leven houden van niet-leefbare bedrijven, enz. Door die manier van handelen worden ongezonde situaties niet aangezuiverd, deze defensieve houding weerspiegelt enkel een eng conservatisme. Daar waar zich moeilijkheden voordoen, pleit het liberalisme voor dynamische aanpassingen (reconversie, saneringÖ), die de kansen voor de toekomst veilig stellen in plaats van ze definitief af te remmen. Dat is liberaal en progressief.

Ten slotte zou het ook een illusie zijn te geloven dat onze samenleving als een liberaal eiland in een wereld van collectivisme, protectionisme en corporatisme zo maar kan blijven voortbestaan. Niets is minder waar. Integendeel, zowel in het kader van Europa als in dat van andere internationale instellingen dient het liberalisme krachtig te worden gepropageerd. Het liberale tweespan, economische democratie ťn politieke democratie, is te kostbaar om ook maar ťťn ogenblik zonder verdediging te worden gelaten.



IV. LIBERALISME EN SOCIALE DEMOCRATIE


1. Sociaal beleid, complement van het economisch beleid

Alleen utopieŽn zijn perfect, juist omdat het utopieŽn zijn. Ze lijken feilloos, omdat ze steeds onbereikbaar ver in de toekomst blijven liggen. In de harde werkelijkheid, in de moeilijke praxis van elke dag is er geen enkel systeem, dat ooit zal kunnen voorkomen dat bepaalde groepen van de bevolking, buiten hun wil om, niet of niet meer kunnen deelnemen aan het produktieproces en hieruit dus geen inkomen kunnen verwerven (bijvoorbeeld ouderen, zieken, gehandicapten, bepaalde minderheidsgroepen met bijzondere nodenÖ). Vandaar dat, onverbrekelijk verbonden met het economisch beleid, er een sociaal beleid moet gevoerd worden. Een liberaal beleid inzake sociale zekerheid houdt in zich de waarborg, dat het de middelen verschaft tot leniging van de levensbehoeften, die men om verschillende redenen niet zelf kan verzorgen.

Maar andermaal moeten we erop wijzen, dat zelfs het sociaal beleid geen einddoel is maar enkel een middel, een stap op de weg naar het uiteindelijk liberaal einddoel. Inderdaad, de hoofdopdracht van het economisch beleid is erop gericht, de materiŽle welvaart van de hele volkshuishouding zo groot mogelijk te maken. De taak van het sociaal beleid bestaat erin, erover te waken dat iedereen kan deelnemen aan, en genieten van die welvaart. Vermits aldus de primaire behoeftenbevrediging is veilig gesteld, komt dan ruimte vrij voor het finaal doel van de liberale maatschappijvisie, namelijk de maximale zelfrealisatie of zelfontplooiing van iedere individuele mens.

Een belangrijke opdracht van het sociaal beleid is dus de billijke verdeling van de materiŽle welvaart. Hierbij kunnen echter verschillende wegen worden bewandeld. Een eerste weg is toekomstgericht. Een preventief beleid moet krachtdadig de oorzaken van socio-culturele achterstand wegwerken. Alleen dan kan van gelijke startkansen gesproken worden. De tweede weg, eerder curatief, moet de bestaande materiŽle achterstand teniet doen. Selectieve inkomensherverdeling is daartoe het aangewezen middel.

De slogan "rechtvaardige inkomensverdeling" wordt dan ook in liberale termen als volgt vertaald: elkeen die buiten zijn wil om niet kan deelnemen aan de economische activiteit, waardoor zijn inkomen en dus het bevredigen van zijn levensbehoeften in het gedrang komt, heeft een onvervreemdbaar recht op een gewaarborgd inkomen. De gemeenschap, die op basis van oprechte solidariteit tussen alle burgers (zowel de economisch-actieven als de niet-actieven) hiervoor moet instaan, dient daarvoor de nodige middelen te verzamelen bij al diegenen die wel over een inkomen beschikken (welke ook de oorsprong van dit inkomen moge zijn). Met het verzamelen van de middelen wil men dus alleen geld bijeenbrengen om de kansarme medeburger boven een bepaalde inkomensdrempel te brengen. Het is geenszins de bedoeling hierdoor de ontplooiingsmogelijkheden van de andere burgers te begrenzen of te beknotten.

Wat de financiŽle aspecten betreft, moet als regel gelden dat op de sterkste schouders de zwaarste lasten zouden wegen, mits inachtneming evenwel van de grenzen van de redelijkheid en dit aan twee kanten. Zo mag, aan de kant van de bijdragen, de ontmoedigingsdrempel niet overschreden worden. Aan de kant van de uitkeringen moet erop gelet worden, dat de prikkel tot zichzelf-behelpen niet verloren gaat.

Het sociaal beleid moet dus gericht zijn op het voorkomen en eventueel wegwerken van materiŽle en socio-culturele noden. Het waarborgen van een minimum inkomen aan iedereen, zonder discriminatie of onderscheid op welke gronden ook, is zoals hoger gesteld een middel hiertoe. De hoogte daarvan moet afgestemd zijn op de totale levensbehoeften, zijnde zowel de louter fysiologische noden als de primordiale socio-culturele behoeften.

Bijgevolg, het sociaal beleid bezorgt elke burger een stabiele fundering, waarop elk naar eigen inzichten kan voortbouwen om tot een volwaardig mens-zijn te komen. Het is noch de taak van het sociaal beleid, noch van de overheid in het algemeen, om in de plaats van het individu te beslissen welke constructies op deze funderingen gebouwd worden. Daarbij beschouwen wij het ontwikkelen van fysische of intellectuele capaciteiten, sociale of culturele belevingen, esthetische of materiŽle behoeften als evenwaardig.


2. Een selectief beleid

Vermits het voeren van een sociaal beleid hoe dan ook de inzet van veel middelen vergt, dient ervoor gezorgd dat die middelen zo doeltreffend mogelijk verzameld ťn aangewend worden.

Want als de lasten hiervan te zwaar worden, kunnen ze anti-sociale gevolgen hebben doordat zij nieuwe investeringen of initiatieven op economisch gebied verhinderen, waardoor de werkgelegenheid wordt bedreigd en uiteindelijk heel de samenleving in moeilijkheden komt.

Onder een efficiŽnt sociaal beleid verstaat het liberalisme eerst en vooral een selectief beleid. Selectief zowel in de uitbetalingen als in het verstrekken van voorzieningen; selectief zowel in functie van de draagkracht van de maatschappij als de behoeften van de rechthebbenden. Essentieel komt dit hierop neer: ťnig criterium voor toekenning van enig recht op tegemoetkoming op sociaal vlak is een objectieve, sociaal-economische toestand. Deze laatste wordt op zijn beurt bepaald door elementen als ouderdom, werkloosheid, gezondheidstoestand, gezinslasten en dergelijke, enerzijds, inkomen en vermogen anderzijds. Met andere woorden, zogezegd "sociale" uitkeringen en tegemoetkomingen aan mensen, die daar op basis van hun inkomen en/of vermogen helemaal geen behoefte aan hebben, moeten verdwijnen. Zulke uitkeringen en voorzieningen leggen immers een nodeloze last op de gemeenschap en nemen middelen weg, die veel beter kunnen besteed worden voor het ledigen van "echte" sociale noden.

Vervolgens, ten einde de administratieve kosten te verlagen en vooral de toegankelijkheid voor de burger maximaal te waarborgen, moeten de voorzieningen gegroepeerd worden binnen ťťn enkel stelsel. Eenvormigheid is dus een tweede kenmerk van het liberaal sociaal beleid. Als men uitgaat van een oprecht solidariteitsprincipe, is er geen enkele reden waarom voor de verschillende socio-professionele groepen afzonderlijke instellingen en stelsels moeten bestaan. Oprechte solidariteit doorbreekt immers de grenzen van het corporatisme.

Ten derde, het sociaal beleid en de sociale wetgeving mogen ook niet nodeloos ingewikkeld worden gemaakt. Vooraf de thans bestaande uitwassen en administratieve omwegen, die in feite alleen maar de bureaucratie van de overheid en de sociale organisaties doen toenemen, moeten worden weggewerkt. Een eenvoudig, voor elkeen begrijpbaar stelsel, is dus het voorwerp van ons streven.

Voor ons heeft dit sociaal beleid een tweedelige opdracht enerzijds, de zekerheid en de beveiliging met het oog op het verlenen van voorzieningen en tegemoetkomingen als "verzekering" tegen de nadelige gevolgen die uit bepaalde risico's kunnen voortvloeien; anderzijds, een "inkomensherverdeling" met het oog op het verstrekken van een gewaarborgd redelijk inkomen aan iedereen. Op lange termijn moet het verzekeringsaspect volledig aan de markt en aan de vrije keuze en verantwoordelijkheid van de consument worden teruggegeven. De herverdeling zal dan moeten gebeuren via een systeem van negatieve inkomstenbelasting. Op korte en middellange termijn moet vooral gestreefd worden naar een hergroepering van het thans bestaande, groot aantal uiteenlopende stelsels rond deze twee facetten, namelijk de verzekering en de herverdeling.


3. De grote illusie: de verzorgingsstaat

Van het huidig sociaal beleid wordt gezegd, dat het voor ons zorgt "van in de wieg tot in het graf". Mag dit op het eerste gezicht een hele geruststelling lijken, in werkelijkheid is het ťťn opeenstapeling van illusies en ijdele beloften.

Eerst en vooral is er de bewering dat het hele stelsel herverdelend zou werken. Nu leert de realiteit dat, zowel langs de zijde van de ontvangsten als langs de zijde van de uitgaven, van herverdeling niet veel sprake is. De zogezegde "werkgeversbijdragen" worden misschien wel door de werkgever betaald, maar zeker niet door hem gedragen: ze worden Ė via de prijs Ė op de verbruiker afgewenteld. En dat de sociale voorzieningen en uitkeringen zeker niet op de eerste plaats de kansarme burger ten goede komen, is maar al te zeer bekend.

Verder wekt het zogezegd "gratis" verstrekken van allerlei sociale dienstverleningen de indruk, dat de verzorgingsstaat ons een sociaal paradijs op aarde heeft gebracht. Dat men zich, wat dat betreft echter geen illusies maakt. Milton Friedman heeft het heel scherp aangetoond: there is no such thing as a free lunch! De realiteit is helemaal anders: in plaats van ze gratis te krijgen, betalen wij deze zaken peperduur. Ze worden immers verstrekt langs bureaucratische weg door allerlei overheidsmonopolies. De ondoelmatigheid en verspilzucht van deze instellingen zijn legendarisch. Maar bovenal schieten deze diensten hun doel voorbij: ze zijn enorm complex en ondoorzichtig georganiseerd. De doorsneeburger, voor wie dit allemaal werd opgezet, loopt er verloren bij, weet niet meer wat zijn rechten en plichten zijn en wordt overvallen door een gevoelen van onzekerheid. In deze voedingsbodem is dan het "sociaal dienstbetoon" gegroeid. Dit heeft de willekeur en het favoritisme alleen maar vergroot, en uiteindelijk ook de onrechtvaardigheid van het systeem.

Dat het hele stelsel toch nog zo lang wordt aanvaard door de bevolking, heeft te maken met de subtiele financieringswijze ervan. In plaats van ťťn globale inning, bestaat er nu een groot aantal bronnen waaruit wordt geput: werkgevers- en werknemersbijdragen, overheidsbijdragen die op hun beurt via directe en indirecte belastingen, accijnzen, enz., geÔnd worden. Deze bijna verdoken inning, om de prijs zoveel mogelijk te spreiden en te verdoezelen, versluiert het ware beeld. Daarom wil de liberale ideologie een financieringssysteem, afgestemd op duidelijkheid, rechtvaardigheid en billijke herverdeling. Daartoe dient, zoals hoger uiteengezet, een onderscheid gemaakt tussen twee opdrachten. Ten eerste, de opdracht tot "verzekering en beveiliging" tegen bepaalde risico's, met name de arbeidsgebonden risico's, waarvan de financiering uitsluitend blijft berusten op een stelsel van gepersonaliseerde bijdragen en waar de herverdeling alleen horizontaal werkt. Ten tweede, de opdracht tot "inkomensherverdeling" met betrekking tot de algemene risico's, die gefinancierd worden door de algemene middelen van de overheid en waar de herverdeling ook verticaal geschiedt.

