www.liberaalarchief.be
CONGRES van de PARTIJ voor VRIJHEID en VOORUITGANG
WILRIJK, 7 - 8 mei 1988
INTERNATIONAAL LIBERAAL MANIFEST
CONGRESBESLUITEN


I. HET GEDEELD LEIDERSCHAP


De structuur van de wereldeconomie is drastisch veranderd sedert de Tweede Wereldoorlog. De eerste jaren na de oorlog werden gekenmerkt door de superioriteit van de Amerikaanse economie, die meer dan 50% van het wereld-BNP voor haar rekening nam. Vanaf de jaren vijftig echter begonnen Europa en Japan zich vlug van de oorlogsweeŽn te herstellen, om in de twee decennia daarna tot nieuwe, volwaardige economische grootmachten uit te groeien, met als gevolg dat het aandeel van de Verenigde Staten in het wereld-BNP daalde tot 25%. Het leiderschap van de vrije wereldeconomie wordt heden ten dage dus gedeeld tussen drie grote Westerse blokken.

Door de snelle herleving van Europa en Japan alsmede de industriŽle uitbouw van Oost-Europa en recent de New Industrialised Countries zakte het totale Amerikaanse overwicht van meer dan 50% van het wereld-BNP tot minder dan 25%. Toch blijven de V.S. een belangrijke invloed uitoefenen op de wereldeconomie, o.a. door de machtige positie die zij blijven bekleden in internationale instellingen, zoals het I.M.F. en de Wereldbank.
Zo werd in de eerste helft van de jaren tachtig een starre monetaire en een lakse budgettaire politiek gevoerd, zonder veel rekening te houden met de internationale dimensie van het economisch beleid.
Eťn van de spectaculairste gevolgen hiervan is het enorme tekort op de handelsbalans, dat in 1987 was opgelopen tot ongeveer 170 miljard dollar op jaarbasis. De contradictie tussen de starre monetaire politiek en de lakse budgettaire politiek was dan ook ťťn van de fundamentele oorzaken van de fameuse beurscrash van 19 oktober 1987.

Ondanks zijn zwakker wordende maatschappelijke structuur en de actuele exportbeperkingen omwille van de aanhoudende lage dollarkoers tegenover de sterke positie van de yen, doet Japan nog steeds te weinig inspanningen om de openheid van de eigen markt voor de buitenlandse concurrentie te waarborgen.

Deze houding van openheid is niet alleen nodig voor de Westeuropese, Aziatische en Amerikaanse concurrenten, doch ook voor de Japanse burger die genoodzaakt wordt de meerkost van het protectionisme te dragen. De PVV is echter niet blind voor de verantwoordelijkheid die de Westerse industriŽlen in deze aangelegenheid dragen. Zij verwacht dan ook dat deze door een aangepaste strategie hun penetratiekracht in deze markt zouden verhogen.
Japan oefent wel zijn rechten uit als economische supermacht, maar heeft te weinig oog voor de plichten Ė of toch minstens bepaalde gevolgen Ė die aan het co-leiderschap verbonden zijn. Ondanks de internationale druk en de gewichtige verklaringen van Japan, blijft de invoer van afgewerkte produkten nog steeds zeer bescheiden.

De EG heeft als nieuwe supermacht een historische taak te vervullen en dit niet alleen op economisch vlak. Daartoe dienen de lidstaten en hun politieke leiders hun beleid meer af te stemmen op het samenhorigheidsgevoel van de Europese burger, eerder dan zich te laten leiden door industriŽle en syndicale lobby's. Een concrete toepassing van de liberale principes van het Verdrag van Rome is dan ook essentieel.
Naast het bestaan van de drie traditionele Westerse economische blokken erkent de PVV het belang van de Comecon en van de landen uit Zuid-Amerika, AziŽ en Afrika.
Zij meent dat bij het verder ontwikkelen van de economische samenwerkingsverbanden de EG als ťťn hecht blok dient te onderhandelen met bovenvermelde landen teneinde, met respect voor ieders eigenheid, de wederzijdse economische ontwikkeling aan te wenden om zoveel als mogelijk de principes van de vrije markt en het vrij verkeer van personen, goederen en kapitaal te laten spelen.
Bovendien hebben de sterke socializerende tendenzen Europa vanaf de jaren zeventig een technologische achterstand bezorgd op een aantal cruciale economische gebieden. Een terugkeer naar de basisprincipes van het Verdrag van Rome is noodzakelijk wil Europa op wereldvlak een rol spelen die met zijn economisch potentieel overeenstemt.

Dit alles geeft het verwarrend beeld van drie economische supermachten die nog niet de rol hebben aangenomen die hen nu is aangemeten. De PVV stelt vast dat de politici van de verschillende economische machtsblokken door hun verouderd en voorbijgestreefd overheidsingrijpen hun nationale economieŽn zodanig ontregelen dat op wereldvlak het evenwichtsmechanisme van de vrije markt volledig geblokkeerd wordt.
De PVV meent dan ook dat de economische wereldstabiliteit best gediend wordt door een belangrijke deregulering en beperking van het overheidsingrijpen op nationaal zowel als op internationaal vlak. De machtsblokken hebben, ieder op hun manier, moeite om zich aan te passen aan de snel evoluerende wereldeconomie, wat een fundamentele oorzaak is van de huidige economische instabiliteit. Zo overwaardeerden de V.S. de dollar, creŽerden aldus een groot handelsdeficiet, zodat ze te kampen hebben met een competitiviteitsprobleem, waardoor ze een stugge handelspartner zijn geworden. Het omgekeerde speelde zich af in Japan: een ondergewaardeerde yen en een enorme spaarvorming geven aanleiding tot een overschot op de handelsbalans. Een en ander zorgt voor een gedestabiliseerde wereldhandel.

Indien de drie grote handelsblokken volharden in hun eigenzinnig beleid, dan kunnen we belanden in wat je zou kunnen noemen het pessimistisch scenario.

Geen van de grootmachten slaagt er dan in zijn verantwoordelijkheid op te nemen.

De Verenigde Staten laten het overheidsdeficiet aanslepen en moeten massaal kapitaal blijven importeren. Het handelsbalansdeficiet zakt slechts geleidelijk en gans het gewicht komt op de wisselkoers terecht, die moet zakken omwille van het overheidsdeficiet. Gevolg is dat de inflatie toeneemt en de rentevoeten moeten verhoogd worden met als resultaat een recessie van de economie. De Amerikaanse regering zal dan steeds moeilijker aan protectionistische neigingen kunnen weerstaan.

Japan blijft, voor de opening van zijn markt en de stimulering van de binnenlandse vraag, verder slechts symbolische pakketten presenteren. Dat brengt weinig aarde aan de dijk, vermits de handelsbalansoverschotten zeer groot blijven en de schuldvorderingen zich opstapelen.

De Europese Gemeenschap tenslotte slaagt er niet in haar economische groei tot een behoorlijk niveau op te trekken, wegens het uitblijven van structurele maatregelen, meer bepaald: een grotere economische flexibiliteit en de totstandkoming van de Interne Markt tegen 1992.
De gevolgen van dit pessimistische scenario zijn duidelijk: een trage groei van de wereldhandel, misschien zelfs een achteruitgang ervan, met werkloosheid, instabiliteit en bedreiging van de vrije onderneming tot gevolg.

Nu kan men zich ook een coŲperatief scenario inbeelden dat gesteund is op de coŲrdinatie van het economisch beleid als voorwaarde voor internationale wisselkoersstabiliteit.
Dit optimistisch scenario, dat de wereld niet alleen voor een recessie kan behoeden, maar eveneens de start kan zijn van een nieuwe economische groeifase, houdt in dat de Verenigde Staten hun verantwoordelijkheid nemen, hun overheidsdeficiet terugbrengen, hun economie herstructureren en het overschot op de betalingsbalans terugdringen. Japan opent op een betekenisvolle wijze zijn markten, en houdt een hogere yen-koers aan, met als gevolg een herleiding van het handelsbalanssurplus tot redelijke cijfers. De Europese Gemeenschap tenslotte voert op haar beurt structurele aanpassingen uit en realiseert haar interne markt.

De PVV meent dat slechts dit laatste scenario het streefdoel kan zijn van de drie grote handelsmachten en de wereld alleen op deze wijze in een opwaartse spiraal kan terecht komen, waarbij in een klimaat van monetaire stabiliteit en vrije wereldhandel nieuwe welvaart kan gecreŽerd worden, die bijdraagt tot het behoud van de bestaande welvaart in de ontwikkelde wereld, een nieuwe kans geeft aan de ontwikkelingslanden en op betekenisvolle wijze de vrede en de veiligheid dient.
Gezien de complexe en instabiele internationale handelssituatie betekent dat een enorme uitdaging voor alle betrokken partners. Om ook maar de geringste kans op succes te kunnen boeken moet het niveau van het bilateraal overleg worden overstegen. Alhoewel de nieuwe GATT-ronde, die in 1986 is opgestart, een belangrijke eerste stap kan zijn naar nieuw multilateraal overleg, moeten we in de praktijk vaststellen dat het bilateraal overleg een disproportioneel belang heeft gekregen. Vrijwillige produktiebeperkingen tussen twee handelspartners zijn een nieuwe vorm van protectionisme en bedreigen de vrije wereldhandel.

Om tot resultaten te komen zal de GATT moeten geherwaardeerd worden, waarbij het vrijhandelsprincipe zal moeten primeren boven allerlei uitzonderingen, die niet alleen de individuele belangen van een bepaalde partner dienen, maar ook de zin en het opzet van de GATT totaal uithollen.

Hierbij moeten we in het bijzonder de positie van Europa belichten. De EG zal zeker haar deel van de taak moeten opnemen, wil zij de trein naar morgen niet missen. Momenteel ligt deze opdracht zeer moeilijk, vermits zij nog onvoldoende economische, politieke en militaire homogeniteit vertoont, om als een hecht blok evenveel gewicht als de anderen in de weegschaal te werpen. Budgettaire en andere problemen blijven er de oorzaak van dat de Gemeenschap een groot deel van haar energie in de aanpassing van haar eigen interne structuren moet stoppen, waardoor haar externe politiek als een extra-last op haar drukt.

Nochtans zal de EG, zonder een volledige integratie rond de eeuwwisseling Ė of toch minstens de realisatie van ťťn grote markt Ė niet alleen militair en politiek, maar vooral economisch gemarginaliseerd en weggedrukt zijn door andere handelsmachten.

Aldus moet de subsidiŽring van oude industrieŽn plaats maken voor het ontwikkelen van nieuwe technologieŽn, op basis van een lange-termijnstrategie en op grond van een Europese samenwerking, wars van enge nationale belangen. Alleen dan kan het "oude" Europa concurrentieel blijven en zich handhaven. Het uitgelezen basisinstrument hiervoor blijft het liberaal geÔnspireerde Verdrag van Rome, met zijn vier fundamentele vrijheden: vrij verkeer van personen, diensten, goederen en kapitaal.
De Europese Eenheidsakte, in 1985 ondertekend door alle lidstaten en sinds juni 1987 in werking, biedt, alhoewel te beperkt in zijn ambities, nieuwe mogelijkheden. De totstandkoming van een grote thuismarkt tegen het begin van het komende decennium is echter alles behalve een verworvenheid en de PVV is van mening dat maximaal zal moeten gebruik gemaakt worden van de rechtstreekse werking van de principes zelf van het Verdrag van Rome Ė vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal Ė wil men een behoorlijke kans op slagen hebben. Het Europees Parlement, dat aan de eenheidsakte nieuwe bevoegdheden ontleent, moet hieraan richting en inhoud geven.
De samenwerking tussen de drie blokken die de wereldhandel domineren toont vanuit het oogpunt van deze gemeenschap drie dimensies. Vooreerst het overleg en de samenwerking met vooral de V.S. en Japan. Vervolgens het op elkaar afstemmen van het beleid van de lidstaten, teneinde een geÔntegreerd Europees beleid te kunnen voeren.
Dit alles zal slechts tot positieve resultaten kunnen leiden in de mate dat ook door de nationale staten zelf intern een aangepast economisch beleid wordt gevoerd. Dit betekent dat de politieke gezagsdragers zich moeten blijven richten op een beperking van de rol van de overheid, een vermindering van de overheidsuitgaven, een verlaging van de fiscale druk, een grotere flexibiliteit en vermindering van het overheidstekort.



II. WAARHEEN MET DE EUROPESE GEMEENSCHAP


De Europese integratie, als een vrijwillig streven naar een steeds nauwere unie tussen souvereine staten waarvan de onderlinge relaties in het verleden dikwijls te duur en te zwaar werden beslecht, is een unicum in de wereldgeschiedenis en ongetwijfeld een van de belangrijkste en meest belovende gebeurtenissen sinds de Tweede Wereldoorlog.
De gewone burger heeft een vrij vaag en soms onjuist begrip over het Europees eenmakingsproces, wat een goede voedingsbodem is voor vooroordelen.
Nu heeft die gebrekkige kennis veel te maken met het feit dat de media slechts sporadisch en zeer onvolledig verslag uitbrengen over de Europese Gemeenschap, dat in het secundair onderwijs niet of nauwelijks wordt stilgestaan bij de Europese integratie, en dat Europa al te dikwijls baadt in een technisch jargon dat slechts voor ingewijden bestemd lijkt.

Maar het is vooral omdat Europa geen duidelijke stem en gezicht heeft, dat de burger de Europese eenmaking aanvoelt als iets dat ver van zijn bed staat. De rechtstreekse verkiezing van het Europees Parlement in 1979 en 1984 heeft hieraan ongetwijfeld iets ten goede veranderd, maar de nog af te leggen weg lijkt soms erg lang. Bemoedigend is dat de interesse van de jonge generatie gaat naar het dorp (de eigen regio) en de wereld (het supranationale), terwijl het nationale wegdeemstert.
Maar aan dat Europa stelt de jongere dan ook bijzondere eisen.
Wat is het antwoord op het milieuvraagstuk?
Wat met onze Europese veiligheid?
Wanneer kan ik overal rondreizen, zonder grenzen?

Dat er kritiek is op de Europese Gemeenschap is op zichzelf een positief gegeven:
1. Omdat dit betekent dat Europa ook voor de burger bestaat.
2. Omdat uit die kritiek ongetwijfeld een en ander te leren valt.
Het Euro-pessimisme, dat in het begin van de jaren tachtig in alle hevigheid woedde, lijkt achter de rug te liggen.

Europa gelooft opnieuw voor een stuk in zijn eigen kunnen.
Het idee van de onoverbrugbare kloof met de Verenigde Staten van Amerika en Japan is weg. Het al te moeizame tot stand komen van een Europese Unie is in de allereerste plaats op rekening te brengen van de politieke wereld. Als verantwoordelijke leiders dienen politici het belang voor het hele continent en de wereld van de Europese eenmaking te stellen boven de eigen electorale en desnoods nationale belangen. Zij dienen deze boodschap naar de bevolking uit te dragen.

