www.liberaalarchief.be
CONGRES VAN DE PARTIJ VOOR VRIJHEID EN VOORUITGANG
GENK, 25-27 november 1983
PROFIEL VAN EEN VRIJE EN MILIEUBEWUSTE SAMENLEVING
DISCUSSIETEKST


1. Inleiding: het ecologisch probleem

Alhoewel er zich reeds van bij het begin van de stedelijke beschaving milieuproblemen stellen (1), is de globaal-ecologische bewustwording maar een recent fenomeen. Slechts sinds een paar decennia is in wetenschappelijke kringen het bewustzijn gegroeid dat de mensheid leeft en groeit binnen de context van een samenhangend geheel van atmosferische, biologische, chemische en energetische voorwaarden, m.a.w. een ecologisch systeem, en dat het behoud van deze voorwaarden verbonden is met de overlevingskansen van de mensheid op het "ruimteschip aarde". Dit bewustwordingsproces werd voornamelijk gestimuleerd door drie factoren, nl. de stijgende aandacht voor de relatie tussen de demografische expansie van de wereldbevolking en de eindigheid van een reeks natuurlijke hulpbronnen: de ontwikkeling van de ecologische wetenschap waarin op systematische wijze op de invloed van menselijk optreden op natuurlijke evenwichten wordt gewezen: een culturele verschuiving waarin de natuur als recreatiefactor een stijgend belang verkreeg.

Op de relatie tussen demografische expansie en de eindigheid van natuurlijke hulpbronnen werd in 1972 op een dramatische toon gewezen in het befaamde Rapport van de Club van Rome "De grenzen van de groei". Aan de hand van een aantal hypothetische projecties over de bevolkingstoename in de wereld enerzijds en van schattingen van de agrarische mogelijkheden op de aarde m.b.t. de voorraden van grondstoffen en het verbruik van milieugoederen (zuivere lucht, onbezoedeld water enz.) anderzijds, kwamen de stellers van het rapport tot de conclusie dat, indien al de huidige trends zich ongehinderd verder zouden ontwikkelen, de mensheid naar de jaren 2000-2100 toe zou hervallen in een armoedig en primitief bestaan. Het lijdt geen twijfel dat een aantal aspecten van deze onheilsprofetie kunnen gerelativeerd worden. De ontwikkeling van een aantal nieuwe technieken inzake energiebevoorrading (nucleaire energie, windenergie) en energiebesparing en -recyclage heeft de grenzen van de energetische uitputting beduidend verlegd. Tevens is het bewustzijn gegroeid dat de demografische expansie geen onafwendbaar fenomeen is, maar eng verbonden is met de sociaal-economische voorwaarden, waarin de derde wereld-bevolking leeft. Een economische "take off" in deze landen zou wellicht de demografische druk aanzienlijk verminderen (2). Dit alles belet niet dat de verhouding tussen bevolkingsaanwas en natuurlijke hulpbronnen een zorgwekkende factor blijft. Het is bijgevolg geen overbodige luxe na te denken over de politiek-juridische voorwaarden, die een zuinig en rationeel beheer van de natuurlijke hulpbronnen bevorderen.

Een tweede factor in de ecologische bewustwording is ongetwijfeld de ontwikkeling en de bloei van de ecologische wetenschap zelf. Deze wetenschap, waarin met behulp van verworvenheden uit andere wetenschappen zoals biologie, scheikunde, natuurkunde, climatologie enz. de interrelatie tussen plantenwereld, dierenwereld en menselijk ingrijpen wordt bestudeerd, bracht een enorme hoeveelheid gegevens aan het licht over de meer verwijderde, niet-zichtbare effecten van het menselijk consumptief en produktief handelen (3). Het is niet overdreven te stellen dat de waarschuwende vinger, door de ecologische wetenschap opgestoken, ons tot meer bezinning heeft aangezet omtrent het "verbruik" van deze natuurlijke wereld en ons in die zin enigszins behoed heeft voor een onbezonnen vernietiging van het "ruimteschip aarde".

Een derde factor in de ecologische bewustwording is eerder van culturele aard. In de agrarische pre-industriŽle samenleving was de produktieve sfeer van de mens hoofdzakelijk gelokaliseerd in een natuurlijke omgeving. Vertoeven en zwoegen in de natuur leken onherroepelijk aan elkaar gekoppeld. Recreatie in de natuur, zoals jacht, en het appreciŽren van artistieke natuurbeschrijving, behoorde slechts tot het cultuurpatroon van de aristocratie, die zich kon vergenoegen in het consumeren van andermans produktie. Met de industriŽle revolutie trad een diepgaande verschuiving op. Voor een steeds groter deel van de bevolking werden de produktieve activiteiten geloka1iseerd in een artificiŽle omgeving zoals bedrijven en kantoren. Geleidelijk verdween de associatie natuur-labeur en maakte plaats voor de associatie natuur-recreatie. Voor grote lagen van de bevolking worden natuurlijke omgevingen zoals bos, heide, platteland, zee, bergen enz. oorden waarin aan de dagelijkse spanning van artificiŽle produktieomgeving uit de secundaire en tertiaire sector kan worden ontsnapt. Kortom, de natuurlijke omgeving is geŽvolueerd van werkplaats naar recreatiezone, van te bewerken produktiefactor naar te beschermen consumptiegoed (4). Deze nieuwe waardering van de natuurlijke omgeving creŽerde echter in de industriŽle samenleving een nieuw spanningsveld. Op het vlak van het politieke beleid rees van dan af het vraagstuk hoe en in welke mate de drang naar natuurbehoud kan verzoend worden met de ruimtelijke lokalisering van agrarische en industriŽle activiteiten.


2. De politiek Ė economische benadering van het ecologisch probleem

2.1. Het 19de eeuws industrialisme

In de klassieke literatuur over ecologische en urbanisatorische problemen wordt dikwijls een rechtstreeks verband gelegd tussen liberalisme en milieuvernietiging. De ongebreidelde individuele vrijheid en de niets ontziende zucht naar winst van kapitalistische ondernemers, zo luidt het klassieke verhaal, kon slechts leiden naar vervuiling van onze natuurlijke omgeving. Gelukkig was er de overheid. Zo gaat het verhaal verder, die met allerlei reguleringen paal en perk heeft gesteld aan de milieuvervuiling, de ongeordende groei van steden, de vernietiging van natuurlijke recreatiezones (5). Dit soort van verhalen berust slechts op een halve waarheid. Het kan niet ontkend worden dat er een verband bestaat tussen bepaalde kenmerken van het l8de eeuwse rechtssysteem en de milieuvernietiging, die onmiskenbaar plaatshad in die periode. Het is echter niet juist deze kenmerken als een consequentie van het (radicale) liberalisme te bestempelen. Zij berusten eerder op een filosofie, waarvoor de benaming "industrialisme" beter geschikt is. Gedurende de l8de eeuw waren de regeringen, zowel conservatieve (bvb. Bismarck) als liberale, geobsedeerd door een drang naar industrialisering. De macht van de natie en, meer in het bijzonder, de mogelijkheid om de fiscale opbrengsten te verhogen, werd evenredig geacht met de graad van industrialisering. Meestal werden, om deze industrialisering te bevorderen, liberale technieken gebruikt (bvb. het dulden van vrij ondernemersschap, relatieve handelsvrijheid, e.d.). Dikwijls echter werd ook beroep gedaan op staatsinterventie (openbare werken, handelstarieven, subsidiŽring e.d.).

Deze industrialiseringsobsessie drukte ook haar stempel op de juridische omkadering van milieuproblemen. Volgens het klassieke privaatrecht, grotendeels gesteund op het Romeinse recht, diende milieuvervuiling (bvb. stank, veroorzaken van stof, uitwasemingen) beschouwd te worden als een inbreuk op het eigendomsrecht als zakelijk recht. Voor het bekomen van schadevergoeding en een gerechtelijk bevel tot stopzetting van de vervuilende activiteit, was het in deze redenering niet nodig een fout (bv. een nalatigheid, een gebrek aan zorgvuldigheid) in hoofde van de dader te bewijzen. Het bewijs van schade aan de eigendom en van de herkomst ervan, volstond. Voornamelijk gedurende de eerste helft van de 19e eeuw werd dit principe door de rechtbanken vrij frequent toegepast (6). De toepassing van dit principe hield uiteraard in dat de kosten van de vervuiling gelegd werden bij de vervuilers zelf, vnl. de industriŽle bedrijven. In de loop van de l9de eeuw, en dit waarschijnlijk onder druk van de industrialistische politiek van de regeringen, verslapte de ecologische waakzaamheid van de rechtbanken en werden aan de eisers voor milieuschade steeds hogere eisen inzake bewijs gesteld. Zo was bvb. schade op zichzelf niet meer voldoende maar ging men ook het bewijs van een fout bij de dader, of het bewijs van een abnormale overlast vereisen. Kortom, meer en meer lieten de rechtbanken toe dat de kosten voor de vervuiling afgewenteld werden op het publiek. Tevens moet eraan toegevoegd worden dat de proceskosten van de individuele slachtoffers, meestal minder-begoeden, vrij hoog lagen, hetgeen het procederen niet bevorderde (7).