Op langere termijn moet heel het stelsel van arbeidsgebonden risico's meer een echte verzekering worden, waar de werknemer zelf en vrij beslist bij welke particuliere verzekeraar hij bepaalde risico's al dan niet wenst te verzekeren. De verticale inkomensverdeling wordt dan alleen nog via het stelsel van de negatieve inkomstenbelastingen gerealiseerd. Dit stelsel biedt immers de beste waarborgen om te komen tot het selectief, eenvormig en eenvoudig sociaal beleid, dat wij beogen.

In die uitzonderlijke situaties, waar verzekering en negatieve inkomstenbelastingen toch nog een leemte zouden laten, kan een additioneel kredietenstelsel voor het sluitstuk zorgen. Ook hier weer blijft de vrijheid van de begunstigde bestaan: dank zij het krediet kan hij zich nog steeds naar de "producent" van zijn keuze wenden. Een type-voorbeeld hiervan is een huisvestingskrediet. In plaats dat de Staat zelf standaardwoonblokken gaat bouwen, wordt aan het individu een krediet toegekend, waarmee hij dan zelf kan kiezen waar en hoe hij wil wonen. Op die manier wordt de markt evenmin verstoord door oneerlijke concurrentie vanuit de overheidssector


4. Op zoek naar de ware oorzaken

De belangrijke rol, die het sociaal beleid nu en in de toekomst nog te vervullen heeft, zal niet volstaan om de behoeftigheid uit onze samenleving te bannen. Een werkelijk sociaal beleid is mťťr dan een louter financiŽle tussenkomst. Het moet dieper graven en de fundamentele oorzaken van de sociale ongelijkheid en kansarmoede trachten bloot te leggen en te verhelpen.

Kansarmoede of sociale en economische achterstand is niet het gevolg van ťťn gegeven. De realiteit toont aan dat een veelheid van factoren oorzaak kan zijn. Het is dan ook onze mening, dat de nadruk moet worden gelegd op het cumulatief effect van de oorzaken en mutatis mutandis, op een cumulatieve aanwending van beleidsmaatregelen.

Dit is vooreerst de taak van de permanente vorming (onder meer het onderwijs), omdat veel mensen precies in een maatschappelijk marginale situatie terecht komen wegens onvoldoende en/of verkeerde scholing en vorming.

Verder is ook een gezinsbeleid nodig. Onderzoekingen tonen immers aan, dat een groot aantal van de moeilijkheden en de gezinnen onder meer voortkomen uit een ongewenst aantal kinderen. Vooral ten aanzien van deze mensen, die men wel eens "de vierde wereld" noemt, is een specifiek beleid nodig om ze te helpen de marginaliteit te verlaten. Dit specifiek beleid zal er onder meer moeten op gericht zijn, de mensen te helpen ongewenste zwangerschappen te vermijden. Al te dikwijls immers zitten ze verstrikt in een vicieuze cirkel: zelf ongewenst raakten ze in jeugdtehuizen, waarna ze nog zeer jong een relatie opbouwden die uitmondt in een zwangerschap waartegen ze niet opgewassen blijken, enz. Een zodanig beleid vergt echter, naast deskundigheid, grote menselijke hoedanigheden. Een autoritair, bevoogdend optreden is immers gedoemd om te mislukken.

Ook op het micro-vlak, namelijk de lokaliteit, de buurt, de wijk, het dorp, is een beleid van samenlevingsopbouw nodig, waarbij de bevolking door actie en door geŽigende structuren intensiever in het maatschappelijk gebeuren wordt ingeleefd.

Ten slotte moet de overheid zelf de sociale weerbaarheid van de maatschappelijk zwaksten verhogen. Administratieve en juridische procedures, die in feite de zwakkeren zouden moeten beschermen, zijn dermate ingewikkeld en ontoegankelijk, dat precies deze groepen er geen gebruik kunnen van maken. Een betere informatie, drastische vereenvoudigingen en een administratie die ten dienste van de burger staat en niet omgekeerd, zijn ook belangrijke oogmerken bij een globale benadering en sociale aanpak van het probleem van de kansarme groepen in de samenleving.

Pas als dit alles gerealiseerd is ontstaat er een geschikt maatschappelijk kader, waarbinnen ieder individu zijn persoonlijke bestemming kan waarmaken.


5. Het "sociaal erfdeel"

Het is een van de grondstellingen van het liberalisme, dat het eigendomsrecht mede aan de basis ligt van de vrijheid van het individu. Daarom neemt de persoonlijke bezitsvorming, zowel geestelijk als materieel, in de liberale ideologie een heel bijzondere plaats in.

Het verband tussen vrijheid en eigendomsspreiding is historisch bewezen: zolang de eigendom een collectief of gepriviligeerd karakter had, is er nooit sprake geweest van individuele vrijheid, en naarmate het bezit een meer gespreid en persoonlijk uitzicht kreeg is ook de persoonlijke zelfstandigheid en, daarmee samenhangend, de economische welvaart gegroeid. Deze principiŽle overweging is voor de liberalen een voldoende reden om het eigendomsrecht tot een prioriteit te verheffen, op voorwaarde dat dit recht op een sociaal-verantwoorde wijze wordt uitgeoefend. Dit sociaal aspect motiveert trouwens de opname van de persoonlijke bezitsvorming in het sociaal hoofdstuk van de liberale ideologie.

Het recht op eigendom is inderdaad mťťr dan een loutere principe-kwestie; ook de algemeen menselijke betrachting naar zekerheid pleit voor persoonlijke bezitsvorming. Ieder van ons voelt zich vrijer en veiliger door het autonoom bezit van een "reserve", die bescherming biedt tegen de onzekerheden van het leven. Moet elkeen met verantwoordelijkheidszin dan ook niet de kans krijgen zulk een veiligheidsfactor in zijn leven in te bouwen? Het is dan ook de plicht van een democratische maatschappij, aan al haar leden de concrete mogelijkheid te bieden tot het verwerven van een basisbezit, een soort "sociaal erfdeel". Het betreft hier een exclusief liberaal standpunt, dat Ė boven en dank zij het bestaansminimum Ė een particulier bezit en eigendom tot de sociale rechten van de burger rekent.

In de lijn van wat zal volgen, krijgt vooral de gezinseigendom onze volle aandacht. Inderdaad, zeer weinigen werken alleen voor zichzelf, de overgrote meerderheid van ons draagt gezinsverantwoordelijkheid.

Vandaar onze eis, dat het vermogen van het kerngezin prioritair moet worden bevorderd en beschermd. Dit kan gebeuren langs een samenloop van wegen: geen successierechten tussen echtgenoten wat betreft de gemeenschapsgoederen, beperkte successierechten ten aanzien van de kinderen, maatregelen tot het gemakkelijker verwerven van bouwgrond en woning, maatregelen tegen ontwaarding van spaargelden, enz. Dergelijke gezinspolitiek moet uiteindelijk de hele samenleving ten goede komen.

Uiteraard Ė hoeft het gezegd te worden? Ė mogen alleenstaanden niet verwaarloosd worden; ook zij moeten in staat gesteld worden hun toekomst veilig te stellen door eigendomsvorming.

De rechtvaardige spreiding van het bezit beschouwen wij als een van de belangrijkste problemen van het ogenblik. Deze spreiding veronderstelt vanwege de overheid een beleid, dat onder meer diegenen aanmoedigt die door eigen inspanning tot dit bezit willen komen. Niet zonder bezorgdheid moeten wij vaststellen, dat de rechtmatige bescherming van de patrimonale rechten en belangen meer en meer uit het oog wordt verloren. Dit geldt in het bijzonder, wanneer deze rechten en belangen in conflict komen met de eisen of de inzichten van de overheid. Dan dient de burger zich niet zelden te verdedigingen vanuit een onmogelijke positie, die ieder verweer haast zinloos maakt.


6. De gezinnen

Gezinnen zijn maatschappelijke instituties, ingebed in de maatschappelijke werkelijkheid. Bijgevolg hebben fenomenen zoals de industrialisatie, de dalende invloed van godsdienst en kerk, het feminisme, de toenemende buitenhuisarbeid van de vrouwen, de ontwikkeling van een aparte jeugdcultuur, maar ook de verspreiding van doeltreffende contraceptiva en de verlenging van de gemiddelde levensduur het leven van vele gezinnen diepgaand beÔnvloed.

Tegelijkertijd stelt men vast, dat wederzijdse gevoelens en aantrekkingskracht de doorslaggevende motieven zijn bij partnerkeuze en/of huwelijk. De huwelijks- en gezinsbanden zijn nu overwegend emotioneel en affectief gekleurd, waardoor ze wellicht intens maar ook fragiel geworden zijn. Immers, bij verflauwing of verdwijning van de wederzijdse affectie en aantrekkingskracht wordt de band door de partners zelf als inhoudsloos ervaren. Wellicht is het dezelfde evolutie, die de verflauwing van de familiebanden verklaart.

Tevens ziet men hoe enkelingen zelfstandig beslissen inzake partnerkeuze, het al of niet huwen, het al of niet hebben van kinderen, het afbreken van een relatie of het overgaan tot echtscheiding.

De informele controlemechanismen zoals medezeggingsschap van de familie en buurt brokkelen af, terwijl formele controlemechanismen zoals het gerecht versoepeld zijn.

Niettemin is de maatschappij op een aantal punten niet mee geŽvolueerd met de hierboven geschetste wijzigingen. De heersende mentaliteit stoelt nog steeds grotendeels op een gezinsbeeld, waarmee het dagelijkse gezinsleven van steeds meer mensen steeds minder overeenstemt. Dit "officiŽle" gezinsbeeld bestaat nog steeds uit een kostwinnende vader, een thuisblijvende moeder en minstens twee kinderen. Het groeiend aantal buitenhuiswerkende moeders, de 500.000 weduwen, de ongeveer twintigduizend kinderen en adolescenten in tehuizen, de duizenden vrouwen die in Nederland een abortus ondergaan, de stijging van het aantal echtscheidingen, het gezinsgeweld, dit alles vermag de officiŽle gezinsideologie niet te verstoren. In zoverre dit heersend gezinsbeeld het aanpakken van werkelijke problemen vertraagt of zelfs verhindert, moet het omgebogen worden.

Er dient werk gemaakt van een aantal maatschappelijke en juridische aanpassingen aan de zich wijzigende gezinnen. De evolutie, waarbij echtscheiding meer en meer gezien wordt als een oplossing voor een vastgelopen relatie, dient verder gezet zonder dat de betrokkenen de kans krijgen hun verantwoordelijkheid jegens hun voormalige partner en vooral jegens hun kinderen te ontlopen.

Op alle vlakken moeten die maatregelen aangemoedigd worden, die zowel de mannen als de vrouwen in staat stellen hun maatschappelijke taken beter te combineren met hun gezinstaken. Op die manier zal zowel de kwaliteit van het gezinsleven als deze van het maatschappelijk leven toenemen.

Ten einde de enkelingen in staat te stellen op gemotiveerde wijze te beslissen over het al of niet hebben van kinderen, is een actief beleid inzake informatieverstrekking over geboortebeperking en geboorteregeling noodzakelijk. Wil men ongewenste zwangerschappen zoveel mogelijk voorkomen, om aldus de belangrijkste aanleiding tot abortus te beperken, dan is een veralgemening van degelijke en betrouwbare sexuele voorlichting onontbeerlijk. Voor de noodsituaties, die zich desondanks blijven voordoen, dient een wettige regeling voor zwangerschapsonderbrekingen getroffen te worden.