Nochtans bestaat er bij de Europese bevolking, vooral bij de jongeren en bij de bedrijfswereld een grote interesse in de Europese ťťnmaking.
Europa heeft ook nieuwe projecten.
De Gemeenschap heeft zich tot doel gesteld tegen 1992 van Europa ťťn grote interne markt te maken. De uitwerking door de politieke instellingen van de EG zit nog in het prille beginstadium, maar het is zeer verheugend dat de industrie en de dienstensector zich nu reeds voorbereiden op wat na 1992 normaal tot stand zou moeten komen. Dat dit ook, en zeker, het geval is in Frankrijk Ė een land dat traditioneel zeer onontwarbare gevoelens heeft ten opzichte van de Europese Eenmaking Ė moet ons hoopvol stemmen.

Het is een algemeen aanvaard gegeven dat de milieuproblematiek in eerste instantie op Europees niveau moet worden aangepakt. De stuwende rol die het Europees Parlement in dit dossier vervult, werpt ongetwijfeld vruchten af.

Na het INF-akkoord kijkt ook iedereen in de richting van Europa voor antwoorden over hoe de veiligheid op het einde van de 20ste eeuw er moet uitzien. Maar voor dit alles zijn politieke instellingen nodig die slagvaardig en democratisch zijn.
De Europese Eenheidsakte geeft aan het Europees Parlement meer bevoegdheden. Iets meer zeggen sommigen.
Een Parlement dat de wil heeft de gang der zaken te beÔnvloeden, en dat zelfs maar een strohalm wordt toegestoken, kan daar soms toch veel mee aanvangen.

De idee van het wegbreken van grenzen tussen mensen, tussen economieŽn, tussen volkeren, is een liberaal idee.
Wij als liberalen moeten dan ook de eersten zijn om de Europese integratie te dragen.


1. Europa om wat te doen.

De vraag: "Waarheen met de Europese Gemeenschap?" kan naar onze mening slechts beantwoord worden met een andere vraag: voor welke overheidstaak bezit het supranationale echelon van de Europese Gemeenschap een comparatief voordeel ten opzichte van de nationale lidstaten?
De Europese eenmaking zou zich in het komende decennium prioritair moeten richten op die taken waarvoor de gemeenschappelijke aanpak duidelijke voordelen biedt, en die tevens beantwoorden aan de verzuchtingen van de burgers en de bedrijven.
De eerste van die doelstellingen vormt de slagkracht en de doeltreffendheid van ons buitenlands beleid.
Het verleden heeft meer dan eens aangetoond dat, wanneer een daadwerkelijk gezamenlijke en betekenisvolle positie door de Gemeenschap wordt ingenomen, het impact op derde landen groter is dan die welke zou resulteren uit de individuele akties van de 12 lidstaten, m.a.w. het geheel is groter dan de optelsom van de afzonderlijke delen. Dit hefboomeffect speelt vooral ten voordele van de kleinere landen zoals BelgiŽ.

Dat de Verenigde Staten van Amerika, ondanks alle interne druk, zeer behoedzaam zijn met hun protectionistische plannen ten opzichte van de Europese Gemeenschap, heeft alles te zien met de gemeenschappelijke houding die wij in dit konflict aannemen. De afwezigheid van een echte Europese identiteit is des te meer frappant op veiligheidsgebied.

De Europese Politieke Samenwerking, vergadering van de Ministers van Buitenlandse zaken van de Europese Gemeenschap, bespreekt nu reeds op regelmatige basis de economische en politieke aspecten van de Europese veiligheid, maar de militaire dimensie komt, althans officieel, niet aan bod. Nochtans is het militaire aspect essentieel om een mundiale rol van betekenis te kunnen spelen en kan samen met de uitbouw van een Europese defensie een nieuwe weg worden ingeslaan in de richting van wapenvermindering.

De burger verwacht, en terecht, op veiligheidsvlak antwoorden van Europa. Hij maakt daarbij niet het onderscheid tussen de Europese Gemeenschap en de Westeuropese Unie. Waar het hem op aankomt is dat het gebeurt.
Hoewel de Gemeenschap er grotendeels in slaagt op handelsgebied een gemeenschappelijk beleid te voeren, is daar op monetair en algemeen macro-economisch vlak nog nauwelijks sprake van. De Gemeenschap is alsdusdanig wel vertegenwoordigd op de topvergaderingen van de Westerse leiders, maar het zijn de selecte statenclubs als "Groep van 5" en de "Groep van 7" die het goede weer uitmaken.
De afwezigheid van "Europa" op deze gespreksfora wordt des te meer aangevoeld omdat ontwikkelingen in de wereldeconomie, vooral dan op de monetaire scŤne, een nefaste invloed kunnen uitoefenen op de interne Europese monetaire samenwerking, zoals die gestalte heeft gekregen in het EMS.

Het tweede grote doel van de Europese Gemeenschap moet de totstandkoming van een grote binnenmarkt zijn.
De schepping van een binnenmarkt, bevolkt door 320 miljoen mensen, is het grootste niet-fiscale "supply side program" dat West-Europa ooit heeft gekend.
Het valt moeilijk te becijferen welke de economische winst is die Europa zal kunnen halen uit de opheffing van de economische grenzen die het thans nog verdelen. Maar het is zonder meer duidelijk dat een aantal industrieŽn nood hebben aan schaalvergroting, dat een Europese dienstensector slechts kan bloeien en de concurrentie met de Verenigde Staten van Amerika en Japan aankan indien hij zich op Europese schaal kan ontwikkelen, dat de wachttijden aan de grenzen en bilaterale contingenten in het goederenverkeer een sterk prijsverhogend effect hebben. Maar men moet er zich goed van bewust zijn dat de eenmaking van de Europese markt ook grote economische verschuivingen voor gevolg zal hebben. Economische verschuivingen met sociale gevolgen, nog versterkt door belangrijke culturele achtergronden en verschillen.
In een Europa zonder grenzen wordt het makkelijker te produceren waar de omstandigheden het gunstigste zijn, waar de beste werkkrachten net iets minder kosten. IndustriŽle groepen zullen niet langer een nationale, maar wel een Europese strategie uitstippelen.
Doch op termijn zal de operatie "Interne Markt" de welvaart van alle lidstaten omhoog stuwen. Zoveel is duidelijk.
Men mag aannemen dat, mits een aangepast monetair en fiscaal beleid, de totstandkoming van de Interne Markt het BNP van de lidstaten zeker met enige procentpunten zal doen toenemen, en, zij het in mindere mate, ook de werkgelegenheid zal stimuleren.

Voor een land als BelgiŽ, dat, gezien de absolute noodzaak van een zeer restrictief herstelbeleid, enige problemen kent om een redelijke economische groei te noteren, zou zulke autonome stuwing van de groei hoogst welkom zijn. De verruiming van de EG-markt biedt onze export nieuwe mogelijkheden, waarbij we wel in rekening moeten brengen dat in een eengemaakte markt ook het aanbod zal toenemen. Om de geboden kansen ten volle te kunnen benutten, zal ons produktenpakket dan ook soepel Ė zeg maar agressief Ė moeten inspelen op het nieuwe marktgegeven. De totstandkoming van de Interne Markt zal ook grotere gevolgen hebben voor de bewegingsvrijheid van de nationale lidstaten op economisch vlak.

Zo zal de noodzakelijke fiscale harmonisatie de fiscale bewegingsvrijheid van de lidstaten aan banden leggen. De Europeanisering van de markt voor overheidsbestellingen betekent dat een lidstaat niet langer zijn nationale industrie zal kunnen bevoordelen. Competitie zal de regel zijn.

De Interne Markt zet het licht op groen voor een wel zeer liberale gedachte: de competitie tussen lidstaten inzake regelgeving.
Eenmaal de 12 lidstaten gemeenschappelijk een aantal minimum vereisten aan een bepaalde reglementering hebben opgelegd, kan ieder van hen experimenteren met het niet-essentiŽle gedeelte van de reglementering zonder dat dit de afsluiting van de markt van de andere lidstaten tot gevolg heeft.
Landen met een betere, d.w.z. een soepele, internationaal gerichte wetgeving, zullen ondernemingen aantrekken, ten nadele van de landen die bedrijven in een te strak reglementerend keurslijf dwingen.

De vrijmaking van het kapitaalverkeer betekent een gevaar voor de relatief stabiele wisselkoersen die wij genieten dank zij het Europees Monetair Systeem. Tenzij het monetair beleid van de lidstaten nog meer op elkaar wordt afgestemd en het Europees Monetair Fonds eindelijk het levenslicht ziet. De uitbouw van een Interne Markt vervult een katalysatorrol voor het Europese integratieproces. Terecht heeft de Europese Gemeenschap dit dan ook als punt ťťn op de agenda gezet.

Nog op een derde vlak kan de Europese gemeenschap een essentiŽle rol spelen. Landen delen vaak problemen doordat deze een grensoverschrijvend karakter bezitten.
Bij grensoverschrijvende problemen vallen de kosten in regel niet volledig ten laste van het land dat de baten van de activiteit plukt.

Het domein bij uitstek waar grensoverschrijvende problemen legio zijn, is het milieubeleid. Milieuproblemen overstijgen zelfs de grenzen van de Europese Gemeenschap. Van een mundiale aanpak kan men voorlopig slechts dromen. Een gezamenlijk Europees milieubeleid, als alternatief voor de nationale versnippering, is een bijzonder grote stap in de goede richting.

Een verhoogde beleidsdoeltreffendheid door samenwerking in supranationaal verband kan eveneens worden bereikt op het vlak van het (toegepast) wetenschappelijk onderzoek, vooral dan in domeinen waar Europa als geheel dreigt achter te lopen op andere geÔndustrialiseerde landen, zoals op dit ogenblik in informatica, robotica en in mindere mate biotechnologie.
Europa kan zich niet veroorloven in de hoogtechnologische wedren haar al bij al beperkt potentieel versnipperd in te zetten.

Tegen de achtergrond van de grote Europese interne markt is de EG het aangewezen beleidsniveau om Ė indien zich daartoe Łberhaupt de noodzaak doet voelen Ė via stimuli, universiteiten, labo's en ondernemingen van verschillende landen ertoe aan te zetten de krachten te bundelen in een precompetitief stadium voor het onderzoek naar en het ontwikkelen van milieuvriendelijke produkten en produktiemethoden. De onderwijsstructuren dienen hiervoor op elkaar afgestemd.


2. De institutionele onderbouw.

Is de Europese Gemeenschap in haar huidige institutionele opbouw politiek voldoende uit de kluiten gewassen om de uitdagingen van de toekomst op zich te nemen?
De Europese Eenheidsakte, die sinds 1 juli 1987 van kracht is, verandert voor het eerst sinds 30 jaar iets wezenlijks aan de verhouding tussen de verschillende instellingen. Men mag hopen dat meerderheidsbesluiten in de Raad opnieuw gemeengoed zullen worden. De uitbreiding van de bevoegdheden van het Europees Parlement wordt wellicht onderschat.

Dat het Parlement in de tweede lezing de Raad kan verplichten unaniem een gemeenschappelijk standpunt in te nemen, is een geducht wapen tegen een Raad van Ministers die er bijzonder zelden in slaagt ťťnstemmig te zijn.
Het zal, in de eerste fase, van het Parlement zelf afhangen of het met zijn nieuwe bevoegdheden iets weet aan te vangen.

Zaak zal zijn de prioriteiten goed te kiezen, de Raad voor principiŽle keuzen te stellen, en daarbij in het Europees Parlement een houding te bepalen die de goedkeuring van de overgrote meerderheid kan wegdragen.

Europa zal evenwel, om op kruissnelheid te komen, nog verdere stappen moeten zetten op het institutionele pad. Wij willen de Europese gemeenschap zien evolueren naar een Europese Unie, en dit is in onze ogen een verband van staten die op federale wijze een aantal gemeenschappelijke problemen behartigen.
Kenmerkend voor dit federaal Europa zijn:
- een centraal gezag dat een aantal politiek publieke goederen produceert zoals defensie, buitenlands beleid, en een rechterlijke macht voor wat betreft federale aangelegenheden;
- een interne markt en een gemeenschappelijke munt;
- een federaal gezag dat op democratische wijze wordt gevormd;
- een federaal gezag dat voldoende en autonome financiŽle middelen heeft om de haar toevertrouwde taken naar behoren te vervullen.

Het Europees Parlement moet en zal ook een sleutelrol vervullen in de voleinding van de Europese integratie.
Het Europees Parlement heeft in het verleden nooit op de historische afspraken ontbroken. Het is de Europese volksvertegenwoordiging die de idee van een grote interne markt heeft gelanceerd, en ten gronde heeft uitgewerkt. Het is het Europees Parlement dat door zijn ontwerpverdrag voor de Europese unie (Spinelli-rapport) de lidstaten verplicht heeft de Europese Eenheidsakte aan te nemen, en aldus Ė zij het te beperkte Ė stappen te zetten op de weg naar een federaler ordening van Europa.

Europese souvereiniteit en nationale souvereiniteit zijn geen vijanden. De Europese dimensie geeft de Europese burger en de nationale lidstaten juist de mogelijkheid de souvereiniteit die zij op het nationaal vlak niet meer bezitten, op Europees en wereldvlak te vertolken.


3. Pleidooi voor deregulering.

Zowel nationaal, op het niveau van de lidstaten, als op het vlak van de Europese Gemeenschap zelf, wordt de wetgeving gekenmerkt door haar overvloedigheid en haar ingewikkeld en gedetailleerd karakter.
De staatszaak bestrijkt nu nagenoeg alle domeinen van het maatschappelijk leven.
Overdreven regelgeving schiet haar doel Ė bescherming van de burger Ė voorbij, en het heeft precies het tegenovergestelde effect. Vooral op Europees niveau moet een weldoordacht en terughoudend wetgevingsbeleid worden gevoerd.

De eerste reden kan institutioneel worden genoemd. De Europese wetgevingsmachine loopt traag, onder meer door de Ė weliswaar onlangs beknotte Ė unanimiteitsregel binnen de Raad van de Ministers. Het is dan ook noodzakelijk dat een strategische keuze wordt gemaakt in de domeinen waar de Gemeenschap als wetgever zal optreden. Bovendien moeten de uitgevaardigde voorschriften bestendig zijn en niet steeds worden gewijzigd.

Ten tweede mag men niet vergeten dat Europa geen staat is. De Gemeenschap is een specifieke constructie die niet over een eigen uitvoerende administratie beschikt. Dat wordt overgelaten aan de nationale administraties. Maar die vinden ternauwernood hun weg in het woud van communautaire wetgeving. Bovendien wordt de achterstand van de nationale wetgevers bij de omzetting van Europese voorschriften in nationale regels steeds groter.

Een derde punt is van economische aard. Bekijkt men de successen van de Europese integratie, dan is het duidelijk dat die voor het overgrote deel te danken zijn aan een liberalisatie, aan integratie door de markt. Integratie door middel van een gemeenschappelijk beleid bleek minder succesrijk, en waar die resultaten schenen geboekt te worden, was het vooral doordat de kosten werden afgewenteld op de communautaire begroting. Of houden wij geen behoorlijke kater over aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid?

