www.liberaalarchief.be
CONGRES VAN DE PARTIJ VOOR VRIJHEID EN VOORUITGANG
BRUSSEL, 10 - 12 oktober 1986
WERKEN - VANDAAG EN MORGEN
RESOLUTIES


MACRO-ECONOMIE EN TEWERKSTELLING


1. De werkloosheid is en blijft de grootste sociaal-economische en politieke uitdaging van deze tijd. De PVV vraagt de regering, naast de budgettaire sanering, prioritaire aandacht te schenken aan het probleem en op korte termijn een reeks aanvullende en structurele maatregelen uit te vaardigen die het beleid ter zake kunnen verstevigen.

1.1. Begin de jaren tachtig werden meer dan een half miljoen werklozen genoteerd. Meer dan ťťn actieve op acht stond op straat. De op dat ogenblik duidelijk miskende implicaties op maatschappelijk en individueel vlak van het fenomeen, en de ermee samengaande economische en budgettaire moeilijkheden, zorgden voor een diepgaande morele en politieke crisis.

1.2. De PVV kon door haar aantreden in de regering in 1981, een volledige ommezwaai en herstel van vertrouwen bewerkstelligen. Vandaag, na vijf jaar herstelbeleid onder liberale impuls, kon de toename van de werkloosheid worden stopgezet. Meer nog, in de produktieve sector worden opnieuw jobs gecreŽerd en sinds enige maanden is een permanente nettodaling van het werkloosheidscijfer aan de gang. Het herstel van de concurrentiepositie van onze ondernemingen speelde hierbij een essentiŽle rol.

1.3. Na deze eerste stap in de bestrijding van de werkloosheid, is het ogenblik aangebroken dat nieuwe beslissende stappen worden gezet om het terugdringen van het aantal werklozen sneller te laten verlopen. Een vernieuwde strategie moet worden ontwikkeld, een strategie die onmiddellijk een aantal concrete initiatieven inhoudt, zonder echter een welomschreven toekomstvisie uit het oog te verliezen, een vernieuwde visie op werken in Vlaanderen morgen.


2. Eenduidige oorzaken van het werkloosheidsfenomeen kunnen niet worden aangebracht. Naar het beleid toe zijn evenwel een aantal belangwekkende vaststellingen van essentieel belang.

2.1. Tot voor kort werd het aanbod op de arbeidsmarkt sterk beÔnvloed door de toevloed van jongeren en vooral vrouwelijke werknemers. Deze tendens is nu sterk afgezwakt.

2.2. De vastgestelde uitstoting van arbeid houdt voornamelijk verband met de teloorgang van de industriŽle activiteit en van diepgaande rationalisatie-inspanningen in alle sectoren van de economie. De evolutie van arbeidskost en het beperkend institutioneel kader waarbinnen ondernemingen moeten werken, die beiden aan de basis liggen van belangrijk concurrentieverlies en gebrek aan aanpassingsvermogen, zijn hiervan de oorzaken. Tevens stelt men belangrijke verschuivingen vast naar de dienstensector en naar nieuwe industriŽle activiteiten. In de Verenigde Staten vormt het fenomeen de basis van het vastgestelde werkgelegenheidsstelsel. Er is een reŽle vraag naar nieuwe goederen en diensten, die ook voor ons belangrijke toekomstperspectieven bieden. Het betreft hier ook een toegenomen vraag naar diensten en prestaties die voor het ogenblik buiten de klassieke marktverhoudingen vallen en waarin de overheid een belangrijke financiŽle inspanning levert.

2.3. Binnen deze context van structurele economische aanpassingen stelt zich onvermijdelijk het probleem van aangepaste opleiding, bij- en herscholing. Men stelt een onaangepastheid vast van een groot deel van de arbeidsmarkt aan de vraag. Het fenomeen van de verlenging van de werkloosheidsduur en van de omvang van de groep jongere werklozen, die na hun opleiding niet of slechts in beperkte mate hebben kunnen werken, en de omvang van de groep oudere werklozen, waarvan velen praktisch geen kans meer zien opnieuw in het arbeidsproces opgenomen te worden, verdienen bijzondere beleidsaandacht.

2.4. De toenemende automatisering wordt vaak als oorzaak van werkloosheid aangeduid. Individuele gevallen van uitstoting van arbeid zijn zeker aan te duiden. Vanuit het oogpunt van de globale werkgelegenheidsproblematiek is het echter een vals probleem. Japan en de Verenigde Staten zijn de technologisch meest vooruitstrevende economieŽn. Zij worden geconfronteerd met ingrijpende structurele economische verschuivingen. De context waarbinnen dit gebeurt is echter van die aard dat in Japan omzeggens over volledige tewerkstelling kan gesproken worden (minder dan 2% werklozen) en in de V.S. een werkloosheidsgraad genoteerd wordt van minder dan de helft van de Europese landen.