Een tweede, nog belangrijker juridische oorzaak van de milieuvervuiling in de l9de eeuw moet gezocht worden in de strenge dichotomie tussen publieke en private eigendom. Rivieren, meren, kanalen, wegen, havens, werden, zoals trouwens nu nog het geval is, gerekend tot het publiek domein. De ecologische zorg voor deze goederen viel bijgevolg volledig toe aan de administratieve overheden (staat, gemeente, provincie). Geleid door haar industrialistische visie had de overheid de bestendige neiging deze goederen volledig open te stellen voor een gratis vervuiling. Bedrijven konden rustig rivieren, kanalen en zeeŽn vervuilen, de overheid liet toe dat vanop haar wegen de vervuiling van het verkeer vertrok en de omwonenden milieuschade berokkende. Deze politiek inzake het publiek domein kwam in feite neer op een gigantische subsidiŽring van de industrie. Zij kreeg immers het gratis verbruik van allerlei nochtans kostbare milieugoederen (stilte, zuivere lucht, zuiver water). Mocht de mogelijkheid hebben bestaan dat private personen of vrijwillige associaties op deze goederen een eigendomsrecht konden vestigen, dan was aan de industrie voor deze vervuiling naar alle waarschijnlijkheid een prijs aangerekend geworden, hetgeen het vervuilingsritme behoorlijk had verminderd. Door de exclusieve macht van de staat, bezield door een industrialistische politiek "ŗ tout prix", op deze publieke goederen, werd dit prijsmechanisme buiten werking gesteld en werden deze goederen opengesteld voor gratis verbruik vanwege de industrie.

Besluitend kunnen we zeggen dat niet het klassieke liberalisme, waarin bescherming van rechtmatige eigendomsrechten centraal staat, de oorzaak was van de milieudegradatie in de l9de eeuw, maar wel de staatsgeleide industrialistische politiek, die echter ook door vele liberale politici werd gesteund en toegepast.

2.2. De socialistische benadering

Karl Marx, en de meeste socialisten in zijn zog, beschouwen de ecologische problematiek, en dan vnl. de uitputting van de natuurlijke hulpbronnen, als een uitsluitend gevolg van het kapitalisme. Volgens Marx kon de kapitalist geen rekening houden met de uitputting van natuurlijke hulpbronnen (vnl. de landbouwgrond), omdat zijn activiteit uitsluitend gericht is op het maken van winst door het creŽren van ruilwaarden. In deze ruilwaarden (de prijs van produkten op de markt) komt slechts de in het produkt gekristalliseerde arbeid tot uiting en niet het verbruik van de natuurlijke hulpbronnen. Deze verwaarlozing van het verbruik van natuurlijke hulpbronnen in de prijs van de produkten moet aldus uiteindelijk bijdragen tot de bestendige daling van de winstvoeten, de steeds scherpere uitbuiting van de arbeid, de verpaupering van de massa's en de ineenstorting van het kapitalistisch stelsel (8). In Marx' redenering wordt echter geen rekening gehouden met het feit dat, bij een normale werking van het prijsmechanisme en voor zoverre de uitbating van grondstoffen en milieugoederen volgens het profijtbeginsel geschiedt, de schaarste ervan gereflecteerd wordt in de marktprijzen van produkten. Naarmate een bepaalde grondstof of milieugoed schaarser wordt stijgt ook de prijs ervan en meteen ook de prijs van de eindprodukten waarin de grondstof werd verwerkt of waarvoor verbruik van een milieugoed noodzakelijk was. Dit brengt mede dat deze goederen minder geproduceerd worden en op de markt een druk ontstaat om naar alternatieve produktiemethodes te zoeken. In een vrije markteconomie zorgt het prijsmechanisme aldus voor een rationeel gebruik en verbruik van grondstoffen en milieugoederen.

Marx' kritiek is eerder toepasselijk op de industrialistische politiek van gratis verbruik van milieugoederen via open toegang voor de industrie tot het publiek domein. Marx verwart hier duidelijk de industrialistische politiek met het klassieke liberalisme. Deze verwarring is echter een konstante in heel het marxistisch denken. De marxisten weigeren immers te discussiŽren over de vergelijking van verschillende rechtssystemen (bvb collectivisme versus liberalisme) maar plaatsen de hele discussie in het licht van opeenvolgende klassedictaturen (bourgeoisdictatuur versus proletarische dictatuur enz.). Marx ontwikkelde evenmin een socialistisch alternatief voor het ecologisch probleem. Onder het socialisme zou het probleem blijkbaar automatisch opgelost worden. De latere socialisten grijpen voor de aanpak van het ecologisch probleem terug naar de etatistisch-administratieve aanpak. Het probleem van het grondstoffenverbruik en het verbruik van milieugoederen dient ingebracht te worden in de collectivistische planeconomie. Aan de hand van de door de administratie ingewonnen informatie over reserves van grondstoffen, de pollutie-effecten van produktieprocťdťs, de prioriteiten bij de bevolking, dient de staat te bepalen in hoeverre grondstoffen mogen verbruikt worden, welke mate van pollutie toegelaten is, welke anti-pollutietechnieken noodwendig zijn enz. Volgens deze visie zijn milieugoederen niet vatbaar voor markttransacties, maar behoren zij tot de sfeer van natuurlijke behoeften, waarmede de staat rechtstreeks rekening moet houden bij de globale planning (9). Deze etatistische administratieve aanpak is in de loop van deze eeuw, ook in niet-socialistische landen, overheersend geworden. Langzaam aan heeft zich een gigantische reguleringsmachine ontwikkeld, die met behulp van emissie- en immissienormen, lozingsnormen, vestigingsvergunningen, bouwvergunningen, lawaainormen, plannen van aanleg, enz. beweert het beheer van het milieu in goede banen te leiden. Deze machine wordt intellectueel gevoed door talrijke nieuwe disciplines zoals ruimtelijke ordening, milieubeheer, stadsvernieuwing, natuurbeheer, waarin getracht wordt "objectieve" of "wetenschappelijke" criteria voor het beheer van mens en maatschappij te ontwikkelen. De publieke opinie leeft in de waan dat de ontwikkeling van deze reguleringsmachine noodzakelijk was om aan de door een te grote vrijheid veroorzaakte milieudegradatie een eind te maken. In werkelijkheid vormt deze reguleringsmachine, zoals we verder zullen aantonen, een inefficiŽnte reactie op de al even inefficiŽnte industrialistisch geÔnspireerde staatsinterventie.

2.3. Welfare Economics en Chicago School

In de eerste decennia van onze eeuw (10) deed de economische wetenschap haar intrede in de milieuproblematiek. Een belangrijke stap in de economische analyse van de milieuproblematiek was de ontwikkeling van het begrip "externaliteit". Opdat het marktproces efficiŽnt zou werken moeten zowel de opbrengsten als de kosten van een activiteit (bvb. de produktie van een goed) respectievelijk ten goede komen en ten laste vallen van degene die de activiteit onderneemt. Deze vorm van verantwoordelijkheid geeft aanleiding tot een gedecentraliseerd proces van talloze kosten-baten-analyses bij de individuen. Op die manier wordt de aanwezige kennis in de samenleving omtrent de preferenties op de markt en omtrent de middelen (kapitaal, arbeid, know-how) om deze preferenties te bevredigen, optimaal gebruikt. Dit optimaliseringsproces wordt echter verstoord door het bestaan van "externe" factoren of, met andere woorden, factoren die niet als dusdanig in het prijsvormingsmechanisme worden opgenomen. Zij kunnen een negatief of een positief karakter hebben. Van een negatieve externaliteit is sprake wanneer degene die de activiteit onderneemt wel de volle opbrengst ervan int, maar een gedeelte van de kosten ervan niet draagt. Van een positieve externaliteit is sprake wanneer degene die de activiteit onderneemt wel de volledige kosten draagt, maar niet de volledige opbrengst ervan int. Economisch gezien is de milieuproblematiek dikwijls te herleiden tot een probleem van externaliteiten. Twee voorbeelden mogen dit illustreren:

- een onderneming beslist een produkt aan te maken omdat gerekend wordt op een verkoopprijs van 100 fr./eenheid, terwijl de produktiekosten ervan slechts op 90 fr./eenheid geraamd worden. Er is dus een winst van 10 fr./eenheid. Door de aanmaak wordt echter de omgeving vervuild, hetgeen de omwonenden op kosten jaagt naar rato van 15 fr./geproduceerde eenheid. De onderneming draagt echter deze kosten niet en gaat bijgevolg ongestoord verder met de produktie. Vanuit maatschappelijk oogpunt overtreffen de kosten nochtans de opbrengst en is deze produktie dus inefficiŽnt. Door de negatieve externaliteit ontstaat er bijgevolg een marktfaling;

- een bewoner van de binnenstad wil zijn historische gevel restaureren. Dit is hem persoonlijk 200.000 fr. waard. De restauratiekosten bedragen echter 500.000 fr. Hij zal bijgevolg niet restaureren.

Nochtans is het zeer goed mogelijk dat de omwonenden, de handelaars uit de toeristische sector, de leden van verenigingen voor stadsbehoud enz., gezamenlijk aan de restauratie voor meer dan 300.000 fr. waardering hechten. Door het feit dat de eigenaar deze 300.000 fr. niet kan recupereren, komt deze restauratie, alhoewel op de markt gewenst, niet tot stand. Hier verwekt een positieve externaliteit een marktfaling.

