www.liberaalarchief.be
CONGRES VAN DE PARTIJ VOOR VRIJHEID EN VOORUITGANG
IZEGEM, 8 en 9 mei 1981
MEER KANSEN VOOR KANSARMEN IN VLAANDEREN
RESOLUTIES


WAT IS ARMOEDE?


1. Armoede, een subjectief begrip

Iedereen weet dat er in onze zogenaamde welvaartsstaat – en dat ondanks alle mogelijke en onmogelijke sociale voorzieningen en dito zekerheden – er nog steeds individuen en gezinnen bestaan die niet (of toch heel weinig) delen in de toegenomen welvaart en het welzijn. Deze probleemgroep precies omschrijven en omvatten, is echter een heel zware opgave.

Men weet wél ongeveer waar en binnen welke bevolkingsgroepen de knelpunten liggen: bv. binnen de groep der (alleenstaande) bejaarden; de gehandicapten; de (langdurige) werklozen; de gastarbeiders; de gebroken gezinnen; enz…

Deze opsomming leert echter onmiddellijk dat ze terzelfder tijd te ruim en te beperkt is. Te ruim omdat zeker niet alle bejaarden, gehandicapten, werklozen enz. uitgesloten zijn van de voordelen en kansen van onze huidige samenleving. Te beperkt echter, omdat heel wat mensen - die naar de normen van buitenstaanders en op het eerste gezicht "gewone burgers" zijn - in werkelijkheid hun eigen lot en/of leefsituatie terecht als hoogst onaangenaam frustrerend en/of minderwaardig aanvoelen (bv. hoeveel vrouwen voelen zich ongelukkig onder de zeden en gewoonten van de huidige zgn. "mannenmaatschappij". Homosexuelen, ongehuwden, kinderloze echtparen, … "passen" blijkbaar evenmin in het zgn. normale gezinsbeeld. Hoeveel "normale" mensen lijden er niet onder invloed van hun werk- of gezinssituatie aan stress, aan verslaving van genees- en kalmeermiddelen, sigaretten, alcohol, enz.?).

De opvatting over de term armoede blijkt verder in de meeste gevallen grondig te verschillen naargelang de persoon die zich erover uitspreekt. Zo heeft een enquête van het Studiecentrum Prof. Dr. H. Uyttersprot bij de bejaarden in Gent aan het licht gebracht dat deze mensen zelf in de meeste gevallen best tevreden zijn met hun huisvestingsvoorwaarden (subjectief oordeel), terwijl voor de onderzoekers (een objectieve visie, of althans een visie van de buitenstaander) die huisvestingsvoorwaarden in eerste instantie als "bedenkelijk" werden beoordeeld. Terwijl omgekeerd heel wat bejaarden die het vrij goed hadden (alweer objectief bekeken) toch klaagden over hun levensomstandigheden (vooral omdat ze leden onder de eenzaamheid, gebrek aan menselijk contact, enz…).

2. Kansarmoede

Vaak worden termen als "marginaliteit" of "kansarmoede" gebruikt om al deze problemen te benaderen.

Kansarmoede duidt op de toestand waarbij mensen in vergelijking met het geheel van de samenleving en met een zekere permanentie, belemmerd worden in hun kansen om op een bevredigende wijze te delen in maatschappelijk hoog gewaardeerde goederen, zoals onderwijs, arbeid, inkomen, huisvesting, gezondheid, maatschappelijke invloed, en het gebruik van voorzieningen op allerlei gebied.

Essentieel is, dat het gaat om een cumulatie van geringe kansen op velerlei terreinen, zowel materiële als immateriële. Hierbij zijn uiteraard nog heel wat differentiaties en gradaties mogelijk, maar het betreft hier in ieder geval dat deel van de bevolking dat niet aan een maatschappelijk bestaansminimum toekomt.

In een maatschappij als de onze kan er echter niet van onvoldoende kansen voor iedereen worden gesproken. In de meeste gevallen bestaan die kansen in voldoende mate, maar of iedereen die kansen ként, kan of wil aangrijpen of ze goed benut, is van veel meer belang.

Ook het toeval speelt een niet te verwaarlozen rol. Waarom werkt de een in een bedrijf dat failliet gaat waardoor hij zijn job verliest, terwijl een ander zijn job behoudt omdat zijn bedrijf niet failliet gaat?

3. Differentiële participatie

Het is echter een misvatting te geloven dat die "armen" een scherp aflijnbare groep zijn in onze samenleving. In de moderne literatuur spreekt men over armoede in de zin van "differentiële participatie". Dit wil zeggen dat bepaalde groepen méér of minder deelnemen aan allerlei maatschappelijke activiteiten, voorzieningen en normen. Doch die mate van participeren kan variëren van 0 tot 100% en daartussen ligt een continuum (een doorlopende lijn van mogelijkheden) en géén breuk. Het is dus a fortiori zeer moeilijk te bepalen vanaf wanneer iemand "arm" is: bv. omdat hij aan een aantal kenmerken bv. minder dan 50% deelneemt. In een dergelijke visie is eigenlijk iedereen arm, omdat niet iedereen aan alle mogelijke maatschappelijke handelingen voor 100% participeert, zij het dan wel in een ongelijke mate.

In deze optiek is voor ons iemand "arm", als die persoon in kwestie:

1°) op een duidelijke manier niet (of heel weinig) deelneemt aan één of meer sociale activiteiten, handelingen of toestanden (arbeidsleven, gezinsleven, inkomen, onderwijs, verenigingsleven, huisvesting, cultuur, …);

2°) om die reden niet gelukkig is met zijn lot;

3°) maar daar alleen op eigen kracht géén verbetering kan in brengen.

Het probleem van de armoede omschrijven is dus niet eenvoudig. Zoals we reeds opmerkten is het in de eerste plaats een subjectief begrip: er zijn nog geen maatstaven of criteria gevonden die onbetwistbaar kunnen vaststellen wie arm is en wie het niet is.

Armoede is tevens een zeer complex begrip dat zich niet in één cijfer of in één gegeven laat uitdrukken. Het is een samengaan van een hele reeks factoren die maken of iemand inderdaad arm is of zich arm voelt. Het is een cumulatief verschijnsel.

Ook het opsporen van de oorzaken van armoede - dit met de bedoeling ze uit te schakelen - is een zware taak. Armoede is immers als een vicieuze cirkel waar oorzaak gevolg kan worden en gevolg een nieuwe oorzaak. Armoede kan je dan ook het best omvatten in haar symptomen, haar kenmerken.

Verder is het ook zo dat een bestaande handicap meestal andere, bijkomende handicaps, meebrengt. De vicieuze cirkel, die men blijkbaar niet kan doorbreken, wordt dan eerder een spiraal die maakt dat het van kwaad tot erger wordt.

4. Armoede en inkomen

"Armoede" blijkt dus een uiterst complex fenomeen te zijn, niet alleen in zijn uiterlijke verschijningsvormen, maar ook in zijn oorzaken. Vandaar dat het praktisch onmogelijk is de armoede kwantitatief (in juiste cijfers) te benaderen.

Inkomen wordt wel vaak als norm gebruikt om de kansarmoede kwantitatief vast te leggen: gebrek aan financiële middelen – of armoede – is immers in de meeste gevallen een doorslaggevend kenmerk van armoede.

Er zijn in ons land – gelukkig geen mensen meer die werkelijk van honger en ontbering omkomen. Wél zijn er nog heel wat mensen die met bitter weinig financiële middelen moeten rondkomen. Of armoede oorzaak of gevolg is van een feitelijke toestand, kan dikwijls moeilijk worden achterhaald. Voor bepaalde gezinnen is deze financiële toestand alleen maar het gevolg van allerlei tegenslagen (gebroken gezin; gezondheidstoestand van de gezinsleden; verlies van arbeidsplaats,…). Voor andere gezinnen is de financiële situatie oorzaak van armoede (onvoldoende scholing; gebrekkige huisvesting en zwakke gezondheid; slecht betaald of onregelmatig werk,…).

Niettemin moeten wij toch proberen – hoe onvolledig ook – een cijfermatig inzicht te krijgen omtrent het aantal armen. En daarvoor moeten we dan noodzakelijkerwijze het inkomen (of gebrek aan inkomen) als maatstaf nemen. Maar zelfs dat is verre van eenvoudig. Vooraleer we ons kunnen uitspreken over de hoogte of laagte van iemand zijn inkomen, moeten we het volledig inkomen kennen. Dit is echter bijzonder moeilijk. Het "totaal inkomen" zou moeten omvatten:

1° de netto geldelijke ontvangsten, als vergoeding voor het ter beschikking stellen van produktiefactoren (lonen voor de factor arbeid; intresten, dividenden, tantièmes, … voor de factor (roerend) kapitaal; huishuur, pacht of cijns voor de factor (onroerend) kapitaal);

2° ontvangen voordelen in natura (goedkope maaltijden op het werk; wagen van de firma; …)

3° netto opbrengsten van eigen produktie (bv. de opbrengst van een eigen groententuin; het voordeel in een eigen woning te wonen);

4° meerwaarden op eigen roerende of onroerende kapitaalgoederen (of die dan al dan niet worden gerealiseerd, is in eerste instantie van minder belang); (de som van 1° tot 4° noemt men het primaire inkomen);

5° ontvangen sociale uitkeringen in geld; (het primaire inkomen + 5° heet het secundaire inkomen);

6° genoten sociale voordelen in natura (quasi gratis onderwijs, gezondheidszorg, openbaar vervoer, …). (het secundaire inkomen + 6° heet tertiaire inkomen).

Daarnaast moet ook worden afgebakend welke inkomensperiode men zal in beschouwing nemen. Traditioneel neemt men hier een kalenderjaar als relevante eenheid. Nochtans pleiten heel wat argumenten voor een langere periode.

Maar vooral is er dan nog het probleem van de inkomenseenheid. Moet men daarvoor kijken naar het individu, of naar het gezin? In welke mate worden bv. kinderen als een volledige, dan wel als een partiële eenheid beschouwd? Dit alles om te kunnen bepalen hoeveel "eenheden" (d.i. beter dan personen) er van een bepaald inkomen moeten leven.

Het is meteen duidelijk dat het – op het eerste gezicht – eenvoudige criterium van het inkomen als maatstaf voor armoede of rijkdom meer problemen oproept dan het oplost.

5. Aantal armen

Maar ook los van deze terminologische kwestie, is er nog het probleem van het geschikt en betrouwbaar statistisch materiaal.

a) Vooreerst kan men putten uit de macro-economische gegevens (dus cijfers voor het land in zijn geheel) van de Nationale rekeningen.
Deze globale cijfers vertellen echter niets over de verdeling van deze inkomens naar de gezinnen of de personen toe, zodat ze voor ons gebruik eigenlijk alleen maar een algemene indicatie geven.

b) De R.S.Z. publiceert elk jaar gegevens over de gemiddelde maandverdiensten van de verschillende groepen van werknemers. Ook deze gegevens zijn maar gedeeltelijk bruikbaar. Vooreest gaat het slechts om gemiddelden. Maar vooral beperken die cijfers zich tot de inkomsten uit arbeid. M.a.w. er wordt niets gezegd over roerende of onroerende inkomsten, noch over het inkomen van zelfstandigen, gepensioneerden, enz… We weten hier evenmin iets over de gezinssamenstelling.

c) Om al deze redenen zou men er daarom misschien kunnen aan denken de gegevens van de gezinsbudgetenquête van het N.I.S. te weerhouden (omdat daarin zoveel mogelijk alle ontvangsten en voordelen werden genoteerd).
Het nadeel is hier dan weer dat het "slechts" om een enquête gaat (± 2.600 waarnemingen) die bovendien niet zo recent is (1973/1974).

d) Vandaar dat er voor ons eigenlijk maar één statistische bron overblijft, nl. de fiscale statistieken, zoals die om de 2 jaar door de N.I.S. worden gepubliceerd. Hier beschikt men over vrij gedetailleerde gegevens, die toelaten meer te weten over inkomensverdeling in ons land.

Nochtans moet men er rekening mee houden dat zeker niet alle Belgen in deze statistieken zijn opgenomen: zo komen gezinnen met een inkomen, maar met een (grote) gezinslast of een te laag inkomen (bv. de meeste gepensioneerden) niet voor in deze cijfers. Dus de groep die hoogst waarschijnlijk in de categorie "arm" zou vallen, zit al niet in de gegevens. De ramingen over het aantal personen (of gezinnen) dat aldus buiten beschouwing werd gelaten, variëren van 1,2 tot 1,8 miljoen personen of zo'n 25% van het totaal aantal gezinnen.

Verder verplicht het bestaan van fiscale fraude ons tot de grootste omzichtigheid bij de interpretatie van dit statistisch materiaal. De fiscale gegevens liggen bijna zeker aan de lage kant (en overschatten dus het aantal armen).
Bovendien moet er ook rekening worden mee gehouden dat het netto-belastbaar inkomen bekomen werd na toepassing van heel wat forfaitaire aftrekken en abattementen, fiscale vrijstellingen, enz., zodat ook om die redenen de cijfers zeker aan de lage kant liggen.

Maar zelfs als men van iedereen het volledige (tertiaire) inkomen zou kennen, is het probleem van een juiste omschrijving en raming van het aantal "armen" nog niet van de baan. Er moet immers nog een armoedegrens of inkomensdrempel worden bepaald. M.a.w., vanaf welk bedrag beschouwen we het inkomen van een persoon of een gezin "te laag" en dus beneden welk inkomen is iemand arm. Dit is hoe dan ook een eenzijdige benadering, omdat we "arm-zijn" dan alleen maar benaderen vanuit de inkomensoptiek. Zoals elders in het werkdocument werd betoogd, is armoede heel wat anders en heel wat meer dan alleen maar een "te laag inkomen".

In de literatuur zijn in dat verband al heel wat pogingen gedaan om zo'n armoedegrens te bepalen.

- Zo werken sommige onderzoekers met een subjectieve grens (men vraagt aan de mensen zelf wat zij als een "te laag" inkomen beschouwen). Dergelijke gegevens zullen wellicht te hoog liggen (zelfs iemand die "rijk" is, zal verklaren dat zijn inkomen nog te laag is).

Voor ons land dateert het meest recente onderzoek volgens deze benadering van 1976. Daaruit kwamen volgende cijfers naar voren¹ :

________________________________________
¹ J. BERGHMANS: "Armoede en ongelijkheid in België. Een overzicht", B.T.S.Z., 1979, nr. 9, p. 569 e.v.