Aangezien we mensen belangrijker achten dan instituties, kunnen we niet aanvaarden dat een kind gediscrimineerd wordt omwille van de burgerlijke staat van zijn ouders. Dit betekent, dat we de gelijkberechtiging van alle kinderen inzake afstamming voorstaan.

Een eventueel anonymaat van de moeder, maar evenzeer het zo makkelijk ontduiken van vaderschap, achten we onverenigbaar met de verantwoordelijkheid van de ouders jegens hun kinderen. In datzelfde licht mag een moeder of vader die haar/zijn kind(eren) alleen opvoedt, niet alleen niet gediscrimineerd maar moet, integendeel, bijzonder gesteund worden. Daarnaast willen we opmerken dat een te exclusieve benadering van, en waardering voor enkelingen op grond van hun gezinssituatie tot benadeling en zelfs tot marginalisering van alleenstaanden kan leiden. Evenmin mag het feit, dat de meeste mensen het officieel gezinsverband, stoelend op een huwelijk verkiezen, een reden zijn om diegenen te benadelen die niet in zo'n officieel gezinsverband leven.

Tot slot achten we het onbillijk, dat alleen aan de officiŽle gezinsvorming financiŽle en fiscale gevolgen verbonden worden.



V. LIBERALISME EN SOCIAAL-CULTURELE DEMOCRATIE


1. De sociaal-culturele dimensie

Een veralgemeend welzijnsbeleven, dat de mens "zo hoog mogelijk wil brengen", is het einddoel van de liberale ideologie. De verwezenlijking van een zo universele doelstelling vereist een globale visie, die niet beperkt blijft tot materiŽle, economische of sociale factoren. Een derde luik; met name het sociaal-culturele, geeft aan de liberale ideologie ook een immateriŽle dimensie. Steeds in dezelfde, radicale lijn, is ook hier de vrijheid begin- en eindpunt van het liberale denken en streven.

Zoals onze economische visie steunt ook onze sociaal-culturele opvatting op de vrijheid van het individu. In de economische sfeer is onze vrijheid vooral een vrijheid van keuze, dit is een keuze tussen goederen en diensten, terwijl het in de sociaal-culturele sfeer vooral gaat om het scheppen, het creŽren van immateriŽle waarden. De vrijheid die wij hier nastreven, is de vrijheid van culturele zelfontwikkeling.

De sociaal-culturele sector schept een bijkomende dimensie, die belangrijke verschilpunten vertoont met de economische sfeer.

Het sociaal-culturele kan immers niet in anonieme of onpersoonlijke verhoudingen van hand tot hand gaan en geconsumeerd worden. Evenmin kunnen sociaal-culturele activiteiten gemakkelijk op hun waarde en hun uiteindelijke doelmatigheid geŽvalueerd worden volgens klassieke berekeningsmethodes. Sociaal-culturele processen zij inderdaad gericht op het scheppen van persoonsgebonden waarden en de veranderingen, die zij bij personen teweegbrengen, zijn moeilijk te evalueren.

De post-industriŽle periode heeft, onder meer, de afstand tussen onze dagelijkse deeltaak en het eindresultaat veel te groot en onoverzichtelijk gemaakt, zodat de arbeidsautonomie in vele gevallen is zoek geraakt. Een groot deel van de werknemers werkt mechanisch, uitzichtloos en vooral naamloos en vervreemt aldus van zijn arbeidssfeer.

Dergelijke situatie mag ook niet uitsluitend binnen het kader van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden Ė dit is binnen de sociale sector Ė bekeken worden. De gevolgen ervan reiken veel verder en ze hebben een weerslag op het onderliggend sociaal-cultureel gedragspatroon. Wat de werknemer ontbeert aan zelfrespect in zijn beroepsfunctie, zal hij trachten elders, zowel geestelijk als lichamelijk, te compenseren. Vrije-tijdsbesteding wordt soms als een remedie aangezien. In tal van omstandigheden echter is het niet veel mťťr dan een bezigheidstherapie, die de bestaande toestanden bevestigt en doet denken aan een meer moderne versie van het Romeinse "brood en spelen".

Een werkelijk sociaal-cultureel beleid moet anders, dieper en ruimer gericht zijn. Het moet de zelfontplooiing van elkeen verwezenlijken, de weerbaarheid en mondigheid van de burger verzekeren en een reŽle participatie aan het beleid mogelijk maken. Tevens moet het de mensen in staat stellen de arbeidstijd en de "vrije" tijd beter te integreren. Tegenover de dikwijls eentonige en vervlakkende beroepssituatie staan inderdaad de veelzijdige, gevarieerde, verleidelijke en geraffineerde mogelijkheden van consumptie, die niet enkel ons koopgedrag maar ook onze sociaal-culturele gedragingen beÔnvloeden.

Dit nog steeds overweldigend consumptie-aanbod zou sommigen de drang naar meer immateriŽle waarden kunnen doen verliezen, te meer daar ook de vrijetijdsbesteding, ten dele althans, in de consumptiesfeer is geraakt.

Evenzeer zou het contrast tussen de vervlakkende arbeidssituatie, enerzijds, en de gevarieerde consumptiemogelijkheden, anderzijds, tot onbehaaglijke en ongemakkelijke spanningen kunnen leiden.

Wil men dit geladen contrast opheffen met het oog op een veralgemeend welzijnsbeleven, dan dient men de economische, sociale en sociaal-culturele sferen inderdaad te integreren opdat ze elkaar zouden aanvullen, eerder dan dat de ene sfeer tot taak zou krijgen de euvels van de andere te compenseren en dus te bestendigen.

Dit helpen bewerkstelligen en de burgers in staat stellen de evolutie van de samenleving onder controle te houden, zijn de grote opgaven van het sociaal-cultureel beleid.


2. Weerbaarheid, de hoofdopdracht van het sociaal-cultureel werk

De mens mag de samenleving niet ondergaan, hij moet ze richting geven. In geen geval mag de evolutie van die samenleving aan zijn controle ontsnappen. Iedereen moet zijn maatschappelijk bestaan naar eigen inzicht kunnen opbouwen. In onze complex, technocratische en op doorgedreven specialisatie afgestemde maatschappij, waarin tegenstrijdige gebeurtenissen en interpretaties elkaar dagelijks opvolgen, wordt dit echter hoe langer hoe moeilijker, zodat men zich kan afvragen of de mens in staat zal zijn deze wijzigingen op een doordachte manier op te vangen. Het sociaal-cultureel beleid moet ons dan ook via het vormingswerk in staat stellen als bewuste burgers de maatschappij in handen te houden met het oog op een leefbare en humane samenleving.

Een liberale maatschappijvisie is in de eerste plaats een samenleving van vrije, bewuste burgers, waar de mens absolute voorrang heeft op de instituties. Als liberaal zijn we tevens overtuigd van de kracht van de mens om met zijn hele persoonlijkheid en in vrijheid te bouwen aan een leefbare gemeenschap.

Om onze stelling "voorrang voor de mens" te kunnen realiseren, eisen we met evenveel nadruk optimale ontplooiingskansen voor alle burgers en de reŽle participatie van de burger aan het beleid.

De zelfontplooiing, het "volledig-mens-zijn", moet niet alleen gebeuren naar ieders vermogen en aspiraties, het is eerst en vooral een recht waarvan eenieder moet kunnen genieten.


3. De culturele vrijheid waarborgen

Om dit te verwezenlijken moet de sociaal-culturele sector werkelijk democratisch zijn. Eťn principe moet daarbij steeds voorrang krijgen, namelijk de culturele vrijheid, die in alle omstandigheden moet gewaarborgd blijven.

Om de geestelijke vrijheid bestendig en groeiend te maken, dient het culturele aanbod optimaal te zijn. De culturele vorming mag derhalve niet beperkt worden: - in de tijd, tot een bepaalde, wel afgebakende "schoolleeftijd", tijdens dewelke reserves worden opgebouwd voor het hele latere leven zonder ze verder te kunnen aanvullen; - in het aantal, met andere woorden elke individu moet de gelegenheid krijgen zich in de volle mate van zijn capaciteit zelf te ontwikkelen.

Deze laatste voorwaarde houdt natuurlijk in, dat elk nivelleringsprincipe wordt afgewezen. Achtergebleven personen of groepen moeten zo hoog mogelijk opgetrokken worden, een hoogte die bepaald wordt door ieders eigen capaciteiten. Tevens moet ook de hoogste potentialiteit kunnen uitmonden in het hoogste resultaat. Kortom, de dynamiek en de creativiteit, die in de burgers aanwezig zijn, moeten tot optimale ontplooiing kunnen gebracht worden.

De sluimerende behoeften en hoedanigheden dienen tot leven te worden gewerkt. Ieder individu bezit immers een aantal menselijke hoedanigheden, waarvan hij zich niet steeds ten volle bewust is. Bij dit proces van bewustmaking dienen we ons echter wel te hoeden voor manipulatie en kunstmatigheid.

Een belangrijk element hierbij is het begrip "motivatie". Niemand mag het voorwerp zijn van dwang, noch bij het bepalen van zijn keuze, noch bij het realiseren van zijn culturele betrachtingen. Veruit verkiezen wij elkeen te motiveren zodat hij, in alle vrijheid, de noodzaak aanvoelt om intensief deel te nemen aan het culturele leven.

Sociaal-cultureel welzijn is een evolutief begrip en geen statisch gegeven. De inhoud van dit begrip kan immers veranderen met de evolutie van de mens en van de samenleving. Bij het uitstippelen van een cultuurbeleid zal met deze evolutieve factor rekening moeten gehouden worden.

De mens zoekt dikwijls naar verandering, altijd naar verbetering. Elke inspanning die tot waarachtige verbetering kan bijdragen, hoe klein ook, dient gewaardeerd te worden. Elke creatieve poging Ė zonder het experimenteren uit te sluiten Ė dient naar waarde te worden geschat.

De creatiedrang dient, anderzijds, te worden beschermd door het uitschakelen van al die factoren en maatregelen, die de creativiteit zouden beletten of kunnen beletten. Elke censuur, hetzij voorafgaandelijk, het post factum, dient dan ook tegengegaan te worden, te meer daar deze maatregel strijdig is met het door ons onderschreven recht op vrije meningsuiting.

In een liberale maatschappij zijn er geen "dissidenten". Er zijn slechts medeburgers met andere opvattingen.


4. Richtlijnen voor een liberaal sociaal-cultureel beleid

PrincipiŽle stellingnamen inzake de sociaal-culturele sector moeten in nadere beleidsvormen vertaald worden.

De overheidssector heeft hierin zonder twijfel een belangrijke taak te vervullen. Deze taak houdt echter het gevaar in van een grote machtsconcentratie, die mettertijd zou kunnen uitmonden in het eenzijdig beklemtonen en doordrukken van bepaalde levensbeschouwelijke opvattingen. Om die reden moeten aan het privť-initiatief in deze sector volle aandacht en ontplooiingskansen worden geschonken, waarbij niet uit het oog mag worden verloren, dat het pluralisme niet gediend wordt door een voortdurend en op korte termijn aanlokkelijk beroep op overheidssubsidiŽring, die vaak de bewegingsvrijheid aan banden legt.