Meteen stelde zich de vraag hoe de inefficiŽnties veroorzaakt door het optreden van positieve en negatieve externaliteiten, konden weggewerkt worden. Pigou, die de externaliteiten-theorie ontwikkelde, zag vooral heil in marktcorrigerende stimuli vanwege de overheid onder de vorm van belastingen en subsidies. Negatieve externaliteiten konden weggewerkt worden door belastingen. De ondernemer uit het eerste voorbeeld kan bvb. belast worden voor 11 fr./geproduceerde eenheid. De vervuilende en inefficiŽnte produktie zal bijgevolg niet doorgaan. Positieve externaliteiten kunnen weggewerkt worden door subsidies. De eigenaar uit het tweede voorbeeld ontvangt bvb. 300.000 fr. aan subsidies. Hierdoor zal een maatschappelijk gewenste activiteit wel doorgaan.

Men kan niet ontkennen dat deze aanpak rationeler is dan de blinde regulering, voortspruitend uit het socialistisch etatisme. Toch rijzen een aantal netelige vragen. Alhoewel niemand het bestaan van positieve en negatieve externaliteiten zal ontkennen, kan men zich afvragen hoe de overheid, een juiste informatie kan verwerven omtrent het bestaan en de intensiteit van externaliteiten. Hoe kan de overheid weten of de schade aan de omwonenden uit het eerste voorbeeld wel degelijk 15 fr./eenheid bedraagt, of de waardering van buitenstaanders voor de restauratie wel degelijk de 300.000 fr. overtreft. Dergelijke gegevens zijn, omwille van hun verspreid en subjectief karakter moeilijk te ramen. Nochtans is een zo exact mogelijk beeld voor deze gegevens noodzakelijk om een efficiŽnt belastings- of subsidiebeleid te voeren.

Een reactie op het door Pigou voorgestelde milieubeleid ontstond in de Chicago School, meer bepaald vanwege Ronald Coase (11). Zijn visie kan herleid worden tot twee stellingen. In de eerste plaats wijst Coase erop dat inefficiŽnties veroorzaakt door externaliteiten, kunnen weggewerkt worden door onderhandelingen tussen de betrokken partijen, en dat een belastings- subsidiebeleid derhalve overbodig is. Nemen we bvb. aan dat een landbouwer schade ondervindt van voorbijrijdende treinen. Elke doorgang van een trein berokkent hem 500 fr. schade. Voor de treinmaatschappij levert de eerste treinrit per dag 1.000 fr., de tweede 600 fr., de derde 300 fr. winst op. Maatschappelijk gezien zijn slechts de eerste twee ritten winstgevend. De derde is maatschappelijk verlieslatend door de negatieve externaliteit. Ingrijpen vanwege de overheid is, aldus Coase, echter niet nodig. De landbouwer zal immers, in zijn eigen belang, aan de treinmaatschappij een aanbod doen om de derde rit te schrappen voor een prijs die schommelt tussen 301 en 499 fr. Door onderhandelingen komt de inefficiŽntie ten einde. In de tweede plaats corrigeert Coase echter zijn stelling door te wijzen op het bestaan van transactiekosten. Onderhandelingen, het sluiten van overeenkomsten, het voeren van processen voor niet-naleving van overeenkomsten, kosten tijd en geld. Deze transactiekosten kunnen, wanneer zij te hoog zijn, een barriŤre vormen voor het wegwerken van inefficiŽnties door onderhandelingen. Stel bvb. dat meerdere landbouwers betrokken zijn in de milieuschade door de treinen. De transactiekosten om een akkoord te bereiken tussen de meerdere landbouwers en de treinmaatschappij bedragen 250 fr. In dit geval zullen de landbouwers niet geneigd zijn om naar een akkoord te streven dat de inefficiŽntie wegwerkt. Zij moeten aan de treinmaatschappij minimaal 301 fr. bieden. Dit bedrag, verhoogd met de transactiekosten (250 fr.), valt hoger uit door de schade. Zij zullen dan verkiezen de schade te blijven ondergaan. Voor dergelijke gevallen, die frequent zijn in milieuschade wegens het groot aantal betrokkenen, pleit Coase voor een economisch aangepast optreden van de rechter. Deze laatste moet dan een aansprakelijkheidsregeling opleggen, die de transactiekosten zo laag mogelijk houdt. In het gegeven voorbeeld zou dit betekenen dat de treinmaatschappij aansprakelijk zou gesteld worden voor de schade. Zij zou dan het initiatief moeten nemen om toelating te bekomen, mits een schadevergoeding voor de eerste twee ritten. Aangezien de initiatiefnemer slechts ťťn enkele instantie is, zouden de transactiekosten beduidend lager liggen.

De visie van Coase, en de hele Chicago School, heeft ongetwijfeld de verdienste dat de milieuproblematiek gedeeltelijk uit de publiekrechtelijke atmosfeer wordt gehaald en behandeld wordt als een probleem van vrijwillige overeenkomsten, van privaatrechtelijke aansprakelijkheid en, onrechteconomisch verantwoord kader van privaatrechtelijke regelen, kunnen, aldus Coase, de inefficiŽnties van milieu-externaliteiten in het marktproces hun oplossing vinden. Toch blijven er een aantal bezwaren. Een eerste bezwaar treft de ethisch neutrale aanpak van de Chicago School. Het probleem inzake aansprakelijkheid, of beter gezegd, de vraag wie voor milieuschade zal betalen, wordt behandeld als een kwestie van economische efficiŽntie. Coase stelt zich niet de vraag of het rechtvaardiger is de landbouwers of de treinmaatschappij de milieuschade te laten dragen. Zijn enige bekommernis blijft bij het wegwerken van inefficiŽnte activiteiten. Het is duidelijk dat een alles omvattende politieke filosofie zoals het liberalisme, zich niet kan beperken tot problemen van economische inefficiŽntie inzake milieuproblemen. Ook de rechtvaardigheidsvraag roept om een liberaal antwoord. Een tweede bezwaar treft het begrip "transactiekosten". Alhoewel het bestaan van transactiekosten niet kan geloochend worden, blijft het een probleem dit soort gegevens te schatten. Hoe moet een rechter, bij het vastleggen van de milieuaansprakelijkheid, de kosten die onderhandelingen tussen partijen anders zouden meebrengen gaan begroten? De vraag rijst bijgevolg of niet eerder moet gestreefd worden naar een globale politiek omtrent het drukken van transactiekosten door bvb. meer ruimte te geven voor contractuele vrijheid, door het gerechtelijk apparaat te demonopoliseren en meer ruimte te laten voor arbitrage, door de toegang tot het gerecht eenvoudiger en goedkoper te maken.

2.4. Het ecologisme

De ecologische bewustwording, geschetst in de inleiding, gaf niet alleen aanleiding tot talrijke thema-gebonden actiegroepen, (verenigingen voor natuurbehoud, stadsbehoud, buurtcomitťs, anti-pollutie-actiegroepen, groene fietsers, Greenpeace, enz.). Op het einde van de jaren zeventig ontstonden in Duitsland, Frankrijk en BelgiŽ ook ecologistische partijen, die van zichzelf beweren op een nieuwe ecologistische ideologie te steunen. Het is niet gemakkelijk deze "nieuwe ideologie" te evalueren. De partijprogramma's van de groene partijen zijn dikwijls zeer vaag en vertonen belangrijke verschillen van land tot land. Wel moet toegegeven worden dat de groene partijen op het praktische vlak verfrissende geluiden in de politiek hebben gebracht. Hun aanval op het favoritisme in de politieke benoemingen, hun verzet tegen de gecentraliseerde bureaucratie, hun pleidooi voor een grondiger aanpak van de milieuvervuiling, hun afkeer voor "das Militair', zijn themata die ook een echte liberaal niet onberoerd kunnen laten.

Op het theoretische vlak verdedigen de "Groenen" echter een aantal stellingen, waarvan de toepassing aanleiding kan geven tot een gesloten, autoritaire, ja zelfs fascistische samenleving. Steeds weerkerende slogans in de ecologistische propaganda zijn: de omvorming van onze "winst-economie" in een "behoeften-economieĒ; de decentralisering van de politieke besluitvorming naar basisdemocratieŽn toe; het algemeen evenwicht tussen mens en natuur.

Het pleidooi van de "Groenen" voor een behoefteneconomie is gesteund op de overtuiging dat vele actuele behoeften, die via het marktproces in de produktie van allerlei goederen uitmonden, "artificieel", "onecht" zijn en opgeblazen werden via handige reclametrucs. Zonder dieper in te gaan op de waarheid of valsheid van deze stelling, moet toch gewezen worden op de paternalistisch-autoritaire ondertoon in het pleidooi van de "Groenen" voor een behoefteneconomie. Om de "behoefteneconomie" in werking te stellen zullen zij eerst een soort morele code dienen uit te werken, waarin de "echte" van de "onechte" behoeften worden onderscheiden, om vervolgens, via een autoritair apparaat, de producenten te dwingen alleen maar te produceren in functie van de bevrediging van de "echte" behoeften.