Socio-vitale minima van de belangrijkste gezinstypes.
(in franken per maand)
1. alleenstaande bejaarde
2. alleenstaande actieve
3. bejaard echtpaar
4. echtpaar: 1 bejaarde, 1 actieve
5. actief echtpaar
6. gezin met 1 kind
7. gezin met 2 kinderen
8. gezin met 3 kinderen
9. gezin met 4 kinderen
10. tweegeneratie-gezin met 3 actieve of bejaarde personen
1976
  9.700
12.300
13.000
16.500
19.600
24.300
27.000
30.300
32.600
22.600
1980°
12.104
15.348
16.222
20.589
24.457
30.322
33.691
37.810
40.680
28.201
________________________________________
° berekend volgens de evolutie van de prijzen.


Op basis van extrapolatie of afleiding werden volgende bijkomende bedragen berekend:
- een bijkomend kind:
- een bijkomende volwassene:
- een bijkomende bejaarde:
+ 1.600 F/maand
+ 7.600 F/maand
+ 3.700 F/maand
+ 1.997
+ 9.484
+ 4.617

- Anderen gebruiken dan een objectieve grens (er wordt een lijst opgemaakt van alle goederen en diensten die door een gemiddeld gezin "normaal" worden gekocht en op basis daarvan berekent men dan hoe hoog het minimum inkomen minstens moet zijn).

Zo berekende de Werkgroep Alternatieve Economie een minimumbudget voor een type-gezin met twee kinderen voor 1972 van 11.639 F. In cijfers van 1980 betekent dit 22.696 F.

- Weer anderen gaan eerder mechanisch te werk (al wie een inkomen heeft dat bv. 50 % lager ligt dan het gemiddeld (nationaal) inkomen per hoofd van de bevolking is arm). Een dergelijke methode zou voor gevolg hebben dat het probleem van de armoede nooit op te lossen is, hoe hoog het gemiddeld nationaal inkomen ook zou mogen worden.

- Tenslotte kan men ook een wettelijke grens nemen (bv. op basis van het gewaarborgd minimum inkomen dat door de wetgever is bepaald).

Zo bedroeg in ons land op 1 april 1981 het gewaarborgd minimum voor bejaarden 13.660 F voor een gezin en 10.492 F voor een alleenstaande. Het bestaansminimum of leefgeld voorziet in dezelfde bedragen voor gezinnen en alleenstaanden. Samenwonende personen ontvangen 6.830 F per maand per persoon.

Op basis van allerlei methodes, vindt men in de literatuur schattingen over het aantal armen in België. De cijfers variëren van 10 tot 25 % van onze bevolking. Het cijfer van 10% lijkt wel een algemeen aanvaard minimumcijfer te zijn. Dat zou dus willen zeggen dat in ons land 1 miljoen armen wonen of ongeveer 300.000 arme gezinnen.

6. Armoede en samenleving

Vermits armoede een dermate complex fenomeen is, menen wij dan ook dat het geen enkele zin heeft het probleem van de "armoede" via de "armen" aan te pakken. Elk "arm" individu is meestal een dermate éénmalig geval, met een voor hem specifiek stel van oorzaken en situaties, dat een groepsgewijze aanpak hier bij voorbaat tot mislukken is gedoemd.

Verder mogen we niet uit het oog verliezen dat de armoede zijn eigenlijke wortels heeft in de structuur zelf van onze samenleving.

Onze maatschappij maakt – via een uiterst complex net van kanalen, zoals opvoeding, milieu, communicatiemedia, publiciteit,… - bij alle burgers een groot pakket van verwachtingen en aspiraties los. Het opperste geluk is blijkbaar alleen weggelegd voor diegenen die hogere studies gedaan hebben; een prestigieuze baan bekleden; wonen in een riante woning gelegen in een groene zone; een normaal gezin gesticht hebben; minstens eens per jaar naar het buitenland op reis gaan; met een dure wagen rijden; enz…

Voor heel wat mensen liggen die verwachtingen, ligt dat vaak kunstmatig gecreëerd "ideaalbeeld", echter veel te hoog, hetzij om redenen buiten hun wil om (bv. omdat de maatschappij hen geen passende job kan bezorgen; omdat hun gezondheid bepaalde taken niet toelaat; enz.), hetzij om redenen van onredelijke hoge aspiraties (bv. iemand die met moeite lager onderwijs aankon, moet niet hopen chirurg te worden). Het resultaat is in elk geval dat er onvermijdelijk een te grote kloof ontstaat tussen verwachtingen en realisaties. Als gevolg daarvan ontstaan teleurstellingen en frustraties. Zo vinden heel wat afgestudeerden geen werk; diegenen die werk hebben vinden dan weer hun inkomen te laag of de aard van het werk beneden alles.

Velen zijn niet tevreden met hun huisvestingssituatie; ervaren hun gezinsleven als niet meer bevredigend enz… Al die niet-ingeloste verwachtingen, frustraties en spanningen moeten zich ontladen. Dit kan op velerlei manieren gebeuren: door opstandigheid, door onverschilligheid, door de aantasting van de gezondheid door bv. de maatschappelijke stress, door misbruik van alcohol, tabak, geneesmiddelen, door zich in eenzaamheid af te sluiten, door criminaliteit (ofwel als wraak tegen die als onrechtvaardig aangevoelde gemeenschap, ofwel om zich toe te eigenen wat men langs "normale" weg niet kan bekomen), enz…

Dit alles kan zodanig evolueren dat daardoor iemand ofwel verder terugvalt in de vicieuze cirkel van de armoede, ofwel er in terecht komt. Het is dus van belang te meten waar in de samenleving teveel verwachtingen worden opgewekt die niet altijd voor iedereen op een bevredigende manier kunnen worden ingelost.

Vooreerst is het zo dat onze samenleving, en eigenlijk onze hele beschaving, nog steeds zwaar de nadruk legt op het economisch gebeuren. Nog steeds wordt de financiële positie, de maatschappelijke achting, het sociale leven van een individu of gezin bepaald door de mate waarin het een produktieve bijdrage levert in dit economische proces.

Een van de meest typische kenmerken van de kansarme bevolkingsgroepen is de zwakke (of onbestaande) participatie aan het produktieproces. Het is nochtans niet mogelijk te zeggen wat hier oorzaak en wat hier gevolg is.

Zo zijn sommigen arm omdat ze niet of niet meer aan het produktieproces kunnen deelnemen; anderen kunnen niet aan het produktieproces deelnemen omdat ze arm zijn (en bv. niet de geschikte studies konden volgen).

Maar ook andere elementen beïnvloeden de kansarmoede. Namelijk de houding en gedragingen, zowel van die kansarmen zelf als de rest van de bevolking.

Heel vaak vertonen kansarmen een afwijkend gedrag t.o.v. het dominante gedrags- en cultuurpatroon van de rest van de samenleving.

Niet alleen zijn er individuen die alleen of in groep de maatschappij "ontvluchten" en uit "maatschappelijk engagement" de weg van de armoede kiezen, bovendien zijn er personen die om welke reden dan ook niet uit hun armoedepositie willen geholpen worden.

Op het vlak van de persoonlijkheidsstructuur en de psychologische werkelijkheid van de individuen wordt in de literatuur gewezen op de vlucht voor de realiteit en de angst voor de toekomst die uitmonden in berusting en het zich "comfortabel" nestelen in de gegeven situatie.

Anderzijds is het ook zo dat de maatschappelijke tolerantie t.o.v. andere gedragspatronen meestal niet zo groot is. Dat armoede en niet-conventioneel gedrag wel eens correleren, maakt de oplossing van het probleem alleen maar moeilijker. Wie zich niet gedraagt zoals de meerderheid, wordt bezwaarlijk geholpen.

Kansarmen zijn dan ook vaak het object van heel wat vooroordelen en discriminaties vanwege de rest van de samenleving. In een samenleving waar maatschappelijk succes hoog aangeschreven staat, worden kansarmen als mislukkelingen beschouwd. De oorzaak hiervan wordt daarbij nog toegeschreven aan de kansarmen zelf: ze zijn arm ten gevolge van hun luiheid, domheid of immoraliteit. Zo worden de werklozen in deze crisistijd door de meer welvarende goegemeente met de vinger nagewezen.

Wij zouden dan ook willen pleiten voor een beleid dat in de eerste plaats de "arm-makende" factoren en –drempels in de structuur zelf van onze post-industriële samenleving aanpakt, dat we op zoek zouden gaan naar al die factoren die beletten dat iemand méér dan nu het geval is, participeert aan alle mogelijke bestaande sociale handelingen en activiteiten.



OORZAKEN VAN ARMOEDE


Welke zijn nu de oorzaken waarom iemand achterop geraakt tegenover zijn medeburgers en waarom het zo moeilijk is voor deze betrokken individuen deze situatie om te keren. Als we dit weten, moet het dan ook eenvoudig zijn een aantal concrete beleidslijnen en -maatregelen naar voren te schuiven die hieraan kunnen verhelpen.

I. PARTICIPATIE AAN DE SAMENLEVING

A. Een gebrekkige participatie

1. Enkele vaststellingen

Heel wat mensen slagen er niet in zich in de samenleving te integreren of er volwaardig deel aan te nemen.

Deelname aan het maatschappelijk leven kan het individu uit zijn kansarme situatie halen: hij krijgt immers kennis van de diverse hulpverleningsmechanismen.

De armoedesituatie is er echter vaak zelf de oorzaak van dat het individu niet participeert. Precies omdat hij zich de mindere voelt en omdat hij meestal niet inziet dat die deelname hem iets kan bijbrengen, participeert hij niet. Het niet-lid zijn zal zijn achteruitgestelde situatie nog versterken. Hij zit dus in een vicieuze cirkel.

Stellen we inderdaad niet vast dat nog een groot gedeelte van onze bevolking geen lid is van een of andere socio-culturele, syndicale, politieke of religieuze vereniging, waardoor ze vaak onwetend blijft over bestaande mogelijkheden of kansen om bepaalde problemen op te lossen. Bovendien is het ook zo dat wie géén deel uitmaakt van een georganiseerde groep, dikwijls meteen maatschappelijk onmondig is: de solidariteit van de groep stopt waar de ledenlijst eindigt.

We stellen ook vast dat het huidige materialisme en egoïsme de buurtsolidariteit van vroeger heeft verdrongen.

Zelfs de familiale banden en verplichtingen zijn erdoor aangetast. Zo klagen bv. de ouderen vooral over het maatschappelijk isolement waarin ze terechtgekomen zijn (de kinderen komen bv. niet meer op bezoek), veel meer dan over hun financiële situatie.

Ook kan de vraag worden gesteld in hoeverre het thans bestaande en overdreven uitgebouwde stelsel van verplichte sociale zekerheid niet het egoïsme van de mensen nog vergroot heeft. Men vindt namelijk dat men reeds méér dan zijn plicht gedaan heeft door de bijdragen te betalen en als er zich dan ergens in de buurt een "sociaal probleemgeval" voordoet, beschouwt men dit niet meer als "zijn zaak", want "de Staat moet daar maar voor zorgen".

Tenslotte stellen we vast dat de bevolking de kansen, die ze krijgt om haar stem te laten horen bij de politieke besluitvorming, niet altijd volledig opneemt. Zo is het aantal afwezigen en het aantal blanco en ongeldige stemmen bij de parlementsverkiezingen sinds 1961 steeds maar toegenomen en bereikte in 1974 een – voorlopig ? – hoogtepunt met 17,6% niet-stemmers.

2. De bureaucratie

Onze maatschappelijke structuren maken de participatie aan de samenleving zeker niet gemakkelijker. De overheid – die een belangrijke stimulator zou kunnen zijn – werkt hier blijkbaar niet in gunstige zin aan mee.

Zo is de bureaucratisering een algemeen en onvermijdelijk kenmerk van de overheidsbemoeiing. Voor elke maatregel die wordt ingesteld worden tevens de nodige formulieren gecreëerd, de hiërarchische weg uitgestippeld en de procedure vastgelegd. De onpersoonlijkheid der overheidsadministratie, de niet-betrokkenheid van de ambtenaar, voert dit bureaucratisch gedoe nog op. Het gebrek aan samenwerking, aan coördinatie tussen de verschillende diensten is er tevens de oorzaak van dat dezelfde procedures moeten worden overgedaan, dat afschriften van documenten steeds opnieuw moeten worden ingeleverd.

De burger voelt zich hierdoor meer en meer onzeker. Dit onzekerheidsgevoel leidt ofwel naar apathie, onverschilligheid ofwel naar agressie, als bekentenis van de eigen onmacht. De burger kent niet alle regels en houdt hiermee dus geen rekening. Ofwel kent hij ze wel, maar aanvaardt ze niet; hij zal trachten eraan te ontsnappen. Hierop reageert de overheid met een nog rigoureuzere reglementering die uiteraard haar doel nog meer mist.

De burger voelt de situatie, waarin de overheid hem meer en meer drijft, aan als een aantasting van zijn vrijheid, zijn vrijheid van denken, van handelen, van zichzelf te zijn. Het keurslijf, waarin we ons bewegen, wordt verder dichtgesnoerd.

De complexiteit en onontwarbaarheid van onze samenleving heeft voor de burger nog andere gevolgen. De apathie, waarvan we reeds spraken, brengt vaak eenzaamheid met zich mee: de burger, die niet wordt geholpen of die meent dat hij niet wordt geholpen, sluit zich in zijn onmacht af van de buitenwereld.

Wanneer de burger aanvoelt dat de staat meer en meer taken op zich neemt, zal hij zijn eigen inspanningen verminderen en zijn eigen creativiteit laten rusten. Hij voelt geen nood meer aan solidariteit met de andere burgers of ziet geen heil in hulpverlening. Hij rekent nu immers volkomen op de staat.

Misschien wel het zwaarste gevolg voor de burger is het feit dat zijn problemen niet aan een oplossing toe komen. Ofwel vindt hij de juiste overheid niet, ofwel vindt hij in het wettenlabyrint niet de juiste teksten, ofwel doet hij niet eens meer de moeite om tot een oplossing te komen.