Wij stellen dan ook volgende beleidslijnen voorop, die voor ons de essentiŽle voorwaarden voor een eerlijk en waarachtig sociaal-cultureel beleid uitmaken:

a) de overheid dient zicht te onthouden van elke inmenging bij het bepalen van de inhoud en van de waarde van de cultuurbelevingen, en mag in geen geval de sociaal-culturele sector misbruiken voor politieke propaganda of als indoctrinatiemiddel; b) het sociaal-cultureel beleid moet geknipt worden op de maat van de mens: uiteindelijk is en blijft de mens de zingever van zijn eigen bestaan; c) de uitvoering van het beleid moet zoveel mogelijk gedecentraliseerd worden. De invloed van de grote organisatorische verbanden mag er zeker niet door versterkt worden; d) de activiteiten moeten in alle opzichten pluriform opgevat worden en ze moeten de diversiteit van alle democratische opvattingen eerbiedigen; e) het sociaal-cultureel beleid mag niet herleid worden tot een vorm van louter passieve cultuurconsumptie. Culturele zelfontplooiing veronderstelt motivatie, initiatief en inzet; f) participatie is een essentieel onderdeel van het sociaal-cultureel beleid en als dusdanig een principieel recht van elke burger; g) opvoeding en vorming moeten sterk persoonsgericht zijn. Beide moeten tevens uitmonden in de ontwikkeling van democratische persoonlijkheden; h) het feit, dat voor de sociaal-culturele processen geen prijsregelend mechanisme voorzien is, betekent daarom geenszins dat er niet naar een globaal stelsel van kostenbeheersing moet gezocht worden, dat evenwel recht doet aan de specifieke aard en de doeleinden van de activiteiten in dit gebied. Zoals het economisch beleid mag het sociaal-cultureel beleid vooral niet dermate zwaar worden, dat het door de bevolking, via de financiering door gemeenschapsgelden, als een financiŽle last wordt ervaren.

Inzake radio en televisie wijzen wij elke staatsmonopolie radicaal af en spreken we ons derhalve uit voor een stelsel van vrije omroepen. De oprichting van zendgemachtigde verenigingen dient slechts als een stap in die richting gezien te worden. Binnen dit kader moet evenwel een zo groot mogelijk intern pluralisme verwezenlijkt worden.


5. Permanente vorming

Het recht op permanente vorming is een recht, dat niet alleen voortvloeit uit een bepaalde maatschappelijke noodzaak, maar ook en vooral uit het principe van het recht op zelfontplooiing van de burger.

Deze zelfontplooiing mag geenszins beperkt worden in de tijd: zij begint en eindigt waar het leven ophoudt.

Het proces van permanente vorming houdt dan ook in, dat de educatieve voorzieningen meer moeten gespreid worden over het gehele leven in plaats van bijna uitsluitend geconcentreerd te worden in de eerste levensfase. Bedoelde voorzieningen moeten zo georganiseerd worden, dat aan iedereen die dit wenst de mogelijkheid geboden wordt om zich in iedere levensfase verder te ontwikkelen.

We moeten ook vaststellen dat het vroegere, vrij strak afgelijnde onderscheid tussen schoolse vorming en cultuurbeleving hoe langer hoe meer vervaagt. We moeten daarom ook tot een werkelijke integratie van beide sectoren komen. Dit kan enkel gebeuren door het proces van permanente vorming. Dit laatste duidt niet alleen op kennisoverdracht, maar tevens op het verwerven van inzichten, het aannemen van houdingen en het aanleren van vaardigheden. Bovendien slaat permanente vorming niet alleen op geestelijke en sociale waarden, maar heeft het ook in grote mate betrekking op de lichamelijke ontwikkeling van elkeen.

Het invoeren van het systeem van permanente vorming zal fundamentele hervormingen vereisen, zowel wat betreft de aanbiedingen (open universiteit, onderwijs voor sociale promotie, vrijetijdsbesteding, en anderen), als inhoudelijk wat de leerprogramma's betreft. Deze hervormingen mogen niet overhaast, maar moeten stap voor stap worden ingevoerd. FinanciŽle motieven dienen vreemd te blijven aan beslissingen omtrent de hervorming van onderwijs en vorming in de door ons vooropgestelde richting. Een gedegen onderzoek en zorgvuldige voorbereiding zullen niet alleen elke kosteneruptie vermijden, maar ook verhinderen dat komende generaties voor onaangename verrassingen staan.

In het kader van de permanente vorming dienen voorschoolse projecten te worden ontwikkeld, die leden van de sociaal-cultureel achtergebleven milieus de mogelijkheid bieden effectief met gelijke startkansen aan hun sociaal-culturele ontplooiing en sociaal-economische loopbaan te beginnen.

Het onderwijs, dit wil zeggen, de schoolse overdracht van kennis en vaardigheden, dient ons inziens als ťťn aspect van de permanente vorming gezien te worden. Dit onderwijs dient op de globale maatschappelijke werkelijkheid afgestemd te worden evenals op de deelaspecten daarvan, waaronder uiteraard de latere beroepsuitoefening.

Het onderwijs moet dus voorbereiden op de beroepsuitoefening, die zich toch over circa drie vijfden van een mensenleven uitstrekt, maar het is vooral een bindmiddel tussen generaties, waarbij waarden en kennissen overgedragen worden. Deze waarden moeten telkens opnieuw in het perspectief van nieuwe inzichten en nieuwe gebeurtenissen geplaatst worden.

Kennisoverdracht en het aanleren van beroepsbekwaamheden, hoe belangrijk ook, zijn op zichzelf echter niet meer voldoende. In een wereld van onophoudelijke technologische en maatschappelijke mutaties, waar een groot aantal waarden voortdurend door nieuwe feiten en inzichten achterhaald worden, waar de informatiestroom zo divers en vaak zo tegenstrijdig is dat men zich beangstigende vragen stelt, zou het onderwijs de burger moeten stimuleren om zinvol, naar eigen inzicht, deel te nemen aan de doorlichting en de opbouw van de maatschappij.

In het onderwijs, zoals in het sociaal-cultureel werk, moet dan ook de nadruk gelegd worden op het algemeen vormend aspect ervan. Een goede levensmotivatie is minstens zo belangrijk als een degelijke beroepsvorming.

In een relatie arbeid-vrije tijd mag een vrijetijdspolitiek er zeker niet op gericht zijn de vrije tijd te "organiseren" op basis van een of andere waardenschaal. De vrije tijd is immers de periode bij uitstek waarin de mens zelfstandig, in vrijheid en in functie van zijn persoonlijke geaardheid, zijn voorkeur en zijn aspiraties, zich kan wijden aan, bijvoorbeeld, sociale integratie, het cultiveren van gemeenschappelijke, ethische en andere waarden, ontspanning en recreatie.

Vrije zelfbeschikking, ook inzake tijdsbesteding, is in onze ogen een essentiŽle waarde. Dit betekent echter niet, dat alle vormen van tijdsbesteding even belangrijk zijn voor de persoonlijkheidsontplooiing. Het is de taak van het sociaal-cultureel werk, gestoeld op het particulier initiatief, deze vormen van tijdsbesteding te bevorderen die het meest verrijkend zijn.


6. Onderwijs

Hoger werd uiteengezet dat het onderwijs moet kaderen in een globaal en permanent vormingsproces. Onderwijs wordt echter verstrekt bij middel van specifieke structuren en maakt het voorwerp uit van een specifiek beleid.

Onderwijs moet zo opgevat worden, dat het maximale kansen biedt voor iedereen.

De primaire verantwoordelijkheid voor opvoeding en vorming van jeugdigen in de leerplichtige leeftijd berust bij de ouders. De organisatie-structuur van het onderwijs in de periode van de leerplichtige dient zo opgevat, dat de verantwoordelijkheid van de ouders onaangetast blijft. Tussen ouders, onderwijsgevenden en besturen moet dan ook een soort van "verbindingskanaal" tot stand worden gebracht.

Het liberalisme spreekt zich principieel uit voor een onderwijsbeleid dat, op lange termijn, streeft naar een enig net van vrije private scholen, met een voorkeur voor een pluralistische vorming, zonder dat daarbij de verplichting van intern pluralisme kan worden opgelegd.

De huidige onderwijspolitiek dient, wat de overheid betreft, met eerbied voor de vrije scholen van welke aard ook, gericht te zijn op een rijksonderwijs dat georganiseerd wordt door de neutrale Staat; dat geestelijk verrijkend zal werken voor de kinderen komende uit alle filosofische en sociale richtingen die in eerbied voor elkaar worden opgevoed; een rijksonderwijs dat eindelijk zou moeten onttrokken worden aan de politieke wisselvalligheden, en dat voldoende autonomie zou verwerven om de continuÔteit op pedagogisch vlak te kunnen veilig stellen.

Het liberalisme is gekant tegen een al te centralistisch opgezet onderwijsbeleid. In ieder geval opteren wij voor een onderwijs, waar het kwalitatieve primeert. De mogelijkheden binnen de school moeten worden vergroot, en de verantwoordelijkheden voor de kwaliteit van het onderwijs dienen primair bij de school zelf te liggen, wat een adequate beroepsopleiding en deontologisch-correcte gedragingen van de educatieve gemeenschap impliceert.


7. Vormingswerk in liberaal perspectief

In het liberaal vormingswerk worden mens en maatschappij beschouwd als ťťn dynamisch geheel, waarin beide steeds met elkaar in wisselwerking treden. In deze interactie heeft de mens voorrang op de maatschappij en wordt hij aanzien als de initiatiefnemer en het begin van alle veranderingen.

Het vormingswerk richt zich dus in eerste instantie tot het individu als kennend, voelend en handelend organisme, dit wil zeggen tot de totale mens. Het beoogt zijn persoonlijke ontvoogding ten opzichte van zijn sociale, culturele, technische, economischeÖ omgeving. Dit veronderstelt een bewustworden van het eigen mens-zijn, van zijn mogelijkheden en beperkingen, evenals van de eigen omgeving en van de maatschappij waarin we leven.

In zijn strategie en methoden tracht het liberaal vormingswerk het individu te wapenen en te begeleiden tot een zo ruim mogelijke individuele ontvoogding en ontplooiing.

Al te talrijk zijn de medemensen, die door sociale en/of economische beperkingen werden neergedrukt, die geen kansen kregen zich te ontplooien of aansluiting te vinden bij de culturele ontwikkeling van deze samenleving. Er moet meer dan ooit over gewaakt worden dat elkeen gelijke kansen krijgt, zowel op sociaal als op cultureel vlak.

Meer bepaald vrouwen moeten door de permanente vorming de kans krijgen, hetzij om opnieuw inzicht te verwerven in de maatschappelijke evolutie die ze wel eens tijdens de eerste levensjaren van de kinderen uit het oog verloren, hetzij om zich voor te bereiden op het heropnemen van een beroepstaak. Inzake vorming vertonen de vrouwen als groep immers een achterstand op de mannen. Om deze reden is een bijzondere inspanning voor hen gewettigd.

Evenzeer moet, in het kader van dit systeem van permanente vorming (en afgezien van andere sociale beweegredenen hiertoe), volle aandacht besteed worden aan de ouderen in onze samenleving. Zij hebben hun werkzame leven achter de rug, hun beroepstaak is volbracht en zij beschikken over veel vrije tijd. Maar, anderzijds, staan zij voor een tijdperk van vereenzaming, van doel- en lusteloosheid. De gepensioneerde heeft nog jaren voor zich. De samenleving moet de mogelijkheden scheppen opdat dit gelukkige jaren zouden worden. Wij zouden het tijdstip van opruststelling verschuifbaar willen maken: vroeger voor diegene wie het werk te zwaar valt, later voor diegene die werklust over heeft. In beide gevallen moet de mogelijkheid van deeltijdse arbeid open blijven. In beide gevallen zouden ook, in het raam van de permanente vorming, de nodige voorzieningen moeten ter beschikking gesteld worden om de kans op maatschappelijk isolement zo klein mogelijk te maken, zoniet uit te sluiten.


8. Liberalisme en leefmilieu: voor "leefkwaliteit"

Een sociaal-cultureel beleid, dat de mens op een zo hoog mogelijk welzijnspeil wil brengen, behoeft een omgeving, een milieu, waarin een bepaalde graad van leefkwaliteit aanwezig is. Deze leefkwaliteit wordt bepaald, zowel door elementen van immateriŽle aard (van fanatisme tot verdraagzaamheid) als door materiŽle gegevens (van verregaande industriŽle vervuiling en grondstoffenschaarste tot een evenwichtig ecosysteem).

Tot op heden wordt het fysisch aspect van de leefkwaliteit (het ecologische) meestal afgedaan als een zuiver materieel en liefst in economische waarden uitdrukbaar fenomeen.