De tweede slogan, nl. de opsplitsing van de politieke besluitvorming in basisdemocratische gemeenschappen roept nog meer vragen op. De "Groenen" preciseren nergens volgens welke criteria de burgers zullen worden ingedeeld in basisdemocratische cellen. Tevens wordt nooit bepaald welke rechten het individu bezit binnen deze cellen. Mag elk individu vrijelijk uittreden? Is het individu beschermd tegen majoritaire willekeur in deze cellen? Deze cruciale vragen blijven onbeantwoord. Het hoeft geen betoog dat het opsluiten van individuen in basisdemocratische cellen, werkend volgens het principe "de meerderheid heeft alle rechten", het terrein kan effenen voor de dictatuur van allerlei demagogen en van activistische elites.

De derde slogan, nl. het evenwicht tussen mens en natuur, vraagt eveneens om meer duidelijkheid. Er moet op gewezen worden dat de ecologische evenwichten tussen diersoorten onderling, tussen dieren en planten, een heel ander karakter hebben dan mogelijke evenwichten tussen mens en natuur. De evenwichten tussen niet-menselijke soorten worden spontaan teweeggebracht door de inwerking van diverse natuurlijke factoren, zoals klimaat, bodemstructuren, de instinctief-gegeven capaciteiten van de betrokken soorten. Dit spontaan karakter is afwezig in de relatie mens-natuur. Door de constante groei van de menselijke kennis, kan de mensheid haar evenwichtsrelatie bestendig veranderen. De mens is in dit tijdperk in staat de natuur grotendeels te controleren, te beschermen, maar ook, te vernietigen. Evenwicht tussen mens en natuur komt niet vanzelf tot stand, maar slechts via een door de mens aan zichzelf opgelegd geheel van regelen en beperkingen. Dit impliceert dat de oplossing van de problemen inzake mens-natuur-relatie niet moet gezocht worden in termen van abstracte evenwichten, "rechten van de natuur", "rechten van dieren", enz. De oplossing moet gezocht worden in het uitwerken van rechtsregelen, betrokken op mens-mens-relaties, die de actie van individuen kanaliseren in de richting van een rationele, verspillingsbeperkende natuuruitbating.


3. Radicaal-liberaal milieubeleid: de verzoening van vrijheid en milieubewustzijn

3.1. Richtinggevende beginselen

Uit het voorafgaande overzicht van juridisch-politieke benaderingen blijkt dat voor milieubeleid slechts twee, fundamenteel verschillende, wegen openstaan. Ofwel wordt de administratief-etatistische aanpak verdergezet, hetgeen naar alle waarschijnlijkheid impliceert: nog meer reglementeringen, nog meer administratieve beperkingen van de persoonlijke vrijheid, nog meer overheidscontrole op milieugebonden sectoren zoals waterzuivering, afvalverwerking, luchtkwaliteitsbeheer, enz. Ofwel wordt het milieubeheer overgelaten aan het marktproces, maar dan is het noodzakelijk het juridisch kader, waarbinnen het marktproces verloopt, grondig aan te passen zodat de externe milieu-effecten zoveel mogelijk worden geÔnternaliseerd.

De eerste, administratief-etatistische aanpak dient in beginsel om twee redenen, die overigens tegen elk bureaucratisch ingrijpen gelden, verworpen te worden.

Een eerste reden is het feit dat een gecentraliseerde instantie, zoals de overheid, geen wetende godheid is, die met een alles doordringende blik de hele samenleving overschouwt. De kennis, die de overheid nodig heeft om een rationeel milieubeheer te voeren, omvat een zodanig omvangrijk en wisselend geheel van gegevens, dat de overheid nooit bij machte is deze kennis te centraliseren en in haar beleid aan te wenden. Een rationeel gecentraliseerd milieubeheer vergt een alomvattende informatie over de talloze en wisse1ende evaluaties vanwege de individuen over milieugoederen, over de mate waarin de individuen rekening houden met het welzijn van toekomstige generaties, over de kosten van pollutiebestrijding, over de preferenties inzake natuurrecreatie, enz.. Een meer concreet voorbeeld moge dit verduidelijken. In het Vlaamse Gewest heeft de overheid via de Openbare Afvalstoffenmaatschappij en via een systeem van vergunningen een sterke controle verkregen op de afvalverwerking (zie decreet 2 juli 1981). De vraag stelt zich uiteraard volgens welke criteria de overheid zelf in deze sector moet investeren of vergunningen voor afvalverwerking moet toestaan. Economisch gezien werkt de afvalverwerking zowel produktief als consumptief inzake milieugoederen. Afvalverwerking produceert milieugoederen in zoverre dat door deze activiteit de milieustorende afval, verspreid in de samenleving, wordt geconcentreerd op een plaats, wordt gereduceerd tot een kleiner volume, wordt gerecycleerd tot nieuwe bruikbare goederen. Anderzijds verbruikt afvalverwerking in zekere mate milieugoederen in zoverre dat afvalmaatschappijen de omgeving kunnen verpesten, lawaai produceren, het landschap verstoren, insijpelingen kunnen veroorzaken, enz. Om een rationeel beheer inzake investeringen en vergunningen in de afvalsector te voeren moet de overheid een kosten-batenanalyse kunnen uitvoeren, die onmogelijk te verwezenlijken is. In principe zou de overheid kennis moeten hebben over de mate waarin de individuen het wegnemen van de afval in hun milieu stuk voor stuk waarderen en over de mate waarin al degenen, die de gevolgen van de vestiging van afvalverwerking ondergaan, deze negatieve effecten waarderen. Dit soort waarderingen is zo wisselend en zo omvangrijk dat het beleid van de overheid noodzakelijkerwijze een slag in het wilde weg moet zijn. Door een teveel aan investeringen en vergunningen, door een verkeerde lokalisering van de vestigingen kan het zijn dat de afvalverwerking meer milieugoederen verpest dan produceert. Door te weinig investeringen en vergunningen kan het zijn dat talloze kansen om het milieu te reinigen tegen een lagere milieukost worden verkeken.

Een tweede reden waarom de uitsluitend administratief-etatistische aanpak moet verworpen worden, is gelegen in het feit dat de overheid, de administratie, geen super-moreel wezen is, begaafd met een objectieve morele wil. In de praktijk wordt het beleid van de overheid niet bepaald door objectieve criteria, gesteld nog dat deze zouden kunnen geformuleerd worden, maar door het "politieke" marktmechanisme. Het beleid van politici, en de administratie wordt bepaald door de balans in invloed tussen drukkingsgroepen, door electorale wisselvalligheden, door het geven en nemen van compromissen. Dit geldt evenzeer op het vlak van milieubeheer. Voorbeelden zijn hier legio. Zo maakt de Reagan-administratie in de V.S. van het economische recessieklimaat gebruik om de EPA (Environmental Protection Agency) een veel lakser beleid te doen voeren. Waar zit de rationaliteit in deze beleidswijziging? Zijn de milieugoederen plots minder waard om beschermd te worden omdat er door inflatoire maatregelen, budget-deficits, stijgende belastingsdruk een economische recessie is ontstaan? Zo ontstond binnen de EEG een twist tussen Groot-BrittanniŽ en de andere leden omtrent de toepassing van de EEG-milieurichtlijn inzake gelijke concurrentie-voorwaarden. De meeste lidstaten eisten, omwille van de "gelijkheid inzake concurrentievoorwaarden", gelijke lozingsnormen in elk land. Groot-BrittanniŽ eiste echter minder strenge lozingsnormen omdat zijn rivieren wegens een hoger debiet een groter zelfreinigend vermogen bezaten. Anders gezegd, de Britse vervuiling bereikt vlugger de open zee. De gehele twist eindigde in een politiek compromis; waarin het Britse standpunt en het standpunt van de andere lidstaten werd vermengd. Ook hier is de rationaliteit ver te zoeken. De kwantiteit van toegelaten lozingen, de differentiatie ervan volgens land en gewest, werden bepaald door politieke machtsverhoudingen, door een geven- en nemen-politiek aan de onderhandelingstafel. Zo is het vraagstuk van de lozingsnormen in de Belgische rivieren een twistappel van communautaire aard geworden. De Waalse politici vreesden dat, indien een uniforme regeling inzake categorieŽn van rivieren zou toegepast worden, "hun" rivieren aan strengere regelingen zouden onderworpen worden, hetgeen de economische ontwikkeling in WalloniŽ zou afremmen. Dit alles liep eens te meer uit op een compromis, waarin o.m. in economische compensaties werd voorzien.

Ten slotte kan er nog gewezen worden op de lobbying, de politieke marchandage en corruptie waarmede de urbanisatorische activiteit van de administratie gepaard gaat. Het is een publiek geheim dat de talrijke veranderingen, aangebracht in de ontwerpplannen van aanleg, meer te maken hebben met politieke beÔnvloeding dan met objectieve ecologische of urbanisatorische criteria.