3. Echte werkgelegenheid ontstaat in gezonde bedrijven. Daarvoor is behoud en verbetering van de concurrentiepositie van deze ondernemingen een essentiŽle voorwaarde. De hoekstenen zijn onder meer:
- de vrije loonvorming
- het doorbreken van de syndicatie
- ondernemingsgewijs bepalen van de arbeidsduur en de sluitingstijden
- het opvoeren van de arbeidsmotivering door een "arbeidsdividendregeling" en een vereenvoudiging en verlaging van de fiscaliteit en de parafiscaliteit
- gunstig fiscaal en parafiscaal klimaat
- administratieve vereenvoudiging

De PVV zet zich af tegen de demagogische slogans in verband met een algemene arbeidsduurvermindering die arbeidsvernietigend werkt. Daarentegen pleit de PVV voor een doorgedreven deregulering van de arbeidsmarkt. Veder pleit de PVV voor een vrije toegang tot eender welke beroepsuitoefening. Het corporatisme ligt aan de oorsprong van de vernietiging van het marktmechanisme. Tevens pleit de PVV voor de afschaffing van de wetten die de vrije toegang tot de arbeidsmarkt verhinderen.


4. De PVV pleit voor een diepgaande heroriŽntering van het industrieel en investeringsbeleid.

4.1. Een efficiŽntere aanpak van de economische politiek is vereist, ten einde meer duidelijkheid te scheppen in de rechtstreekse interventies van de overheid. Onafgezien van de aard van de overheidstussenkomst of van het betrokken beleidsniveau dienen maximumgrenzen aan de interventie gesteld te worden en dient de rol en de verantwoordelijkheid van de betrokken privť-partner en de vertegenwoordigers van de overheid aan objectieve normen te worden onderworpen. De PVV meent dat op termijn de rol van de overheid in het industrieel- en investeringsbeleid dient beperkt tot het scheppen van een gunstig kader.

4.2. Met betrekking tot de institutionele aspecten van de economische politiek, is een nauwkeuriger aflijning en op een aantal beperkte punten, een herdefiniŽring van de bevoegdheden van de gewesten en de nationale overheid vereist. Dit kan gepaard gaan met een herschikking van de financiŽle middelen ten einde een grotere beleidsvrijheid te creŽren, gekoppeld aan grotere financiŽle verantwoordelijkheid.

4.3. Hoofddoelstelling van de heroriŽntering van de economische politiek dient volgens de PVV te bestaan in een ondubbelzinnige accentverlegging naar rechtstreekse of onrechtstreekse steun aan arbeidsintensieve of arbeidsscheppende activiteiten.
In dit verband wordt gepleit voor een drastische hervorming van de vennootschapsbelasting. Ondernemingen die winst maken of grote potentiŽle winstverwachtingen in zich dragen, zijn de enige waarborg voor duurzame tewerkstelling en het scheppen van nieuwe banen. Ongeacht de sector of activiteit, met uitzondering evenwel van sectoren die van een gunstregime genieten, dient de arbeidsintensiviteit gekoppeld te worden aan aanvullende substantiŽle vrijstellingen van zowel vennootschapsbelasting als van werkgeverssociale zekerheidsbijdragen.
Ten einde tot een verhoogde tewerkstelling te komen in de erkende reconversiegebieden dient er een positieve fiscale discriminatie ingevoerd voor de bedrijven in deze gebieden.


5. Het ontgaat de PVV niet dat de syndicale werking nuttig kan zijn. Vandaag echter schiet zij aan haar doel voorbij. De PVV vraagt dat de syndicaten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid zouden opnemen door enerzijds het aannemen van de rechtspersoonlijkheid en anderzijds het heroriŽnteren van hun syndicale werking.


6. Ook bij de meest gunstige evolutie met betrekking tot de economische groei zal een zeer omvangrijke groep mensen toch permanent onvrijwillig werkloos of althans zonder betaalde arbeid blijven. De PVV oordeelt dat voor deze groep mensen een werklozenbeleid moet worden ontwikkeld, dat het hen mogelijk maakt een zinvol leven te leiden met een volwaardige maatschappelijke participatie.