De vierde reden om zich op communautair niveau te beperken tot een eenvoudige en duidelijke wetgeving, die minimale garanties inbouwt, is van maatschappelijke aard. De Gemeenschap is niet homogeen. Zowel in cultureel, in sociaal als in economisch opzicht bestaan tussen de lidstaten onderling grote verschillen. Beweren dat je die in gedetailleerde regels kunt opvangen, is een pretentie die de Europese Gemeenschap nooit zal kunnen waarmaken. De vrije keuze van de burger om zijn leven naar eigen goeddunken in te richten primeert, en bijgevolg wordt de eenheid in gemeenschappelijke normen en waarden steeds kleiner.

Tenslotte wordt de Gemeenschap door de internationalisatie van de technische en economische ontwikkelingen in zekere zin voor voldongen feiten gesteld. Technologische ontwikkelingen, met name in de financiŽle wereld en in de sector van de telecommunicatie, hebben geleid tot het ontstaan van globale wereldmarkten waarin bedrijven naast en buiten de nationale wetgevingen opereren.

Deze steeds evolutieve uitdaging kan niet worden opgevangen in starre wetgeving. Gemeenschappelijke regelingen mogen dan ook geen cumulatie worden van nationale verlangens en nationale lobby's. Als harmonisatie synoniem wordt van opeenstapelen van nationale particulariteiten, dan schiet zij haar doel voorbij. Wij pleiten dan ook voor een maximale werking van de vier vrijheden die de hoeksteen uitmaken van het Verdrag van Rome. Vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal.

De harmonisatie dient daarbij te worden versneld door een nieuwe techniek, waarbij de lidstaten de equivalentie van elkaars voorschiften dienen te aanvaarden, mits aan bepaalde minimale voorwaarden is voldaan. De vele lobby's die op het Europese vlak aktief zijn, zijn momenteel geÔnstitutionaliseerd in de procedure. En dan doelen wij op de vele honderden comitť's van nationale experten.
Deze "Euroquango" is in de loop der jaren uitgegroeid tot een ware kanker, waarin diep het mes moet worden gezet. Behalve proceduriŽle veranderingen, is het ook noodzakelijk de doelstellingen van een bepaald beleid en de daarvoor gebruikte middelen aan elkaar aan te passen, mits hantering van een subsidiariteitsprincipe.
Als op Europees vlak geen effectief optreden kan worden gegarandeerd, heeft het ook geen zin zich beleidspretenties aan te meten. Het leidt nergens toe een Europese interne markt tot stand te brengen wanneer deze wordt beheerst door een gebrekkige staatsinterventie.
Men moet integendeel komen tot een interne markt die beheerst wordt door het concurrentiemodel. Het leidt tot niets de deregulering te willen reglementeren.


4. Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid.

Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid is het zorgenkind van de Europese Gemeenschap. De Landbouwuitgaven slokken meer dan 2/3 van de EG-begroting op. En alhoewel deze begroting in absolute termen zeer klein is, is dit toch een niet gering bedrag. Vrijwel iedereen is het erover eens dat het zo niet verder kan. Het landbouwbeleid is onbetaalbaar geworden, en bovendien zet het de geloofwaardigheid van de Europese integratie op de helling. De invloed van de machtige nationale landbouwlobby's dient te worden beperkt. Maar de oplossingen liggen niet zomaar voor het grijpen. Men zou vanuit een liberaal standpunt kunnen argumenteren dat het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid ontspoord is omdat het geen rekening heeft gehouden met de ijzeren wetten van de markteconomie. En wellicht is dat ook zo. Alleen is er nergens ter wereld Ė ook niet in de Verenigde Staten van Amerika Ė een landbouwsysteem aan te duiden dat gestoeld is op de enkele werking van de markt.

Voldoende voedsel is een fundamentele behoefte van elke maatschappij. De wisselvalligheden van de seizoenen en de wil een hoge zelfvoorzieningsgraad te bereiken, leiden bijna automatisch tot overproduktie. Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid had twee fundamentele doelstellingen: een degelijk inkomen voor de boeren en een gewaarborgde bevoorrading van de consument, aan redelijke prijzen.
Maar daartoe beschikte het slechts over ťťn instrument: het zetten van de interventieprijzen en dat moest fataal aflopen. Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid zal in de toekomst moeten uitgaan van de noodzaak dat het moet kunnen gevoerd worden met minder geld, minstens op het Europees vlak.
De overheid heeft op zo een ingrijpende manier het landbouwbeleid georganiseerd, dat een bruusk terugkeren naar de wetten van de markt bijzonder dramatische gevolgen zou kunnen hebben.

De Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap kampen beide met hetzelfde probleem: structurele overproductie, totaal kunstmatige prijzen, hoge subsidiŽring met belangrijke budgettaire gevolgen.

Internationale afspraken Ė in eerste instantie tussen de VSA en de Gemeenschap en binnen de GATT Ė zijn een voorwaarde om het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid indringend te kunnen hervormen. Deze internationale afspraken moeten slaan op de produktieniveaus en een planmatige afbouw van de subsidies, die produktieverhogend werken.

Deze internationale afspraken moeten hun neerslag vinden in de Europese marktordeningen, waar een lagere produktie er moet voor zorgen dat behoorlijke prijzen voor de produktie gehaald worden, met een beduidend lagere subsidiŽring. De sanering van de wereldmarkt in landbouwprodukten moet tot gevolg hebben dat de verslindende exportrestituties kunnen worden afgebouwd.

Een landbouwbeleid dat zich meer marktconform gaat opstellen dreigt de kleine landbouwer in de kou te laten staan daar de prijs niet meer kan afgestemd zijn op het verzekeren van een behoorlijk inkomen, ondanks een zeer kleine produktie, maar wel op de rendabiliteit van het middelgrote landbouwbedrijf. Directe inkomenssteun voor de kleinste landbouwers lijkt onvermijdelijk. De lidstaten zullen moeten uitmaken of zij bereid zijn ook hier de Europese solidariteit te laten spelen. In andersluidend geval zou voor deze directe inkomenssteun beroep moeten worden gedaan op nationale middelen.


5. Versterken van de financiŽle structuur van de Gemeenschap.

De beheersing van de landbouwuitgaven is een voorwaarde voor het terugvinden van de financiŽle orthodoxie in de Gemeenschap en is tegelijk voor een aantal lidstaten de voorafgaandelijke voorwaarde om er wat dan ook aan te willen doen.
Maar anderzijds zijn de eigen middelen onvoldoende om een hechte Gemeenschap uit te bouwen. Vooraleer over te gaan tot uitbreiding van de middelen is een ernstige sanering in de administratie en het landbouwbeleid vereist. Men mag dan wel kunnen aantonen dat de totstandkoming van de Interne Markt in 1992 voor iedereen voordelen zal opleveren.

Het Zuiden van de Gemeenschap echter ziet de totale opening van haar markten voor het industrieel en op het vlak van dienstverlening sterkere Noorden argwanend tegemoet. Zoals in elke federale structuur wordt ook hier gestalte gegeven aan een minimum van lopende budgettaire solidariteit tussen de deelstaten.

Openbare financiŽle transferts van de rijkere naar de armere regio's bestaan in min of meerdere mate in alle moderne federale staten. Het is dan ook geen toeval dat de Zuidelijke lidstaten een verdubbeling van het Regionaal Fonds hebben verkregen. Het geven van grotere financiŽle slagkracht aan de Europese dimensie moet gepaard gaan met het uitdunnen van de overheidstaken op het nationale vlak. Zoniet dreigen we te belanden in een opeenstapeling van fiscale heffingen, en dat mag allerminst de bedoeling zijn. Tevens dient in het EG-verdrag de maximale fiscale en parafiscale druk vergrendeld te worden op 50%.

Wij pleiten ook voor een financiŽle zelfstandigheid en verantwoordelijkheid van het Europese echelon, zoals wij dit bepleiten voor elk niveau van de beleidsuitoefening. Dat men rechtstreekse verantwoording verschuldigd is voor de gevraagde financiŽle bijdragen, is de beste voorwaarde voor een zuinig beleid.


6. Het Europa van de burger.

Ieder historisch project, en dat is de Europese integratie zeker, heeft de ondersteuning van de massa, van de burgers nodig. De Europese integratie mag dan een historisch unicum zijn, zij zal slechts slagen in de mate dat zij gedragen wordt door de Europese burger. En ondanks twee rechtstreekse Europese verkiezingen voor het Europees Parlement, ondanks een aantal onloochenbare successen, blijft Europa voor de man in de straat de grote onbekende, de grote onbeminde.

Nochtans stellen velen een onbestemde hoop in Europa. Zij voelen aan dat in het atoomtijdperk hun veiligheid niet meer afhangt van nationale grenzen. Zij voelen aan dat een milieuramp in Seweso ook hun bestaan bedreigt. Zij voelen aan dat wij in verspreide slagorde niet kunnen optornen tegen de giganten van de wereldeconomie.
Maar de burgers wensen dat dit alles een eigen gezicht krijgt. Dat je met een diploma behaald in BelgiŽ ook in ItaliŽ zonder meer aan de slag zou kunnen. Dat men hen aan de nationale grenzen niet meer zou vragen wie zij wel zijn. Dat zij zich echt een Europese burger zouden kunnen voelen.



III. VREDE EN VEILIGHEID


De reeds meer dan 40 jaar durende rivaliteit tussen de Westerse democratieŽn en het Sovjet-communisme heeft aan beide zijden geleid tot een ongebreidelde groei van het militair apparaat, dat ook reeds een gevaar inhoudt voor het voortbestaan van de mensheid en tevens een aanslag betekent op het individueel recht op vrede en veiligheid.
Er liggen zo maar eventjes 60.000 kernkoppen opgestapeld, en theoretisch zou je daarmee onze planeet 40 maal kunnen vernietigen. Een nucleair conflict zou al vlug de onmiddellijke dood van 1 miljard mensen tot gevolg hebben en de nucleaire winter die erop zou volgen die van nog eens enkele miljarden, waarbij je dan in het achterhoofd moet houden dat er maar vijf miljard menselijke wezens zijn.
Bij dit alles moet men er zich voor hoeden zich te bezondigen aan oversimplificatie. Deze kernwapens zijn er niet voor niets gekomen. Je kan met betrekking tot de Sovjet-Unie en zijn satellieten niet spreken van politieke wedijver zonder meer.

De politieke systemen in Oost en West zijn fundamenteel onverenigbaar. Waar de democratie uitgaat van het individu, zij het dan als sociaal wezen, betekent het communisme de negatie van het eigene van elke afzonderlijke mens.
Het volstaat te verwijzen naar bepaalde episodes uit de koude oorlog om de directe dreiging van de Sovjet-dictatuur voor onze parlementaire democratie en traditionele vrijheden minstens voor het verleden aan te tonen.
En voor de toekomst moet men zeer behoedzaam zijn. Pas bij het recente bezoek van partijleider Honecker aan de Bondsrepubliek werd het schietbevel op diegenen, die over de Berlijnse Muur de vrijheid van het Westen zoeken, opgeheven.

De bereidheid van het Sovjet-regime om een aantal fundamentele mensenrechten te gaan respecteren en ernstige ontwapeningsverdragen een kans te geven moet niet gemeten worden aan het optreden van Secretaris-Generaal Gorbatsjov, maar enkel en alleen aan de feiten.
Een niet onbelangrijk aantal politieke en gewetensgevangenen werden vrijgelaten. In januari 1987 konden 98 joden immigreren uit de Sovjet-Unie, 93 etnische Duitsers en 6 ArmeniŽrs. In augustus 1987 waren er respectievelijk 794, 1650 en 300. En van het INF-verdrag moet men aanvaarden dat het voor beide partijen voordelen inhoudt, los nog van het feit dat het moeilijk exacter kan beantwoorden aan wat het westen van in den beginne geŽist heeft.


1. Vrede ťn veiligheid.

Noch een eenzijdige, gevoelmatige en te optimistische benadering van de veiligheidsproblematiek, noch een cynische opvatting gesteund op het blinde geloof in een steeds voortschrijdende bewapening, is aanvaardbaar.
Het standpunt van de PVV is dan ook klaar en duidelijk. We streven naar vrede ťn veiligheid. Onze doelstelling is een actieve vredespolitiek te voeren die gericht is op oorlogsvoorkoming, wederzijdse wapenbeheersing en Ėvermindering, bescherming van de vrijheid en bevordering van de vreedzame betrekkingen tussen Oost en West, en overal in de wereld. Daarbij moeten de bescherming van de vrede en het vrijwaren van onze vrijheid elkaar aanvullen en zijn die twee principes helemaal niet tegenstrijdig.

Dit streven naar vrede ťn veiligheid betekent zowel het beogen van gelijktijdige, evenredige en controleerbare wapenvermindering, als het in stand houden van de mogelijkheid onze veiligheid te verzekeren. Daarbij beseffen we dat we dit niet alleen kunnen, maar hiervoor moeten samenwerken met onze Westerse bondgenoten in het kader van o.m. de NAVO. De NAVO-strategie die door de liberalen wordt ondersteund, heeft de Sovjet-Unie aangespoord de onderhandelingen ernstig te nemen, zodat er nu een reŽel akkoord is over de middellange afstandswapens op het Euro-aziatische kontinent.


2. De samenhang tussen de wapensystemen.

De politieke discussie over de ontwapening heeft zich sinds lang gekristalliseerd rond de middellange afstandswapens. Alsof andere wapens vredelievender zouden zijn.
De PVV heeft steeds de nadruk gelegd op de onderlinge samenwerking van de zeer verscheiden geÔnstalleerde wapensystemen. Eenzelfde samenhang moet betracht worden in de onderhandelingen. Daarnaast stelt de PVV dat een mogelijke wapenbeheersing en wapenvermindering gelijktijdig en controleerbaar moet zijn en leiden naar een evenwicht op een zo laag mogelijk niveau. Evenmin kan aanvaard worden dat het uitblijven van een akkoord op ťťn onderhandelingsniveau mogelijke overeenkomsten aan de andere onderhandelingstafels blokkeert. Maar bij dit alles moet toch goed in het hoofd gehouden worden dat de veiligheid van West-Europa op termijn enkel blijvend verhoogd wordt door een evenwicht op een zo laag mogelijk niveau voor alle wapensystemen.

Het INF-akkoord kan in schaaktermen slechts de openingszet zijn. Op korte termijn moeten resultaten geboekt worden die een akkoord in het vooruitzicht stellen op het vlak van de strategische kernarsenalen, de conventionele strijdkrachten op het Euro-aziatische kontinent, de biologische en chemische wapens en de nucleaire korte afstandswapens. Mocht van de kant van het Warshaupakt onwil blijken, dan moet men zich ernstige vragen stellen en moet de NAVO-strategie herdacht worden, wat evenwel niet noodzakelijk het opblazen van het akkoord over de middellange afstandswapens moet inhouden.