Om uit dit slop van administratieve inefficiŽntie en politieke lobbying te geraken is het bijgevolg noodzakelijk, ook in het milieubeleid, het roer voorzichtig maar steevast om te wenden in de richting van zelfregulatie via het marktproces. Dit kan echter slechts, zoals we reeds eerder benadrukten, onder de voorwaarde dat de talrijke milieu-externaliteiten zoveel mogelijk worden geÔnternaliseerd, of anders uitgedrukt, onder de voorwaarde dat de vervuiler, de verbruiker van milieugoederen, zelf moet opdraaien voor de kosten van de vervuiling. In de economische benadering van de milieuproblematiek werd als mogelijke techniek voor internalisering van externe milieu-effecten het instrument van belasting-subsidie-prikkels vermeld. Tevens hebben we vermeld dat ook deze techniek gepaard gaat met de moeilijkheid van de overheid om milieukosten en kosten van de pollutiebestrijding te schatten. Om die reden moet uitgekeken worden naar een meer radicale aanpak, nl. het toekennen aan individuen van milieurechten, en kan de subsidie-belasting-techniek slechts als een "second best"-oplossing in aanmerking komen.

Door het toekennen van individuele milieurechten wordt primo, de internalisatie van externe milieu-effecten volledig gerealiseerd, secundo, voldaan aan de elementaire regel van rechtvaardigheid, nl. de vervuiler betaalt aan de vervuilde. Stel bvb. dat aan alle bewoners van huizen op het Belgisch grondgebied een recht op een bepaalde luchtkwaliteit, die nodig is om gezond te kunnen leven, binnen hun woonsfeer wordt toegekend. Een industriŽle onderneming, vestigt zich in een bewoonde buurt waar zij een vermindering van de luchtkwaliteit met 1% veroorzaakt. De kosten voor de onderneming om de vervuiling tot nul te herleiden bedragen 100.000 fr./jaar. De onderneming kan in de eerste plaats gaan onderhandelen met de mogelijke slachtoffers (in de praktijk: het lokale Groencomitť die hen vertegenwoordigt). Stel dat de mogelijke slachtoffers de 1% vermindering van hun luchtkwaliteit begroten op 150.000 fr./jaar. In dit geval is het voordeliger voor de ondernemer de luchtzuiveringsinstallatie te plaatsen. De milieukost overtreft hier de pollutiebestrijdingskost. De uitkomst is bijgevolg efficiŽnt. Stel dat de mogelijke slachtoffers de 1 % vermindering van hun luchtkwaliteit begroten op slechts 80.000 fr./jaar. Dan is het voordeliger voor de ondernemer de luchtzuiveringsinstallatie niet te plaatsen en de gevraagde som aan de omwonenden uit te betalen. De pollutiebestrijdingskost overtreft hier de milieukost. De uitkomst is bijgevolg efficiŽnt. Mocht de ondernemer niet bereid zijn om te onderhandelen, en desondanks toch vervuilen, dan kan hij uiteraard veroordeeld worden tot schadevergoeding en stopzetting van de vervuilende activiteit.

Merken we op dat met dergelijke interparticuliere regelingen omtrent bescherming en verbruik van milieugoederen de onmogelijke alomvattende ramingen vanwege een centrale instantie overbodig worden. De waarde, die de betrokkenen aan hun milieugoederen hechten, komt tot uiting in het spontaan onderhandelingsproces tussen de eigenaars van het milieugoed en degene die het milieugoed wil verbruiken. Tevens gebeurt de berekening van de kosten van pollutiebestrijding op een gedecentraliseerde wijze. Het wordt telkens aan de potentiŽle vervuilers overgelaten om, in hun eigen belang te zoeken naar de meest efficiŽnte en goedkoopste methodes om de vervuiling te reduceren en eventueel de vergoeding aan slachtoffers te vermijden. In sommige gevallen, nl. bij onrechtmatige, niet-toegestane vervuiling, zal weliswaar beroep moeten gedaan worden op de raming vanwege een derde, nl. de rechter. Deze raming blijft steeds in zekere zin arbitrair. Toch moet opgemerkt worden dat de positie van de "ramende" rechter beduidend verschilt van de positie van de "ramende" administratie. In het eerste geval heeft de ramende instantie, nl. de rechter, te maken met ťťn omschreven conflict tussen twee partijen of groepen. De gegevens die hij moet verzamelen om tot een redelijke raming van de schadevergoeding te komen zijn oneindig veel minder complex dan het geheel van gegevens die een centrale administratie moet verzamelen om tot een raming van kosten en baten in de "samenleving" te komen.

Het is evident dat de ommezwaai, waarvoor hier inzake milieubeleid wordt gepleit, niet plots en ondoordacht mag doorgevoerd worden. Wellicht zal nog jaren beroep moeten worden gedaan op de inefficiŽnte administratieve technieken. Dit mag er ons niet van weerhouden geleidelijk over te stappen naar een politiek van individualisering van de milieurechten. In de volgende paragrafen geven we de krachtlijnen aan van de juridische veranderingen, die nodig zijn om dit individualiseringsproces op gang te brengen.

3.2. De uitbreiding van het eigendomsrecht over accessoire milieugoederen

De nieuwe benadering, die hierboven werd bepleit, kan het gemakkelijkst begonnen worden bij die milieugoederen, die als een rechtstreeks accessorium van de privaateigendom op onroerende goederen kunnen beschouwd worden. Hierbij denken we aan milieugoederen zoals luchtkwaliteit, stilte, vrijwaring van hinderlijke geuren, vrijwaring van insijpeling van schadelijke stoffen, enz. Voor het uitbreiden van private eigendomsrechten naar dergelijke goederen toe, is het echter noodzakelijk even de liberale grondbeginselen van het eigendomsrecht in herinnering te brengen. Volgens authentieke liberale beginselen verwerft men geen rechtmatig eigendomsrecht door roof, afpersing, bedrog, geweld. Een oorspronkelijke eigendomstitel verwerft men slechts door een zaak te betrekken in zijn produktieve activiteiten. Toegepast op de eigendom op gronden, impliceert dit dat slechts een rechtmatig oorspronkelijk eigendomsrecht tot stand komt door "home-steading", d.i. door het land, dat aan niemand toebehoorde, tot een produktief middel in te richten (bvb. landbouw, inrichting tot woongelegenheid, tot recreatiezone, enz.). Inzake het grondbezit zelf heeft dit principe voor BelgiŽ uiteraard weinig praktisch belang. Op quasi elk lapje grond in ons land is reeds een of ander eigendomsrecht gevestigd. Dit principe kan echter wel zijn belang hebben in het bepalen van eigendomsrechten op accessoire milieugoederen. De toepassing op deze goederen van het "home-steading"-principe zou dan impliceren dat eenieder, binnen de grenzen van zijn erf, recht zou hebben op die milieugoederen, die nodig zijn voor het ongestoord verderzetten van de activiteit, waarvoor hij zijn grondeigendom gebruikt. Hieruit volgt ook dat niet elke, huidige eigenaar van een perceel grond recht heeft op eenzelfde kwantiteit en kwaliteit van accessoire milieugoederen. Het is evident dat de interpretatie van het begrip "ongestoord verderzetten van de bestaande activiteit" tot een ander resultaat zal leiden voor eigendom gebruikt om te wonen en voor eigendom bestemd voor een industriŽle activiteit. Het ongestoord, gezond, aangenaam wonen vereist een veel hogere graad van luchtkwaliteit, van stilte, van geurzuiverheid dan het ongestoord produceren van bvb. staal. Een lawaaierige Disco-Bar bvb. verstoort wel een woonactiviteit, maar niet de produktie van staal!

Deze evidente differentiatie inzake eigendomsrecht op accessoire milieugoederen plaatst ons uiteraard voor de delicate opdracht van de initiŽle toekenning van milieurechten. Deze operatie kan geschieden op twee wijzen:

- het algemene beginsel van `home-steading" van accessoire milieugoederen kan in de wet worden opgenomen, en de nadere bepaling (welke categorieŽn, welke kwantiteit en kwaliteit milieugoederen) kan men aan de rechtspraak overlaten;

- niet alleen het algemene beginsel, maar ook de afbakening van de categorieŽn (bvb. wooneigendom, landbouweigendom, industrie-eigendom, handelseigendom, recreatie-eigendom) en de exacte bepaling van de kwantiteit en kwaliteit van milieugoederen, aan elke categorie verbonden, worden in de wet bepaald.

De eerste techniek heeft het voordeel van soepelheid en geleidelijkheid. Uit diverse toepassingen in de rechtspraak kunnen zich geleidelijk algemene normen inzake de bepaling van milieurechten kristalliseren. De tweede techniek heeft het voordeel van meer rechtszekerheid. Van in den beginne is de afbakening van de milieurechten klaar en duidelijk zonder problemen van verschillen in rechtspraak. Daar ons rechtssysteem minder goed vertrouwd is met rechterlijke regelvorming lijkt de tweede techniek te verkiezen. Het gevaar van wettelijke verstarring kan ondervangen worden door de technische regelen inzake afbakening slechts een tijdelijke geldingskracht te verlenen (bvb. 5 jaar), zodanig dat deze regelen na het verstrijken van de geldingsperiode kunnen aangepast worden aan nieuwe wetenschappelijke gegevens.