Voor het liberalisme is ecologisch beheer veel meer dan louter een deelfacet van het economisch systeem; het vormt integendeel, een globaal gegeven dat een globale oplossing noodzakelijk maakt.

Het ecologisch en milieubeheer vergt bevoegdheden, die dwars door de diverse sectoren van de maatschappij lopen, met het enkele doel voor de burger een omgeving te scheppen waarin hij, na de bevrediging van zijn economische en sociale behoeften, belangstelling krijgt voor hogere sociaal-culturele waarden.

Een ecologisch-evenwichtige maatschappij biedt bovendien rechtstreeks een aantal mogelijkheden tot zelfontplooiing, als de bewustzijnsverruiming en de natuurbeleving. Onze zorg voor het bereiken van een evenwichtig ecosysteem dwingt ons nu reeds tot een keuze, want de toekomst is reeds begonnen en het welzijn van de komende generaties is zeer nauw bij deze keuze betrokken. Allicht kan men in een verstoord milieu op korte termijn nog meer bijkomende welvaart scheppen, maar uiteindelijk zal het onevenwicht zulke verhoudingen aannemen, dat echt welzijnsbeleven en ware leefkwaliteit voor de eerstkomende generaties welhaast onbereikbaar zullen zijn.

Inzake omgeving en leefmilieu wil het modern liberalisme dan ook een globaal beleid voeren. Wanneer, in onze economische doelstellingen, bijvoorbeeld de consumentensouvereiniteit en de humanisering van het arbeids- en produktieproces werden beklemtoond, dan zijn dit tegelijkertijd opties tot verbetering van de leefkwaliteit, die ook in dit globaal ecologisch beleid thuis horen. Tot de componenten van dit ecologisch "totaalbeleid", naar liberaal model, behoren bovendien: - het concipiŽren van een aangepast demografisch beleid, zowel nationaal als internationaal, zowel met betrekking tot problemen van ontvolking als van overbevolking; - het herstel van het evenwicht in het ecosysteem door doelmatig grondstoffenbeheer, rationeel energieverbruik, beveiliging van natuurgebieden en bestrijding van elke vorm van lucht-, water- en bodemverontreiniging; - het voeren van een sociaal en democratisch huisvestingsbeleid, afgestemd op kleinschalige wooncomplexen en het herstel van de contacten "van mens tot mens"; elk gezin moet zijn eigen woning kunnen verwerven; - het ontwikkelen van een ruimtelijke ordeningspolitiek, gericht op een betere lokalisatie van bevolking, werkgelegenheid en sociaal-culturele voorzieningen, op een grotere integratie van woonwerkkernen en op leefbare dorps-, gemeente- en stadsgemeenschappen, met bescherming van open ruimten; - de instandhouding en, zo nodig, de herstelling van ons historisch-cultureel erfgoed.

Een dergelijk milieubeleid is dringend nodig.



VI. LIBERALISME EN POLITIEKE DEMOCRATIE


1. "Proces van de parlementaire democratie?

Het democratisch systeem is in de geschiedenis nooit "vanzelfsprekend" geweest en is ook nu geenszins een onomkeerbare verworvenheid. De democratie, zoals wij ze kennen en beleven, wordt bedreigd, zowel van buitenuit als van binnenin.

Met bezorgdheid moeten we vaststellen dat, onder de bestaande staatsstructuren, de eigenlijke parlementaire democratieŽn veruit in de minderheid zijn. Toegegeven, er zijn tal van staatsvormen die zich "democratisch" noemen, maar deze "zogezegde" democratieŽn zijn, zowel naar inhoud als naar methoden en doelstellingen, niet vergelijkbaar met de parlementaire regimes van het Westerse type.

Niet alleen van buitenuit wordt het parlementair regime aangevochten, maar ook van binnenin wordt het uitgehold. Dit gebeurt niet alleen door sommige radicale organisaties die, openlijk of verdoken, geluidloos of met geweld, op een ander regime aansturen. Deze bedreiging wordt ook in de hand gewerkt door een niet te ontkennen vorm van politieke malaise, die onder een groot deel van de bevolking heerst. Wij hebben zelfs de indruk, dat het democratisch regime een periode van stelselmatige zelfkritiek doormaakt, waarbij onophoudelijk de nadruk gelegd wordt op de onmiskenbare zwakheden en onvolkomenheden van het systeem, maar waarbij tegelijk de talrijke hoedanigheden, waarborgen en mogelijkheden angstvallig en bewust worden verzwegen.

In een democratisch systeem ligt de mogelijkheid Ė en de noodzaak Ė van kritiek als het ware ingebouwd, maar deze kritiek neemt thans, vanuit sommige hoeken, de vorm aan van een "proces van de democratie".

Onze stelling over de democratische staatsvorm is duidelijk: het is het enige systeem dat met onze liberale levensopvattingen verenigbaar is, zowel vanuit het standpunt van de individuele staatsburger als op het niveau van de ruimere politieke, sociale en economische verbanden.

Alleen in een democratie kan de burger de grootst mogelijke vrijheid genieten om zichzelf en zijn bestaan naar eigen inzicht en naar eigen mogelijkheden te beleven. Anderzijds wordt, door het politieke competitiebeginsel onder de machtsgroepen, naar een zodanig evenwicht gestreefd, dat een vreedzame evolutie van onze maatschappijverhoudingen mogelijk is en alle vormen van machtsconcentratie vermeden worden. Dit politieke concurrentiebeginsel moet in de allereerste plaats de vruchtbare mededinging inhouden tussen verschillende ideologische en politieke opties, veeleer dan te vervallen in wat de franse socioloog Schwartzenberg "het politiek bedrijf van de spektakelkunst" noemt. Wij zijn voor een democratie van ideeŽn en niet van vedetten.

Het democratisch model, dat wij voor ogen hebben, verloopt langs drie trappen: van vertegenwoordigersdemocratie, via inspraakdemocratie, naar participatiedemocratie. De burger nauwer te betrekken bij de politieke besluitvorming is het doel van deze "drietrapsdemocratie", die zo dadelijk onze aandacht krijgt.


2. Van een vertegenwoordigersdemocratie...

In onze vertegenwoordigersdemocratie, naar parlementair model, is een verontrustend en steeds toenemend onevenwicht merkbaar. Indien we op zoek gaan naar de oorzaken hiervan, komen we tot een reeks vaststellingen en overwegingen.

Steeds geldig is een opmerking, geformuleerd in het liberaal manifest De Staat tegen de burger: "Als men op zoek gaat naar de bijzonderste oorzaken van de huidige politieke malaise in ons land, dan komt men tot de vaststelling dat precies de jarenlange regeringscompromissen, de onduidelijke coalities, de niet scherp meer afgelijnde programma's, het de kiezer bijzonder lastig hebben gemaakt om nog klaar en duidelijk zijn voorkeur te laten blijken. Hoeveel kiezers hebben dan ook niet zelden het nare gevoel aan het tegendeel te hebben meegewerkt van datgene wat ze echt hebben verlangd, toen ze hun stem uitbrachten?". In de parlementaire democratie wordt dikwijls geklaagd over de politieke apathie van een groot deel van de bevolking. Wij zijn ervan overtuigd, dat deze apathie als een vluchtreactie kan worden beschouwd en voor een belangrijk deel te wijten is aan de onduidelijkheid van de politieke programma's en aan de personalisering van de politieke macht. Klaarheid en duidelijkheid blijven ook in een democratisch bestel hoofdvoorwaarden voor een efficiŽnt beleid, dat tevens vertrouwen kan wekken.

Wij, liberalen, blijven trouw aan het democratisch beginsel, dat in de praktijk evenwel dringend aan herstelling, versterking en verruiming toe is. Deze vernieuwingsoperatie moet logischerwijze beginnen bij het Parlement, dat niet veel mťťr nog is dan een symbool, met alleen een "nominale" macht in de schaduw van de reŽle machthebbers, dit wil zeggen, de pressiegroepen allerhande. Zo is het een onloochenbaar feit dat de grote politieke, sociale, patronale en syndicale organisaties een dergelijke machtspositie verworven hebben, dat de morele basis en zelfs de juridische macht van het Parlement er door in de schaduw gesteld worden. De rol van het Parlement vervaagt zienderogen, terwijl de grote organisaties zichzelf hoe langer hoe meer op de voorgrond dringen.

De bevolking is een stille getuige van die fundamentele machtsverschuiving, waarbij professionele belangen, ideologische oogmerken, tactische en strategische overwegingen en politieke verantwoordelijkheden voortdurend en op de meest dubbelzinnige manier in elkaar vloeien. Dit is des te meer treffend, daar in diezelfde organisaties de afstand tussen basis en leiders soms onredelijk groot is. Op die manier geraakt het individu steeds meer vervreemd van de eigenlijke politiek, en verglijdt zijn aandacht van de oorspronkelijke, democratische idee naar een soort van "spektakel", beheerst door het geprefabriceerde imago van politieke figuren. De herwaardering van de parlementaire instelling staat bijgevolg vooraan in de rij van de politieke, liberale objectieven.

Daar komt nog bij, dat het parlementair systeem vooral tot ontwikkeling is gekomen in de 19de eeuw maar dat het sindsdien, wat werkmethoden en technieken betreft, zich onvoldoende aangepast heeft, noch aan de nieuwe psychologische en sociologische inzichten van onze tijd, noch aan de technologische vernieuwingen van een post-industriŽle periode, waarin de problemen niet alleen talrijker maar ook veel ingewikkelder geworden zijn. De parlementair, die dit alles individueel en zelfstandig moet opvangen, is weinig of niet gewapend tegen deze al te zware uitdagingen. Een meer doeltreffende administratie (die sociaal dienstbetoon overbodig maakt) en de instelling van een korps van parlementaire stafmedewerkers (toegevoegd aan de parlementsleden), zou dit probleem aan twee kanten tegelijk oplossen, zoniet grondig vereenvoudigen.

Gebrek aan rationalisatie van de instellingen, een steeds groeiend arsenaal van wetten en reglementen, gebrek aan moderne managementstechnieken en dergelijke meer, maken onze democratische instellingen ondoorzichtig en wekken bij de burger gevoelens van onmacht, lusteloosheid, wrevel en ontgoocheling. Dit verklaart wellicht het luidruchtig, en vaak nog succesrijk, optreden van allerlei pressiegroepen, die veelal alleen hun eigen belangen op het oog hebben. Aan die algemene politieke degradatie wil het modern liberalisme een krachtig halt toeroepen, aan het begrip "politieke moraliteit" wil het radicale liberalisme opnieuw zin en inhoud geven.

In ieder geval, en tot besluit, moet de vertegenwoordiging op zulke wijze georganiseerd zijn, dat in het vertegenwoordigend lichaam alle representatieve strekkingen volwaardig aan bod komen. Dit is alleen mogelijk in het systeem van de absolute evenredige vertegenwoordiging, waar de verdeling van de mandaten een correcte weergave is van de reŽle machtsverhoudingen.


3. ... langs een inspraakdemocratie...

De jongste jaren werd "inspraak" zeer vaak als een wondermiddel voorgesteld. Het kan voorzeker niet ontkend worden, dat door deze inspraak sommige problemen in een ander en juister daglicht gesteld werden. Aan de andere kant is inspraak een mode-woord geworden, waarmee immers alle problemen blijkbaar op te lossen zijn. Vandaar de vraag: wat betekent voor ons "inspraak"?

Met inspraak beogen wij, de bevolking in de mogelijkheid te stellen uitdrukking te geven aan de eigen verwachtingen in verband met concrete problemen in haar onmiddellijke omgeving. Zij bevordert dus in de eerste plaats de communicatie tussen de burger die "wikt" en zijn politieke vertegenwoordiger die "beschikt". De rol en de verantwoordelijkheid van beide partijen zijn zo belangrijk als fundamenteel verschillend.