Voor de PVV is het duidelijk dat men er zich niet mee kan vergenoegen het resultaat van de gesprekken tussen de twee grootmachten passief af te wachten. En de Europese landen doen dit nog al te dikwijls. Tegenover de stroom van nieuwe ontwapeningsvoorstellen van Gorbatsjov moeten dringend Europese voorstellen geplaatst worden.
De beperking van de strategische kernarsenalen heeft vanzelfsprekend een invloed op de Europese veiligheid, maar belangt toch in eerste instantie de twee grootmachten aan. De gelijkheid van een zo laag mogelijk niveau van de conventionele strijdkrachten aan beide zijden op het Euro-aziatische kontinent is voor onze Europese veiligheid van kapitaal belang. Alhoewel de thesis dat de Sovjet-Unie West-Europa zomaar onder de voet kan lopen als fantaisistisch van de hand moet worden gedaan en ook na het INF-akkoord Europa niet direct kernvrij is, blijft het onevenwicht op conventioneel vlak groot.

Concreet verwacht de PVV dat op korte termijn door Europa Ė en wij zien BelgiŽ daarin graag het voortouw nemen Ė voorstellen worden geformuleerd voor verregaande afbouw van de conventionele strijdkrachten aan beide zijden van het Euro-aziatische kontinent, die moeten leiden naar een zo laag mogelijk en controleerbaar evenwicht en een heroriŽntering naar het defensief karakter van de wapensystemen.
Indien Gorbatsjov het meende toen hij in Praag stelde dat hij wilde onderhandelen over een radicale beperking van het aantal conventionele wapens en strijdkrachten, en indien het inderdaad zo is dat Gorbatsjov wapenverminderingen wil om zo over meer financiŽle middelen te beschikken voor de Sovjet-economie, waarom toont West-Europa dan niet eens haar bereidheid om Gorbatsjov te helpen, door hem een concreet en verregaand voorstel te doen voor het wegwerken van het grote conventionele overwicht van de USSR? Conventionele wapens zijn immers toch veel duurder dan nucleaire wapens?
Gezien de nabijheid van de Sovjet-Unie en het ononderbroken karakter van haar aanvoerlijnen heeft het conventionele evenwicht voor West-Europa een bijzonder belang. Hetzelfde geldt voor de chemische en biologische wapens. Ook op dat terrein zou Europa initiatieven kunnen en moeten nemen die leiden naar een algehele uitbanning van chemische en biologische wapens op het Europees toneel.

Actief reageren betekent dus dat de Sovjet-voorstellen niet alleen kritisch worden geŽvalueerd, maar dat ook alle mogelijke positieve elementen gebruikt worden om de onderhandelingen in een verder stadium te brengen. Door een actief beleid kan BelgiŽ, samen met andere Europese staten, een niet onaanzienlijke stimulerende invloed uitoefenen.


3. BelgiŽ in de NAVO: een meer efficiŽnt uitvoeren van onze NAVO-taken.

Voor de PVV is het duidelijk dat we onze inspanningen i.v.m vrede ťn veiligheid niet alleen kunnen leveren, maar dat we moeten samenwerken met onze westerse bondgenoten, zowel in het kader van de NAVO, als op Europees vlak. We hebben ons dan ook afgezet tegen elke poging die erop gericht was BelgiŽ van het NAVO-bondgenootschap los te haken. Zo hebben wij op kordate wijze de medewerking geweigerd aan elk initiatief dat BelgiŽ zou nemen tot eenzijdige ontwapening, zonder het akkoord van de westerse bondgenoten. Hierdoor zouden we immers ondoordacht onze eigen veiligheid prijsgeven.

Naast de voordelen die inherent zijn aan het deel uitmaken van een groter defensiegeheel, houdt dit lidmaatschap ook verantwoordelijkheden in.
De geloofwaardigheid van het NAVO-defensiesysteem hangt immers niet uitsluitend af van de som van alle defensie-inspanningen, maar ook van de berouwbaarheid van elke schakel in het systeem.
Als solidaire partner van het Atlantisch Bondgenootschap heeft BelgiŽ een aantal opdrachten aanvaard, waarmee telkens aangepaste strijdkrachten ofwel een andere vorm van bijdrage moeten overeenstemmen. Tot op heden heeft BelgiŽ in dit kader steeds behoorlijk zijn taak vervuld. En ondanks de besparingsmaatregelen en de budgettaire vooruitzichten van de eerstkomende jaren, moeten er voldoende middelen ter beschikking gesteld worden.

Wil BelgiŽ in de toekomst de NAVO-verplichtingen naar behoren blijven uitoefenen, dan zal de omvang, de opportuniteit en de relatieve prioriteit van de opdrachten opnieuw moeten bekeken worden in gemeenschappelijk overleg.

Doordat er in onze NAVO-verplichtingen een te grote versnippering van middelen over een te groot aantal opdrachten is, dient er dringend met de NAVO-partners over de herziening van de interne taakverdeling binnen de NAVO gepraat te worden.

Dit moet gebeuren via een grondige kosten-batenanalyse van alle opdrachten die voor het ogenblik waargenomen worden. Ook moeten op een objectieve wijze de structuren, procedures en beleidsopties doorgelicht worden.
Daarbij moet prioriteit gegeven worden aan deze elementen die onze veiligheid zo efficiŽnt mogelijk verzekeren en die, met andere woorden, "geruststellend ťn zeker" zijn.
Het is echter duidelijk dat een eventuele herschikking van onze taken slechts kan gebeuren in samenspraak met de NAVO-bondgenoten, en met aandacht voor de prioriteiten van de NAVO. Dit betekent o.m. aandacht voor deze bijdragen die het defensieve aspect van de NAVO-doctrine benadrukken, en daardoor het meest borg staan voor de veiligheid van West-Europa. De besprekingen met Nederland over nauwere militaire samenwerking en over een onderlinge taakverdeling zijn alvast een eerste stap in die richting.


4. Het streven naar een Europees veiligheidsbeleid.

De PVV bepleit een grotere inbreng van de Westeuropese landen in de westerse vredes- en veiligheidspolitiek. De Westeuropese regeringen moeten door nauwere samenwerking in het kader van de NAVO zelf, binnen de Europese Gemeenschap, de Westeuropese Unie en andere organen zoals IEPG (Independent European Programme Group) en de Eurogroep, een grotere Europese invloed op de NAVO-politiek van oorlogsvoorkoming, wapenbeheersing en spanningsvermindering krijgen.
Het belang van een grotere Europese samenwerking wordt nog duidelijker als men ziet dat Europa zelf geen onderhandelingspartner is (of was) in de twee belangrijkste onderhandelingsrondes (INF en START), die nochtans een enorme invloed hebben op de veiligheidssituatie in Europa.

Frankrijk en Duitsland kijken anders aan tegen militaire samenwerking dan in het verleden het geval was. BelgiŽ heeft er alle belang bij deze broze samenwerking te bevorderen, maar moet er anderzijds zorg voor dragen dat ook de andere EG-partners in een Europese veiligheidspolitiek mee beslissen.
De PVV meent dat dit het best kan gewaarborgd worden in een vast verband van nationale Staten, dat een evolutief karakter bezit en moet uitmonden in een federaal geordend Europa. De Europese Gemeenschap put uit de Eenheidsakte bevoegdheden voor de niet-militaire aspecten van het veiligheidsbeleid, die ze uitoefent in het kader van de Europese Politieke Samenleving. De op basis van het Verdrag van Brussel gerichte Westeuropese Unie kan het ook hebben over de militaire aspecten, is ook een veel selectere club, maar is in het verleden veelal een schone slaapster gebleken.
Er valt alles voor te zeggen dat de onderlinge samenhang tussen de militaire, economische en politieke aspecten zich ook vertaalt in de structuren.

De PVV pleit dan ook voor een opgaan van de Westeuropese Unie en de EG in een Europese Unie die algehele bevoegdheid bezit voor het Europees Veiligheidsbeleid. Gezien de sterk uiteenlopende opvattingen hierover van sommige lidstaten van de EG tot en met een neutraliteitsstatus, zal dit, minstens in een eerste fase, slechts kunnen met een beperkt aantal partners.
In aanmerking komen in eerste instantie de oorspronkelijke Zes. Groot-BrittanniŽ zal voor zichzelf moeten uitmaken of het nog eens de trein laat voorbij rijden om dan achterna te hollen.

De gemengde ervaringen met de ongebreidelde uitbreiding van de EG moet ons doen nadenken over een overhaast toetreden van het Iberisch schiereiland.
De PVV is ook bezorgd over de aanwezigheid van het democratisch element in een dergelijk project. Er is alleen democratie als er een parlement is met reŽle bevoegdheden. Het Europees Parlement als rechtstreeks verkozen volksvertegenwoordiging van 320 miljoen Euro-burgers moet hierin centraal staan.

Om de nodige samenhang tussen Westeuropese Unie en EG te beklemtonen stelt de PVV voor ze te begiftigen met een gemeenschappelijk parlement. Het volstaat daartoe de Parlementaire Assemblťe van de Westeuropese Unie samen te stellen uit de leden van het Europees Parlement uit de lidstaten van de WEU.
Dit streven naar een Europees veiligheidsbeleid gaat gepaard met een streven naar een meer Europese aanpak van de ontwikkeling van nieuwe technologieŽn en van het produceren van militair en niet-militair hoogtechnologisch materieel. Daarbij moeten de nodige inspanningen geleverd worden om er voor te zorgen dat deze Europese aanpak niet enkel leidt tot een verdeling van de taken zoals bij Airbus gebeurt, maar dat ook werkelijk samen aan Europees technologisch onderzoek wordt gedaan. Het uitsluitend verdelen van de taken Ė waarbij elk land zelfstandig blijft werken in zijn toegewezen gebied, maar waarbij geen echte uitwisseling van ideeŽn en onderzoeksresultaten plaatsvindt Ė volstaat immers niet om onze achterstand tegenover de Verenigde Staten en Japan in te lopen.

Een verdere Europese samenwerking op het vlak van veiligheid, technologisch onderzoek en het produceren van hoogtechnologische produkten, vereist echter de creatie van een echte interne markt. Een verdere Europese economische integratie is m.a.w hoogst noodzakelijk.


5. Het SDI en de Europese veiligheid.

Dit streven naar meer Europese samenwerking binnen de NAVO wordt nog versterkt door de ontwikkelingen in verband met het Strategic Defense Initiative van gewezen president Reagan. Nu blijkt immers dat aan de vroeger door ons gestelde voorwaarden voor deelname aan het SDI niet wordt voldaan.
Maar het Strategisch Defensie Initiatief plaatst de Europese defensie wel in een totaal andere kontekst.

Een verdere ontwikkeling van het SDI zou immers niet alleen de bewapeningswedloop kunnen doen toenemen en de grootte en de penetratiekracht van de strategische kernarsenalen van de Sovjet-Unie doen versterken, maar zou er ook toe leiden dat de kernmachten van Frankrijk en Groot-BrittanniŽ ongeloofwaardig worden. Het is daarom belangrijk dat BelgiŽ, samen met de andere Europese landen, de inspanningen van beide grootmachten i.v.m ruimtewapens zo veel mogelijk probeert te beperken.
Zelfs indien het SDI-project niet wordt uitgevoerd, zullen de aan de gang zijnde onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten vermoedelijk leiden tot veranderingen in het militair potentieel en in de militaire strategie van de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. De Westeuropese landen moeten zich op mogelijke veranderingen voorbereiden en de inspanningen die ze aanvankelijk in het SDI-project wilden steken samenvoegen in een gezamenlijk Europees onderzoeks- en verdedigingsproject, om zo de te verwachten technologische stroomversnelling te kunnen volgen.
Ook dit verwijst weer naar de taak van BelgiŽ om samen met andere landen op een actieve wijze de Europese samenwerking te bevorderen.


6. Het versterken van de relaties met Oost-Europa.

De PVV wijst op het belang van de constitutionele rechten in heel Europa en op de plicht van alle staten, ook de Oosteuropese, om deze op grond van de akkoorden van Helsinki en de VN-verdragen te respecteren.

De "derde mand" van de Helsinki-akkoorden, die handelt over samenwerking op humanitair gebied (contact tussen mensen, informatie, samenwerking en uitwisseling op het gebied van cultuur en onderwijs), is niet minder belangrijk dan de twee andere "manden". Het is daarom de plicht van West-Europa de regelingen voorzien in deze "derde mand" te gebruiken om de contacten met de Oosteuropese staten en hun bevolking zoveel mogelijk uit te breiden, en zo te letten op de naleving van de beginselen van deze derde mand.

BelgiŽ moet, alleen of samen met andere Westeuropese staten, initiatieven nemen of ondersteunen die deze contacten kunnen versterken en die de onafhankelijkheid van de Oosteuropese staten tegenover de Sovjet-Unie vergroten. Dit kan door het intensifiŽren van de politieke, economische, culturele en binnen bepaalde perken de wetenschappelijke relaties met deze landen. In dit verband moet men zich verheugen over de verschillende initiatieven van Michael Gorbatsjov i.v.m. de vrijlating van dissidenten en andere "glasnost"-initiatieven.
Men mag echter niet uit het oog verliezen dat de Sovjet-Unie slechts aan de vereisten van de derde mand van de Helsinki-akkoorden voldoet, indien niet alleen intellectuelen en uitgekozen dissidenten, maar gans de bevolking in de Sovjet-Unie en de andere Oosteuropese staten van meer vrijheid van spreken en reizen kunnen genieten. De Westeuropese staten moeten daarom op een pragmatische en actieve wijze proberen de Sovjet-top aan te moedigen teneinde ook op dat vlak veranderingen door te voeren. De toenadering tussen de beide Duitslanden moet daarbij onze bijzondere aandacht wegdragen. Zij beantwoordt aan een natuurlijk verlangen en zal in toenemende mate een feit zijn, onafgezien van politieke strubbelingen die zich kunnen en zullen voordoen. Het gegeven op zich kunnen we trouwens enkel toejuichen daar het de menselijke contacten en dus het begrip tussen burgers van beide zijden zal bevorderen.

Indien echter de prijs voor de verdere toenadering de neutralisering van Duitsland zou zijn, dan moet dit ons grote zorgen baren.
De Europeanen moeten zich realiseren dat de tijd om de Bondsrepubliek blijvend te verankeren in het Westerse kamp en de EG korter wordt.

Drie dingen zijn daarvoor noodzakelijk. 1. De Bondsrepubliek maakt aanspraak op een politiek gewicht dat overeenstemt met haar economische macht. Indien aan de BRD geen medebeslissingsbevoegdheid wordt gegeven, op voet van gelijkheid, voor het Europees Veiligheidsbeleid, zal de BRD op termijn afhaken.

2. De BRD, en wij trouwen met hen, verlangen van de Europese kernmachten, en dat betekent in de eerste plaats Frankrijk, de nucleaire garantie en Frankrijk is daar niet zonder meer toe bereid.