Rond deze gigantische uitbreiding van de eigendomsrechten van de burgers tot hun accessoire milieurechten rijzen uiteraard een aantal bijkomende vragen en moeilijkheden. De voornaamste hiervan zijn:

- het overgangsprobleem. Ten gevolge van de lakse, inefficiŽnte houding van de milieubureaucratie zijn heden ten dage gehele woongebieden, landbouwgebieden, recreatiegebieden het slachtoffer van bestendige luchtvervuiling, lawaaihinder, geurvervuiling. Het moet niet verheeld worden dat een plotse toepassing van de hierboven geschetste uitbreiding van eigendomsrechten naar accessoire milieugoederen, m.i.v. de strikte aansprakelijkheidsregel (zie verder, 3.3.), tal van industriŽle activiteiten in gevaar zou brengen door plotse kostenstijging en verslechtering van concurrentiepositie. Daarom lijkt een overgangsregime verkieselijk. De huidige vervuilers (bedrijven, maar ook particulieren) zouden bvb. voor een periode van vijf jaar, met ingang van het van kracht worden van de nieuwe wetgeving, de tijd krijgen zich aan te passen aan de nieuwe regeling. Tot zolang blijven zij onderworpen aan de huidige administratieve reguleringen. De nieuwe vervuilingsbronnen (bvb. bedrijven, bvb. nieuwe verwarmingsinstallaties van particulieren) zouden echter onmiddellijk onder de nieuwe regeling vallen. Op die wijze zou een zachte overgang van bureaucratische milieupolitiek naar individuele milieurechten mogelijk worden;

- bescherming van landschappen, uitzichten, zonlicht, enz... Men kan zich de vraag stellen waarom de voormelde uitbreiding van eigendomsrechten tevens niet kan toegepast worden op de omgeving van grondeigendommen. Waarom bvb. geen individueel recht op behoud van landschappen, op de inval van zonlicht, op uitweg naar de weg, enz... Deze verdere uitbreiding strookt echter niet met de fundamentele gelijkheidsregel tussen de burgers. Het toekennen van een recht op een ongewijzigd landschap aan enkele eigenaars impliceert meteen dat aan andere eigenaars het recht om hun eigendommen aan te passen en te veranderen, wordt ontzegd. Tevens zou deze verdere uitbreiding tot absurde situaties kunnen leiden. Zo zou het bvb. volstaan een klein perceel grond te verwerven in een streek, om vervolgens het recht op te eisen de gehele streek te immobiliseren wegens het "recht op ongewijzigd landschap". Kortom, deze verdere uitbreiding kan onmogelijk in gelijke mate voor alle burgers toegepast worden. Slechts een onrechtvaardige, discriminatorische toepassing, zoals nu het geval is, is in de praktijk mogelijk. Toch blijft het een feit dat zaken als een mooi uitzicht, inval van zonlicht, uitweg naar de weg, enz., goederen zijn die door het publiek gewaardeerd worden. Hoe deze goederen via een liberaal rechtssysteem kunnen gevaloriseerd worden, bespreken we onder de paragraaf "urbanisatie".

3.3. Bescherming van individuele milieurechten

De uitbreiding van eigendomsrechten naar accessoire milieugoederen impliceert dat individuen zich alsdan kunnen beroepen op een zakelijk milieurecht. Elke aantasting van dit zakelijk milieurecht houdt op zichzelf een juridische fout in. Dit brengt mede dat inzake milieustoornissen (luchtvervuiling, geurhinder, lawaaihinder, enz.) het principe van de strikte aansprakelijkheid van toepassing wordt. Het slachtoffer van een aantasting van zijn zakelijk milieurecht hoeft dus, om schadevergoeding of stopzetting van de milieuverstorende activiteit te bekomen, slechts te bewijzen:

- de milieuschade (bvb. een daling van de luchtkwaliteit beneden de door de wet bepaalde drempel);

- de bron van de milieuschade. Het volstaat hier aan te tonen dat de activiteit van een vervuiler een noodzakelijke voorwaarde was voor de milieuschade.

Als mogelijke sancties kan de rechter, benevens een schadevergoeding voor de geleden schade, ook nog de stopzetting van de vervuilende activiteit bevelen.

Zijn de principes inzake bescherming van milieurechten eenvoudig, in de praktijk kunnen zich bijzondere moeilijkheden stellen. De voornaamste hiervan zijn:

- bewijsmoeilijkheden. Het mag niet verheeld worden dat de herkomst van de milieuschade en vele gevallen moeilijk te bewijzen valt. In een zuiver vrij marktsysteem, waarin de urbanisatie op basis van vrijwilligheid zou geschieden (bvb. via private verkavelingsfirma's, via wooncoŲperatieven), zou het probleem van de bewijsmoeilijkheden naar alle waarschijnlijkheid ondervangen worden via vestigingscontracten met informatieplicht. De verkavelaar zou bvb. slechts gronden verkopen aan een particulier of aan een bedrijf, op voorwaarde dat de kopers er zich toe verbinden regelmatig gegevens door te spelen inzake potentiŽle vervuilingsbronnen. Aangezien de urbanisatorische activiteit op dit ogenblik quasi wordt gemonopoliseerd door publieke instanties (gemeente, provincie, staat), is het onafwendbaar zolang dit monopolie aanhoudt, aan de publieke autoriteiten (bij voorkeur de gemeente) het recht te geven een informatieplicht aan potentiŽle vervuilers op te leggen. Benevens deze informatieverzameling, uitgaande van publieke autoriteiten, is het waarschijnlijk dat zich bijkomende private initiatieven (bvb. milieugroepen) zullen ontwikkelen, gespecialiseerd in het milieuonderzoek en milieubewijsvoering;

- de procesdrempel. Door de inefficiŽntie van het huidige gerechtelijke apparaat (tekort aan rechters, verouderde procedures, teveel aan wettelijke reguleringen) is het voeren van een proces zeer duur geworden. Benevens de financiŽle kost drukt op de procesvoerende partijen bovendien ook een psychologische last. Deze proceskosten werken vnl. inzake milieuzaken als een te hoge drempel. Milieuschade kenmerkt zich immers dikwijls door een zeer grote spreiding van slachtoffers (bvb. alle bewoners van een wijk) en van de schade (de schade bij elk slachtoffer is relatief gering) en een grote concentratie inzake vervuilingsbron (bvb. een sterk vervuilend bedrijf). Dit brengt mede dat elk slachtoffer het voor de kleine schade, die het ondervindt, de moeite niet waard acht om de (te) hoge proceskosten te ondergaan. Resultaat: de vervuiling, met alle inefficiŽnties en onrechtvaardigheden vandien, blijft voortduren. Wil een systeem van pollutiebestrijding via geÔndividualiseerde milieurechten doeltreffend werken, dan moet de milieuprocesdrempel drastisch verlaagd worden. Deze verlaging kan gebeuren op tweeŽrlei wijze:

į het doorbreken van het gerechtelijk monopolie via het stimuleren van arbitrage. Naar analogie met de arbitrageregeling bij de reisagentschappen kunnen ook op milieuvlak arbitrage-initiatieven aangemoedigd worden. Zo kunnen bvb. op gemeentelijk of op wijkniveau arbitragecommissies met vertegenwoordigers van de milieugroepen, de verbruikers en de industrie gesticht worden. PotentiŽle vervuilers kunnen er zich contractueel toe verbinden zich te onder- werpen aan het oordeel van de arbitragecommissie. Deze aansluiting kan aangemoedigd worden bvb. via belastingaftrek, bvb. via een publikatie van een lijst van milieuvriendelijke firma's. Voor het slachtoffer blijft steeds de mogelijkheid om zich, bij onenigheid met het oordeel van de arbitragecommissie, te wenden naar de gewone rechtbank;

į het versoepelen van de procesvoering. Om aan het probleem van de procesdrempel enigszins te verhelpen werd reeds van verscheidene zijden aangedrongen op het invoeren van "citizen suits", "class action", actio popularis (12). Deze voorstellen komen er grosso modo op neer dat aan verenigingen, opgericht ter behartiging van een collectief doel, het recht wordt gegeven in rechte op te treden wanneer de behartiging van dit doel geschaad of belemmerd wordt. Deze remedie is slechts geschikt voor het afdwingen van een politieke beleidslijn inzake het beheer van het publieke domein of algemene ecologische goederen (zie verder). Inzake bescherming van geÔndividualiseerde accessoire milieurechten is deze remedie overbodig. Voor het verlagen van de procesdrempel kan beroep gedaan worden op de techniek van vonnissen met algemene draagwijdte. Stel bvb. dat een bedrijf bij 1.000 gezinnen in een buurt een jaarlijkse milieuschade veroorzaakt, begroot op 1.000 fr./gezin. Eťn van de getroffen gezinnen kan, bvb. met behulp van een milieuvereniging een proces inspannen, waarin bewezen kan worden dat het bedrijf niet alleen aan het procesvoerende gezin, maar ook in de gehele buurt schade berokkent. De andere slachtoffers kunnen zich dan op dat vonnis en op deze bewijsvoering beroepen en mits een eenvoudige administratieve handeling bij de griffie (bvb. bewijs leveren dat zij in de getroffen buurt leven), eveneens schadevergoeding bekomen. Op die wijze verlaagt men enerzijds de procesdrempel en vermijdt men anderzijds het gevaar van judicieel paternalisme, waarbij buitenstaanders, boven de hoofden van de slachtoffers heen, processen gaan voeren.