De ondoorzichtigheid van de samenleving leidt tot de creatie van twee soorten burgers. Zij die de weg kennen, die over informatie beschikken én deze informatie kunnen verwerken; zij gebruiken hun kennis en hun positie op de voor hen meest voordelige manier. Langs de andere kant zij, en dit is het grootste deel van onze bevolking, die de juiste weg niet kennen, die onjuist en te weinig geïnformeerd worden en aldus vaak niet eens hun rechten kunnen opeisen.

3. Sociale weerbaarheid

a) Naar meer vereenvoudiging

In de eerste plaats dienen we ons streven maximaal te richten op vereenvoudiging, zowel naar vorm als naar inhoud. Vereenvoudiging beduidt niet alleen minder normering, maar tevens meer duidelijkheid en meer samenhang. Hierdoor zal tevens de efficiëntie van de genomen maatregel hoger worden.

Er moet ook meer eenvormigheid zijn. Oprechte solidariteit veronderstelt dat elkeen in gelijke noodsituaties op gelijke voorzieningen moet kunnen rekenen.

De structurering van de overheidsdiensten dient zo te geschieden dat een optimale decentralisatie, deconcentratie en coördinatie er het gevolg van is. Kleinschaligheid is een devies waardoor we de dienstverlening zo dicht mogelijk bij de burger kunnen brengen. In deze kleinschalige diensten dient de interne samenwerking en de coördinatie met andere diensten zo intens uitgebouwd te zijn, dat de burger zich slechts tot één ambtenaar moet wenden om een waaier van hulpverlening te zien opengaan.

Als correlatief hierbij dienen de zgn. eerste, tweede- en derdelijnsvoorzieningen te worden opgezet. Onze kleinschalige diensten zijn eerstelijnsvoorzieningen waarbij elkeen zonder vrees, zonder voorspraak, zonder wachttijd kan aankloppen om ofwel zijn probleem opgelost te zien worden, ofwel om verwezen te worden naar een tweedelijnsvoorziening of een derdelijnsvoorziening.

b) Het wapenen van de burger

De burger zelf moet eveneens ten volle voorbereid zijn op persoonlijke moeilijkheden, op tegenslagen. Hij moet een politieke en een sociale weerbaarheid aankweken. Elementen om deze sociale en politieke weerbaarheid te bereiken zijn informatie en motivering via het onderwijs en de permanente vorming.

Wie zich wil te weer stellen moet in de eerste plaats weten over welke middelen hij kan beschikken. De burger dient dan ook strikt objectief geïnformeerd te worden en te zijn over alle mogelijkheden die bestaan, over alle rechten en plichten die hij heeft, over alle alternatieven waartussen hij mag kiezen. Deze openheid en informatie moet leiden tot inspraak en actieve participatie.

Sociale en politieke weerbaarheid veronderstelt bovendien dat de burger voor zichzelf bewust is van de noodzaak ervan. Hij moet permanent gemotiveerd zijn om deze weerbaarheid te ontwikkelen. Hij moet ervan overtuigd worden dat die weerbaarheid één der voornaamste hulpmiddelen is om zichzelf volledig te kunnen ontplooien, naar een volledig en volwaardig menszijn.

De motivering dient eigenlijk aan te vangen bij de jeugd. Wanneer hier een stevige basis kan gelegd worden, houdt dit garanties voor de toekomst in. Het onderwijs is zich echter alsnog te weinig bewust van deze taak. Het onderwijs dient meer afgestemd te zijn op de maatschappelijke werkelijkheid en minder op de zgn. "voorbereiding op het latere leven". Op elk niveau in het leerproces dient te worden uitgegaan van de samenleving zoals zij momenteel is.

De aldus verworven motivatie dient echter na deze "schoolperiode" te worden bestendigd. Volwassenen moeten via de permanente vorming de nodige structuren en initiatieven aangeboden worden om hun sociale en politieke weerbaarheid actueel te houden.

4. Selectiviteit, preventie en samenlevingsopbouw

Naast de sociale weerbaarheid moet een liberaal beleid dat de kansarmoede wil aanpakken, gestoeld zijn op de principes van selectiviteit, preventie en samenlevingsopbouw.

Dit liberaal beleid is een selectief beleid: het steunt op de objectieve bepaling van iemands socio-economische levenssituatie en verwerpt het negentiende-eeuwse concept van behoeftigheid. Wie nood heeft moet geholpen worden. Wie de grootste nood heeft, moet het eerst geholpen worden.

Het legt ook zeer sterk de nadruk op de preventie: het voorkomen van wantoestanden, het voorkomen van noodsituaties, het voorkomen van ziektes.

Als derde principe stellen wij een politiek van samenlevingsopbouw voorop. Het is van beneden uit dat de noden moeten aangevoeld worden, het is aan de basis dat de problemen moeten opgelost worden, het is met de volle medewerking van de burgers zelf dat de maatschappij moet opgebouwd en verbeterd worden. Hier ligt een zware opdracht voor het buurt- en opbouwwerk; de jeugdclubs e.d.m.

B. Onmacht en onwil tot participatie

Een aantal groepen in onze samenleving hebben nogal wat moeite met de algemeen aanvaarde maatschappelijke normen. Het niet aanvaarden van culturele of rechtsnormen brengt de leden van die groepen dan ook gemakkelijk naar marginale posities.

1. Afwijking van de rechtsnormen: criminaliteit

a) Het rode lampje

Een misdrijf is een relatief begrip. Het wisselt van moment tot moment van groep tot groep, van plaats en situatie. Bepaalde gedragingen waren stafbaar, andere worden strafbaar, zoals bv. het probleem van de alcoholwetgeving en de fiscale fraude.

Juridisch kan een misdrijf echter worden omschreven als "het door de wet strafbaar gesteld gedrag". Dan blijft echter nog de vraag bestaan: wat moet strafbaar worden gesteld? Het antwoord hierop is uiteraard van belang daar de strafbaarstelling een voorwaarde is voor de produktie van de criminaliteit, waarover o.m. de statistieken en de pers ons onderhouden.

Misdrijven en delinquentie ontstaan door reactie op bepaalde gedragingen en situaties, m.a.w. vaak zijn misdrijven een signaal voor structurele en culturele veranderingen van bepaalde samenlevingsvormen. "Signaal" betekent echter "nood", nood van het individu of nood van de maatschappij. Nood betekent een onvoldoend antwoord geven op een bepaald aspect van het leven. Criminaliteit is dan het "rode lampje" t.a.v. de sociale politiek, de maatschappelijke planning, de wetgeving, het welzijnsbeleid, de arbeidssituatie, de volksgezondheid, de huisvesting, m.a.w. hier stelt zich de vraag van wat is fout gelopen.

Delinquentie en deviant gedrag kunnen het gevolg zijn van de vervreemdende effecten van onze samenleving. Toch kan de criminaliteit, ongeacht de heersende normen en leefgewoonten in een samenleving, waarschijnlijk nooit opgeheven worden. Elke dag ondergaan mensen de druk van de sociale en de economische verhoudingen van onze geïndustrialiseerde maatschappij. Potentiële criminaliteit is echter geen kenmerk van bepaalde bevolkingslagen.

We kunnen ons dan ook de vraag stellen of iedere maatschappij zijn misdadigers heeft die zij verdient of dat een gunstige sociaal-economische politiek de criminogene factoren kunnen wegwerken?

b) Het slachtoffer

Bij de benadering van het fenomeen criminaliteit mag echter de problematiek rond het slachtoffer, de victimologie niet worden vergeten. Meestal beperkt men zich tot het nagaan van de rol die het slachtoffer als mededader zou gespeeld hebben bij het tot stand komen van delicten. Bovendien duwt ons huidige strafrechtsysteem het slachtoffer vaak in de vergeethoek: de dader wordt meestal niet in de mogelijkheid gesteld om genoegdoening te geven aan het slachtoffer; het slachtoffer wordt vaak als getuige gehoord, waarbij de verdediging van de verdachte zich nogal eens inspant om die getuigenis en de persoon van het slachtoffer in twijfel te trekken. Het is daarom de fundamentele plicht voor elke rechtsstaat te zorgen voor een bescherming en – indien nodig – een billijke schadevergoeding van de slachtoffers van allerlei criminele en/of terreurdaden.

Zowel voor wat de bestrijding van de criminaliteit als wat de problemen der victimologie betreft moet worden gezegd dat de toverformule, "Oorzaak gekend, oorzaak weg, misdaden weg" definitief tot het verleden behoort.

c) Een historisch verband

De vraag of er een verband bestaat tussen criminaliteit en armoede moet vanuit historisch perspectief positief worden beantwoord.

Zo werd in de eerste decennia van de 19de eeuw bezit nog beschermd door dorpstradities en door een betrekkelijk effectieve informele sociale controle en druk van de eigen groep. De materiële behoefte was misschien groot maar men had over het algemeen lage verwachtingen. Juist die verwachtingen en wensen en niet zozeer de werkelijke materiële behoeften bepalen waarvoor een mens zich inzet, werkt of steelt of is bepalend voor het fout lopen van de situatie. Aldus waren in begin van de 19de eeuw de diefstalcijfers relatief laag. De overgang van de pre-industrie naar de stedelijke, industriële maatschappij, hoewel in 1914 nog niet volledig voltooid, wijzigde dit patroon. Diefstalcijfers gingen met sprongen omhoog, niet ten gevolge van een verwerpen van de geldende waarden, maar als gevolg van het succes van nieuwe waarden en nieuwe vormen van sociale organisatie. De vernieuwing bracht een hoger verwachtingspatroon met zich mee en voor grote groepen betekende het leven in de stad en het nieuwe werk in de industrie een hogere status. Maar velen werden teleurgesteld: de levensomstandigheden (cfr. de huisvesting) in de steden waren mensonterend en het werk was zwaar en voldeed niet aan de verwachtingen.

d) Verwachtingen en resultaat

Criminaliteit is gedrag dat behoort tot de samenleving. Het is een noodkreet, een signaal waarop onze samenleving effectief moet reageren.

Ervaring heeft echter geleerd dat uitsluitend strafrechterlijk optreden geen oplossing meebrengt voor de criminaliteit; daarvoor is het fenomeen "criminaliteit" te complex.

Fundamenteel blijft het voorkomen van spanningen tussen enerzijds de verwachtingen en anderzijds de respons op die verwachtingen.

2. Afwijking van de culturele normen: de vreemdelingen

a) Een heterogene groep

De bijna 900.000 vreemdelingen in ons land vormen geen uniforme groep. Er zijn immers de vele werknemers van internationale organisaties, de buitenlandse studenten, de politieke vluchtelingen,… Zij nemen dan ook onderling sterk uiteenlopende sociaal-economische posities in.

Men kan wel de vreemdelingen duidelijk in twee grote categorieën indelen: immigranten zonder en immigranten met duidelijke integratiemoeilijkheden.

De vreemdelingen zonder geprononceerde integratieproblemen kan men in volgende subgroepen rangschikken:

1. West- en Middeneuropeanen en bewoners van andere werelddelen met een Europese afkomst;

2. Vreemdelingen die tijdelijk in België verblijven ten gevolge van beroepsomstandigheden (ambassades, …), opleidingsmotieven (de buitenlandse studenten) of politieke redenen (de politieke vluchtelingen);

3. Vreemdelingen gehuwd met een Belgisch onderdaan;

4. Vreemdelingen met een intellectueel of ruimtescheppend sociaal-economisch niveau.

Op te merken is ook dat er onder de 900.000 vreemdelingen in ons land 543.632 EG-onderdanen zijn, dit is 63,8 %. Als we er ook Spanje en Portugal - twee landen die in de wachtkamer van de EG zitten – bijtellen, dan loopt dit percentage op tot 72,6%.

Anderzijds stellen we vast dat er duidelijk vier groepen buitenlandse werkkrachten door hun numeriek grotere aanwezigheid opvallen, nl. Marokkanen (9,6 %), Turken (5,9 %), Italianen (33,8 %) en Spanjaarden (7,6 %).

Hier kan men redelijkerwijze aannemen dat vooral de Marokkaanse en Turkse arbeiders ten gevolge van vooral verregaande culturele verschillen (cultuurkloof), maar ook van hun zwakke materiële positie met een meer complexe integratieproblematiek worden geconfronteerd.

Voor Italianen en Spanjaarden zullen de inschakelmoeilijkheden in het maatschappelijk geheel van het vervangende arbeidsland veeleer voortvloeien uit hun reeds oorspronkelijke en hier opnieuw bevestigde zwakke sociaal-economische positie.

b) Identiteitsconflicten

Zeer schematisch kan men in de migrantenproblematiek twee essentiële basisprobleemgebieden onderscheiden, nl., in de mate de moeilijkheden volgen uit of verwijzen naar identiteitsconflicten of/en achterstandhindernissen.

Identiteitsconflicten ontstaan uit de vaak indrukwekkende cultuurkloof tussen het thuisland en het nieuwe arbeidsland.

Wij wijzen niet alleen alle benaderingen van de hand, die een volstrekte conformatie trachten te realiseren met onze gewoonten, zeden en gebruiken en met onze normen en waarden (= assimilatie), maar even "vanzelfsprekend" dienen de cultuurverschillen niet dermate geaccentueerd dat het ontstaan en de ontwikkeling van geïsoleerde culturele "eilanden" wordt in de hand gewerkt.

Slechts door middel van een open – een wederzijds oprechte en wederzijds waarderende – communicatie tussen migranten en de autochtone gemeenschap kunnen beide bevolkingsgroepen elkaars opvattingen en standpunten leren kennen, begrijpen en aanvaarden. Slechts in een sfeer van volle openheid en in een klimaat van gelijkwaardige inschikkelijkheid zullen de migranten hun eigen plaats binnen de samenleving kunnen opnemen, hun specifieke functie en hun verrijkende bijdrage aan het socio-culturele leven kunnen realiseren.

c) Achterstandhindernissen

Achterstandhindernissen volgen in hoofdzaak uit de sociaal-economisch zwakke positie van de migrantengroep in onze samenleving. Maar kansarmoede wordt niet alleen bepaald door financiële gegevens, zij volgt daarnaast uit een samenspel van op elkaar inwerkende vervreemdende en andere negatieve factoren zoals afwijkende cultuurpatronen met een gebrekkige taalbeheersing of een andere gezinsstructuur…

Migranten hebben dan ook minder mogelijkheden tot gelijkwaardige aanwending van en deelname aan de samenleving en haar voorzieningen en dit zowel op het vlak van onderwijs of beroepsopleiding, huisvesting of tewerkstelling.