3. De toenadering tussen de beide Duitslanden kan geen alleenstaand gegeven zijn, maar moet kaderen in een globale toenadering tussen Oost- en West-Europa en er zo enigszins mogelijk, gelijke tred mee houden. Het scheppen van de voorwaarden daartoe zal van West-Europa veel meer politieke coherentie eisen dan thans het geval is.

Deze toenadering, inclusief de economische samenwerking met Oost-Europa en de Sovjet-Unie, moet integrerend deel uitmaken van het Europees Veiligheidsbeleid en juist daarom ook kaderen in een globale strategie die oog heeft voor onze specifieke veiligheidsbelangen.

Wij geloven dat nauwere samenwerking de kans op een conflict kan verkleinen. Wij geloven echter niet dat het maken van openingen een eenrichtingsverkeer kan zijn, maar integendeel moet beantwoord worden door het onvoorwaardelijk aanvaarden van het evenwichtsbeginsel op militair vlak en vooruitgang op het vlak van de mensenrechten.


7. Naar een nieuwe veiligheidsstrategie.

Het veiligheidsdenken binnen de NAVO is sterk eenzijdig gericht en gaat in wezen uit van de premisse dat het stabielste evenwicht de superioriteit is.
Ontwapeningsakkoorden, die niet enkel de bevestiging van een reeds bestaande werkelijkheid zijn, maar echt een vooruitgang inhouden, maken slechts kans als beide blokken bereid zijn van het evenwichtsprincipe uit te gaan. Dit zal des te meer centraal moeten staan naarmate de onderhandelingen oplossingen betrachten op een groeiend aantal terreinen.

De Westeuropese landen hebben er geen moeite mee uit te gaan van dit evenwichtsprincipe voorzover de tegenpartij dit ook doet. Maar mentaal is onze VSA-partner nog aan enige overreding toe. Evenmin mag het sluiten van akkoorden voor een bepaald wapensysteem de bewapeningswedloop verleggen naar andere terreinen. Dit geldt voor het door sommigen bepleite conventionele inhaalmaneuver. Ook daar moeten integendeel akkoorden worden gesloten en zo dit niet kan moet men daaruit zijn besluiten trekken. In het verleden zijn ontwapeningsakkoorden al te dikwijls het startsein geweest voor een nieuwe wedloop. Een kanttekening moet hier gemaakt worden bij het Strategische Defensie Initiatief dat, gecombineerd met een uitbreiding van de kernarsenalen op duikboten, potentieel de voorwaarden voor een "first strike capability" inhoudt.

Voor ons, West-Europeanen, dragen betere menselijke en uitgebreide economische contacten bij tot het evenwicht. De VSA bekijkt een en ander argwanend, tevens vanuit het oogmerk van de ideologische beÔnvloeding en het doorspelen van militair gevoelige technologie. Zonder naÔef te zijn en onze eigen veiligheidsbelangen op het spel te zetten vinden wij de bepalingen die de VSA wil opleggen excessief en soms niet alleen ingegeven door militaire bekommernissen.

Tenslotte ziet men niet de betekenis die de zogenaamd "flexible response" nog kan hebben na het INF-akkoord en eventuele verdergaande akkoorden op het vlak van de korte afstandswapens, los nog van het morbiede aspect ervan voor ons Europeanen.

De NAVO-strategie moet dan ook herdacht worden en de Westeuropese bondgenoten moeten hierover in de geŽigende organen een breed debat openen. Daarbij meent de PVV dat de nieuwe strategie de militaire, politieke en economische componenten ervan op een harmonische wijze zal moeten integreren in een globaal veiligheidsbeleid, gericht op een evenwicht op een zo laag mogelijk niveau en uitgaande van een wederzijdse kwetsbaarheid in de onderscheiden wapensystemen zonder dat daaruit een decisief voordeel kan voortvloeien.
Het opbouwen van wederzijds vertrouwen speelt hierin een sleutelrol. Na de waanzin van de nucleaire wedloop mag elke goed overwogen stap hiertoe niet zomaar als laksheid worden afgedaan.


8. Een actief en opbouwend veiligheidsbeleid.

De voorgenoemde doelstellingen van een liberaal veiligheidsbeleid kunnen niet louter door een passief ondergaan van de gebeurtenissen bereikt worden. Er is daarentegen opbouwende politieke actie vereist, die elke mogelijkheid die zich voordoet positief probeert uit te buiten, en die, eventueel samen met andere Europese landen, probeert nieuwe initiatieven van de grond te krijgen.

Deze actieve houding van BelgiŽ moet gericht zijn op het aanhalen van de relaties met de VSA, het versterken van de Europese samenwerking op het vlak van veiligheid en het stimuleren, van de contacten met Oost-Europa, en moet betrekking hebben op alle veiligheidsaspecten.
Het besef dat de regering een actieve politiek voert met betrekking tot de veiligheidsproblematiek verhoogt bovendien het vertrouwen en de steun van de bevolking, en vergroot de kans op een hoogst noodzakelijke nationale consensus over het beleid.



IV. NATUUR EN MILIEU


De industriŽle revolutie heeft de westerse mens een voorheen niet gekende welvaart gebracht. Immers in de westerse wereld zijn wij geenszins meer de "aardappeleters" uit de tijd van Vincent van Gogh en dat op enkele generaties tijd. De materiŽle noden zijn of kunnen gelenigd worden, infectieziektes zijn zo goed als uitgebannen enzÖ Het heimwee naar de "gezonde" landbouwbeschaving uit een nabij verleden vindt bijzonder weinig steun in de feiten die er overwegend zijn van bittere armoede, hard labeur en povere levensomstandigheden. Nu de kaap van 5 miljard mensen op de planeet aarde bereikt is, mogen we echter niet vergeten dat dergelijke levensomstandigheden nog het lot zijn van het overgrote deel van de mensheid, wat meteen het probleem stelt van de herverdeling van de rijkdom.

De industriŽle revolutie heeft echter, naast de materiŽle welvaart, in het Westen ook een ongekende vervuiling en aantasting van het milieu veroorzaakt, een negatieve beÔnvloeding van het milieu die tot op zekere hoogte voortduurt en meteen de keerzijde van de welvaartsmedaille illustreert. Alhoewel, bij nader toezien is het vooral de industriŽle start Ė wat men zou kunnen noemen de extensieve industriŽle produktie Ė die geen of nauwelijks rekening houdt met het milieu. Hetzelfde fenomeen maken we nu mee in de ontwikkelingslanden die een industriŽle start nemen. Temeer daar de industriŽle groepen het directe gewin centraal stellen en de Derde Wereld zich inschikkelijk opstelt omdat de industriŽle groei haar uiteindelijk enig uitzicht op lotsverbetering geeft, al was het maar om aan de allernoodzakelijkste levensbehoeften te voldoen. Ook de landbouw aldaar pleegt daarom te dikwijls roofbouw op natuur en milieu (bv. verdwijning van de regenwouden).

Het is dan ook te eenvoudig de schuld voor de verloedering van onze leefomgeving te leggen bij de economische groei. Structureel valt de aantasting van onze planeet eerder samen met een welbepaalde fase in de industriŽle ontwikkeling, nl. de industriŽle start met veel zware industrie en intensieve aanwending van natuurlijk hulpbronnen.

Als eerste rapport met globale uitspraken op milieugebied en op lange termijn heeft het Rapport van de Club van Rome wereldwijde belangstelling gewekt en tegelijkertijd onrust veroorzaakt. Sindsdien werden een aantal eschatologische gevolgtrekkingen ervan terecht in vraag gesteld en weerlegd. Het is te eenvoudig de exponentiŽle groei van de wereldbevolking tesamen met het beroep dat gedaan wordt op het milieu en de natuurlijke hulpbronnen te stellen tegenover de beperktheid of de lineaire groei van deze hulpbronnen zelf.

Maar het gevoel dat industriŽle groei en een gezonde leefomgeving minstens tot op een bepaalde hoogte onverenigbaar zijn, is nooit volledig weggeŽbd. De rapporten die de thesis van het verslag van de Club van Rome van antwoord hebben gediend, waarschuwden voor oververeenvoudiging en wezen erop dat milieuproblemen niet ťťnvormig zijn en verschillen naargelang de plaats, de samenleving, de culturele en socio-economische omstandigheden. Ze hebben echter niet eenzelfde weerklank gekend. De recente natuurrampen, zoals Sandoz en Bophal, zijn echter niet direct van aard onze mening te doen veranderen.

Nu is Bophal precies een typisch voorbeeld van extensieve industriŽle produktie in een ontwikkelingsland dat om den brode een en ander oogluikend toelaat en Sandoz stelt wel het probleem van de veiligheid en de controle, maar zeker niet van de produktie zelf.

Economie als voorwaarde voor de welvaart, en zorg voor onze leefomgeving als noodzaak voor onze overleving, kunnen wel degelijk samengaan. En paradoxaal zou men zelfs kunnen stellen dat enerzijds binnen een duidelijk omschreven wettelijk kader het economische groeiproces de nodige middelen verschaft om de vrijwaring van het milieu te realiseren, en dat men anderzijds slechts de economische groei kan onderhouden, indien men erin slaagt het milieu te vrijwaren.

Het is immers maar indien een aantal elementaire behoeften gedekt zijn, dat de aandacht voor het milieu kan groeien. En dat geldt zeker voor een snelgroeiende wereldbevolking waarvan de afremming trouwens zelf ook afhangt van een bepaalde graad van ontwikkeling. Wat weer niet betekent dat van enig automatisme zou kunnen of mogen gesproken worden.


1. Vrije markteconomie en milieu.

Indien milieubehoud en een duurzame economische ontwikkeling verzoenbaar zijn, dan is een nadere inkijk op de milieuproblematiek in economische zin en onderzoek naar de wenselijkheid van ťťn of ander bepaald economisch systeem nodig. De PVV is van oordeel dat een doelgericht inspelen op een aantal eigenheden van de vrije markteconomie een positieve inbreng kan hebben in een globale aanpak van de milieuproblematiek.
In economische zin is er inderdaad sprake van een marktfalen door de kosteloze toeŽigening van milieugoederen die een gemeenschappelijk of publiek karakter hebben (lucht, water) en door het teweegbrengen van externe kosten onder vorm van schade en hinder, waar geen betaling of schadevergoeding tegenover staat.

Een deeloplossing voor de marktonvolkomenheid op milieugebied kan gevonden worden door, daar waar het maar enigszins mogelijk is, een uitbreiding en toekenning van rechten over milieugoederen naar individuen toe te voorzien binnen een globale beheerspolitiek. Een versnippering van milieugoederen naar privť-bezitters zonder een globale beheerspolitiek resulteert zeker in een verloedering van het milieu. Van de eigenaar kan verwacht worden dat hij zijn goederen als een goed huisvader beheert, en vooral kan hij ook aansprakelijk worden gesteld als het misloopt.

De ongrijpbaarheid, en de onpersoonlijkheid van bepaalde milieugoederen maken hen echter tot zeer moeilijk beschermbare produkten.
Het is in deze zin ook opvallend dat de hoofdbekommernissen op wereldschaal precies uitgaan naar die milieugoederen waarop geen of wegens soevereiniteit van Staten moeilijk eigendomsrechten kunnen gevestigd worden (verontreiniging van de oceanen, Antartica, aantasting van de ozonlaag).

Wat de externe kosten betreft moet in eerste instantie nagegaan worden op welke wijze externe milieukosten kunnen opgenomen worden in de prijs van een bepaald goed of bepaalde dienst. Dan immers ontstaat in hoofde van producenten en consumenten de stimulus en dus creativiteit en innovatie om deze externe kosten te beperken. In wezen kan dit alleen in een vrije markteconomie omdat deze efficiŽntie, het vrije initiatief en marktbijsturing toelaat en alleen daar de prijs de werkelijkheid weerspiegelt.

Zorg voor het milieu en bedrijfsrendabiliteit kunnen overigens best samengaan. Bedrijven die erin slagen de verontreiniging te drukken door recyclage en toepassing van milieuvriendelijke technologieŽn zijn vaak winstgevender en marktverruimender, dan concurrenten die opgezadeld zitten met oudere bedrijfsstructuren. Een verruimde Europese markt is positief op milieugebied daar het concurrentievervalsend element per lidstaat verdwijnt.

Dit alles betekent niet dat een markteconomisch systeem een onderliggende ecologische rationaliteit zou hebben. Het betekent wel dat een gericht inspelen op de principes die de produktie en distributie in een vrije markteconomie bepalen, positiever resultaten kan opleveren dan een zich ťťnzijdig verlaten op regulering door de overheid.

De regulering en de overheidsinterventies zoals we die nu kennen zijn dikwijls van dergelijke aard dat ze de problemen slechts verschuiven, en bij voorkeur naar de Derde Wereld.

"Marktconform reguleren" moet mogelijk maken dat negatief milieugedrag (het gedrag van de vervuilers) wordt gesanctioneerd en dat het positieve milieugedrag beloond wordt.
Daarbij moet positieve sanctionering onder de vorm van fiscale tegemoetkomingen voor niet-vervuilende activiteiten de voorkeur genieten. Zo is de verbruiker maar al te graag bereid loodvrije benzine te gebruiken, als ze maar niet meer kost dan zijn huidige brandstof. Niet alleen het milieu, maar ook de markt zijn per definitie grensoverschrijdend.
In het licht van de vrije Europese markt van 1992 moeten in de EG de kansen van marktstimuli en marktconform reguleren en handelen op milieugebied gegrepen en waargemaakt worden.


2. De vervuiler betaalt.

Bij milieuschade is de oorzaak van het onheil meestal wel aan te wijzen, maar de onvolkomenheid van het huidige juridische arsenaal maakt dat de bestraffing van de daad, de vereffening van de schade dikwijls zeer aleatoir is.

De klassieke opvatting van de burgerlijke aansprakelijkheid (fout, schade en causaal verband) biedt geen oplossing, noch op nationaal en zeker niet op internationaal vlak.

Enkel de objectieve aansprakelijkheid - die erop neerkomt dat elke daad, die, onafgezien van het opzet, schade veroorzaakt aanleiding geeft tot schadevergoeding Ė herstel in natura of stopzetting van de gevraagde activiteit, kan hierin verandering brengen en de rechtszekerheid herstellen en mede ook op de markt inspelen door hier een milieuverzekering of milieupolis aan te koppelen. Het risicobeginsel waarbij de bewijslast wordt omgekeerd mag slechts in uitzonderlijke omstandigheden gelden. Milieudossiers vormen bij uitstek de aanleiding om een "class action" (actio popularis) mogelijk te maken.

Milieuproblemen worden in hoge mate gekenmerkt door grensoverschrijding, maar onze rechtsstructuur is nog zeer nationaal.
Binnen diverse internationale organisaties werden in de voorbije decennia vele verdragen gesloten die tot doel hebben de traditionele plicht van een Staat, nl. de leefomgeving van zijn buren niet te schenden, concreet uitdrukking te geven.