3.4. Het publieke domein

Om de milieu-aspecten inzake het publiek domein systematisch te benaderen, moet men een onderscheid maken tussen het interne en externe aspect van de vervuilende werking van het publieke domein. Enerzijds zijn de publieke goederen (bvb. rivieren, territoriale wateren, staatsdomeinen, stranden) zelf het voorwerp van vervuiling. Rivieren en kanalen worden vervuild door lozingen van de industrie en particulieren. Staatsdomeinen zoals natuurreservaten en bosgebieden worden vervuild door uitwasemingen, zure regen, sluikstortingen, enz... Anderzijds vormen de publieke goederen dikwijls de bron, het vertrekpunt voor vervuiling van andere, o.m. ook private goederen. Zo vertrekt vanuit de publieke wegen een grootscheepse luchtvervuiling vanwege de weggebruikers, die de overheid op haar wegen laat rijden. Zo ondervinden de aangelanden van rivieren en kanalen vervuilingshinder door de lozingen die de overheid in haar rivieren en kanalen toelaat.

De interne vervuiling van de publieke goederen kan slechts op twee wijzen grondig aangepakt worden. Ofwel worden deze goederen geprivatiseerd en komen zij bijgevolg onder het algemene regime van zakelijke milieurechten en strikte aansprakelijkheid, zoals hierboven geschetst. Deze privatisering, alhoewel de meest fundamentele oplossing, is echter voor vele goederen van het publieke domein onmogelijk. Vele publieke goederen hebben, door het jarenlange publieke beleid een dusdanige structuur verkregen, dat zij voor private uitbating niet of moeilijk vatbaar zijn. Het meest manifeste voorbeeld hiervan is de stratenstructuur in onze steden en dorpskommen. Sommige publieke goederen, met een duidelijk afgebakende functie, zoals natuurreservaten, bosdomeinen e.d., zijn daarentegen goed vatbaar voor privatisering. Zo zouden bvb. natuurreservaten en bosdomeinen in volle eigendom kunnen overgemaakt worden aan verenigingen voor natuurbehoud. Op die wijze wordt het lot van deze natuurzones onttrokken aan de bestendige politieke lobbying (zie bvb. de perikelen rondom het Zwin). Voor de publieke goederen, die wegens hun polyvalente functie niet kunnen geprivatiseerd worden, moet zoveel mogelijk beroep gedaan worden op internalisering van externe milieueffecten via een belasting- of retributie- politiek (zie hoger, Welfare Economics). Zo bvb. moet aan bedrijven en particulieren, die willen lozen in rivieren en kanalen, zoveel mogelijk de volle kostprijs van hun vervuiling (bvb. schade aan aangelanden, schade aan de visstand in rivieren en oceanen) worden aangerekend. Tevens kan overwogen worden deze lozingsrechten verhandelbaar te maken. Op die wijze komt het lozingsrecht terecht bij de "meest efficiŽnte vervuiler".

De externe vervuiling vanuit goederen uit het publieke domein moet in principe aangepakt worden op dezelfde wijze als de vervuiling vanwege private personen (bedrijven, particulieren). Er is geen reden om aan staatsbedrijven, intercommunale bedrijven, publieke diensten ter zake vervuilingsprivileges toe te kennen. Een uitzondering dient hier evenwel gemaakt te worden voor het autoverkeer. De luchtvervuiling door het autoverkeer teweeggebracht, is zo verspreid, treft zodanig veel burgers, dat het onbegonnen werk zou zijn deze vervuilingsschade te regelen via onderhandeling of via processen tussen de burgers en de overheid. De overheid zou trouwens de vergoedingen, die zij op die wijze moet uitbetalen aan de slachtoffers, terug moeten verhalen op diezelfde slachtoffers via een heffing op het gebruik van verkeerswegen. Kenmerkend voor de vervuiling via het wegverkeer is immers dat bijna elke vervuilde tegelijkertijd ook een vervuiler is. Iedereen is slachtoffer van uitlaatgassen, maar bijna iedereen produceert ook uitlaatgassen. Ook hier lijkt een belasting-subsidiesysteem de goedkoopste en tevens meest rechtvaardige oplossing te zijn. Uitgaande van een globale raming van de kosten van de autovervuiling zou men fictief aan elke Belg een schadevergoeding in de vorm van een subsidie of belastingaftrek kunnen toekennen. Vervolgens kan uitgemaakt worden welke wagens (types, energiesoort, kilometrage) welke kwantiteit aan vervuiling produceren. Naar gelang de kwantiteit van veroorzaakte vervuiling wordt dan een belasting geheven die de toegekende subsidie moet financieren. Voor personen zonder wagen zal dit resulteren in het ontvangen van de gehele subsidiesom. Voor personen met een licht vervuilende wagen zal dit resulteren in een beperkte subsidie. Personen met sterk vervuilende wagens zullen een bijkomende belasting dienen te betalen. Het is evident dat een dergelijk belasting-subsidiesysteem de produktie van minder vervuilende wagens, het gebruik van loodvrije benzine, het zuinig omspringen met vervuilend energieverbruik sterk zal bevorderen.

3.5. Urbanisatie

Alhoewel de meerderheid in de publieke opinie zich goed bewust is van de misbruiken, corruptie en inefficiŽnties, waarmede de urbanisatorische activiteit van de overheid gepaard gaat, overheerst nog steeds de gedachte dat overheidsingrijpen op dit vlak noodzakelijk is. Zonder overheidsingrijpen, zonder plannen van aanleg, zonder bouwvergunningen, zonder verkavelingswetgeving zouden we, aldus nog de klassieke gedachtengang, vlug in de urbanisatorische chaos terechtkomen. Men denkt aan villa's verpletterd tussen wolkenkrabbers, industriŽle vestigingen midden landbouwgebieden, steden zonder enig plan, enz. Ook op dit vlak wordt echter de dynamiek van het private initiatief onderschat. Ruimtelijke ordening, zoals harmonisch aangelegde woonwijken, groepering van industriŽle activiteiten, straten met min of meer harmonische voorgevels zijn, in economische zin, "goederen", die gewis door het publiek gevraagd worden. De meeste mensen leven liever in een ordentelijk aangelegde wijk, dan in een chaotische gegroeide stenen woestijn. Dit brengt mee dat, zonder enig overheidsingrijpen, ook op de bouw- en woonmarkt een aanbod zou ontstaan van urbanisatorisch verantwoorde gehelen. Private verkavelaars en/of wooncoŲperatieven zouden waarschijnlijk op een meer efficiŽnte wijze aan de vraag naar urbanisatie kunnen voldoen, dan heden het geval is met de administratieve urbanisatorische kolos.

Alhoewel het duidelijk is dat het quasi-monopolie van de overheid op urbanisatorisch vlak niet zo vlug zal kunnen afgebouwd worden wegens de dikwijls onomkeerbare situatie, kan niettemin toch overwogen worden de bureaucratische greep op de urbanisatie te versoepelen. Hiertoe kunnen de volgende stappen overwogen worden:

- in zones, die nog voor bebouwing worden opengesteld, moet een zo groot mogelijke vrijheid gelaten worden voor private en coŲperatieve initiatieven. Zo kan ook overwogen worden de publieke infrastructuur van nieuw aangelegde wijken (zoals parkjes, pleinen, straten) in mede-eigendom te laten van de bewoners-eigenaars;

- in reeds aangelegde wijken met een vrij homogene structuur kan eveneens overwogen worden de publieke infrastructuur over te dragen aan de bewoners-eigenaars. Dit kan o.m. via het oprichten van juridische personen, waarin de bewoners, via een aandeel in de maatschappij, hun zeggenschap over de publieke infrastructuur zouden uitoefenen. Op die wijze zou het politieke, meestal machteloze, medezeggenschap van buurtcomitťs e.d., omgevormd worden tot een werkelijk zelfbeheer;

- een groot deel van de bestaande publieke reglementering (bvb. verplichting tot vergunning van aanleg van straatgeveltuintjes, van zwembaden, duivenhokken, garage, enz.) kan vatbaar gesteld worden voor contractuele abrogatie. Wanneer alle bewoners van een wijk of een straat tot een onderling akkoord kunnen komen over het afschaffen, het versoepelen, het verstrengen of het wijzigen van een bestaande administratieve reglementering, dan moet deze contractuele regeling de plaats innemen van het eenzijdig opgelegde reglement. Ook dit zou de buurtcomitťs een bevoegdheid en verantwoordelijkheid geven, die tot onmiddellijke en praktische resultaten leidt.

3.6. Bescherming van het ecologisch wereldkapitaal

De ecologische wetenschap wijst er voortdurend op dat de gezondheid, het welzijn, ja zelfs het voortbestaan van de mensheid, eng verbonden zijn met een aantal natuurlijke gegevens en ecologische subsystemen van het "ruimteschip aarde". Voorbeelden hiervan zijn:

- de ozonlaag: de vernietiging van deze atmosferische filter zou de mensheid blootstellen aan hevige zonnestraling en massaal huidkanker veroorzaken;

- het klimatologisch systeem: klimatologische factoren (regen, vochtigheid, zonneschijn) vormen dikwijls een levensnoodzaak voor het welzijn van gehele regio's, vnl. de landbouw aldaar. Bepaalde acties van de mens, vnl. de ontbossing, het verdwijnen van de tropische regenwouden, kunnen dramatische veranderingen op klimatologisch vlak teweegbrengen (bvb. uitdroging van de grond, vermindering van de voedselproduktie, verhongering van gehele volkeren).