II. PARTICIPATIE AAN HET GEZINSLEVEN

In het bestek van dit congresverslag, is het niet mogelijk in te gaan op alle aspecten van het gezinsleven die met kansarmoede kunnen te maken hebben. Om deze reden beperken we ons hierna tot twee hoofdgedachten. Als eerste weerhouden we het feit dat één bepaalde vorm van gezinsleven een zodanig overheersende norm is dat ze kansarmoede kan veroorzaken voor al wie niet aan die norm beantwoordt. Vervolgens overlopen we een reeks gezinssituaties die op zichzelf oorzaak of gevolg van kansarmoede kunnen zijn.

A. Gezinnen en mensen: individuele benadering gewenst.

In onze maatschappij vormt het wettig gezin de norm bij uitstek voor het samenleven van vrouwen en mannen en kinderen.

Omdat de hele maatschappelijke organisatie en het hele juridisch en reglementerend apparaat zijn afgestemd op het als traditioneel ervaren gezinstype bestaande uit een echtpaar en kinderen, komen mensen die op een andere wijze samenleven of die alleen staan, evenals gezinnen die niet aan het traditionele type beantwoorden, gemakkelijk in de verdrukking.

Daarenboven heeft het officieel gezinsleven als het ware het monopolie van de bevrediging van de menselijke affectieve behoeften, waardoor emotionaliteit en affectiviteit of eenvoudiger gezegd gevoelsuitingen, zoveel als verbannen werden uit alle levenssituaties die geen gezinssituaties zijn.

Ook hierdoor kan affectieve of gevoelsarmoede ontstaan voor al wie niet in een gezin leeft of geen bevredigende gezinssituatie kent.

Neem bijvoorbeeld de alleenstaanden. Veel talrijker dan de "gouden vrijgezellen" of "lustige weduwen", zijn de zovele schrijnende levenssituaties van geïsoleerde mannen en vrouwen die moeilijk aansluiting vinden met een samenleving die hen niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk "niet ziet staan". Ogenschijnlijk onbenullige voorbeelden hiervan zijn het beperkt aantal kleine tafeltjes in cafés en restaurants, de nieuwsgierige blikken van andere gebruikers, de soms zeer hoge toeslagen voor "single" reizen, de al dan niet milde achterdocht jegens ietwat oudere vrijgezellen. Zonder overdrijven mag gesteld worden dat het participeren aan alle aspecten van de samenleving, en zeer zeker aan allerlei vormen van vrijetijdsbesteding, grotere inspanningen vergt van alleenstaanden dan van echtparen en gezinnen. Deze inspanningen zijn meestal eerder van psychologische, dan van zuiver financiële aard, doch mogen niet onderschat worden. Voor mensen die hiertegen niet opgewassen zijn of op een afwijzende omgeving stuiten, kan reële kansarmoede ontstaan.

Dient gezegd dat deze kansarmoede verergert, wanneer de alleenstaande tevens financiële moeilijkheden of gezondheidsproblemen kent, dan wel te jong of te oud is om voor zichzelf te kunnen zorgen. In dit geval immers, is de alleenstaande aangewezen op collectieve voorzieningen die meestal wel de nodige materiële verzorging, maar slechts zelden een behoorlijke affectieve opvang verstrekken. Denk aan tal van bejaardentehuizen, of aan de vele onpersoonlijke en kille kinder- en jeugdtehuizen…

Hier past aandacht voor een groep mensen die tot op heden op wettelijke wijze schromelijk gediscrimineerd wordt, te weten de kinderen die niet uit een wettelijk huwelijk geboren zijn. Zonder overdrijven mag gesteld worden dat de natuurlijke, de overspelige en andere niet wettelijke kinderen het slachtoffer zijn van een door de wet zelf georganiseerde kansarmoede. Na zijn veroordeling door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zou het de Belgische Staat sieren eindelijk werk te maken van de verdere behandeling en goedkeuring van het wetsontwerp betreffende de afstamming.

Behalve alleenstaanden, ondervinden ook mensen die samenleven op een wijze die van de officiële gezinsnorm afwijkt, tal van moeilijkheden.

Wanneer ze al niet te maken krijgen met het onbegrip van hun omgeving, stuiten ze onvermijdelijk op de onaangepastheid van allerlei reglementeringen. Zo was er een gerechtszaak nodig om te doen aanvaarden dat een thuisblijvende man in het ziekenboekje van zijn werkende echtgenote kon ingeschreven worden; zo betaalt een werkende vrouw wel voor "weduwen en wezen", maar vestigt ze geen rechten op een weduwnaarspensioen of wezensteun in hoofde van haar echtgenoot en kinderen. Zo moet een vrouw inzake sociale zekerheid bewijzen dat ze gezinshoofd is, terwijl het voor mannen als het ware de sociale zekerheid is die moet bewijzen dat ze géén gezinshoofd zijn, enz. enz… Allemaal voorbeelden van het feit dat onze samenleving in al haar aspecten bijna uitsluitend afgestemd is op officiële gezinnen met een welomlijnde interne taakverdeling.

Onder meer om deze redenen, worden homosexuelen moeilijk aanvaard, zeker wanneer ze hun eigenlijke sexuele geaardheid niet verbergen. Hun kansen tot gewone participatie aan de samenleving worden nog steeds aanzienlijk beperkt, en dat voor bijna alle aspecten van het maatschappelijk leven. Homosexuelen stuiten niet zozeer op formele belemmeringen, maar op de afkeuring, afkeer en morele veroordeling van heel wat van hun medemensen. Ze worden inderdaad niet of maar moeilijk aanvaard omdat ze "anders" zijn dan de meerderheid en omdat die meerderheid hun anders-zijn aanvoelt als een bedreiging zonder dit echter te kunnen of te willen erkennen. Niet zelden kunnen homosexuelen slechts gewoon participeren aan de samenleving, wanneer ze hun eigenlijke geaardheid zorgvuldig verbergen, dat wil zeggen wanneer ze permanent huichelen…

Al wie zich niet wil of niet kan inpassen in het gezinspatroon, loopt het gevaar in moeilijkheden te geraken, ofwel omdat de wetgeving en de reglementeringen met dergelijke situaties geen rekening houden, ofwel omdat de medemensen ze niet begrijpen, niet aanvaarden en niet zelden afkeuren en veroordelen. Hierdoor kunnen mensen in hun gevoelsleven belemmerd worden, hetgeen leidt tot affectieve kansarmoede; hierdoor ook kunnen mensen in de maatschappelijke marginaliteit gedrongen worden. Wanneer deze mensen met bijkomende problemen af te rekenen krijgen, wordt het risico van gecumuleerde kansarmoede vanzelfsprekend nog groter.

Omdat dergelijke situaties meestal nauw verbonden zijn met de meest intieme levensomstandigheden, zijn oplossingen vanzelfsprekend ingewikkeld en delicaat. Ze zijn het des te meer omdat de kansarmoede die eruit kan voortspruiten, niet enkel te wijten is aan bijvoorbeeld de onaangepastheid van reglementeringen, maar ook en soms vooral te wijten is aan de mentaliteit van de samenleving. En reglementeringen zijn nu eenmaal gemakkelijker te veranderen dan mentaliteiten…

In het welzijnswerk werden de jongste jaren heel wat aandacht en middelen besteed aan de affectieve noden: men probeerde kinderen en jongeren eerder in gezinnen dan in tehuizen te plaatsen; er kwamen meer tehuizen van het gezinsvervangende type; de bejaardenzorg streefde ernaar bejaarden zo lang mogelijk thuis te laten; ook voor langdurig zieken werd naar thuisverzorging gestreefd. Onder druk van de economische crisis wordt er echter minder geld vrijgemaakt voor dergelijke initiatieven. Dit betekent dat de evolutie naar humaner vormen van opvang en begeleiding weleens ernstig belemmerd, zo al niet volledig stopgezet zou kunnen worden.

Iets gelijkaardigs lijkt zich voor te doen op het vlak van de mentaliteiten. Dat waar een grotere verdraagzaamheid zich scheen ontwikkeld te hebben, en men het enge gezinsbeeld enigszins leek te verlaten zodat er groter aanvaarding van andere samenlevingsvormen leek te ontstaan, wordt thans opnieuw het meer traditioneel gezinstype vooruit geschoven en groeit opnieuw de maatschappelijke onverdraagzaamheid.

Nochtans kan de specifieke kansarmoede die we tot nog toe hebben behandeld, enkel maar efficiënt worden voorkomen, indien men de mensen meer individueel benadert. Deze individuele benadering is nodig zowel op het vlak van de reglementeringen, als op dat van de mentaliteiten.

Het nog meer benadrukken van het gezin als enig levenskader, bijvoorbeeld door het hele sociale zekerheidsstelsel op de gezinnen af te stemmen, is niet enkel een onduldbare inmenging in het privé-leven van de burgers, het zou de alleenstaanden nog meer dan thans tot (eigenlijk ongewenste) uitzonderingen op de regel maken en de kans op marginalisering vergroten.

Inspiratie voor oplossingen vindt men in het bij uitstek liberaal beginsel dat de vrijheid van een mens alleen maar beperkt mag worden door de vrijheid van de anderen. Indien men dit beginsel meer zou toepassen en willen inzien dat deze vrijheid inhoudt dat men niemand een model van leefwijze, een gezinstype, een rolpatroon mag opdringen zou heel wat kansarmoede vermeden worden.

We willen dit hoofdstukje, dat we ook ironisch "ja-gezin, neen-gezin" zouden kunnen noemen, niet afsluiten zonder te wijzen op een op het eerste gezicht paradoxaal gevolg van het veralgemeend vooruitschuiven van het officieel gezin.

Omdat alleen het officieel gezin erkend wordt, worden enkel aan deze gezinsvorm financiële en fiscale gevolgen verbonden. Zo worden alleen de inkomsten van gehuwden samengesteld, zo zijn enkel gehuwde paren elkaar bijstand verschuldigd, zo wordt de "splitting" alleen toegepast voor gehuwden… Deze gevolgen zijn inmiddels zo zwaar geworden dat steeds meer paren beslissen niet te huwen om eraan te ontsnappen. Met andere woorden: het uitsluitend erkennen en fiscaal sanctioneren van de officiële gezinsvorming brengt meer en meer mensen ertoe deze te vermijden. Eenzelfde paradoxaal effect mag verwacht worden van een eventuele beperking van de rechten op individuele sociale zekerheid van de gehuwden: er zal minder gehuwd worden. Dergelijke situaties leiden niet noodzakelijk tot kansarmoede, hoewel bijvoorbeeld het werkloos worden van één der echtgenoten zonder of met slechts een beperkt recht op werkloosheidsvergoeding (omwille van het "voldoende" geacht gezinsinkomen), ertoe kan leiden dat bijvoorbeeld de gezinswoning niet meer kan afbetaald worden, met alle gevolgen vandien.

Aan deze paradoxale toestanden kan enkel maar een einde gesteld worden ofwel door alle samenlevingsvormen op dezelfde wijze te behandelen als de officiële gezinnen (maar de omzeilingmogelijkheden zijn in het eerste geval veel groter dan in het tweede), ofwel - hetgeen we verkiezen - door het afstemmen van de financiële, fiscale en sociale reglementeringen op enkelingen, eerder dan op gezinnen.

B. Gezinnen in moeilijkheden

Anderzijds vinden een aantal maatschappelijke problemen hun oorsprong in de gezinnen zelf. Het uiteenvallen van een gezin, door echtscheiding, feitelijke scheiding of het overlijden van een van de partners, veroorzaakt niet enkel soms tragische affectieve problemen, maar gaat dikwijls gepaard met grote materiële moeilijkheden. Bijna altijd is er een daling van het inkomen voor de vroegere partners of voor de overgeblevenen; niet zelden komt de nu alleenstaande vrouw helemaal zonder bestaansmiddelen te staan, hetgeen vooral voor vrouwen die nooit gewerkt hebben en te oud bevonden worden om te werken, dramatisch is. Hun kansen tot verdere volwaardige participatie aan de samenleving worden hierdoor vanzelfsprekend drastisch beperkt. Wanneer ze kinderen ten laste hebben, wordt hun situatie nog moeilijker en zien ze hoe ook hun kinderen in hun kansen beperkt worden.

Er bestaan helaas ook gewelddadige gezinnen: kindermishandeling en vrouwenmishandeling getuigen dit. Slechts de jongste tijd krijgt deze vorm van gewelddadigheid enige aandacht, zodat er nog niet zo heel veel over bekend is. Terwijl fysische kindermishandeling vooral schijnt voor te komen in uitsproken kansarme gezinnen die te kampen hebben met een accumulatie van moeilijkheden (onvoldoende inkomen, zeer jong gehuwd, opeenvolgende geboorten, enz.), schijnt dit minder het geval te zijn voor vrouwenmishandeling. De mishandeling en/of verwaarlozing van het individu door zijn partner gaat van brutaal geweld tot de meest geraffineerde psychische aftakeling. Alle tussenvormen zijn binnen onze westerse maatschappij aanwezig, waarbij het wel zo schijnt te zijn dat binnen de groep der kansarmen de fysische confrontatie overwegend voorkomt.

C. De contraceptieve maatschappij

Vruchtbaarheidscontrole is een technische term uit de demografie en de sociologie en doelt op het geheel van middelen waarmee zowel enkelingen als de samenleving hun vruchtbaarheid, dat wil zeggen hun voortplanting regelen. Onder dit begrip vallen dus, voor enkelingen, de technieken van geboorteregeling en geboortespreiding, en voor de samenleving, de formele controlemiddelen zoals het al dan niet wettelijk toestaan van de verkoop van anticonceptiva en de informele controlemiddelen zoals de afkeuring of goedkeuring van de openbare opinie van bijvoorbeeld ongehuwd ouderschap enz.

Onze samenleving is al enkele decennia lang een "contraceptieve samenleving", dat wil zeggen dat het merendeel van de mannen en vrouwen hun vruchtbaarheid onder controle heeft genomen. Uit de jongste Nationale Enquête over Gezinsontwikkeling blijkt dat het overgrote deel van de vruchtbare vrouwen een contraceptietechniek toepassen, en dat ze, meer dan voorheen het geval was, een doeltreffende contraceptie gebruiken. Uit dezelfde enquête blijkt tevens dat het merendeel van de echtparen precies het gewenste aantal kinderen heeft, maar dat deze kinderen niet altijd op het meest gewenste ogenblik geboren worden. Dit alles betekent echter niet dat er op het vlak van de vruchtbaarheidscontrole geen problemen meer zouden bestaan.