De Europese Gemeenschap heeft een arsenaal aan milieuwetgeving ontwikkeld dat op supra-nationaal vlak zijn gelijke niet kent, en rechtstreeks doorwerkt in de nationale wetgevingen en dit zowel op het vlak van de harmonisatie als de unificatie van het recht. Het voornaamste knelpunt ligt echter op het vlak van de effectuering van het internationale milieurecht.
Op Europees vlak is het noodzakelijk dat de lidstaten de Europese richtlijnen getrouw en vlug omzetten in nationaal recht, zodat ze hun volle geldingskracht krijgen. BelgiŽ blijft hier nog steeds in gebreke en kan daarvoor geen excuses inroepen.

Bovendien is het internationaal noodzakelijk dat het individu aan de internationale rechtsregels eigen rechten en verplichtingen ontleent, dat de bestraffing en de mogelijkheid zijn rechten te laten gelden niet langer eindigt aan de landsgrenzen. Op EG-vlak is daaraan verholpen; internationaal blijkt het meestal een onhaalbare kaart.


3. Het recht op een gezonde leefomgeving: grondrecht.

De herwaardering van het individu in het internationaal recht hangt trouwens nauw samen met de vaststelling van de mensenrechten na de Tweede Wereldoorlog.
Het fundamentele karakter van het recht op een gezonde leefomgeving moet nauwelijks onderlijnd worden. Het bijzonder verband ervan met het voortbestaan van de menselijke soort verleent en het karakter aan van een mensenrecht.

Het Europees Hof van Justitie heeft in verscheidene arresten het fundamentele karakter van het recht op een gezond leefmilieu erkend, en er de gepaste justiciabiliteit aan gekoppeld.

De PVV pleit voor het tenvolle verlenen van een fundamenteel karakter aan de bescherming en instandhouding van onze leefomgeving door opname in de daartoe geŽigende internationale instrumenten. Samen met de rechtsbescherming in EG-verband zou dit een bijkomende beschermingsgraad bieden en tevens uiting geven aan het bijzonder belang dat we er aan hechten.


4. Doorzichtigheid van de regelgeving.

Ook op het milieuvlak geldt dat door ingewikkelde en ondoorzichtige regelgeving de beschermingsgraad en de rechtszekerheid niet toenemen, maar integendeel afnemen. Eenheid in milieurecht, met aandacht voor het individu en eenheid in het overheidsoptreden op milieugebied, meer nadruk op zelfverantwoordelijkheid voor de consument en op interne handhaving voor producenten, tegemoetkoming aan de nood aan milieuinformatie en aanscherping van creatieve sanctionering zijn aspecten die vooral in EG-verband meer aandacht en concrete uitwerking hoeven.

Dit houdt ook in dat bv. op milieugebied het regulerend overheidsoptreden zich in eerste plaats richt naar het aanduiden van milieukwaliteitsdoelstellingen met bijgaande grens- en richtwaarden, die aangeven waar men met het milieu op lange termijn naartoe wil en met daarnaast de vertaling en invulling van deze kwaliteitsdoelstellingen via brongerichte normstellingen. Dit geld des te meer op internationaal vlak waar de ontduiking van de norm zoveel makkelijker is.


5. Onze verantwoordelijkheid tegenover de Derde Wereld.

Wanneer de rijke en welvarende westerse wereld zijn milieunormen gaat opdringen aan ontwikkelingslanden via internationale controle, ontwikkelingshulp en tariefering, ontstaat vaak het verwijt dat dit gebeurt omwille van protectionistische, paternalistische overwegingen ofwel uit puur eigenbelang.

Daarbij moet opgemerkt worden dat milieunormen en hygiŽnenormen inderdaad kunnen gebruikt worden als niet-tarieffaire handelsbelemmering en dat dit in de praktijk ook gebeurt. Wij geloven dat de eerste oplossing voor de armoede in de Derde Wereld ligt in een openstellen van onze markten voor hun produkten. Daarbij moeten we ze helpen, ook op milieugebied, en onze overmacht in kennis en know how niet misbruiken.

De dikwijls onmogelijke verplichtingen waarvoor de ontwikkelingslanden zich geplaatst zien door de schuldencrisis doet hen hun natuurlijke rijkdommen en hulpbronnen kortzichtig in een versneld tempo overexploiteren (bv. tropisch regenwoud). De PVV onderschrijft dan ook de basisstelling uit het Brundtlandrapport "Our Common Future" nl. dat duurzame economische groei en ontwikkeling noodzakelijk zijn voor het oplossen van de globale milieuproblemen op wereldschaal. Bij de behandeling van de schuldencrisis kan dit milieuaspect niet uit het oog verloren worden.

Aandacht moet ook gaan naar de globale verontreiniging op wereldschaal (pesticiden bv.) en de indirecte verontreiniging (bv. de handel in besmette goederen) die slechts oplosbaar zijn door internationale controle en internationale normstellingen. Wat hier niet meer kan, mag ook niet meer in de ontwikkelingslanden. De Derde Wereld is geen stortplaats, maar dient in de wereldeconomie ingeschakeld als een volwaardige partner.

De negatieve inkomenseffecten voor de Derde Wereld moeten weggenomen worden, eerder door een verhoging van de hulp aan deze landen, of door het reduceren van protectionistische tariefbepalingen dan door deze controle en normstellingen te laten varen.

Tevens houdt dit een pleidooi in om onze informatie en kennis over het milieu ter beschikking te stellen van de ontwikkelingslanden, zodat beslissingen niet alleen genomen worden op basis van bijna noodzakelijk op korte termijn resultaten gerichte economische overwegingen, maar ook met de verborgen, lange termijn milieu-effecten voor ogen. Internationale organisaties en in het bijzonder het IMF en de Wereldbank, die in de schuldherschikking een cruciale rol spelen, dragen hierbij een verantwoordelijkheid en hebben de plicht om meer dan voorheen het milieuaspect mee te nemen.



V. DE ONGELIJKE WEDLOOP


Waarom loopt het eigenlijk mis met de ontwikkelingslanden? Het traditionele antwoord uit een bepaalde hoek, dat we het Zuiden uitzuigen, is duidelijk te eenvoudig en ook niet zonder meer waar. Wat niet wil betekenen dat we uitblinken in edelmoedigheid.

Neem nu de ACP-landen. De Europese Gemeenschap heeft met deze 66 landen uit Afrika, de CaraÔben en de Stille Oceaan -vroegere kolonies van de lidstaten van de EG- de Conventie van Lomť gesloten, een breed samenwerkingsverband dat de ontwikkeling van deze landen beoogde. Aanvankelijk leek alles hoopvol te verlopen en Lomť gold als een model voor ontwikkelingssamenwerking. Wij beschouwden het als een paradepaardje en tot op een bepaald ogenblik niet geheel onterecht.
De ingezette middelen waren alles bij elkaar beschouwd niet gering. De conventie ging, meer dan enig vroeger akkoord, uit van samenwerking op grond van gelijkheid. Van in den beginne had men oog voor de plattelandsontwikkeling. Proportioneel werd een stuk minder geld gestopt in prestigeprojecten alhoewel ook Lomť van dit euvel nooit volledig vrij te pleiten is geweest. Een aantal vernieuwingen waren richtinggevend in het ontwikkelingsdebat, zoals STABEX, een soort inkomstenverzekering als de oogst tegenviel. Enige generositeit kon niet ontkend worden. Kortom, wij waren daar fier op en Lomť had Afrika ook een kans moeten geven.

En toch is het fataal. Afrika zit in zak en as en wordt terecht als ťťn der noodgebieden beschouwd. Waarom?
Ondanks de inspanningen voor de plattelandsontwikkeling kon de landvlucht niet gestuit worden. En de landvlucht is hoe dan ook niet te stuiten, omdat de derdewereldburger nu eenmaal gelooft dat hem in de stad een nieuwe toekomst wacht. Dit is nog verergerd door een politiek van lage prijzen voor de landbouwprodukten, ten voordele van de verstedelijkte bevolking.

Het percentage van de opgezette projecten, dat overleeft nadat deze aan de plaatselijke bevolking zijn overgedragen, is bedroevend laag. Een aantal projecten kan best verkeerd zijn opgezet, maar ook goede projecten, in de zin dat je niet direkt zou weten hoe ze beter op te zetten, halen het niet.

STABEX is tenondergegaan aan een tekort aan middelen, maar ook al doordat van jaar tot jaar meer geld nodig was, daar waar de logica van een stabilisatiemechanisme toch is dat de behoefte zou afnemen. Neem Senegal. Van jaar tot jaar is er meer geld nodig om de inkomsten uit de arachidewinning te compenseren.

Nu zou je kunnen argumenteren dat men meer had moeten doen voor de plattelandsontwikkeling. Juist. Dat de projecten nog selectiever hadden moeten opgezet geworden zijn. Juist. Dat het dekkingspercentage van STABEX hoger had moeten liggen en de uitbetaling van de fondsen sneller had moeten gebeuren. Ook juist.

De economische crisis die de wereld sedert 1973-74 teistert, is katastrofaal geweest voor die landen die geen olie-inkomsten hadden. Dat wil zeggen alle ACP-landen, met uitzondering van Nigeria. En het Westen is zich sindsdien ook een stuk minder genereus gaan opstellen.

Maar zou Afrika nu florissant zijn indien we de economische crisis niet hadden gekend? Het zou ongetwijfeld minder erg zijn geweest, maar goed? Neen.
De oorzaken van de onderontwikkeling zitten dieper. Waarom heeft het Marshall-plan de door de Tweede Wereldoorlog verwoeste landen in korte tijd zo'n hoge vlucht doen nemen, en de geldstroom en de know how die de ACP-landen werd toegespeeld nauwelijks effekt gehad? Waarom is IsraŽl een groot exporteur van landbouwprodukten? En verwoestijnt Noord-Afrika?

Aan "ontwikkeling" moet de meest ruime bepaling worden gegeven zijnde de integrale ontwikkeling, zowel op economisch, sociaal, politiek en cultureel vlak als alle andere aspecten van het menselijk bestaan...
Ook volledige ontwikkeling op fysisch, moreel-intellectueel en cultureel vlak van het menselijk individu.
Sinds enkele jaren is zowel in de geÔndustrialiseerde wereld als in de Derde Wereld het inzicht gegroeid dat de vrouw in de ontwikkeling een belangrijke rol te spelen heeft.
Nochtans stelt men vast dat de vrouwen zeker geen integraal deel uitmaken van de tot nog toe geldende planning en strategie. Verbetering van de status van de vrouw in haar eigen milieu moet een focaal punt zijn bij de voorbereiding, de uitvoering en de evaluatie van ontwikkelingsprojecten. Er moet gelet worden op de sociale en economische problemen van de vrouw, bv. haar centrale rol in de voedselproduktie en in de plattelandsontwikkeling. De contacten en de samenwerking tussen vrouwen uit de donorlanden en de ontwikkelingslanden moeten aangemoedigd worden.Die zullen bevorderd worden door een groter aantal beurzen en stages in BelgiŽ. Dit om te verhelpen aan volstrekt onvoldoende onderwijs en vorming. Bijzonder aandacht dient uit te gaan naar de gezondheid van vrouwen, o.m. voorwaarde voor de gezondheid van de kinderenÖ

Om elke bewoner van de planeet aarde van de basiselementen voor een menselijk bestaan te voorzien, dient men rekening te houden met de wereldvraag om de meest geschikte winningsgebieden te zoeken, en aldus plaatselijke initiatieven te helpen een maximaal rendement te bereiken.
Multilaterale overeenkomsten moeten garant staan voor een evenwichtige uitwisseling van de specifieke produkten van Noord en Zuid.

De voornaamste reden van het dramatische verloop van de gebeurtenissen in de derdewereldlanden en dan vooral in de minst ontwikkelde landen is breed kultureel. De moderne mundiale economie is deze landen teveel. De sprong naar het heden is te groot. Dat uit zich in een verkeerd gebruik van hun eigen hulpbronnen, de grondstoffen, alsook in de vastgeroeste monoculturen, de broosheid van hun politieke instellingen, het groeien van politieke elites die geen voeling hebben met de basis en het gebrek aan een middenstand. Lokale steun voor de onderwijsstructuur en wetenschappelijke vorming naar industriŽle toepassingen toe is noodzakelijk.

De kolonisatie is een brutale breuk geweest met het verleden en de ontwikkelingslanden hebben nu geen andere keuze meer dan te leven op het ritme van de rest van de wereld. Schuldcomplexen over de kolonisatie veranderen daar niets aan en men kan zich de vraag stellen in hoeverre de kolonisatie op zich onvermijdelijk was. De ganse wereldgeschiedenis is gekenmerkt door een botsing van culturen.

En net zoals het een fabeltje is dat het allemaal zoveel beter was toen we de industriŽle samenleving nog niet kenden, toen onze voorouders zich kapot wroetten op het land, zo ook waren de ontwikkelingslanden er niet beter aan toe toen het nog primitieve volksstammen waren die geen landsgrenzen kenden. De levensverwachting van de "gelukkige inboorling" lag bijzonder laag. Hij werd geteisterd door ziekte en honger. De spectaculaire aangroei van de bevolking is nu een probleem op zich en een der voornaamste oorzaken waarom het misloopt. Maar men mag daarbij niet vergeten dat de bevolking nu zo snel groeit doordat er minder kinderen zijn die sterven en de gemiddelde levensduur langer is.
De dramatische toestanden in het arme Zuiden van onze planeet plaatsen het rijke Noorden echter voor een verpletterende verantwoordelijkheid. Wij moeten lering trekken uit wat verkeerd is gegaan. Het beleid zal moeten voluntaristisch zijn en genereus. Maar het kan niet dat de post-industriŽle wereldburger uit het Noorden het voor mogelijk houdt een ruimtekolonie te vestigen op Mars en er niet in slaagt zijn arme lotgenoot uit het Zuiden uit de onderontwikkeling te helpen. Van het antwoord dat deze generatie op die uitdaging weet te formuleren zal het oordeel afhangen dat de geschiedenis over ons velt.

Veel, zoniet alles zal afhangen van hoe we erin slagen de Derde Wereld in te schakelen in de wereldeconomie. De ontwikkeling van de Derde Wereld kan niet gebeuren in een kunstmatig opgezette omgeving maar slechts in de economische wereldordening zelf, die in grote mate een gegeven is. Daarbinnen moet zich een nieuw partnership ontwikkelen dat, om duurzaam te zijn, voor beide partners voordelen zal moeten inhouden. Zaak is het, het rijke Noorden te overtuigen van dit belang en meer te oriŽnteren naar een langetermijndenken dat niet inherent is aan economische beslissingen. Onze betrokkenheid zou veel groter mogen zijn, niet alleen in middelen, maar vooral in mensen, know how, samenwerking op het terrein.