Typisch voor deze natuurlijke fenomenen en subsystemen is dat zij niet voor de vestiging van eigendomsrechten (noch vanwege particulieren, noch van staten) vatbaar zijn. Zij vormen "het wereldkapitaal" van de mensheid. Voorts is dit "wereldkapitaal" en de problemen inzake behoud en beheer ervan gekenmerkt door zijn grensoverschrijdend karakter. GeÔsoleerde maatregelen van ťťn enkele staat zijn op dit vlak gedoemd tot ineffectiviteit. Internationale samenwerking is hier een absolute noodzaak. Het politiek beleid omtrent het ecologisch wereldkapitaal dient bijgevolg hoofdzakelijk gevoerd te worden via een politiek van verdragen met andere staten en via optreden in internationale organisaties.

Vanuit liberale optiek zou dit buitenlands ecologisch beleid moeten gestoeld worden op het verbod van onrechtstreekse agressie. Elke aantasting van het wereldkapitaal (bvb. vernietiging van de ozonlaag) of verstoring van ecologische subsystemen, waarvan bewezen is dat zij het leven, de gezondheid, de welzijnskansen van volkeren in gevaar brengen, dient immers als een onrechtstreekse agressie bestempeld te worden. Het moet niet verheeld worden dat de consequente toepassing van dit principe in het internationaal recht, zeker in een eerste fase, een aantal kosten kan meebrengen. Zo zouden in een aantal Derde Wereld-landen (bvb. BraziliŽ, ZaÔre, IndonesiŽ) voor het behoud van de tropische regenwouden een aantal winstgevende economische activiteiten moeten gestaakt of geheroriŽnteerd worden. Om deze overgang te bewerkstelligen zal naar alle waarschijnlijkheid in een of andere vorm van compensatie voor deze landen moeten worden voorzien.

Ten slotte weze nog opgemerkt dat ook inzake het behoud en beheer van het ecologisch wereldkapitaal de macht van de staat een degraderende rol heeft gespeeld. De rechtstreekse of onrechtstreekse greep van overheidsbureaucratieŽn op natuurlijk wereldkapitaal (bvb. de staatseigendom op de meeste tropische regenwouden) heeft een snelle uitputting ervan dikwijls bevorderd. Om wapens te kunnen kopen, om een populistische "panem et circenses"-politiek te financieren, zijn politici geneigd gedurende de periode van hun machtsuitoefening deze bronnen razendsnel uit te verkopen. De politieke voordelen zijn voor hen, de kosten ervan zijn voor de bevolking en de latere generaties. Tevens is het zo dat het optreden tegen particulieren en private ondernemingen, die het ecologisch wereldkapitaal aantasten, meestal gemakkelijker is dan het optreden tegen soortgelijke activiteiten vanwege politieke en militaire machtscomplexen. Welk internationaal gerechtshof is immers in staat een eventuele vernietiging van de ozonlaag door de Sovjet-luchtmacht of door de NASA, een halt toe te roepen?


4. Besluit.

De liberale beweging en alle vrijheidslievende mensen, kunnen er zich in deze jaren om verheugen dat de liberale ideologie aan aanhang en belangstelling wint. Collectivistische leerstelsels zoals socialisme en nationalisme zijn in het defensief gedrongen. Meer en meer groeit het besef dat op het vlak van de economische produktie, het onderwijs, het sociale beleid een spontane orde onder algemene rechtsbeginselen het beste alternatief vormt om uit het moeras van verstarring, willekeur en verspilling, waarin het politiek beleid nu is vastgelopen, te geraken.

Het is echter niet onwaarschijnlijk dat de ecologische problemen, waarvan het bestaan door geen zinnig mens wordt betwist, zullen aangegrepen worden als een kapstok, om een nieuwe golf van staatsinterventie aan op te hangen. Zoals in het verleden met allerlei andere probleemsectoren gebeurde, zal men ook op ecologisch vlak de staatsmoloch als objectieve, neutrale, rationele bestuurder of "rentmeester", willen uitbouwen.

Het komt erop aan, met het uitwerken van een radicaal-liberale visie over ecologie, deze nieuwe golf een slag voor te zijn. Daarvoor is het echter noodzakelijk om met de nodige durf een aantal rechtsprincipes, die de vrije samenleving normeren, aan te passen. Slechts dan wordt het mogelijk te bouwen aan een samenleving waarin individuele vrijheid en vrijwaring van ecologische goederen met elkaar in harmonie worden gebracht.


5. Verwijzingen.

(1) Zo kenden de Romeinen reeds twee rechtsvorderingen over milieuvervuiling, nl. de "actio de effusis et dejectisĒ en het "immissio"-verbod. In de Middeleeuwse steden golden verscheidene verordeningen in verband met luchtvervuiling, afval, lawaai, kwalijke geuren enz.

(2) De oorzaken van de demografische expansie in de Derde Wereld moeten voornamelijk gezocht worden in de discrepantie tussen de ontwikkeling van de medisch-hygiŽnische zorg enerzijds en de economische ontwikkeling anderzijds. Zoals overigens ook in het pre-industriŽle Europa het geval was, beschouwt de Derde Wereld Bevolking kinderrijkdom als een vorm van sociale zekerheid. Hoe meer kinderen, des te beter de zorg voor de oude dag gewaarborgd blijkt. In het pre-koloniale tijdperk werd deze enorme nataliteit geneutraliseerd door een hoge kindersterfte en bijzonder korte levensduur. De kolonisatie en de hulpprogramma's in de post-koloniale tijd brachten voornamelijk een verbetering teweeg op medisch en hygiŽnisch vlak, terwijl op het vlak van de economische ontwikkeling slechts geringe vooruitgang werd geboekt. Deze discrepantie moest onafwendbaar tot de huidige demografische explosie, die op haar beurt een verbetering van de individuele levensstandaard belemmert, leiden. Uit het voorafgaande mag zeker niet de cynische conclusie getrokken worden dat voortaan alle medisch-hygiŽnische hulp moet stopgezet worden om de bevolkingsaanwas in de Derde Wereld te "stabiliseren". Eerder vervat deze vaststelling een aansporing om meer aandacht te besteden aan de economische "take off" van Derde Wereldlanden, ten einde bij de bevolking spaarmogelijkheden te ontwikkelen, die sociale zekerheid onder de vorm van kinderrijkdom geleidelijk overbodig maakt. EnquÍtes in de economisch meest ontwikkelde Derde Wereldlanden hebben trouwens uitgewezen dat jongeren aldaar niet van plan zijn even grote gezinnen te stichten als hun ouders deden.

(3) Voor een doeltreffende kennismaking met de ecologie zie Rudy J.V. Nys, Ecologie, Theorie en Praktijk.

(4) Historisch kan deze verschuiving in cultureel patroon gesitueerd worden in het laatste kwart van vorige eeuw. Het ontstaan, vnl. in Duitsland, van wandelclubs (Die Wandervogel), van jeugdbewegingen, van alpinisme, van vakantie aan zee, van sportieve verenigingen, de hernieuwde cultus van het lichamelijke, zijn hiervan de overduidelijke tekenen. Deze culturele verschuiving werd overigens uitgebuit door reactionaire politieke stromingen zoals het nationalisme en fascisme. Deze stromingen vermengden op een handige wijze deze nieuwe belangstelling voor de natuur met anti-kapitalistische ideeŽn en de terugkeer naar de pre-liberale corporatieve "harmonische" ordening. Het is geen toeval dat de eerste expliciete "ecologistische" beweging, nl. de Duitse "GrŁne Fahne", sterke nationaal-socialistische sympathieŽn koesterde.

(5) Zie bvb. M. Van Molder, Belgisch Milieurecht, p. 152.

(6) Zie Bocken H., Het aansprakelijkheidsrecht als sanctie tegen de verstoring van het leefmilieu, p. 49, p. 59, p. 271.

(7) Zie bvb. het artikel van de Waalse apotheker Peeters, Des fabriques de produits chimiques et autres ťtablissements insalubres (1856).

(8) Zie K. Marx, Das Kapital, p. 285.

(9) Voor de Sovjet-benadering van de ecologische problematiek, zie Academie des Sciences de l'URSS-Rapport 1975.

(10) Zie de werken van A. Marshall, Principles of Economics, 1890, en vnl. van A. Pigou, The Economics of Welfare, 1920.

(11) Zie Ronald Coase, The problem of social Cost, 1960.

(12) - "Class action": procedure in de V.S., waarbij sommige slachtoffers kunnen procederen in de naam van alle potentiŽle slachtoffers en waarbij de resultaten van het proces bindend zijn voor alle slachtoffers, ook degenen die niet deelnamen aan het proces.

- "Actio popularis" en "citizen suit": een vordering meestal ingesteld tegen de staat, waarbij de eiser niet optreedt omwille van een persoonlijk belang, maar omwille van een belang dat alle burgers raakt of zou raken.

top