Het zal weinigen verbazen dat precies de meest kansarmen de grootste moeilijkheden ondervinden om hun vruchtbaarheid te controleren: zoals informatie over bijvoorbeeld sociale reglementeringen hen moeilijk bereikt, hebben ze weinig informatie over doeltreffende contraceptie. Daarenboven zit informatie over contraceptie nog sterk in de taboesfeer die de sexualiteit heeft omringd, waardoor ze nog moeilijker bereikbaar wordt. Zo hebben we bijvoorbeeld nooit grootscheepse campagnes voor contraceptie gekend, in tegenstelling met onder meer Groot-Brittannië en Zweden.

Een aanzienlijk aantal vrouwen en echtparen wordt geconfronteerd met ongewenste zwangerschappen.

In de huidige stand van de wetgeving, hebben deze vrouwen en echtparen geen andere mogelijkheden dan ofwel de ongewenste zwangerschap aanvaarden, ofwel hun toevlucht nemen tot een clandestiene zwangerschapsonderbreking of tot een zwangerschapsonderbreking in het buitenland.

Ook hier zijn het de meest kansarmen die de grootste noodsituaties kennen. Zij beschikken over de minste mogelijkheden om een geboorte op te vangen (enge behuizing, onvoldoende financiële middelen), zij zijn het minst geïnformeerd over mogelijkheden voor een illegale zwangerschapsonderbreking in eigen land, zij kunnen zich geen ingreep in een buitenlandse kliniek veroorloven.

Om al deze redenen moet ervoor gezorgd worden dat informatie over contraceptie gemakkelijk bereikbaar is, dat ze alle lagen van de bevolking bereikt, en dat jongeren ze tijdig krijgen. Bijzondere aandacht moet hierbij gaan naar jonge, ongehuwde mannen en vrouwen, en naar oudere paren. Beide groepen zijn, blijkens demografische en sociologische onderzoeken, risicogroepen voor wat doeltreffende contraceptie betreft: de eersten omdat ze te jong zijn om kinderen ter wereld te brengen en een volledige sexualiteitsbeleving nog geen constante in hun leven is, de tweeden omdat hun gezin voltooid is en ze minder geneigd zijn dan jongere mensen om hun toevlucht te nemen tot de meest efficiënte contraceptietechnieken.

Al is het duidelijk dat een actiever en ruimer informatie over contraceptie van aard is vele ongewenste zwangerschappen te verhinderen, toch moet men onder ogen zien dat zwangerschappen noodsituaties zullen blijven veroorzaken, waarvoor een oplossing noodzakelijk zal blijven. Om deze reden moet er dringend een wettelijke regeling voor zwangerschapsonderbrekingen komen. Deze regeling moet van aard zijn noodsituaties, ook deze van kansarmen, op te vangen. Men moet ermee rekening houden dat vooral kansarmen benadeeld kunnen worden door een procedure waarin mondigheid belangrijk is. Ook "wie het moeilijk kan uitleggen", ook wie geen ervaring heeft met officiële instanties, heeft recht op een wettelijke oplossing voor haar problemen.

Ten slotte zou meer aandacht moeten gaan naar mensen die wel meer kinderen wensen, maar oordelen dat ze het zich niet kunnen veroorloven.

Inzake verzorging en opvoeding van kinderen worden inderdaad zo'n hoge eisen gesteld aan de ouders, dat een kind meer onoverkomelijk hoge uitgaven kan meebrengen. Wanneer een kind meer de buitenhuiswerkende moeder daarenboven zou verplichten thuis te blijven, wordt het niet zelden helemaal onoverkomelijk.

Hier ligt de oplossing in een beter op elkaar afstemmen van arbeidswereld en gezinswereld, en in de verdere uitbouw van dergelijke en betaalbare kinderopvang.


III. PARTICIPATIE AAN HET ONDERWIJS EN DE VORMING

A. Het maatschappelijk belang van onderwijs en vorming

De sociale rol van het onderwijs als medebepalende factor voor het verhogen van de kansen op geluk van het individu, dient zeker niet meer bewezen te worden.

1. Onderwijs en vorming dragen ertoe bij om het isolement van de enkeling te verminderen

Een eerste vereiste voor het participeren aan het maatschappelijk leven, zij het zelfs louter mentaal, is het begrijpen van wat er in de leefgemeenschap gebeurt. Deze leefgemeenschap nu begint met de straat of het flatgebouw waarin men woont, en strekt zich via stad of dorp, concentrisch uit naar steeds groter wordende geografische entiteiten, om dan te eindigen in een wereld-, ja zelfs cosmische benadering. Het eerste punt van het lastenkohier voor het onderwijs, wordt hierdoor naar inhoud en niveau, in grote trekken geschetst. De geschiedkundige, aardrijkskundige maar ook politieke, sociologische en technologische begrippen, noodzakelijk en nuttig voor het begrijpen en assimileren van de informatie over de leefgemeenschap, zullen dus de brede basis vormen voor de onderwijsinhouden, die dusdanig gekozen en bijgebracht zullen worden dat zij het individu behoeden voor vervreemdingsgevoelens die steeds het resultaat van onbegrip zijn.

Dat het onderwijs niet altijd in deze opdracht is geslaagd wordt het meest schrijnend geïllustreerd door het fenomeen van het analfabetisme, dat ook bij ons nog in ruime mate bestaat. Zo'n 200.000 volwassen – zowel jongeren als ouderen – in Vlaanderen kunnen immers niet of nauwelijks lezen en schrijven. Dit vormt niet alleen een enorme handicap in het arbeidsmilieu, het is vooral een belemmering van hun algemene ontplooiing. Vaak brengt het ook afzondering en teruggetrokkenheid met zich.

2. Onderwijs als maatschappijverrijkende factor

Het onderwijs moet het individu voorbereiden en een actieve deelname aan de democratische besluitvorming. Daarom zal het in zijn filosofische benaderingen opbouwend, kritisch, analyserend en vergelijkend optreden. Elk opgedrongen dogma en elke slogansleur leiden tot geestelijke verarming. Het onderwijs moet dus gericht zijn op "vrij onderzoek" maar moet de enkeling wapenen om zijn individueel zoeken in optimale omstandigheden mogelijk te maken. Het zal dus nooit veroordelen maar wel voorlichten. Het zal ook de volledige waaier van richtingen aangeven en dus niet liegen door opzettelijk verzwijgen of verkeerd voorstellen van meningen die niet overeenkomen met de filosofie van de onderwijzende, of van het onderwijsnet. Het geeft dus nooit een mening mee, maar wel de mogelijkheden om een eigen mening te vormen.

Het onderwijs zal het individu voorbereiden op het leveren van zijn bijdrage tot het algemeen welzijn in de toekomstige leefgemeenschap. Daartoe zal het o.m. voorbereiden op de uitoefening van een beroep dat de enkeling toelaat een zo hoog mogelijke eigen levensstandaard te verkrijgen, en tevens op gepaste wijze bij te dragen tot het verstrekken aan de gemeenschap van de middelen die de overheid nodig heeft, in het raam van haar regulerende en organiserende plicht, aan het hoofd van een geordende samenleving.

Het onderwijs zal het individu voorbereiden om de hem toegewezen taak in gezins- en familieverband naar behoren en met voldoening te volbrengen. Daarmee bedoelen we dat de mentale conditionering voor elke rol in gezins- en familieverband in het onderwijs en de vorming ingebouwd moet worden. Het moeder- en vaderschap, de rol van de grootouders en van de kinderen, lateraal en naar boven en onder toe, moeten systematisch geestelijk voorbereid worden met het oog op het verwerven van de capaciteit om liefst persoonlijke recepten toe te passen om conflictsituaties te vermijden, in om het even welke rol die het leven ons in familieverband toebedeelt.

De vorming zal ook voorbereiden op de specifieke geestelijke situaties die verband houden met de drie belangrijkste levensfasen, die door een mens in normale omstandigheden doorlopen worden. Wij bedoelen hiermee achtereenvolgens de periode tijdens dewelke wij geestelijk en lichamelijk voorbereid worden op de actief-produktieve levensperiode, daarna deze periode zelf, en achteraf de post-actieve periode. Te dikwijls wordt vastgesteld dat waar het onderwijs er doorgaans in slaagt op vrij behoorlijke wijze voor te bereiden op de noodzakelijke kennis en kundigheden voor de actief-produktieve periode, de mentale voorbereiding voor deze periode en zeker voor de erop volgende post-actieve helemaal onbestaande is, hetgeen tot morele verspillingen en ontredderingen leidt, die even schadelijk zijn voor de maatschappij als voor het individu. Waar doet men bv. iets om iemand voor te bereiden op een rol als chef of als ondergeschikte? En behalve de particuliere initiatieven, die gelukkig steeds talrijker worden, in verband met problemen van de derde leeftijd, waar wordt voldoende aandacht besteed aan de mentale voorbereiding van de pensioensituatie?

3. De inhoud van het onderwijs

We wensen dan ook dat in het onderwijs en de vorming meer de nadruk zal gelegd worden op de thans te veel verwaarloosde dimensies van de onderwijsinhouden.

Terwijl de moderne pedagogiek steeds maar betere methodieken nastreeft om tot kennisverwerving en assimilatie te komen, menen wij dat meer systematisch aandacht moet gaan naar mensverrijkende facetten van onderwijs en vorming.

Onderwijs en vorming zullen dan ook:

- steunen op de principiële en fundamentele gelijkwaardigheid van alle mensen;
- levensecht zijn en dit zowel op moreel, sociaal als professioneel vlak;
- gericht zijn op de ontplooiing van het individu;
- kind- en gezinsvriendelijk zijn;
- democratisch en maatschappelijk verrijkend;
- afgestemd zijn op het vrije onderzoek.

B. Het onderwijs- en vormingsaanbod

1. Het onderwijs

Indien men aan onderwijs en vorming hoge en soms bijkomende eisen stelt dient eerst onderzocht of de vereiste infrastructuur aanwezig is, dus of er voldoende aanbod is.

Wat het formeel onderwijs gegeven in de scholen betreft, is ons antwoord hierop duidelijk positief. Het aantal en de spreiding van de scholen is zeker voldoende en volgens velen zelfs overdreven. Dit geldt zeker voor het basisonderwijs, het secundair- en het hoger onderwijs. Voor het hoger onderwijs moet zelfs van een wildgroei gesproken worden.

Voor kinderen met een fysische en/of mentale handicap moet gestreefd worden naar de onderwijsvorm die het best bij de mogelijkheden van het kind past en maximaal kan bijdragen tot een in alle opzichten menswaardig bestaan van de mindervalide.

Elke probleemsituatie moet afzonderlijk en objectief benaderd worden. Daar waar het kan moet het gehandicapte kind opgenomen worden in het schoolleven der validen: dit geldt zeker voor een groot aantal fysisch gehandicapten met een normaal intelligentieniveau. Deze natuurlijke integratie impliceert dat binnen de onderwijsinstellingen de nodige infrastructuur aanwezig is, zowel wat de verplaatsing binnen de gebouwen als de hygiënische verzorging tijdens de aanwezigheid op school betreft.

Voor de kinderen met een zware zintuiglijke handicap – blindheid, doofheid – moeten alle wetenschappelijke en technologische middelen aangewend worden om de betrokkenen in gespecialiseerde onderwijsinrichtingen tot de hoogst mogelijke graad van communicatie met hun medemensen te brengen. Ook deze onderwijsvormen moeten zich aanpassen aan het intellectuele potentieel van elk kind afzonderlijk en moet daarbij gericht zijn op een zo breed mogelijke waaier van ontplooiingsmogelijkheden.

Kinderen die licht of matig mentaal gehandicapt zijn hebben eveneens recht op aangepast onderwijs. Er moet echter vermeden worden dat kinderen met een sociaal-culturele handicap in deze groep terecht komen.

Instellingen voor buitengewoon onderwijs kunnen deel uitmaken van bestaande of nog te vormen scholengemeenschappen. Zo krijgen alle kinderen een ruim spectrum aan mogelijkheden. Het systeem mag in geen geval beletten dat de geboden kansen niet zouden benut worden om op die manier vastgeroeste structuren in stand te houden: de overgang van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs zou dus op het gepaste ogenblik moeten mogelijk zijn. De overheveling moet voor elk geval grondig voorbereid worden en achteraf nauwlettend gevolgd en eventueel bijgestuurd worden.

Pedagogisch en methodologisch veronderstelt dit alles niet enkel de aanwezigheid van een gespecialiseerd onderwijs- en begeleidingsteam binnen elke instelling voor buitengewoon onderwijs. Hiernaast is het noodzakelijk om al de personen betrokken bij het educatieproces in het gewoon onderwijs te vormen en te motiveren voor de omgang met minder-valide kinderen: de opvang van deze minder-valide leerlingen dient immers door de hele schoolgemeenschap te gebeuren.

Inzake onderwijs is er ook nog een belangrijke groep die geen aangepaste kansen krijgt om op een degelijke manier onderwijs te volgen: kinderen waarvan de ouders geen vaste woonplaats hebben (schippers, foorkramers, zigeuners). Voor hen is vaak het internaatsonderwijs de enig mogelijke onderwijsvorm. Hier moet er verder naar gestreefd worden deze kinderen zo vlug als kan met het schoolgebeuren te confronteren (peuter- en kleuterklassen).

De migrantenkinderen zitten gekneld tussen twee culturen. De ouders – vooral als die zelf tot de eerste generatie inwijkelingen behoren – hebben nog sterke sociale en culturele bindingen met het land van herkomst, terwijl de kinderen via de school onze westerse maatschappelijke normen worden aangeleerd en zelfs opgedrongen.

Hier hebben wij een dubbele opdracht:

- met respect voor de socio-culturele achtergronden van de migrantenkinderen de opname van deze jongeren in ons onderwijssysteem stapsgewijs laten verlopen;
- aandacht besteden aan aangepast onderwijs voor de ouders zelf. Buurtwerkexperimenten hebben aangetoond dat lessen – ’s avonds of tijdens het weekeinde – waar naast onze taal eveneens inzicht in onze cultuur, leefgewoonten en structuren bijgebracht worden aan de migranten zelf, een positieve invloed kunnen hebben op de integratie en het wegwerken van heel wat (wederzijdse) vooroordelen.