Sommige krachten sturen aan op een of andere vorm van "directe democratie". Afgezien van alle mogelijke beweegredenen die hen daartoe aanzetten, moeten we vaststellen dat dergelijk veralgemeend systeem in onze huidige, ingewikkelde en hoogst gespecialiseerde maatschappij onmogelijk te verwezenlijken is en snel kan leiden Ė via een ontbinding van de samenleving - naar een totalitair regime. Daarbij komt, dat sommige voorstanders van de "directe democratie" zelfs radicaal gekant zijn tegen elke vorm van georganiseerd gezag. Het moet hier beklemtoond worden, dat de democratische opvatting nooit heeft ingehouden dat er geen enkele vorm van aanvaard en ordenend gezag zou bestaan. Ordenend gezag is trouwens geen synoniem, zoals sommigen voorhouden, van autoritair gezag.

Dit betekent echter allerminst, dat ons huidig democratisch regime niet voor aanpassingen en verbeteringen vatbaar is, integendeel.

Het liberalisme wil de besluitvorming zo dicht mogelijk bij de burger brengen. De inspraak, zoals boven omschreven, vormt een belangrijke stap in die richting. Overigens moet dit gebeuren op een gecoŲrdineerde manier, zodat geen onophoudelijke en onoverkomelijke conflictsituaties worden gecreŽerd die het heersend onbehagen slechts zouden aanwakkeren, juist door het feit dat het beslissingsmechanisme voortdurend en nodeloos wordt geremd.

Wij geloven in de scheppende kracht, die schuilt in de gemeenschap en in elke lid van deze gemeenschap afzonderlijk. Wij geloven, in gelijke mate, in de mogelijkheden die er bestaan om deze creatieve krachten te doen ontluiken. Essentieel blijft dan ook voor ons, dat de nodige efficiŽnte kanalen worden gemaakt om die kracht tot inspraak en participatie gestalte te geven.


4. ... naar een participatiedemocratie

Al te zeer worden inspraak en participatie thans opgevat als een voortdurende drukking van belangengroepen op de verkozen bewindvoerders. Aldus krijgen die begrippen steeds meer een eenzijdige klemtoon van groepsegoÔsme, zonder voldoende inachtneming van het effect op de totale gemeenschap. Elke gemeenschap die zich wil handhaven moet, boven de onvermijdelijke conflict-situaties, een samenhorigheidsgevoelen ontwikkelen dat de bestaande middelpuntvliegende krachten opvangt.

Dit is, naar onze mening, mogelijk door een welbegrepen en verantwoorde participatie. Het verwezenlijken van een waarachtige participatie-democratie is echter een zware, delicate en verantwoordelijke opdracht. Het vraagt immers een ommekeer in het huidig denk- en gedragspatroon, want het reikt verder dan de loutere vertegenwoordigings- en inspraakdemocratie.

Participatie, als vorm van medezeggenschap, gaat nog een stap verder dan inspraak. Bij participatie wordt de burger nog sterker geÔntegreerd in het besluitvormingsproces. Dit veronderstelt uiteraard een verdiept inzicht in de problematiek en een verhoogd verantwoordelijkheidsbesef.

Bij de uitvoering van zulk beleid vragen wij twee waarborgen, in de eerste plaats dat het beslissingsmechanisme zijn efficiŽntie niet zou verliezen. Ten tweede is het van belang dat de respectieve verantwoordelijkheden Ė van hen die inspraak hebben en van hen die de beslissing nemen Ė niet alleen gescheiden zouden zijn maar ook en vooral reŽel gedragen zouden worden. In laatste instantie ontneemt een participatiedemocratie dus niets aan de politieke verantwoordelijkheid van de verkozenen ten aanzien van de eindbeslissing en het dienovereenkomstig te voeren beleid.

De pas geschetste drietraps-democratie moet aangevuld worden met objectieve, brede en soepele "hoortechnieken", waardoor de verzuchtingen van de burgers te allen tijde (en niet alleen op vaste tijdstippen) beluisterd kunnen worden. Hier denken wij inzonderheid aan het volksreferendum, mits de vervulling van een aantal voorwaarden inzake doelmatigheid en democratische toepassing. Vooreerst moet de aldus verhoogde verantwoordelijkheid van de burger gepaard gaan met een verhoogde opvoeding tot burgerzin. Ten tweede moet de volksraadpleging steeds zo opgevat worden, dat de geraadpleegde burger een doordachte en voldoende genuanceerde keuze krijgt. Ten derde moet het initiatief steeds uitgaan van de bevolking, zodat het systeem niet kan ontaarden tot een instrument in de handen van de machthebbers.

Een laatste element, dat kan bijdragen tot de realisatie van dit waarachtig, democratisch model, is de beperking van de cumulatie van meerdere politieke mandaten, en dit zowel om praktische redenen als op principiŽle gronden.


5. Staat en liberalisme

Soms wordt van het liberalisme beweerd, dat het onvoorwaardelijk tegen de Staat zou gericht zijn. Dit is een groteske vertekening van de werkelijkheid. Het liberalisme kent aan de Staat een wel omlijnde en dus strikt beperkte, regulerende en ordenende functie toe.

Het zou juister en evenwichtiger zijn te stellen dat het liberalisme, uit de aard van zijn waardering voor de persoonlijke vrijheid, de persoonlijke gedachte, het persoonlijk initiatief, de persoonlijke verantwoordelijkheid, wel gekant was, is en blijft tegen een bemoeizieke en onverantwoorde inmenging van de Staat in alle mogelijke gebieden van het menselijk bestaan.

Dergelijke inmenging maken we thans volop mee. De verstaatsing heeft de jongste decennia onrustwekkende proporties aangenomen. De greep van de overheid op de burger en op diens activiteiten werd en wordt nog langs alle mogelijke kanten versterkt. Dit komt niet alleen tot uiting in fiscaal en parafiscaal opzicht, maar ook in psychologisch opzicht. De burger is uiteindelijk zodanig onmondig geworden, dat bij het opduiken van het minste probleem een beroep op de overheid bijna een automatisme is geworden. Dat daarbij zijn persoonlijke vrijheid geleidelijk afbrokkelt, dringt veelal maar al te laat tot hem door.

In sommige politieke doctrines wordt de overheid geÔdealiseerd, zelfs gemystificeerd: de overheid kan niet falen, zij handelt per definitie in het algemeen belang, ze werkt nivellerend, dus socialiserend. In die politiek primeert het collectief belang altijd op het individueel belang; dit dogma wordt boven en buiten alle discussie gesteld.

De bemoeizucht van de Staat is thans reeds doorgedrongen tot in de persoonlijke levenssfeer, tot in de "privacy" van de individuele staatsburger. De Staat wil thans ook nog ons persoonlijk gedrag gaan bepalen en vastleggen in een eindeloze reeks van wetten en reglementen.

Dit alles leidde, en leidt nog steeds tot een inflatie van instellingen en structuren, die buiten elke verhouding staan tot de toegewezen opdrachten en de geleverde prestaties, zonder te spreken van de financiŽle belasting voor de hele gemeenschap. Wij menen, dat het de hoogste tijd is om ons met kracht tegen die groeiende verstaatsing en bureaucratisering af te zetten.

Eerste voorwaarde voor een doelmatig en rechtvaardig overheidsoptreden is een op haar taak berekende administratie, die niet zonder reden wel eens de vierde macht in de Staat wordt genoemd. Dit veronderstelt een administratieve organisatie, die in de dienstverlening aan de burgers - en niet in een streven naar steeds meer macht en invloed Ė haar voornaamste bestaansreden vindt. Dit veronderstelt tevens een bekwaam en hoogstaand ambtenarenkorps, waarbinnen de persoonlijke verdienste Ė en niet de politieke of andere willekeur Ė aan benoeming en bevordering ten grondslag ligt. Depolitisering van het openbaar ambt is voor ons dan ook mťťr dan een slogan.

Ten derde beogen wij een verhoogde administratieve efficiŽntie door het instellen van de concurrentiŽle marktprikkel, naar het model van het particulier bedrijfsleven maar aangepast aan de specifieke vereisten van de openbare dienst.

Uiteindelijk wil het modern liberalisme het democratiseringsproces niet beperken tot het staatskundige, in zijn enge betekenis. De maatschappij als geheel moet steeds meer gedemocratiseerd worden. Met andere woorden, in alle samenlevingsverbanden moet de besluitvorming getoetst worden aan de mening van de betrokkenen. In dit verband is het zeker relevant vragen te stellen nopens het intern democratisch gehalte van de politieke partijen. Geen beleid zonder controle. Het liberaal denkpatroon propageert duidelijkheid en rechtlijnigheid in het politiek bedrijf. Daarom lijkt het ons niet langer verantwoord dat de kiezer, als kritisch en rationeel wezen, verstoken zou blijven van een democratisch en permanent controlerecht op de gekozenen van zijn partij. Dit versterkt controlerecht vanuit de basis zou meteen de kansen op verpersoonlijking van de macht aan de top gevoelig verminderen.


6. Het leven: een dossier?

De groeiende verstaatsing heeft vanzelfsprekend gevolgen op het gedrag van de burger. Een van die gevolgen is, dat er een misleidend gevoelen van veiligheid en securisme ontstaat. Vrijwel alles wordt stelselmatig uit de hand van het individu genomen en diens verantwoordelijkheid en inbreng worden hoe langer hoe meer herleid tot een financiŽle bijdrage. Het onmiddellijk resultaat hiervan is, dat de verantwoordelijkheid (een van de basisbegrippen, zo men wil blijven geloven in het individueel initiatief als creatieve kracht) voortdurend afgewenteld wordt. De staatsburger ondergaat het systeem. Onmachtig als hij is om zich te verzetten voelt hij aan dat zijn persoonlijke identiteit langzaam maar zeker aangetast wordt.

Dat verlies van de persoonlijke identiteit en van het vertrouwen in zichzelf behoort tot de grootste gevaren, die de mens vandaag bedreigen. Wij zijn getuige van een, door sommigen gewenste en zelfs gestimuleerde ontwikkeling, waarbij de mens tot een nummer en het menselijk leven tot een dossier wordt herleid. Als liberalen verzetten wij ons met de grootste kracht tegen deze nieuwste vorm van gelijkschakeling waardoor, na de materiŽle (en neerwaartse) nivellering, nu ook de psychologische egalisering aan de beurt komt, die wij als de meest verwerpelijke beschouwen. De herwaardering van de menselijke persoon, in zijn rijke en verrijkende verscheidenheid, staat derhalve centraal in de liberale ideologie.

Zonder die herwaardering wordt de burger fataal en steeds meer het onpersoonlijk object van een anonieme en ingewikkelde administratie, die alleen voor bevoorrechten bereikbaar en begrijpbaar is. Waar en wanneer zich een of andere concrete conflictsituatie voordoet, weet de burger dikwijls niet tot wie zich te richten. Al evenmin weet hij welke rechtsregelen van toepassing zijn. Voeg daarbij een gebrekkige voorlichting van de bevolking en men stelt vast dat de almacht van de administratie een feitelijk gegeven is.

Wij wensen een open administratie. Daarom dient in de eerste plaats gestreefd te worden naar een maximale vereenvoudiging van de bestaande reglementering, zowel naar vorm als naar inhoud. Zulks betekent niet alleen minder rechtsregels, maar hoofdzakelijk meer duidelijkheid en samenhang. De administratie moet een meer gepersonaliseerd karakter krijgen, wat insluit dat zij niet alleen mťťr persoonsgericht dient te werken, maar ook dat zij een actieve en objectieve inbreng doet bij het behandelen van individuele dossiers.

Door decentralisatie, deconcentratie en coŲrdinatie moet de administratieve dienstverlening zo dicht mogelijk bij de burger gebracht worden. Dit veronderstelt een aangepaste en vereenvoudigde administratieve organisatie, waardoor ten behoeve van de burgers zogenaamde eerste-, tweede- en derdelijnsvoorzieningen worden opgezet. De eerstelijnsvoorzieningen zijn kleinschalige diensten waar elke burger zonder vrees, zonder voorspraak, zonder wachttijd kan aankloppen, hetzij om zijn probleem opgelost te zien, hetzij om op een doeltreffende manier verwezen te worden naar de bevoegde tweede- en derdelijnsvoorzieningen.