TEWERKSTELLING IN HET KLASSIEKE CIRCUIT


1. De PVV is onvoorwaardelijk voorstander van een ingrijpende vereenvoudiging, harmonisering en verlaging van de directe fiscaliteit en parafiscaliteit voor personen en ondernemingen als enige gezonde weg om tegelijk de motivatie van de arbeid en het ondernemen te bevorderen. De kloof tussen bruto en netto-loon of wedde, met andere woorden tussen de reŽle loonkost voor de ondernemingen en wat de werknemer netto ontvangt, is in ons land Ė naar Europese normen Ė onaanvaardbaar groot. Een versmalling van deze kloof zal ongetwijfeld de tewerkstelling stimuleren. De verlaging van de sociale bijdragen moet gecompenseerd worden ten einde het begrotingstekort niet opnieuw de hoogte in te jagen.


2. De PVV wenst uitdrukkelijk dat op alle domeinen van het economisch gebeuren een ingrijpende dereguleringsbeweging op gang komt. Zowel de afbouw van de overbodige reglementeringen door de overheid, de administratieve vereenvoudiging, als de flexibiliteit in de arbeidsverhoudingen moeten hiervan de krachtlijnen zijn. De arbeidsovereenkomst moet meer ruimte bieden voor winstdelende en prestatiegebonden vergoedingen, zowel in de private als de publieke sector. De PVV vraagt de onmiddellijke invoering van het arbeidsdividend.


3. De PVV wil dat de concurrentie en de vrije markt een maximaal impact krijgen, mede in een Europese context. Internationale afspraken moeten concurrentiebeperkingen tegengaan, en de internationale markten ruimer openstellen voor onze ondernemingen. In eigen land moeten alle monopolies doorbroken worden en de overheidsbedrijven in de marktsector worden gebracht door privatisering. Ook de overheidssteun aan privť-ondernemingen moet systematisch worden afgebouwd.


4. De PVV pleit voor de afschaffing van het arbeidsvernietigend minimumloon, gekoppeld aan de invoering van de waarborg van een minimuminkomen voor de betrokken werknemers.



TEWERKSTELLING BUITEN HET KLASSIEKE CIRCUIT


1. De PVV wil een einde stellen aan de explosie van de vraag naar en het aanbod van gesubsidieerde diensten in quartaire sector door zowel de consument als de producent verantwoordelijkheidsbesef bij te brengen zodat een dienstverlening ontstaat die aan de reŽle vraag voldoet. Via dit verhoogd verantwoordelijkheidsbesef zal een duurzame, flexibele en zinvolle tewerkstelling voortvloeien die de spanningen tussen de normale en de precaire statuten zal opheffen.


2. De overheid dient haar interventie in de dienstverlening binnen de quartaire sector te rationaliseren.

2.1. Waar mogelijk moet deze dienstverlening verzekerd worden door privť-personen en instellingen. Er dient echter rekening gehouden te worden met de tewerkstellingsproblemen van gehandicapten en niet-uitkeringsgerechtigden.

2.2. De overheidstussenkomst enerzijds via de tewerkstellingsprogramma's en anderzijds via volledig gesubsidieerde arbeidsplaatsen zal in eerste instantie vervangen worden door een veralgemeende invoering van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen.


3. In de sectoren waar mogelijk, rekening houdend met de specifieke vereisten van de dienstverlening, zullen op termijn de subsidies gerationaliseerd en vervangen worden, waarbij in een overgangsfase de huidige tewerkstellingsprogramma's worden vervangen door een stelsel van contractuelen. De PVV wil in de richting van een drieledige financiering van de quartaire sector.

3.1.Een verhoogde eigen inbreng van de consument. Deze zal mogelijk worden door, enerzijds, een algehele belastingshervorming die de belastingsschalen gevoelig verlaagt en tegelijk iedere persoon een gewaarborgd inkomen bezorgt, en, anderzijds, een hervorming van het sociale zekerheidsstelsel, waar ruimte is voor privť-verzekering. Deze werkwijze laat de consument autonoom kiezen tussen de diensten die de producenten uit de "quartaire" sector hem aanbieden.

3.2. Privť-sponsoring. Een aantrekkelijk belastingssysteem, bestaande uit fiscale aftrekken en/of vrij reserveren van ondernemingswinsten, zullen de privť-personen en ondernemingen ertoe aanzetten bij te dragen in de kosten van de dienstverlening in de quartaire sector.