1. De schuldenlast.

De schier onoverzienbare schuldenberg die zich in de ontwikkelingslanden heeft opgestapeld legt direkt de nadruk op de lotsverbondenheid tussen Noord en Zuid. Niet alleen plaatst hij de Derde Wereld met de rug tegen de muur, maar als het uit de hand loopt dreigt het ganse banksysteem van het Noorden in te storten.
Vele oorzaken liggen aan de basis van het schuldprobleem. Er is de instorting van de grondstoffenprijzen, de stijging van de reŽle intrestvoeten, niet aangepaste investeringsstrategieŽn met verwijzing naar de grote infrastructuurprojecten.
Daarbij komt dat, wegens institutionele beperkingen, geen coherente ontwikkelingsprioriteiten gesteld werden en de versnipperde nationale en internationale hulp niet op een efficiŽnte wijze gecoŲrdineerd wordt. Zo zijn de laatste jaren aangelegde wegen, onderwijsinfrastructuur, communicatiemiddelenÖ snel teloorgegaan en zijn er nu enorme middelen nodig, alleen al om de investeringen uit het verleden te redden. In Afrika komen daar nog de klimatologisch ongunstige omstandigheden, de ontbossing en de woestijnvorming bij, die dwongen tot verhoogde invoer en de exportinkomsten deden opdrogen. Voeg daarbij de bevolkingsexplosie en de politieke strubbelingen en het gevolg is gekend: een infernaal scenario. De schuldstructuur van bijvoorbeeld enerzijds Zuid-Amerika en anderzijds Afrika is dan weer zeer verschillend. Het percentage privť-schulden is zeer hoog in Zuid-Amerika, terwijl het in Afrika vooral over openbare schuld gaat.

De mogelijkheden om door economische groei op korte of middellange termijn opnieuw kredietwaardige debiteuren te worden zijn in Zuid-Amerika, waar een industrieel weefsel bestaat, veel groter dan in Afrika, waar werkelijk geheel opnieuw moet begonnen worden.

De aanpak kan dan ook niet uniform zijn, maar moet inspelen op de specifieke gegevens van elk "dossier". Zo is de reactie van een aantal Zuidamerikaanse landen, die voor de aflossing van hun schulden niet onaanzienlijke bedragen aan het buitenland betaalden en die niet langer wensen hun eigen groei op te offeren voor de terugbetaling, niet zonder meer weg te wuiven. Daarbij moet men bedenken dat het veelal om zeer prille democratieŽn gaat. De huidige leiders moeten bewijzen dat ze opgewassen zijn tegen de economische crisis waarin hun natie zich bevindt. De bevolking verwacht meer dan de democratie an sich, zij verwacht brood. En dat kan niet als de groei moet wijken voor het aflossen van de schuld.

Deze band met het democratiseringsproces kan, vanuit een politiek oogpunt, niet uit het oog verloren worden.
Anderzijds kan de herschikking van de schuld en het heropenen van de kredietlijnen slechts blijvend gevolg sorteren en nieuwe perspectieven openen indien ze gepaard gaan met ernstige aanpassingsprogramma's van het binnenlands beleid. Alleen een orthodox economisch beleid kan het vertrouwen van de banken doen weerkeren opdat ze de geldkraan opnieuw zouden opendraaien. Van de schuldeisers wordt inventiviteit verwacht. Kleine landen kunnen zorgen voor wederzijdse voordelen.

In die zin was het plan van het vroeger Staatssecretariaat voor Ontwikkelingssamenwerking. Bij de overname van schulden van ontwikkelingslanden door het donorland verplicht de partner in het ontwikkelingsland er zich toe voor eenzelfde bedrag in lokale munt te investeren in projecten die de inlandse bevolking tegemoet komen. Zo ook op multilateraal vlak, waar gepoogd wordt een gewaarborgde lening door de banksector gepaard te laten gaan met een bijkomend krediet dat dan kan aangewend worden door ontwikkelingssamenwerking.

Blijft dat de internationale gemeenschap bijzonder grote bedragen zal moeten mobiliseren ťn om een ineenstorten van de banksector te vermijden, ťn om de economie van de ontwikkelingslanden nieuwe kansen te geven. Het IMF en de Wereldbank spelen daarbij een sleutelrol.
De speciale trekkingsrechten in het kader van het IMF zullen in ieder geval in zeer aanzienlijke mate moeten worden opgetrokken, het kapitaal van de Wereldbank verhoogd en een bijzondere inspanning in de vorm van aanpassingskredieten (SAF) mag worden verwacht van de landen met een groot overschot op de betalingsbalans. Voor Japan met name zou dit een eerste uiting van internationale solidariteit kunnen zijn.


2. Een stervend kontinent.

Alhoewel de globale Afrikaanse schuld "slechts" 10% van de totale schuldenlast van de Derde Wereld uitmaakt, knijpt zij Afrika de strot dicht.
Tussen 1980 en 1987 is de Afrikaanse schuld gestegen van 23 tot 43% van het BNP. De privť-inbreng in de vorm van nieuwe kredieten blijft uit, en de openbare overheidshulp van de traditionele donors blijft hoogstens stabiel.
Onze traditionele verbondenheid met het zware kontinent geeft ons ook nu een bijzondere verantwoordelijkheid.

Klimatologisch ongunstige omstandigheden, ontbossing en woestijnvorming vormen een helse cirkel. De Sahel wordt bedreigd met een enorme ecologische ramp en een periodiek weerkerende hongersnood. De sanitaire toestand degenereert ten gevolge van de ondervoeding. Reeds lang overwonnen gewaande inheemse ziekten zoals malaria en bilhariose, zijn opnieuw gemeengoed. AIDS neemt in Afrika onheilspellende afmetingen aan. Indien er niet snel op het niveau van het tropisch landbouwonderzoek een doorbraak komt en bovendien niet wordt overgeschakeld op andere cultuurmethodes, is de landbouwproduktie in Afrika tot de ondergang gedoemd.
In vele landen van het Afrikaanse kontinent woeden ook tribale oorlogen en tiert de corruptie welig. Niet zelden offert de politieke elite de plaatselijke bevolking op het altaar van het prestige en het persoonlijk geldgewin.

Geconfronteerd met een drama van deze afmetingen moeten prioriteiten gesteld worden:
- het doen heropleven van de landbouw en de productieve sectoren in het algemeen, bodembescherming, herbebossing.
- het in stand houden van de basisinfrastructuur en de bestaande produktiecapaciteiten.
- het stimuleren van de lokale ondernemingszin en de rol van de ondernemingsgewijze produktie benadrukken.
- orde op zaken stellen in de staatshuishouding.
- het ondersteunen van het onderwijsnet.
Om deze doelstellingen te verwezenlijken is het onontbeerlijk een snelle oplossing te vinden om de schuldenlast van de Afrikaanse landen te verlichten.

Wij zijn er evenwel van overtuigd dat al deze plannen slechts een behoorlijke kans maken indien het Noorden ook "lijfelijk" bij de tenuitvoerlegging ervan betrokken is. Dit in de vorm van coŲperanten. Jonge en minder jonge mensen die bereid zijn het beste van zichzelf te geven in dikwijls zeer ondankbare omstandigheden. Vooral ook in de vorm van gemeenschappelijke initiatieven, in gezamenlijk opgezette bedrijven. Deze "eerstelijnsontwikkelingssamenwerking" is op grote schaal noodzakelijk opdat niet ieder jaar opnieuw 5 miljoen kinderen van honger zouden omkomen, en nog eens 5 miljoen het hoogstnoodzakelijke voedsel zouden ontberen.


3. Het grondstoffenprobleem.

Alhoewel de ontwikkelingslanden slechts 1/3 van de totale wereldhandel van de grondstoffen voor hun rekening nemen, is het belang ervan voor heel wat onder hen vitaal en in de eerste plaats voor de armste landen die nog steeds voor 73% van hun inkomen afhankelijk zijn van de grondstoffenhandel.

De ruiltermen van kwasi alle grondstoffen zijn vooral sinds 1980 steeds maar gaan dalen. Technologische vernieuwing heeft de vraag naar natuurlijke produkten zoals katoen, jute en rubber sterk doen teruglopen. Rietsuiker uit de tropen werd voor de frisdrank-industrie uit de markt gewerkt door isoglucose, een uit maÔs en granen gesynthetiseerd zoetmiddel, en die gewassen in het Noorden. Dat daarbij de suikerproduktie niet werd ingedijkt verergert de zaak nog. Dit is geen fait divers of zomaar een voorbeeld. Vele landen hebben slechts wat ze ontvangen voor hun suiker als opbrengst.
Maar ťťn en ander doet ook nadenken over de manier waarop aan de toestand kan verholpen worden.

Gemeenschappelijke grondstoffenfondsen met het aanleggen van buffervoorraden, grondstoffen-akkoorden (suikerakkoord b.v.) en stabilisatiesystemen (STABEX b.v.) hebben elk op hun manier gefaald of zijn er nooit gekomen. Een "sociale zekerheid" op wereldniveau is niet voor morgen.

Het is onze overtuiging dat enkel een gewijzigde positie van de ontwikkelingslanden in de internationale arbeidsverdeling kan tegemoetkomen aan het gestelde probleem. En het uitgangspunt zal daarbij niet direct de voor de grondstoffen zelf betaalde prijs zijn, maar de opbrengsten uit de verwerking. Dan hebben we het nog niet over de nodige infrastructuur voor de ontsluiting van productiecentra, expertise en technische bijstand, en toegang tot de markten. Het protectionisme dat door de industrielanden nog steeds wordt bedreven, is daarbij taboe.
Een deel van deze eisen wordt uiteraard teruggevonden bij de besprekingen in het raam van de GATT, namelijk deze elementen van internationale handel, zoals protectionisme, preferentiestelsels, tarifaire en niet-tarifaire belemmeringen, die gelden voor alle internationale betrekkingen, onafgezien van de implicaties inzake Noord-Zuidproblematiek.

Er wordt echter weinig aandacht besteed aan een belangrijke realiteit, nl. de voorbeelden waarbij op succesvolle wijze grondstoffen uit de ontwikkelingslanden bewerkt en verkocht werden. Dergelijke succesvolle operaties gebeurden meestal door grote privť-ondernemingen. Van deze laatste wordt in de meeste gevallen al dan niet terecht aangenomen dat zij het winstmotief op zulkdanige wijze lieten spelen dat de plaatselijke bevolkingen in de kou bleven staan.

Bij een grondige evaluatie naar de "sociale en algemeen menselijke gevolgen" voor de bevolking in de ontwikkelingslanden van de aanpak van de grote privť-ondernemingen, zou eveneens de vergelijking moeten gebeuren met de resultaten die verkregen worden uit de aanpak van het beheer, de verwerking en de commercialisatie van het grondstoffenpakket door de eigen nationale overheid zelf in de ontwikkelingslanden. Het is niet zomaar duidelijk dat deze overheidsaanpak, al dan niet met de steun van de internationale instellingen, een groter en beter sociaal en humanitair impact heeft gehad.
Rekening houdend met deze vergelijking wordt hier een lans gebroken voor een grondige bestudering van de "cost and benefit" van een aantal privť-operaties, die decennia lang bewezen hebben op succesvolle wijze sommige grondstoffen economisch te laten renderen.

Het politiek en sociaal referentiekader waarbinnen deze bedrijven opereren kan en moet ongetwijfeld verfijnd worden en met name:
- moeten de nodige voorwaarden geschapen worden om bij de uitbating, het beheer, de verwerking en de commercialisatie, m.a.w. over de ganse lengte van de bedrijfskolom, de lokale bevolking in alle mogelijk geledingen te betrekken.
- moeten voor de investerende privť-instanties, de nodige waarborgen geboden worden om via joint-venturing of andere investeringsmethoden overzee, een redelijke winst te kunnen repatriŽren om de continuÔteit van de ondernemingen te kunnen verzekeren.
-moeten de privť-ondernemingen de normen respecteren van de internationale arbeidsorganisatie. De ontwikkelde landen hebben hier een belangrijke rol, daar de bedrijven veelal behoren tot multinationale groepen uit het rijke Noorden.


4. De multinationale inspanningen van de industrielanden.

Multilaterale ontwikkelingshulp bekleedt wegens haar bijzonder karakter een aparte plaats in het geheel van de instrumenten waardoor het Noorden met het arme Zuiden samenwerkt.

Het multilateralisme biedt in theorie de beste waarborg voor een gecoŲrdineerde aanpak van het gestelde probleem. Maar de multilaterale hulp is in crisis en dit om diverse redenen. De nationale staten leggen steeds meer de nadruk op het gebonden karakter van de hulp en dit vooral sinds de economische crisis. Men wil wel helpen, maar dan met eigen produkten en met eigen contracten die terugvloeien naar de eigen bedrijven.
De multilaterale samenwerking zelf maakt geen al te beste tijden door. Zo zijn de gespecialiseerde instellingen en organen van de UNO (FAO, ILO, WHO, UNICEFÖ) op eigen houtje programma's gaan opstarten, die voorbijgaan aan de coŲrdinerende rol van de United Nations Development Programme (UNDP). Gevolg is dat de samenhang in de acties dan ook vaak te wensen overlaat en de nagestreefde doelstellingen zeer verscheiden en soms zelfs tegenstrijdig zijn.

De westerse donorlanden en vooral de VSA hebben ook een stuk vertrouwen verloren in met name de VN en zijn gespecialiseerde instellingen en organen. Het onafhankelijkheidsproces dat zich sinds de jaren vijftig onweerstaanbaar heeft doorgezet maakt dat de Westerse landen, alhoewel zij het merendeel der middelen bijeenbrengen, een uitgesproken minderheidspositie bekleden in de VN. Vandaar onvrede en een zich afkeren van deze instellingen, met name door de VSA, met UNICEF als meest eclatant voorbeeld.

Wij geloven dat de multilaterale samenwerking een essentiŽle plaats moet blijven bekleden, maar dat anderzijds deze samenwerking meer dan in het verleden moet beantwoorden aan datgene wat er het specifieke en het waardevolle van uitmaakt, namelijk de gecoŲrdineerde aanpak van een probleemsituatie binnen duidelijk omschreven prioriteiten.

Twee kanalen van multilaterale samenwerking verdienen onze bijzondere aandacht: de wereldbank en het Europees Ontwikkelingsfonds. Het Europees Ontwikkelingsfonds is de uitdrukking van de wil van de Europese Gemeenschap bij te dragen tot de ontwikkeling van de Derde Wereld.

De Europese Gemeenschap vertoont een graad van samenhang die maakt dat een gecoŲrdineerde aanpak en duidelijk prioriteiten - de sterke punten van de multilaterale samenwerking Ė te combineren vallen met de verzuchting van de partijen op een evenwichtige basis aan bod te komen in het Europees Ontwikkelingsfonds. Wij pleiten er dan ook voor dat de lidstaten in toenemende mate hun ontwikkelingsinspanningen zouden bundelen in dit fonds.