Een efficiŽnte vertegenwoordigings-, inspraak- en participatiedemocratie en een gepersonaliseerde relatie tussen mens en administratie zijn de hoofdelementen in de politieke democratie naar liberaal model.



VII. Liberalisme en internationale democratie


1. Liberale uitgangspunten en doelstellingen

Een liberaal geÔnspireerd internationaal beleid moet essentieel berusten op het Handvest van de Verenigde Naties en op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Wars van elk opportunisme moet de eerbiediging van de vrijheid van het individu het uitgangspunt zijn van elke, op liberale leest geschoeide, internationale politiek.

Ter verdediging van onze onafhankelijkheid, van onze vrijheden, van onze economische ontwikkeling en van onze sociale en culturele waarden is het lidmaatschap van internationale, en meer bepaald van Europese organisaties noodzakelijk gebleken. Participatie aan deze organisaties moet niet alleen toelaten de Belgische belangen te behartigen, maar moet er ook op gericht zijn de eerbiediging van de grote principes van de Verenigde Naties te bevorderen. We kunnen, via deze organisaties, bijdragen tot en toezien op de versteviging van de democratie, de uitbreiding van de persoonlijke vrijheid en de gerechtigheid, verdraagzaamheid en solidariteit. We kunnen erover waken dat alle landen gelijke kansen genieten. Door bemiddeling van deze organisaties en dank zij het aanzien ervan in de wereld, willen wij datgene, dat wij binnen deze organisaties wensen tot stand te brengen, ook tot stand zien komen daarbuiten, waar de grote beginselen van de Verenigde Naties en van de Verklaring van de Rechten van de Mens vooralsnog dode letter blijven.

Het gaat hier om een ambitieus oogmerk, dat niet kan bereikt worden met een passief buitenlands beleid. Niet alleen de oppervlakte of het bevolkingscijfer bepaalt de invloed van een land, maar ook en vooral de daadwerkelijke inzet ten voordelen van de grote democratische principes van vrijheid en zelfbeschikking, van sociale gerechtigheid en van gelijke kansen.

Van nature anti-imperialistisch, ontzegt het liberalisme aan elke beschaving het recht haar waarden hoe dan ook aan een andere cultuur op te dringen. Bijgevolg komt het ons niet toe ons rechtstreeks te mengen in de aangelegenheden van andere volkeren of landen, of ons in te laten met de vorm van hun regimes. Dit ontslaat ons echter niet van de plicht om, bij onze officiŽle buitenlandse contacten, steeds de leidende liberale beginselen voor ogen te houden. Een effectief buitenlands beleid onderstelt dus het ontplooien van initiatieven, die de aanpassing van die grote principes naderbij brengt. Wij mogen daarbij zeker nooit onze verantwoordelijkheid ontlopen. Een groot aantal volkeren blijft verstoken van de meest elementaire vrijheden. Ons komt het toe hen in de mate van het mogelijke en zonder schroom niet alleen morele doch ook, overal waar mogelijk, daadwerkelijke steun te verlenen met het oog op de "verovering" van de ontbrekende, fundamentele rechten en vrijheden.

Wanneer de waarden, waar wij belang aan hechten, onder onze ogen in gevaar worden gebracht, dan moeten wij de moed en de kracht opbrengen om dat gevaar in te dijken.

We geloven dat, op dit ogenblik, die inspanningen een maximaal nuttige uitwerking zullen hebben in het kader van de thans bestaande allianties. Toch mag dit niet betekenen dat wij die allianties als permanent moeten beschouwen, integendeel. Om een werkelijke ontspanning tussen Oost en West te bereiken kan het, na verloop van tijd en in gewijzigde omstandigheden, nodig en wenselijk zijn de doelstellingen van deze allianties te herzien. We moeten alle inspanningen steunen die een einde kunnen stellen aan de wapenwedloop, zonder evenwel de eigen veiligheid ook maar een ogenblik te verwaarlozen. Die militaire macht mag evenwel nooit een offensief karakter dragen.

Inmiddels moet het vrij verkeer van mensen, informatie en ideeŽn in Europa, zoals dit trouwens is voorzien in de slotakte van Helsinki, verder actief worden bevorderd om grotere verdraagzaamheid en begrip te doen ontstaan.

Als liberalen zijn we ten zeerste bekommerd om de liberalisering van autoritaire regimes, hetzij socialistische, hetzij fascistische of andere. We achten die liberalisering trouwens onafwendbaar wegens de intrinsieke aantrekkingskracht van de werkelijke democratische beginselen. Elke gelegenheid moet te baat worden genomen, ook door eigen Belgische initiatieven en contacten, om de liberaliseringsgedachte aan te wakkeren.


2. Oost-West verhouding

Reeds vroeger hebben we er de nadruk op gelegd, dat de ideologische strijd tussen het opdringend marxisme-leninisme, enerzijds, en de westerse wereldopvatting, anderzijds, het buitenlands beleid en meteen ook het defensiebeleid bepaalt.

Deze ideologische strijd gaat gepaard met een steeds maar groeiend militair apparaat van de supermachten. Voor de eerste maal in de geschiedenis van de mensheid is dit militair potentieel in staat onze beschaving en zelfs onze planeet te vernietigen.

Evenmin kan voorbijgegaan worden aan de vaststelling, dat de ideologische machtsstrijd tussen Oost en West ook nog met vele andere middelen gevoerd wordt: intimidatie, psychologische manipulatie, terreur, conflicten die uitgelokt worden par pays interposť.

Tegenover dit wederzijds machtsvertoon staan de hoger omschreven, liberale idealen. Een liberaal buitenlands beleid is gegrondvest op de idealen van humanisme, van solidariteit en bestrijding van het onrecht. Het liberalisme moet in de gehele wereld actief opkomen voor het behoud van vrede, de eerbiediging van de mensenrechten, de beginselen van vrijheid, democratie en zelfbeschikking en het recht van alle mensen op persoonlijke vrijheid, sociale gerechtigheid en gelijke kansen. Voor deze beginselen wil het liberalisme zich strijdbaar opstellen, zowel naar binnen als naar buiten.

Alleszins is het voor ons duidelijk, dat de enig mogelijke politiek op langere termijn er een moet zijn van werkelijke ontspanning en van uiteindelijke ontwapening. De vreedzame coŽxistentie van staten en volkeren is voor ons, liberalen, zo belangrijk als het harmonisch samenleven van de burgers.

Maar dat alles mag ons niet blind maken voor de militair-strategische werkelijkheid. Noch een eenzijdige, gevoelsmatige en te optimistische benadering van de problematiek, noch een cynische opvatting gesteund op de wil tot een steeds voortschrijdend bewapenen, is als dusdanig aanvaardbaar.Tussen beide extremen Ė maar niet minder radicaal Ė ligt de liberale visie met als hoofdpunten:
- het ontwapeningsbeleid is een beleid op wereldschaal, te voeren in het kader van een alle staten omvattende wereldorganisatie;
- deze wereldpolitiek moet rekening houden met, en eveneens van toepassing zijn op, de ontluikende mogendheden onder de Aziatische, Latijns-Amerikaanse, Arabische en Afrikaanse staten;
- de ontwapeningspolitiek moet in alle machtsblokken gelijktijdig en gelijkmatig voortgang vinden.

Inzake het buitenlands beleid moet het liberalisme de prioriteiten op een realistische wijze vaststellen. Een vernieuwde samenwerking binnen het Atlantisch Bondgenootschap, de uiteindelijke ontspanning tussen Oost en West en de Noord-Zuid dialoog dienen hierbij voorop te staan.

Buitenlands beleid, veiligheid en defensiebeleid zijn nauw met elkaar verweven en moeten derhalve gecoŲrdineerd worden met het oog op het behoud van de vrede. Onze liberale samenleving kan zich slechts in vrijheid ontwikkelen, wanneer zij gevrijwaard is tegen agressie en bedreiging met agressie. Bijgevolg dient het liberalisme met dit veiligheidsaspect in al zijn consequenties rekening te houden. Vrede is evenwel meer dan het vermijden van oorlog. Daarom moet het liberalisme vooral werken aan het tot stand komen van een sfeer van wederzijds vertrouwen, waardoor gewapende conflicten in de praktijk uitgesloten worden.

Dit betekent geenszins dat onze liberale maatschappij iets gemeens dient na te streven met die landen die zich "socialistisch" noemen, doch die in feite in naam van het marxisme-leninisme in Europa volkeren verdrukken of elders ter wereld helpen onderdrukken. Wel houdt dit wederzijds vertrouwen in, dat wij, samen met de andere lidstaten van de organisaties waartoe BelgiŽ behoort, beter nabuurschap nastreven, zonder dat wij onze waakzaamheid in de ideologische strijd, die ons opgedrongen wordt, laten varen.


3. Noord-Zuid relatie

Het is een feit dat de horizontale, ideologische tegenstelling tussen Oost en West op haar beurt nog eens doorkruist wordt door een verticale tegenstelling tussen Noord en Zuid.

Sinds het koloniale tijdperk is door een bevolkingsexplosie in de derde wereld, gekoppeld aan de egoÔstisch-economische beweegredenen van de geÔndustrialiseerde landen, een brede kloof ontstaan tussen de "ontwikkelde" en de "in ontwikkeling zijnde" wereld.

Daarbij wordt vastgesteld dat een aantal ontwikkelingslanden een groot gedeelte van de grondstoffenvoorraad bezit, terwijl de geÔndustrialiseerde staten van hun kant beschikken over een hoog ontwikkelde intellectuele en technische capaciteit.

In tegenstelling met de geografisch-gebonden grondstof is die intellectuele en technische capaciteit een eerder beweeglijk element, dat overgedragen en zelfs ontwikkeld kan worden.

Een steeds verder verbreden van de kloof tussen het ontwikkelingspeil van de geÔndustrialiseerde en de derde wereld houdt dan ook een steeds groter wordende mogelijkheid aan gevaarlijke conflictsituaties in.

Uit hoofde van de feitelijke toestand, maar ook en vooral als de voorvechtster van de solidariteit onder de mensheid, wil de liberale ideologie dan ook een nieuwe en rechtvaardige internationale economische ordening tot stand brengen. Deze ordening moet gesteund zijn op het beginsel van de complementariteit tussen Noord en Zuid. Een billijk evenwicht tussen beide partijen moet elke vorm van overheersing definitief ongedaan en verder ook onmogelijk maken.

Voor het modern liberalisme is ordening om ordening echter niet voldoende. Een op wereldvlak geherstructureerd, sociaal-economisch systeem moet noodzakelijkerwijze bepaalde voorwaarden en finaliteiten inhouden.

Van essentieel belang is onder meer:
- dat de ontwikkelingslanden zoveel mogelijk zelf hun ontwikkelingsproces vastleggen, ten einde grotere kansen te scheppen voor het behoud van hun eigen culturele waarden;
- dat in de allereerste plaats de elementaire levensbehoeften van de allerarmste groepen bevredigd worden. Het is een fundamenteel recht van de mens, "menswaardig" te kunnen leven en zich als individu volwaardig te kunnen ontwikkelen;
- dat de steun aan de gehele bevolking en niet enkel aan ťťn enkele bevoorrechte groep ten goede komt;
- dat de privť-investeringen aangemoedigd worden, maar dat er tegelijkertijd passend waarborgen gegeven worden, zowel voor de investeerders als voor de begunstigde;
- dat geen steun mag worden verleend aan regimes, die de mensenrechten op systematische wijze schenden.


4. Europees beleid

Voor het liberalisme is de werkelijke uitbouw van de Europese Gemeenschap een prioritaire doelstelling met het oog op de verwezenlijking van de internationale democratie.

Opdat voornamelijk het integratieproces tussen de lidstaten zou worden voltooid, zijn initiatieven van de kleinere lidstaten onontbeerlijk als tegengewicht voor het nationaal egoÔsme van de grotere staten, dat menige vooruitgang heeft afgeremd.