3.3. SubsidiŽring als uitzondering.



ONDERWIJS, VORMING EN TEWERKSTELLING


1. De snelle technologische ontwikkeling, de demografische evolutie, de toenemende individualisering en vooral de nood aan intensivering van kennis in onze samenleving, maken dat de sleutelrol van onderwijs en vorming steeds belangrijker en zichtbaarder wordt. Tegelijkertijd echter zullen de gevolgen van nieuwe ontwikkelingen zich ook uitstrekken naar onderwijs en vorming. De huidige gebondenheid van educatieve voorzieningen aan ťťn welbepaalde levensfase zal verdwijnen, omscholing tot andere beroepskwalificaties zal uitgroeien tot een noodzaak, terwijl personalisering en flexibiliteit van onderwijs en vormingsmogelijkheden mogelijk moeten worden.

2. De PVV blijft vrijheid van onderwijs verdedigen, met bijzondere aandacht voor het officieel onderwijs. De PVV zal evenzeer de vrijheid "in" het onderwijs verdedigen. Daartoe moeten in het onderwijs verantwoordelijkheden teruggegeven worden, dus decentralisatie in beheer, en de wijze van financiering vrijer gemaakt, dus autonomie bij het gebruik, het vastleggen van middelen en het aanwerven van personeel. Dit moet onder meer uitmonden in de invoering van de z.g. onderwijscheck en in een grotere curriculumvrijheid voor de schoolinstelling, wat ook aan de onderwijsgebruiker een grotere keuzevrijheid en een gebruikmaking van creditsystemen toelaat. In het rijksonderwijs moet de op te richten Autonome Raad voor het rijksonderwijs hiervoor het gepaste instrument worden.

3. In het onderwijs moet, naast een brede en essentiŽle basisvorming de nadruk gelegd worden op een flexibele en polyvalente scholing, waarbij de nodige aanknopingspunten in kennis, vaardigheden en attitudes ontwikkeld en voorzien worden om elke omschakeling of specialisatie later mogelijk te maken. Betere oriŽntatie en voorlichting inzake studierichting, rekening houdend met de vraag en aanbod op de arbeidsmarkt dienen nagestreefd te worden. Met andere woorden, een kwaliteitsonderwijs dat aan het individu toelaat om actief en zelfstandig aan de sociaal-economische en culturele processen te kunnen deelnemen en waarbij onderwijsgevenden degelijk op hun taak voorbereid en genoopt worden zich permanent bij te scholen.

4. Samenwerkingsverbanden met en brugformules naar de beroepswereld die "het al doende leren" in de praktijk brengen moet uitgewerkt en verder op punt gesteld worden, ook in Europees verband (bvb. mini-onderneming, COMETT-programma, e.a.). Daartoe moeten de specialisatiejaren in het technisch- en het beroepsonderwijs, elk op hun niveau, zo polyvalent mogelijke praktijkjaren worden. Deze praktijkjaren dienen de mogelijkheid te bieden tot werkstages in de diverse bedrijfssectoren. De PVV wil door het versoepelen van het programmeren van studierichtingen dat vlugger ingespeeld wordt op de behoeften in de arbeidsmarkt. Opleidingssystemen zoals het industrieel leercontract en het leercontract van de middenstandopleiding verdienen verdere uitdieping. De opleidingen georganiseerd door de RVA moeten aanvullend zijn bij het onderwijs. Het experiment deeltijds werken deeltijds leren moet dringend geŽvalueerd worden. Bijzondere aandacht moet gaan naar scholing, herscholing, omscholing en vormingsinitiatieven voor andersvaliden. Momenten van evaluatie per schoolinstelling, naar beroepswereld en onderwijsgebruikers, moeten ingebouwd worden om terugkoppeling met signalering van knelpunten in de resultaten van de opleiding te verkrijgen.

5. Eťnmalige en afgeronde scholing is niet meer in staat om een antwoord te geven op de uitdagingen van de nieuwe samenleving, daarom zullen de voorwaarden van wederkerend onderwijs moeten gerealiseerd worden. Dit betekent echter geenszins dat de rol van de buitenschoolse vorming, de niet-georganiseerde in het bijzonder, aan belangrijkheid zou inboeten. Evenwel zijn een toetsing en coŲrdinatie van de georganiseerde en vanwege de overheid betoelaagde scholings- en vormingsinitiatieven noodzakelijk. Overheidstussenkomsten moeten aanvullend zijn bij een beleid dat prioriteiten weet te leggen en in grote mate selfsupporting hoort te zijn. De financiŽle stimulering vanwege de overheid moet gericht zijn op verantwoordelijkheid nemen en dragen, en op personalisering.
top