Het is duidelijk dat de logge structuur van de traditionele inrichtende machten zich moeilijk kan aanpassen aan de specifieke onderwijsnoden van buurten met een overwegende migrantenbevolking. Volle aandacht verdienen dan ook de kleinschalige initiatieven, uitgaande van buurt- en wijkgemeenschappen, om in “alternatieve scholen” meer en betere kansen te scheppen voor de migrantenkinderen.

2. De vorming

Vorming is het complexe interdisciplinair systeem van meestal niet of nauwelijks gestructureerde opleidingsvormen, die mede de totale en permanente vorming van het individu bepalen. Voorbeelden daarvan zijn voordrachten, gesprekken, lectuur van kranten, tijdschriften en boeken, T.V. kijken, toneelvoorstellingen en muziekopvoeringen, hobby-clubs, enz. maar ook de meer geordende en door de overheid gesubsidieerde vormen van "vormingswerk".

Of het aanbod ter zake voldoende is kan niet zo maar bevestigd of ontkend worden.

Aangezien nu geweten is dat het deel van de totale persoonsvorming, dat via de permanente volwassenvorming verworven wordt in belangrijke mate groter is dan het deel dat tijdens de schoolperiode wordt verworven, gaat het niet langer op dat de overheid er zo weinig aandacht aan besteedt en er niet de middelen voor voorziet die nodig zijn.

In de brede waaier van de componenten van de vorming moeten, door het beleid, op grond van wetenschappelijk onderzoek, duidelijke beleidslijnen en prioriteiten vastgelegd worden. Daarbij moet rekening gehouden worden met de behoeften, wensen en eventuele hindernissen, om avonturen als met de kredieturen te vermijden.

Tenslotte mogen geen starre structuren tot stand gebracht worden, die na zeer korte tijd alleen maar nog voor zichzelf bestaan, dan als verworvenheid behouden blijven, en alleen nog verdedigd door diegenen die er profijt uit halen. Het grootste gevaar, dat de best bedoelde overheidsinitiatieven immer steeds beloert, is de door de monopoliepositie veroorzaakte zelfvoldaanheid, die op korte termijn tot sclerosering en dus onbruikbaarheid leidt.

Het is noodzakelijk en ook economisch verantwoord dat de afgestudeerde van het secundair onderwijs de mogelijkheid krijgt te kiezen tussen twee formules voor verdere opleiding.

De eerste formule is de enige thans bestaande, waarbij hij verplicht wordt een inschrijving te nemen in een inrichting voor hoger onderwijs en nog voor twee tot zeven jaar ten laste te blijven, enerzijds van zijn familie en anderzijds van de gemeenschap.

De tweede formule moet die worden, waarbij hij een beroepsloopbaan begint en toch, gebruik makend van de ruime technologische middelen waarover een dicht bevolkt land als Vlaanderen beschikt, volwaardige studiemogelijkheden krijgt om, om het even welk diploma van het hoger onderwijs te verwerven. Hier moet duidelijk verder gegaan worden dan de huidige waardevolle en zeer gewaardeerde vormen van onderwijs voor sociale promotie met beperkt en volledig leerplan, die in hun beste realisaties lijden aan overdreven concentratie in de grotere steden, en aan een gewoon van de dag naar de avond verplaatste uurregeling, en daardoor inzake bereikbaarheid en benutting van de niet voor het werk gebruikte tijd, dusdanige beperkingen aan het merendeel van de gegadigden opleggen, dat hun bruikbaarheid zeker niet als algemeen kan beschouwd worden.

C. De toegankelijkheid van het onderwijs en de kansen op slagen

Naast kwaliteit en aanbod moeten we nagaan of de toegankelijkheid voor iedereen in dezelfde mate verzekerd wordt.

1. Basis- en secundair onderwijs

Wat het basis- en secundair onderwijs betreft, dat volgens de schoolpactwet kosteloos moet zijn, mag aangenomen worden dat de financiële barrières voor Vlaanderen als vrijwel onbestaande mogen bestempeld worden.

Men kan zich afvragen wat dan nog zo veel adolescenten aanzet hun studies af te breken vooraleer het hoger secundair onderwijs beëindigd te hebben.

Wij zien hoofdzakelijk twee redenen, die dan nog een gemeenschappelijk effect hebben, namelijk het gebrek aan motivering:

a) vanwege de studerende zelf: heel wat, nochtans normaal begaafde leerlingen slepen zichzelf voort doorheen de "verplichte" studieperiode. Naar het einde van de leerplicht toe bestempelt men hen als schoolmoe. Deze schoolmoeheid kan gedeeltelijk veroorzaakt zijn door een verkeerde aanpak van de leerlingen in het lager en secundair onderwijs, maar is zeker ook in verband te brengen met de algemene sfeer van lusteloosheid die een groot deel van de jeugd en zelfs van de actieve bevolking overspoelt. De verzorgende functie, die de Staat op zich heeft genomen, heeft immers het verschil in beloning en waardering tussen diegenen, die zich nog willen inzetten, en diegenen, die zich slechts laten meedrijven, veel te gering gemaakt.

b) vanwege het gezin: Pedagogen hebben vastgesteld dat vrijwel alle ouders, ongeacht hun ontwikkelingsgraad of sociale status, met de vereiste aandacht de eerste leerjaren van het lager onderwijs van hun kinderen van nabij volgen. Naarmate het kind verder in het lager onderwijs opklimt verliezen echter, vooral de geestelijk of sociaal minder bedeelde ouders, gaandeweg hun belangstelling en verliezen de betrokken kinderen dus de morele steun. Sommige kinderen uit die kringen zetten toch door, gewoonlijk opgetrokken door waardevolle leerkrachten. Maar velen grijpen het minste incidentje op school of vermeend onbegrip aan, om de armen te laten zakken en zich bij de groep stuurlozen te voegen, die gewoon maar gaan wachten tot de schoolplicht voorbij is.

Daar de financiële barrières als weggewerkt mogen beschouwd worden dienen we vooral oog te hebben voor het behoud van de motivering voor het verder studeren. Dat zou alleen maar kunnen door een betere voorlichting, zowel van studerenden als van ouders, en dit o.m. voor het gebruik van middelen ontleend aan de reclametechnieken, die in de massamedia benut worden. Het daartoe nodige geld is te vinden in de vermindering van het aantal zittenblijvers, waarvan ten minste een vierde, door het herstel van de motivering, gewone overstappers kunnen worden.

2. Het hoger onderwijs

Voor het voortgezet onderwijs stellen we vast dat bijna 90% van de 15-jarigen hun studies niet afbreken, maar dat dit percentage drastisch daalt naar ongeveer 50% voor de 18-jarigen. Uit studies blijkt tevens dat bijna 20% van de hogeschoolstudenten hun studies afsluiten met één of twee jaar vertraging en bijna de helft van de universitairen na één of twee jaar geëlimineerd worden.

Hiervoor zijn zeker talrijke verklaringen te geven en evenveel remedies. Een eerste betreft het toekennen van financiële steun via het stelsel van de studiebeurzen. Deze beurzen moeten echter selectief worden toegekend: diegenen wier ouders de financiële lasten van hogere studies niet of moeilijk kunnen dragen, moeten bij voorrang studietoelagen ontvangen, waarvan het bedrag afhankelijk zal gesteld worden van de inkomsten. Boven een bepaalde inkomensgrens kunnen de studietoelagen omgevormd worden tot studieleningen.

Het hoger onderwijs heeft echter nog andere medicijnen nodig om een verdere democratisering te waarborgen.

Zo moet de overgang van het secundair naar het hoger onderwijs worden herdacht en dit zowel op het vlak van de toelatingsvoorwaarden (bv. het maturiteitsexamen) als op het vlak van de studieoriëntatie.

Eens een bepaalde studierichting aangevangen moet het gemakkelijker worden gemaakt om naar een andere studierichting over te schakelen. Dit kan worden verwezenlijkt door het bouwen van “bruggen” tussen enerzijds het universitair en het niet-universitair hoger onderwijs en anderzijds tussen de studierichtingen onderling.


IV PARTICIPATIE AAN HET PRODUKTIEPROCES

Uit recente onderzoekingen voor Vlaanderen blijkt dat een der hoofdredenen waarom er nog armoede bestaat, moet worden gezocht in de ongelijke participatie aan het produktieproces. Die ongelijkheid heeft vele redenen.

A. Arbeidsongeschikten en ouderen

Vooreerst zijn er een aantal bevolkingsgroepen die tijdelijk of definitief geen toegang (meer) hebben tot het produktieproces:

- de arbeidsongeschikten door ziekte, ongeval of handicap: slachtoffers van arbeidsongevallen of beroepsziekten, personen met een aangeboren lichamelijke of geestelijke handicap, slachtoffers van verkeersongevallen.

- de ouderen (gepensioneerden).

Deze mensen vallen vooral financieel ten laste van de gemeenschap. Wat in ons land in dat verband opvalt, is de erg ongelijke behandeling van al deze "probleemgroepen".

Zonder in deze beperkte ruimte volledigheid te betrachten, vallen volgende elementen op:

- de loon- en weddetrekkenden, zowel in de privé-sector als in de openbare sector, zijn vrij goed beschermd wat betreft Z.I.V.-uitkeringen en uitkeringen wegens arbeidsongevallen of beroepsziekten;

- de zelfstandigen hebben een heel wat minder gunstig statuut. Ook hun pensioenregeling valt erg karig uit;

- voor de gehandicapten is zonder meer sprake van een chaotisch beleid. Zowel overlappingen als leemten komen voor, zodat het vrij moeilijk is een algemeen oordeel te vellen over de doeltreffendheid van het geheel.

Maar met het verstrekken van financiële tegemoetkomingen alléén, is de kous zeker niet af. Wellicht hebben die mensen veel meer behoefte aan menselijk contact dan aan (meer) geld. Dus moet de integratie van deze mensen met de rest van de samenleving maximaal worden bevorderd.

Deze integratie roept vele problemen op.

Er moet ten aanzien van de minder-validen vooral een mentaliteitswijziging komen die zich echter niet mag beperken tot het louter toegankelijk maken van openbare gebouwen voor gehandicapten of tot financiële overheidstussenkomsten.

Er moet in de eerste plaats meer informatie gegeven worden zowel aan de minder-valide over zijn mogelijkheden, als aan de samenleving over de mogelijkheden van de minder-valide.

De gehandicapten moeten immers volledig kunnen participeren aan het maatschappelijk leven en ten volle betrokken worden bij het opstellen van oplossingen die hun integratie moeten bevorderen.

In deze context stelt zich ook het probleem van de arbeidsgeschiktheid. Er wordt teveel met uitsluitend medische criteria rekening gehouden. Als men weet dat de huidige medische schaal uit de vorige eeuw dateert, beseft men voldoende dat er te weinig beroep wordt gedaan op de resultaten van een jonge wetenschap als de ergonomie.

B. Werklozen

Anderen zijn, ondanks een normale arbeidsgeschiktheid, al dan niet tijdelijk werkloos, ofwel beneden hun mogelijkheden tewerkgesteld. Dit veroorzaakt andermaal een complex net van reacties en problemen.

Het uitoefenen van een beroep betekent niet alleen dat men beschikt over een inkomen, waardoor men kan voorzien in zijn biofysische behoeften en behoeften van zekerheid en veiligheid; er zijn naast deze materiële aspecten ook een aantal immateriële aspecten verbonden aan arbeid.

Bij een inkomensvermindering kan men reageren op twee manieren: de inkomsten aanpassen aan de uitgaven en/of de uitgaven aanpassen aan de inkomsten. De belangrijkste manier om inkomsten aan te passen aan uitgaven is het aanspreken van spaargelden of "ontsparen". Iedereen heeft de neiging om een eenmaal bereikte levensstandaard zoveel mogelijk te handhaven.

De eis van consumptiehandhaving heeft niet alleen een individuele, maar ook een sociale basis. Bovendien worden ook de werklozen bereikt door het erg opdringerige aanbod vanuit de consumptiemaatschappij. Men zal dus afzien van sparen en vervolgens overgaan tot ontsparen. Dit leidt echter op langere termijn tot stress, onzekerheid en angst voor de toekomst. Andere aanpassingsvormen zijn het gaan werken van gezinsleden, het zoeken van bijbaantjes of sluikwerk, het maken van schulden of geld lenen, op afbetaling kopen of rekeningen bij leveranciers laten staan. Aldus komt men in een vicieuze cirkel terecht.

Het aanpassen van de uitgaven aan de inkomsten komt evenwel frequenter voor en betekent een reductie van uitgaven aan een aantal uitgavenposten. Er wordt vooral minder uitgegeven op het gebied van duurzame consumptiegoederen, zoals kleding, schoeisel, huishoudelijke apparaten en meubilair en op het vlak van de vrijetijdsbesteding en recreatie.

De mogelijkheden om de uitgaven te beperken zonder het levenspatroon wezenlijk aan te tasten nemen snel af naarmate het inkomen lager is. De lagere inkomensgroepen zullen bij werkloosheid financieel zwaarder worden getroffen dan diegenen die een hoger loon verdienen. Velen konden trouwens voordien ook al onvoldoende rondkomen. Ook krijgen werklozen mede door economische deprivatie een gevoel van sociale deprivatie en hebben zij angst voor verlies van sociale status.

Anderzijds is arbeid in onze samenleving, gezien de vigerende arbeidsethos, een essentiële voorwaarde voor zelfontplooiing. In onze maatschappij is de mens immers hoofdzakelijk op zijn beroepsactiviteit aangewezen om zijn behoeften te bevredigen. Het normatieve arbeidsbegrip sluit in hoge mate de verwachting, haast de verplichting, in dat hij deze vervulling in zijn arbeid gaat zoeken en vinden. Door veel en hard werken kan hij zijn noodzakelijke bijdrage leveren aan de maatschappij en zo erkenning en waardering verdienen. Voor de werkloze heeft dit arbeidsethos diepgaande betekenis. Werkloosheid betekent dat de vertouwde manier om "zinvol" te leven plotseling is weggevallen. Hij heeft het gevoel buiten de maatschappij te staan, omdat hij geen bijdrage meer levert. Daarvoor voelt hij zich dikwijls volslagen nutteloos en merkt hij dat hij vaak in aanzien daalt; ten laatste voelt hij zich een profiteur van de gemeenschap.