Meer dan de grote staten hebben de kleinere staten belang bij het welslagen van de politieke, economische en monetaire integratie. Zij zijn zich inderdaad veel meer bewust van de mogelijkheden die deze integratie biedt, en zij laten zich daarbij minder leiden door prestige of andere overwegingen. Via de Europese Gemeenschap, een in se liberaal opzet, kunnen zij de opflakkering van vroeger regelmatig opduikende conflicten helpen vermijden. Ook voor ons land blijft Europa het beste kader om zijn eigen Ė ook culturele Ė identiteit te vrijwaren.

De liberalen moeten er bij dit integratieproces over waken, dat in Europa alle burgers beschikken over gelijke rechten en geen enkele minderheidsgroep wordt gediscrimineerd. Hiervoor zal niet alleen dienen gestreden tegen de wanverhouding, gegroeid tussen de macht van grote economische, sociale en politieke organisaties en de bevoegdheden van de wettelijk verkozen instellingen, maar ook tegen de woekerende bureaucratie, die door steeds nieuwe reglementeringen het initiatief, de mogelijkheden tot ontplooiing van de burgers en de vrijheid zelf beknot. Ook op Europees niveau zijn bureaucratie en technocratie de eerste mis- en mikpunten voor het radicaal liberalisme.

De Europese integratie moet daarom ook gericht zijn op de bescherming van de burger, als individu, als verbruiker, als werknemer, als zelfstandige of als sociaal-gerechtigde.

De eerste Europese verkiezingen hebben duidelijk aangetoond, dat Europa nog niet tot de burgers is doorgedrongen en dat zij voor andere, meer nationale doeleinden gebruikt en zelfs misbruikt werden. Europa en het Europees Parlement moeten mťťr zijn dan louter een verlengstuk van het nationaal beleid. De eigenheid van Europa, de plaats van de Europese Gemeenschap in de wereld, de houding ten overstaan van de supermogendheden en de derde wereld vereisten dat voortaan heel andere klemtonen worden gelegd.

De omvang van de problemen, enerzijds, het onbehagen dat bij de burgers heerst omtrent de beleidsdaden, anderzijds, moeten ons aanzetten tot een andere aanpak. Voor vele van de grote vraagstukken waarmee we thans geconfronteerd worden of zullen worden, gelden geen nationale oplossingen meer, zelfs niet voor de grootste lidstaten en nog minder voor de kleinere.

Tegelijkertijd moet, naar analogie van ons nationaal politiek model, voor heel wat punten de besluitvorming veel dichter bij de burger worden gebracht. Deze besluitvorming moet doorzichtiger worden, het enige middel om de pijnlijke beslissingen die onvermijdelijk lijken aanvaardbaar te maken.

Europa wordt dus het nieuwe kader waarin de politiek zich in de komende decennia zal bewegen ten gunste van alle burgers van de Gemeenschap. Het rechtstreeks verkozen Parlement zal ter zake ook zijn verantwoordelijkheid moeten opnemen en bijdragen tot de afbraak van het overblijvend en zelfs heroplevend nationalisme. Het zal blijk moeten geven, niet alleen van democratische ingesteldheid maar tevens van het dynamisme, dat meer dan ooit nodig zal zijn wil Europa zich in de wereld van morgen kunnen handhaven. Ten slotte moet het Europees Parlement meer "parlementaire" bevoegdheden verwerven en het moet langs democratische weg worden verkozen op grond van een veralgemeend proportioneel kiesstelsel.



VIII. LIBERALE STRATEGIE


1. Naar een humanistische samenleving...

In het eerste hoofdstuk van dit Manifest werd een historische visie ontwikkeld, die thans gewoon kan worden doorgetrokken. Het verzet van de burger in de Noord-Amerikaanse gemeenschap van 1776, in de Franse samenleving van 1789 en in de Russische maatschappij van 1917, maakte definitief een einde aan een samenlevingsverband, dat door een gebrek aan vrijheid en een verstarde elite-massaverhouding niet in staat was de ontplooiing van al zijn leden te waarborgen. Eens dit verzet geconsolideerd en de symbolen van het oude samenlevingspatroon uitgeveegd, ontplooide zich Ė hetzij op kapitalistische wijze, hetzij in marxistische zin Ė een maatschappij, die steeds meer middelen kon verzamelen voor een steeds groeiende bevolking. De gebreken van het kapitalisme werden opgevangen met wat collectivistische instrumenten. Omgekeerd is nu reeds duidelijk, dat in het collectivistisch samenlevingsverband stilaan kapitalistisch gedachtengoed wordt ingebouwd om ook aldaar een aantal gebreken te verhelpen.

Alles laat voorzien dat, ondanks een hardnekkige ideologische wedijver, het onderscheid tussen die twee samenlevingsvormen steeds meer zal vervagen. Niet het onderscheid "kapitalisme-collectivisme", maar wel het techno- en bureaucratisch imperatief dat zowel het ene als het andere samenlevingspatroon overheerst, wordt voortaan het centrale maatschappijprobleem. Doordat de maatschappij immers, vanaf de 19de eeuw, meer middelen diende te scheppen voor een alsmaar stijgende bevolking en bovendien instrumenten moest inbouwen voor een min of meer billijke spreiding van die middelen, werd het ontstaan onvermijdelijk van een organisatiestructuur, die steeds ingewikkelder en ondoorzichtelijker werd. Die structuur ging een eigen leven leiden, schiep steeds maar nieuwe organisatorische verbanden als "staten in de Staat" en kweekte een nieuwe elite-massarelatie die, juist zoals de vorige, elke maatschappelijke vooruitgang remt.

Aldus beschouwd is de techno- en bureaucratische samenleving een onvermijdelijke etappe in de geschiedenis van de mens in het verweer. Ze zal op haar beurt verstarren en alzo de aanloop vormen voor een steeds intenser wordend streven naar een vrije en humanistische samenleving, waarin het individu en alleen het individu de macht over zichzelf zal uitoefenen.

Om die humanistische samenleving te realiseren zal geen gewelddadige revolutie nodig zijn maar een stille omwenteling, die zich zal voltrekken bij iedere burger afzonderlijk en zal uitmonden in radicale hervormingen. De burger zal zich stilaan bewust worden van de frustratie en de vervreemding, waarvan hij nu het slachtoffer is, en partij kiezen voor die maatschappelijke beweging, die hem beschouwt als een kritisch en rationeel wezen. Het is de historische taak van het liberalisme de centrale motor te zijn van deze beweging.

Met liberalisme bedoelen wij hier uiteraard het nieuwe radicaal liberalisme, dat het tegendeel is van een liberalisme ŗ la carte. Het liberalisme is in se radicaal. "Radicaal" onderscheidt de personen en bewegingen, die de liberale ideologie onverdeeld en onvoorwaardelijk schragen, van diegenen die met de lippen vage liberale beginselen belijden maar in de praktijk bezwijken voor metapolitieke, socialistische, kapitalistische of centristische oplossingen. De radicaal-liberale strategie zal elke vage koers verwerpen. Met een middelmatige, halfslachtige en allesverzoenende politiek, waar de macht om de macht steeds het leidend beginsel is, is de burger niet gediend. Het radicaal liberalisme streeft enkel naar de macht voor de burger in een vrije samenleving. Dat liberalisme is actief, strijdend en offensief, maar nimmer agressief.


2 ...langs een radicaal evolutionisme

De ontwikkeling van mens en maatschappij volgens het hierboven omschreven, dynamisch patroon, noemen wij radicaal evolutionisme. Zoals gezegd moet deze evolutie, via ingrijpende hervormingen, uitmonden in een vrij en humanistisch maatschappijtype. Het is de opdracht van de radicaal-liberalen die dynamiek aan te wakkeren en uit te diepen. Een laatste, hoogst belangrijke vraag is nu, op welke manier en met welke middelen dat moet gebeuren.

Een eerste stap in de gestelde richting is de opbouw van een democratische politieke partij, met andere woorden een politieke formatie waarin de "basis" de politieke vertegenwoordigers controleert, de leiding democratisch wordt verkozen en de besluitvorming zich binnen de partijstructuren afspeelt. Dit laatste geldt ook voor de politieke fracties die, ten minste wat de grote politieke formaties betreft, onverbiddelijk trouw moeten blijven aan de fundamentele liberale beginselen (neergelegd in dit "Ideologisch Manifest"). Een dergelijke partij moet te allen tijde haar specifieke eigenheid bewaren, laat zich niet vereenzelvigen met semi of quasi-liberale organisaties en mag, bijgevolg, nooit aansluiten bij polariserende bewegingen of "fronten", van welke strekking of benaming ook. Omgekeerd staat een moderne, liberale partij breed open voor al diegenen die, ongeacht hun politieke (of a-politieke) herkomst, de liberale doelstellingen ontdekken en ook bijtreden.

Een tweede stap is de uitbouw van een democratische en gedecentraliseerde vakbeweging. Het hedendaags syndicalisme zit totaal vastgeroest binnen de imperatieven van de techno- en bureaucratische samenleving, om niet te zeggen dat het er een typische exponent van is. Een vakbeweging, die de vervreemding bestrijdt waaraan vooral de actieve bevolking lijdt, en die voor alles de ontvoogding van de burger in haar banier voert, is en blijft onontbeerlijk. Een dergelijke heroriŽntering van syndicale doelstellingen moet bovendien ten goede komen aan de vakbeweging zelf die, precies door een ondemocratisch en autoritair optreden, de werkende bevolking steeds meer teleurstelt.

De derde stap is eerder van technische aard. Het radicaal liberalisme rekent in de eerste plaats op de rede, op de geestelijke capaciteit die schuilt in ieder mens. Noch fysisch geweld, noch eenzijdige indoctrinatie, noch misleidende demagogie is aanvaardbaar. Het rationeel-kritisch denken, daarentegen, is het voornaamste instrument van de liberale ideologie. Langs deze weg van de rede krijgt de burger de mogelijkheid om uiteenlopende doelstellingen en standpunten objectief te beoordelen en om, op grond van dat oordeel, in vrijheid de maatschappijvorm te kiezen waarin hij met zijn soortgenoten wenst te leven.

Deze derde stap vereist dat de kanalen, langs waar een individu of een groep individuen zijn politieke mening vormt, vrij moeten zijn, of beter, open moeten staan voor alle gangbare opvattingen. Het is onze vaste overtuiging dat, eenmaal die voorwaarde vervuld, een radicale benadering van het liberalisme het geldend imperatief zal zijn waarop de samenleving van morgen zal stoelen. Bijgevolg moeten zowel het onderwijs en de permanente vorming als de massa-media van de huidige verzuiling en monopolisering bevrijd worden. Alleen in die voorwaarden krijgt het individu reŽel de kans om de hele waaier van opinies grondig te leren kennen en, na vergelijking, de gewenste rationele keuze te doen.

De vierde en laatste stap in de liberale strategie is de internationale actie. Dit betekent dat het modern liberalisme de samenwerking moet zoeken met de politieke of sociale bewegingen, waar ook ter wereld, waarbij met redelijke kansen op succes een democratisering, liberalisering en humanisering kunnen worden bevorderd. Dit vereist een geconcentreerde actie van de internationale liberale krachten met het oog op de ondersteuning, in de onderscheidene staten en statenorganisaties, van alle initiatieven die de derde landen tot werkelijke ontvoogding en hun bevolking tot volwaardige ontplooiing kunnen brengen. In radicaal-liberale taal wil dit zeggen dat, in een uitgesproken noodtoestand en na uitputting van alle andere middelen, de levensnoodzakelijke idealen van vrijheid, democratie en humanisme langs de weg van revolte (dit is geen revolutie) mogen worden nagestreefd.

Dit strijdbaar liberalisme komt fataal in botsing met elke regime, dat zijn burgers op enigerlei wijze onderdrukt. Deze, bij uitstek liberale houding betekent, ten slotte, de afwijzing en bestrijding van elke vorm van ideologisch of economisch imperialisme.

top