Juist voor die categorieën die de zwakste positie hebben op de arbeidsmarkt, blijkt het een bijkomende factor van verdere marginalisering te worden. Derhalve dringt zich de noodzaak op van agogische begeleiding, waarbij prioriteit dient gegeven aan deze achtergestelden, teneinde hun positie op de arbeidsmarkt te verbeteren en hen, in afwachting van een plaats in een (nieuw) arbeidsbestel, inzicht te geven in de mogelijkheden tot het opbouwen van een zinvol bestaan.

Werkloosheid heeft immers ook een ingrijpende invloed op de persoonlijkheid van een werkloze, d.w.z. de manier waarop hij ageert, denkt en voelt in verschillende situaties.

- Er is een algemene afname van de levensvreugde. Men heeft nergens nog plezier in; alles verliest zijn betekenis; men is hopeloos en gedeprimeerd.

- Men heeft het gevoel inactief, overbodig en nutteloos te zijn. De werkloze beseft dat hij geen taak meer heeft in het bestaan, dat hij onbruikbaar is. Hierdoor raakt hij zijn zelfvertrouwen en zelfrespect, zijn hoop en ambities voor de toekomst kwijt en ten slotte als deze toestand aansleept geeft hij alles op en verzinkt in apathie. In extreme gevallen leidt het zelfs tot zelfmoord. De shock ten gevolge van het zonder werk geraken, wordt meestal gevolgd door een optimistisch zoeken naar een nieuwe job. Werpt dit zoeken geen vruchten af, dan berust men in zijn lot. Door herhaalde teleurstellingen geraken de jongeren gefrustreerd en worden vaak opstandig, wat aanleiding kan geven tot soms nutteloze gewelddadigheden.

Het gevoel overbodig te zijn, maakt de werkloze zeer kwetsbaar tegenover zijn omgeving.

Werkloosheid is het gevolg van de manier waarop de maatschappij de arbeid en arbeidsverdeling organiseert; maar de oorzaken worden afgeschoven op de rug van de werklozen zelf, die verantwoordelijk gesteld worden zoniet voor hun werkloos-worden dan toch voor hun werkloos-blijven. Werkloos zijn en steun trekken veroorzaakt dus schuld- en schaamtegevoelens. Werklozen voelen zich minderwaardig tegenover werkenden (werkenden voelen zich minderwaardig tegenover werklozen).

Omwille van het verliezen van hun job, verliezen de mensen ook contacten en raken daardoor veel geïsoleerder en eenzamer. Arbeiden betekent veelal mensen ontmoeten. Bij het werkloos worden valt deze ontmoetingsmogelijkheid weg. Hij heeft het gevoel dat hij als werkloze overal buiten staat en nergens bijhoort. Hij schaamt zich hiervoor trouwens ook. Deze houding zal ook een verandering in het gezinsleven van de werkloze teweegbrengen. Aangezien hij tal van relaties ziet verdwijnen, is hij veel meer aangewezen op zijn gezin. Het toenemende samenzijn kan zowel aanleiding geven tot een verstevigde gemeenschapsband als tot conflicten.

De werklozen onderling vormen ook géén eenheid. Zij vormen geen groep met betrekking tot wat ze allemaal hebben, maar alleen met betrekking tot wat ze niet hebben (= WERK) en dat is onvoldoende om het samenhorigheidsgevoel in stand te houden.

Vandaar dat vooral een beleid gericht op het scheppen van nieuwe, zinvolle arbeidsplaatsen moet worden gevoerd.

C. Werkenden zonder arbeidsvreugde.

Voor anderen die wél werk hebben is de aard van het werk zodanig, dat allerlei stress-, vervreemdings- en frustratiesituaties ontstaan. Een streven naar meer menselijke en/of gezonde arbeidsvoorwaarden, het opheffen van allerlei discriminaties (bv. man versus vrouw; eigen versus vreemde arbeidskrachten, …) dienen te behoren tot de remedies.

Uiteraard zal ook de genoten scholing, de sociale herkomst en het gevolgde onderwijs zwaar doorwegen op de plaats die men inneemt in het produktieproces.

*

*               *



DE ROL VAN DE OVERHEID


I. Heeft de overheid een rol te spelen?

Bij het onderzoeken van het netwerk van de oorzaken van de armoede hebben we kunnen vaststellen dat heel wat draden rechtstreeks of onrechtstreeks via de overheid lopen. In ons huidig sociaal-economisch en maatschappelijk model beïnvloedt de overheid inderdaad de werkgelegenheid, het onderwijs, de huisvesting, het gezondheidsbeleid, enz… Het is dan ook maar logisch dat de overheid nauw betrokken wordt bij het oplossen van de problemen rond de armoede. Niet – zoals in het verleden maar al te vaak is gebeurd – door de overheidsbemoeiing nog uit te breiden, maar op de eerste plaats door zich te bezinnen over alles wat ze tot nu toe reeds doet. Dan zal blijken dat de overheid eigenlijk teveel en vooral veel te chaotisch optreedt. Een afslanking en een stroomlijning dringt zich dus op.

Maar ook om andere redenen moet de armoedebestrijding via de overheid verlopen. Het liberalisme – als echte maatschappelijke ideologie – beschermt de solidariteit tussen alle burgers als één van haar hoekpijlers. Als ze alleen op vrijwilligheid zou berusten, zou die solidariteit wellicht niet volstaan om alle problemen op te lossen. Daarom is een dwangmatige aanpak – dus via de overheid – een waarborg opdat iedereen zou meehelpen aan de verbetering van het lot van medeburgers die minder geluk en/of minder kansen hebben gehad.

II. Wat is de inhoud, het doel van het overheidsoptreden?

Als men rekening houdt met de enorme verscheidenheid in de menselijke mogelijkheden, zowel intellectueel als louter op fysisch gebied; als men weet dat deze verscheidenheid precies de bron is van voortdurende creativiteit en vooruitgang, dan beseft men zeer goed dat het allerlaatste wat de overheid moet nastreven het egalitarisme is. Elke burger moet daarentegen in de mogelijkheid zijn z’n specifieke vaardigheden en aanleg op welk gebied dan ook maximaal te ontplooien. Dus het sociaal beleid in het algemeen en de armoedebestrijding in het biezonder mogen er zeker niet toe leiden de ontwikkeling, het initiatief van welk individu dan ook af te remmen of te beknotten. Maar ook het ander extreem is uit den boze: men moet bepaalde personen of groepen ook niet tegen hun wil in gaan betuttelen en bevoogden. Elk individu bepaalt tenslotte zelf en vrijwillig hoe hij of zij gelukkig kan zijn.

De taak van de overheid bestaat er daarentegen in te zorgen voor wat we zouden noemen: “een maatschappij zonder drempels”. M.a.w., wie wil onderwijs volgen, een zinvolle job uitoefenen, een gezin of enige andere samenlevingsvorm stichten, enz… moet dat zonder nodeloze bureaucratische en/of financiële barrières kunnen doen. Het participeren aan welk facet ook van het maatschappelijk gebeuren (politiek, religie, sociale zekerheid, cultuur,…) moet voor iedereen – die zulks wil – mogelijk zijn.

Dat moet de uiteindelijk betrachting zijn van het overheidsoptreden.

III. Criteria voor het overheidsoptreden.

Eens wij weten wat het finaal doel is moeten wij ook weten aan welke randvoorwaarden of criteria de overheidsmaatregelen moeten voldoen. Elke maatregel, elk instrument moet – wil ze sociaal oprecht en economisch efficiënt zijn – aan de volgende criteria voldoen:

a) SELECTIEF zijn: d.w.z. mensen met de grootste noden worden het meest geholpen; diegenen met de minste noden – en meeste mogelijkheden – dragen het meest bij;

b) bovenal EENVOUDIG zijn: het is immers in de eerste plaat bedoeld om de kansarmen te helpen; het moet dan ook qua taal, organisatie en concrete aanpak op maat van deze mensen gestructureerd zijn, zodat “drempelvrees” hier niet zou voorkomen.

IV. De instrumenten van de overheid.

De overheid moet drie verschillende wegen bewandelen bij het bestrijden van de armoede:

a) een preventief beleid voeren: d.w.z. het opruimen van alle mogelijke “drempels” die beletten dat bepaalde burgers volwaardig participeren aan het maatschappelijk gebeuren (in de meest ruime zin van het woord). Dus het uitroeien van de kwaal aan de wortels.

b) een curatief beleid voeren: in heel wat gevallen zal het beleid ter voorkoming van de armoede (het preventief beleid) pas op lange termijn resultaten opleveren. In afwachting daarvan moeten de bestaande noodsituaties worden opgelost. Hier worden dus vooral de gevolgen (en niet zozeer de oorzaken) van de kwaal bestreden.

c) een beleid van non-interventie: het lijkt dat een aantal oorzaken van de armoede mede toe te schrijven zijn aan (overdreven) overheidstussenkomst in bepaalde sectoren van de samenleving. Op deze terreinen moet de overheid m.a.w. zichzelf opheffen of toch een grotere terughoudendheid aan de dag leggen.

A. Het preventief beleid

Een grondig en effectief beleid ter voorkoming van de armoede is eigenlijk een heel ambitieuze opgave. Het veronderstelt meer diepgaande maatschappelijke structuurhervormingen op alle mogelijke terreinen: de economische, sociale, culturele, religieuze, politieke en sociologische structuren en/of denkwijzen moeten worden aangepakt.

Naast de aspecten die reeds hoger aan bod kwamen (de samenleving; het gezin; het onderwijs,…), willen we hier nog een aantal specifieke actiemiddelen naar voren brengen.

1. Tewerkstellingsbeleid

Vermits heel wat armoede verband houdt met het niet of zeer beperkt participeren aan het produktieproces, moet er o.m. gezorgd worden voor meer, nieuwe en/of aangepaste arbeidsplaatsen. Dit veronderstelt vooreerst een nieuw industrieel, bedrijfsvriendelijk klimaat.

Doch al deze problemen vormen een zodanige afzonderlijke problematiek, zodat wij voor een gedetailleerde uiteenzetting best kunnen verwijzen naar het P.V.V.-herstelplan (de zgn. economische blauwdruk).

Ook de deeltijdse arbeid, het bestrijden van sluikwerk en overdreven cumuls, de herwaardering van de handenarbeid en de kwaliteitsverbetering van de arbeidsplaatsen kunnen een aantal van de problemen in de relatie arbeid-armoede oplossen. Verder moeten, vooral door de R.V.A. meer en betere inspanningen worden geleverd om de werklozen te begeleiden (de zgn. agogische begeleiding), om te scholen of bij te scholen.

2. Een huisvestingsbeleid

Armoede en gebrekkige huisvestingsvoorwaarden gaan vaak samen. Mensonwaardige huisvesting is waarschijnlijk maar zelden een oorzaak van armoede, het is er zeer zeker een gevolg van. Het beleid dienaangaande moet dan ook o.m. zorgen voor een prioritaire toekenning van de sociale woningen aan die kansarme bevolkingsgroepen. Nu is helaas maar al te vaak het bezit van de juiste partijkaart het eerste selectiecriterium. Ook zou een regeling moeten worden uitgewerkt waardoor wordt vermeden dat gezinnen, die na verloop van tijd hun inkomenspositie verbeterd hebben, nog langer beslag leggen op die sociale woningen.

Ook het vaak al te lichtvaardig aankondigen van grote projecten – en dus grote onteigeningen – heeft de verkrotting van hele stadswijken veroorzaakt. De lange periode die nu verloopt tussen het bekendmaken van een plan en de uiteindelijke onteigening moet worden ingekort.

3. Gezondheidsbeleid

Andermaal kan worden vastgesteld dat armoede en zwakke gezondheid samenhangende verschijnselen zijn. On-gezondheid is ook hier vaak geen causale factor, behalve als het een normale inschakeling in het scholings- en produktieproces belet. Het kan echter wel de armoede versterken en/of bestendigen.

Vermits bij de meeste armen de hygiënische levenssituatie (en ook de huisvestingsvoorwaarden) vaak te wensen overlaat, zijn ze ook gemakkelijker onderhevig aan infecties of besmettelijke ziekten. Verder doen ze ook veel minder beroep op medische dienstverlening.

Een beleid dat hieraan wil verhelpen, moet op twee pijlers gebouwd worden: preventie en eerstelijnsgezondheidszorg.

Het is inderdaad beter te voorkomen dan te genezen, zeker in de gezondheidssector. Een goede gezondheid hangt echter niet enkel en uitsluitend af van geneesheren, paramedici en ziekenhuizen, maar het is vooral een verantwoordelijkheid die eenieder tegenover zichzelf, zijn gezin en de gemeenschap moet opnemen. Een degelijke gezondheidsvoorlichting en –opvoeding is dan ook een eerste en noodzakelijke stap in die richting. Dit veronderstelt echter dat de arme gezinnen financieel in staat worden gesteld die betere hygiënische levenssituatie te verkrijgen.

Wanneer toch een beroep moet worden gedaan op gezondheidswerkers moeten zij én de voorzieningen gemakkelijk en direct toegankelijk zijn. Vandaar het belang van een gecoördineerde uitbouw van een eerstelijnsgezondheidszorg waar de patiënt in een verhouding van wederzijds vertrouwen onmiddellijk kan geholpen worden.

In het ruimere perspectief van de sociale hulpverlening werden in ons land Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn – O.C.M.W. opgericht. De taken van dergelijke Centra zijn niet alleen zeer ruim opgevat – nl. dienstverlening op het materiële, sociale, medische, sociaal-geneeskundige of psychologische vlak en dit zowel preventief en curatief – aan elk O.CM.W. wordt bovendien de zorg overgelaten om deze taken te concretiseren, rekening houdend met de plaatselijke behoeften en omstandigheden.


B. Het curatief beleid

1. De mogelijkheden

Zoals hoger reeds werd gesteld, moet men van het preventief beleid op korte termijn geen spectaculaire resultaten verwachten. Vermits een preventief beleid vooral de oorzaken zelf van de armoede aanpakt, kan het jaren (misschien zelfs een generatie en meer) duren vooraleer een dergelijk beleid het lot van de armen verbetert. In afwachting daarvan moeten dus de grootste noden toch worden gelenigd.

Theoretisch staan daarbij twee wegen open: men kan de armen helpen door ze hulp in natura te geven (wat men in de literatuur noemt “transfers in kind”) ofwel door ze geleidelijke steun te verstrekken (“transfers in cash”). Hoewel beide methodes gelijkwaardig lijken, mag men zich toch niet laten misleiden. De hulpverlening die niet onder de vorm van geldoverdrachten gebeurt, dient tezelfdertijd ook nog andere doeleinden, zodat een erg verwarrende situatie ontstaat. Typisch voorbeeld hier betreft het onderwijs. De overheid komt financieel massaal tussenbeide. En hoewel als motief hiervoor soms het sociaal aspect (de zgn. “democratisering” van het onderwijs) wordt naar voren geschoven, is dit in feite niet de weg waarlangs men moet ingrijpen om armoede te bestrijden. Degelijk onderwijs als zodanig is zo belangrijk voor een economie zonder andere grondstoffen, dat de overheidstussenkomst misschien te verantwoorden is. Als instrument ter bestrijding van de armoede is het huidig onderwijsbeleid echter wel te weinig selectief. Het richt zich immers per definitie op de hele bevolking. Het zelfde geldt in feite voor ons hele beleid van “gratis” gezondheidszorgen. Ook hier weer ontbreekt een duidelijke gerichtheid op de probleemgroepen die wij hier beschouwen.

Vermits verder de meeste van die (quasi) gratis overheidsgoederen en diensten door een overheidsmonopolie worden verstrekt zonder concurrentie of werking van het marktmechanisme is het gevaar groot dat een verspillende en dure overheidsbureaucratie zal instaan voor de “produktie” van dit goed (cfr. de zeer dure en weinig efficiënte werking van ons openbaar vervoer; het onderwijs; de gezondheidszorg, enz…); het is weinig selectief: de “Verzorgingsstaat” drijft op een grote illusie: men wekt de indruk dat alles “gratis” is, maar in feite betaalt iedereen (hetzij via de directe of indirecte belastingen; hetzij via de sociale bijdragen) de zeer dure factuur die achteraf wordt aangeboden.

Voor een persoon (of een gezin) is het tertiaire inkomen van belang, dit wil zeggen het primaire of economisch verdiende inkomen, na aftrek van belastingen en sociale bijdragen en na verhoging met de geldelijke sociale voordelen en de sociale voordelen in natura. Het is immers duidelijk dat als bv. twee gelijke gezinnen het zelfde geldelijk inkomen hebben, het ene gezin toch “rijker” zal zijn of meer behoeften kan bevredigen dan het andere gezin. Als het eerste gezin bv. kinderen heeft die hoger onderwijs volgen, het gezin vooral gebruik maakt van het openbaar vervoer of in een sociale woning woont, veel naar (gesubsidieerde) concerten of toneelvoorstellingen gaat, enz…

In ons land is over deze tertiaire inkomensverdeling geen statistisch materiaal beschikbaar. Studies in Nederland (nl. van het Sociaal en Cultureel Planbureau) tonen echter aan dat de inkomensherverdeling (als gevolg van de belastingen en de bijdragen voor sociale zekerheid) die bekomen werd ten aanzien van het secundair inkomen, uiteindelijk weer grotendeels wordt geneutraliseerd door de averechtse herverdeling van het tertiaire inkomen. Het blijkt namelijk dat vooral de hogere inkomenscategorieën méér dan evenredig gebruik maken van allerlei sociale voorzieningen in natura; dit is het zgn. Mattheüs-effect.

In het kader van een zogenaamd “democratiseringsbeleid” worden allerlei overheidsdienstverleningen omzeggens gratis aangeboden aan bepaalde groepen of zelfs de hele bevolking. Dit is bv. het geval met onderwijs, cultuur, openbaar vervoer, gezondheidszorg, sociale woningen, enz…

Hier leren allerlei onderzoekingen ons echter dat er van “democratisering” weinig sprake is: de laagste sociale lagen dringen nog steeds weinig door tot in het hoger onderwijs; toneel en opera zijn nog lang geen “volkse” ontmoetingsplaatsen; de “sociale” woningen zijn zo duur dat ze voor de laagste inkomensgroepen onbetaalbaar zijn; de hogere inkomensklassen “consumeren” méér gratis gezondheidszorgen dan de lagere klassen, enz…

Vandaar dat er vandaag de dag dan ook de grootste twijfels bestaan ten aanzien van het herverdelend karakter van het globale sociale beleid van de overheid, dus de gezamenlijke effecten van fiscaliteit, sociale bijdragen en sociale voordelen. Ook al omdat de enorme omslachtige aanpak en de veelheid van instrumenten die worden ingezet uiteindelijk moeilijk toelaten een volledig overzicht en inzicht te krijgen in de diverse geldbronnen. Het is heel moeilijk geworden om precies te achterhalen wie er betaalt, respectievelijk geniet en hoeveel men betaalt, respectievelijk ontvangt.

En vooral heeft heel de huidige aanpak de “verantwoordelijkheids-drempels” in onze samenleving verlaagd. Vermits men (ten onrechte) denkt dat alles gratis is, ontstaat er overconsumptie en/of oneigenlijk gebruik. Men probeert van alles maximaal te “profiteren”, zonder dat men zich eigenlijk nog realiseert dat men aldus in feite zijn medeburger besteelt.

Hoewel we hoger hebben gesteld dat het financieel aspect niet het enige facet is van het probleem van de armoede, wil dit echter niet zeggen dat geldelijke tegemoetkomingen helemaal overbodig zijn. Integendeel. Een beleid van sociale zekerheid blijft hoe dan ook noodzakelijk. Maar zoals reeds vroeger op het Sociaal Congres “Rechtvaardigheid en Solidariteit” van de P.V.V. (september 1977) en op het Ideologisch Congres (oktober 1979 en januari 1980) werd gesteld, is het huidig stelsel hoogdringend aan een herziening toe.

Eerst en vooral moet er weer een scheiding komen tussen het verzekeringsstelsel voor de arbeidsgebonden risico’s en het sociaal zekerheidsstelsel voor algemene risico’s die niets te maken hebben met de geleverde arbeidsprestaties.

Met name het laatste onderdeel moet uit algemene middelen worden gefinancierd, teneinde de financiële solidariteit tussen alle burgers te bewerkstelligen. Daartoe moet men op langere termijn komen tot een integratie van het fiscaal en het sociaal stelsel, zodat op een eenvoudige, selectieve manier de hulpbehoevenden zouden worden geholpen en diegenen, die het stelsel financieren, op een rechtvaardige manier de lasten zouden dragen. In dat verband pleiten de liberalen voor het invoeren van een stelsel van negatieve inkomstenbelastingen. M.a.w., de P.V.V. wil – meer dan in het verleden en vooral meer selectief – in het globale sociale beleid ten voordele van de kansarme groepen in onze samenleving, het accent leggen op de hulpverlening in geld (in de plaats van de huidige, overdreven hulpverlening in natura).

2. De negatieve inkomstenbelasting

Uitgangspunt voor de negatieve inkomstenbelasting (N.I.B.) is dat de overheid alléén kijkt naar de financiële draagkracht (inkomen en vermogen) van een individu of een gezin. Liggen die financiële mogelijkheden – door omstandigheden buiten hun wil om – onder een bepaalde vooraf afgesproken drempel (die uiteraard varieert in functie van bv. de samenstelling van het gezin, de leeftijd van de verschillende personen in het gezin, eventuele handicaps, enz.) dan ontvangen die personen of gezinnen van de overheid en via de fiscus geld: dit zijn negatieve inkomstenbelastingen. Hoe breder die kloof tussen de afgesproken drempel in het inkomen, hoe meer N.I.B. worden uitbetaald. Wie met zijn inkomen boven die drempel ligt, betaalt P.I.B. of positieve inkomstenbelasting, en ook hier betaalt men méér naarmate het inkomen verder boven die drempel uitstijgt.

De N.I.B. wil dus op een eenvoudige, eenvormige en vooral selectieve manier ons huidig verward, duur en ondoelmatig sociaal zekerheidsstelsel vervangen.

Het principe is dat men iedereen helpt, die om wat voor reden ook – buiten zijn wil om – over een te laag inkomen beschikt.

Daartoe wordt eerst afgesproken welk inkomen een persoon of gezin minstens moet hebben om niet als “arm” te moeten worden bestempeld. Dit gewaarborgd minimum inkomen (G.M.I.) varieert uiteraard naargelang van de samenstelling van het gezin (volgens een bepaalde eenheden-schaal). Bij wijze van voorbeeld werken we hier met een z.g. “standaardgezin” (twee volwassenen en twee kinderen en bepalen – arbitrair – het G.M.I. op 20.000 Fr. per maand (of 240.000 Fr. per jaar).

Een naïef stelsel van N.I.B. zou dan bepalen dat alle standaardgezinnen die om wat voor reden ook (ziekte, werkloosheid, handicap,…) minder dan 20.000 Fr. per maand inkomen hebben het ontbrekende nedrag van de overheid krijgen onder de vorm van N.I.B. (zie tabel 4).

Tabel 4: naïef stelsel van N.I.B. (op jaar basis)

verdiend gezinsinkomen (in fr.) N.I.B. (+) beschikbaar gezinsinkomen
(1) (2) = 240.000 – (1) (3) = (1) + (2)
0 + 240.000 240.000
50.000 + 190.000 240.000
100.000 + 140.000 240.000
150.000 + 90.000 240.000
200.000 + 40.000 240.000
240.000 + 0 240.000


Uit kolom (3) leert men direct waarom deze aanpak “naïef” is. Of een arm gezin nu véél of weinig inspanningen levert om zijn lot te verbeteren, het eindresultaat is dat men netto 240.000 Fr. beschikbaar inkomen overhoudt. M.a.w. een dergelijke aanpak zou de werklust zeker niet bevorderen. Want elke 1.000 Fr. die men méér zou verdienen door te werken (kolom 1), gaat verloren door een even grote daling van de N.I.B. (kolom 2). Hier is sprake van een marginale belastingsdruk (M.B.D.) van 100%. Wil het systeem de werklust niet ondermijnen dan moet de M.B.D. lager worden. In de literatuur werkt men meestal met een M.B.D. van 50 %. Dan krijgen we – bij wijze van voorbeeld – volgend beeld:


Tabel 5: normaal stelsel van N.I.B.

Verdiend gezinsinkomen N.I.B. (+) of P.I.B. (-) Beschikbaar gezinsinkomen Gemiddelde belastingdruk P.I.B.
(1) (2) = 240.000 – 50 % van (1) (3) = (1) + (2) (4) = (2)/(1) x 100 %
0 + 240.000 240.000  
100.000 + 190.000 290.000  
200.000 + 140.000 340.000  
300.000 + 90.000 390.000  
400.000 + 40.000 440.000  
500.000 - 10.000 490.000 2 %
600.000 - 60.000 540.000 10 %
700.000 - 110.000 590.000 15,71 %
800.000 - 160.000 640.000 20 %
900.000 - 210.000 690.000 23,33 %
1.000.000 - 260.000 740.000 26 %


Wat leert tabel 5?

1. een dergelijk N.I.B. stelsel is selectief, zowel ten aanzien van de toegekende N.I.B. als wat betreft de te betalen positieve inkomstenbelasting (P.I.B.): de laagste inkomens (kolom 1) krijgen de hoogste N.I.B. (kolom 2); de hogere inkomens betalen méér P.I.B.

2. een dergelijk N.I.B. stelsel is eenvoudig: alléén de hoogte (of laagte) van het inkomen bepaalt de N.I.B. of P.I.B. Alle thans bestaande stelsels van R.I.Z.I.V.; R.V.A.; kinderbijslag; pensioenen, … zouden hierdoor kunnen worden vervangen;

3. een dergelijk N.I.B. stelsel is eenvormig: er wordt géén onderscheid gemaakt tussen arbeiders, bedienden, zelfstandigen, ambtenaren, enz…

4. de werklust blijft gevrijwaard: elke verhoging van het verdiend inkomen (kolom 1) geeft aanleiding tot een hoger beschikbaar inkomen (kolom 3);

5. er komt een integratie van de fiscaliteit en para-fiscaliteit: alle thans bestaande belastingen (zowel directe als indirecte) en alle sociale bijdragen (zowel van de werkgever als van de werknemer) worden gegroepeerd en bepaald en betaald in functie van het verdiende inkomen. Dit leidt o.m. tot: - een drastische vereenvoudiging; - een overzichtelijk en doorzichtig financieringssysteem voor de hele overheidshuishouding; - het wegvallen van de bestraffing van arbeidsintensieve bedrijven (zoals in het huidige R.S.Z.-stelsel het geval is);

6. het stelsel behoudt – ten aanzien van de P.I.B. – een progressieve belastingschaal (zie kolom 4);

7. als de eenheden-schaal goed wordt gekozen, verdwijnt ook de huidige fiscale discriminatie tussen gezinnen waar beide partners werken en gezinnen waar maar één partner werkt;

8. de gezinnen kunnen volgens hun eigen inzichten en wensen het geld besteden. M.a.w., hun consumentenvrijheid en –soevereiniteit blijft intact (wat niet het geval is bij het verstrekken van hulp in natura).

C. Beleid van non-interventie

Maar ondanks de grote taken die aldus naar de overheid worden toegeschoven, moet diezelfde overheid op een aantal terreinen inbinden als ze zelf geen obstakel wil worden dat de oplossing van het armoedeprobleem bemoeilijkt.

Een grotere terughoudendheid dringt zich niet alleen op ten aanzien van de vele projecten en voorzieningen die specifiek op de kansarmen gericht zijn (het zgn. welzijnswerk), maar ook op allerlei andere domeinen.

Zo komt de Nederlandse maatschappijfilosoof Hans Achterhuis op een wetenschappelijke manier tot de onthutsende vaststelling dat de mensen zich heel wat gelukkiger zouden voelen als de grote meerderheid van de zgn. welzijnsinitiatieven zouden worden afgeschaft. Vooreerst ontneemt al dat welzijnswerk en die externe hulpverlening de prikkel bij de burger om zelf iets te doen aan zijn lotsverbetering. Ten tweede kan men vaststellen dat in deze sector het aanbod de vraag creëert. M.a.w., welzijnswerkers hebben meer oog voor hun eigen tewerkstelling dan voor de noden die ze verondersteld zijn te bestrijden, aldus Achterhuis.

Maar ook door allerlei andere – misschien vaak goedbedoelde – overheidsmaatregelen wordt nogal eens meer kwaad dan goed gedaan. En ondanks de royaal uitgebouwde verzorgingsstaat blijft dus de armoede bestaan.
top