De Wereldbank tenslotte is in de voorbije decennia een belangrijke donor gebleken van ontwikkelingshulp. De westerse landen hebben er ook een groter vertrouwen in omdat het gewicht van hun stem de getrouwe weerspiegeling is van hun financiŽle bijdrage. Samen met het IMF speelt de Wereldbank een belangrijke rol in de schuldherschikking.

Er moet evenwel tegen gewaarschuwd worden dat het zwaartepunt van de acties van de Wereldbank niet kan of mag verlegd worden naar de zogenaamde structurele leningen, die tot doel hebben de schulden van de ontwikkelingslanden te herschikken. De prioriteit van de Wereldbank moet blijven de directe, projectgerichte ontwikkelingshulp, zo dicht mogelijk aanleunend bij de noden van de lokale bevolking en haar structuren.
De PVV pleit, aangaande het schuldprobleem van de derdewereldlanden, voor de oprichting van een Internationaal Ontwikkelingsfonds waarin de voornoemde schulden als schaduwkapitaal worden ingebracht. De dienst (rente en aflossing) op voornoemde schulden wordt gestort in dit Fonds en zal dienen voor werkkapitaal ter uitvoering van langetermijnprojecten.
Teneinde de Ontwikkelingssamenwerking te internationaliseren en af te stappen van de nationale betuttelingen is het aangewezen de thans beschikbare nationale kredieten ook in te brengen in dit Fonds en ter beschikking te stellen om diensten en goederen te verlenen die besteld worden in het land van toekomt van de fondsen.


5. De Belgische inspanningen in de Noord-Zuiddialoog.

Ontwikkelingshulp is ongetwijfeld een kwestie van centen, maar vooral ook van de wijze waarop ze aangewend worden. Er is iets fundamenteels aan de hand met de effectiviteit van de geboden hulp. Zo dicht mogelijk aanleunend bij de noden van de lokale bevolking en haar structuren.

De discussie daarover in de voorbije jaren heeft zeer verhelderend gewerkt en kan de ontwikkelingssamenwerking een nieuwe start bezorgen die ze overigens broodnodig heeft. Maar om parallel met de inspanning de slagkracht van onze hulp te vergroten, zullen ook meer middelen moeten ter beschikking gesteld worden.

BelgiŽ doet het in het concert van de naties niet slecht. Maar de gewenste bijdrage van de Belgische overheid in de ontwikkelingssamenwerking, nl. 0,7% van het BNP, is nog steeds niet bereikt. Wij zijn van oordeel dat op nationaal en internationaal vlak nog veel kan gedaan worden om de effektiviteit van de hulp te verbeteren.

De belangrijke inspanningen die in het nabije verleden en speciaal deze legislatuur werden gedaan om een aantal fouten uit het verleden te verhelpen, moeten worden voortgezet. Concreet denken we hierbij aan:
- de continuÔteit van de projecten verzekeren door het principe van wederzijds voordeel waarbij de privťsector uit de ontwikkelingslanden en de industrielanden de projecten op termijn kan overnemen.
- het maximaal inschakelen van de privť-sektor en meer in het bijzonder de KMO bij de tenuitvoerlegging van projecten en het opzetten van joint-ventures. Daarbij moeten voorzieningen getroffen worden om het risico van de ondernemingen in te dekken en te controleren.
Naast redenen van effektiviteit is vooral de link met het werkelijke economische leven belangrijk. Hier wordt geraakt aan de wortels van de onderontwikkeling: de afwezigheid van een economische ruggegraat in de maatschappij, namelijk een veelheid van kleine en middelgrote bedrijven die actief zijn op vele vlakken van de produktie en de dienstverlening.
- Zonder afbreuk te willen doen aan de enorme verdiensten en vooral ook de inzet van de niet-gouvernementele organisaties zijn er al te veel projecten die weinig toekomst hebben bij de beŽindiging van de betoelaging.
Daarom moeten ook de projecten van de NGO's meer dan in het verleden de oprichting beogen van produktieve eenheden, ondermeer in de agro-industriŽle sektor.
Het doel moet evenwel blijven de beschikbare middelen van de ontwikkelingshulp beter te gebruiken. De economische en budgettaire moeilijkheden die ongetwijfeld groot zijn, verdwijnen in het niet bij de miserie van miljoenen wereldburgers in de Derde Wereld.



VI. DE BEVORDERING VAN DE MENSENRECHTEN ALS ZELFSTANDIG BESTANDDEEL VAN HET BUITENLANDS BELEID.


Samen met de bevordering van vrede en veiligheid en van economische ontwikkeling, is ook de bevordering van de mensenrechten een zelfstandig bestanddeel van het buitenlands beleid. Deze drie hoofddoeleinden moeten in nauw onderling verband worden gezien. Economische ontwikkelingen en de bescherming van de mensenrechten zijn noodzakelijke voorwaarden voor het behoud van vrede en veiligheid. Vrede en veiligheid worden bedreigd wanneer er grote economische verschillen zijn in de levensstandaard van de volkeren of wanneer er systematisch grove mensenrechtenschendingen plaatsvinden.
Economische ontwikkeling is slechts mogelijk in een klimaat van vrede en veiligheid en wanneer de mensenrechten gerespecteerd worden. Economische ontwikkeling is slechts zinvol indien de morele en fysische integriteit van de persoon is gewaarborgd. De veel gehoorde redenering van diktators dat de mensenrechten moeten opgeofferd worden aan de economische ontwikkeling en een "rechtvaardiger" politiek systeem, en dat deze doeleinden slechts kunnen bereikt worden door "stroomlijning" van de maatschappij, is niet alleen verwerpelijk, maar bovendien fundamenteel onjuist. Het respect voor de mensenrechten is juist een voorwaarde voor de economische ontwikkeling en de politieke stabiliteit.

Het onderling verband tussen deze drie hoofddoeleinden van het buitenlands beleid mag evenwel niet begrepen worden als zouden ze niet zelfstandig dienen te worden nagestreefd. Zij dienen alle ten volle en gelijktijdig nagestreefd te worden. Een buitenlands beleid dat een van deze doeleinden verwaarloost is onevenwichtig en loopt bij gevolg mank.


1. Mensenrechten en vrede en veiligheid.

Het gevaar dat vrede en veiligheid ondergeschikt zou worden gemaakt aan het mensenrechtenbeleid is over het algemeen niet erg groot. Het is niet erg waarschijnlijk en zeker niet gewenst dat een staat zijn ontevredenheid over het mensenrechtenbeleid van een andere staat de vorm zou laten aannemen van een gewapende agressie. Waar alle geoorloofde overtuigingsmiddelen mogen en moeten aangewend worden om andere staten ertoe te brengen de mensenrechten te eerbiedigen, behoren gewapende interventie of agressie duidelijk niet tot deze geoorloofde overtuigingsmiddelen.

Het zou dan ook fout zijn vooruitgang inzake vrede en veiligheid in de vorm van vertrouwenswekkende maatregelen of het sluiten van ontwapeningsakkoorden afhankelijk te maken van voorafgaande wijzigingen in het mensenrechtenbeleid van de staten waarmee dergelijke akkoorden worden nagestreefd. Genormaliseerde betrekkingen tussen staten leiden er trouwens toe dat het arsenaal overtuigingsmiddelen ten opzichte van deze staten eerder toeneemt dan afneemt. De veelvuldiger menselijke kontakten die meestal het gevolg zijn van genormaliseerde betrekkingen kunnen bijvoorbeeld maken dat het respecteren van de mensenrechten in de betrokken staat een publieke item wordt.

Evenzeer zou het fout zijn Ė en hier is gevaar dat het effectief gebeurt veel groter Ė dat het sluiten van akkoorden ter bevordering van vrede en veiligheid voor gevolg zou hebben dat afstand wordt gedaan van het tot uiting brengen van bezorgdheid, het uitoefenen van druk, met betrekking tot de schending van de mensenrechten.
Mensenrechten kunnen nooit als ondergeschikt onderdeel van het buitenlands beleid worden terzijde gezet, zogenaamd om de vrede en veiligheid niet in het gedrang te brengen.


2. Mensenrechten en economische ontwikkeling.

Ongenoegen over mensenrechtenschendingen dient in beginsel niet te leiden tot het afbreken van handelsbetrekkingen. Dat is trouwens niet mogelijk. Het recente rapport van Amnesty International reveleert mensenrechtenschendingen in 140 Staten. Onafgezien van het feit dat het totaal onmogelijk is de handelsbetrekkingen met drie vierden van de wereld af te breken, moet in algemene regel gesteld worden dat het isolement van een staat eerder een gevaar voor, dan wel een bevordering van de mensenrechten inhoudt.

Moeten economische sancties dan in elk geval uitgesloten worden geacht?

Het onderhouden, of het verder uitbouwen van economische relaties met derde landen kan en moet waar mogelijk aangewend worden om een verbetering in de toestand van de mensenrechten in kwestieus land te bewerkstelligen. Zo onderhandelt de Europese Gemeenschap op dit ogenblik een samenwerkingsakkoord met RoemeniŽ. Wij dreigen wel eens de mensenrechtenschendingen in RoemeniŽ te minimaliseren, omdat zij een onafhankelijke positie innemen in het Warschaupakt. Het kader van een dergelijk samenwerkingsakkoord, dat voor beide partners en in ieder geval ook voor RoemeniŽ grote bijkomende voordelen inhoudt, kan en moet zinvol worden aangewend om op het vlak van respect van een aantal essentiŽle rechten van de mens concessies te bekomen.

Economische sancties kunnen ook een politieke noodzaak zijn. Zo kan moeilijk ontkend worden dat de zwarte oppositie in Zuid-Afrika van het Westen verlangt dat het niet alleen zou blijven bij verbale afkeuring van het apartheidsregime, maar dat ook economisch sancties zouden worden genomen die, vanuit hun standpunt, van aard zijn het blanke regime onder druk te zetten, maar anderzijds ook bewijzen dat het ons menens is wanneer wij zeggen dat de rassenscheiding moet ophouden.
Wil de westerse wereld in de ogen van de zwarte oppositie enige credibiliteit behouden, dan kan zij niet buiten sancties. Aan het nut ervan, in ieder geval globaal genomen, moet worden getwijfeld. Maar ook dit laatste, het kosten-bateneffect, zal door de oppositie in Zuid-Afrika slechts objectief kunnen ingeschat worden wanneer sancties werkelijk worden genomen. Een dergelijke bewustwording is trouwens reeds bezig.

Bij dit alles mag men niet vergeten dat het militante optreden van de bedrijfswereld ten opzichte van het regime toch in belangrijke mate is ingegeven door de vrees voor economische sancties. En ook dat met name de sportboycot de jonge blanke generatie in Zuid-Afrika de ogen heeft geopend voor een aantal toestanden in hun land, waarvan zij zich nauwelijks bewust waren.
Maar economische sancties zijn een gevaarlijk wapen, en het is niet altijd direct in te schatten wanneer zij een effect kunnen sorteren, en wanneer zij dreigen contra-produktief te worden.

Economische sancties, tot en met een handelsembargo, behoren in het geval van een gewapend conflict tot de geoorloofde middelen van het volkenrecht. De UNO-Veiligheidsraad kan een handelsembargo uitvaardigen wanneer een Staat zich niet houdt aan een resolutie waarin het stopzetten van de vijandelijkheden wordt bevolen. Indien een handelsembargo effectief zou zijn, en door de Internationale Gemeenschap in globo gerespecteerd, dan zou ongetwijfeld een spoediger einde zijn gemaakt aan de oorlog tussen Iran en Irak, die het leven heeft gekost aan miljoenen jonge mensen. En is dit niet de meest grove schending van de mensenrechten?

Economische sancties hebben dus alleen zin in uitzonderlijke omstandigheden, wanneer er een consensus bestaat van de internationale gemeenschap over de na te streven doeleinden, en uit de consekwente tenuitvoerlegging ervan door die internationale gemeenschap op korte termijn concrete resultaten kunnen verwacht worden.

Maar ook een ander gevaar sluipt om de hoek. Evenzeer als het fout is de handelsbetrekkingen te willen "moraliseren", is het ook fout, het mensenrechtenbeleid ondergeschikt te maken aan de goede handelsbetrekkingen met staten die de mensenrechten schenden. Zeer reŽel is het gevaar dat Staten, doordat zij goede handelsbetrekkingen onderhouden, geneigd zullen zijn hun bezorgdheid voor de mensenrechten op de achtergrond te verbergen. Mensenrechten kunnen niet terzijde worden geschoven voor zogenaamde "hogere belangen". De plicht om, naargelang het past in bilateraal of in multilateraal kader, publiekelijk of vertrouwelijk, maar steeds ondubbelzinnig op te komen voor de verdediging van de mensenrechten, kan niet ontlopen worden. Gebrek aan beginselvastheid in deze aangelegenheid brengt het aanzien in gedrang van de staten die beweren gehecht te zijn aan mensenrechten, zowel bij de eigen bevolking als bij de volkeren die slachtoffer zijn van mensenrechtenschendingen.
Bovendien wordt dan de indruk gewekt dat mensenrechtenuitspraken alleen maar politieke strijdmiddelen zijn en wordt aldus de geloofwaardigheid van dergelijke uitspraken ten zeerste aangetast.


3. Mensenrechten en ontwikkelingshulp.

Nergens wordt de mogelijke spanning tussen verschillende doeleinden van het buitenlands beleid zo scherp aangevoeld als in de verhouding mensenrechten/ontwikkelingshulp.

Vaak wordt er in geval van mensenrechtenschendingen door een ontwikkelingsland geroepen om het stopzetten van de ontwikkelingshulp aan dat land. De grootste omzichtigheid terzake is evenwel geboden. Ontwikkelingssamenwerking streeft eigen doeleinden na, waarbij de weerslag op de mensenrechtentoestand van deze samenwerking echter steeds in aanmerking moet genomen worden.

Ontwikkelingssamenwerking is slechts verantwoord in de mate dat zij ten goede komt aan de bevolking. Een samenwerking die voorbijgaat aan de noden van de bevolking en alleen maar de machthebbers en een aantal andere bevoorrechten ten goede komt is uiteraard onverantwoord. Op elk ogenblik, en zeker indien de mensenrechtentoestand in een bepaald ontwikkelingsland verslecht, moet nagegaan worden op welke wijze de hulpverlening met het oog op de verbetering van de levensstandaard van de bevolking kan worden verdergezet. Alleen wanneer de regering het onmogelijk maakt dat de hulp terecht komt bij hen voor wie zij bestemd is past het de hulpverlening op te schorten. In andere gevallen zou het onthouden van ontwikkelingshulp neerkomen op een dubbele bestraffing van de bevolking. Zij zou een eerste maal het slachtoffer zijn van de mensenrechtenschending door de eigen regering en een tweede maal door het onthouden van de hulpverlening door donorlanden.
Anderzijds komt een goed overwogen ontwikkelingsbeleid uiteraard de mensenrechten ten goede. In de eerste plaats wordt hierbij gedacht aan sociaal-economische rechten: recht op voedsel, recht op onderwijs, recht op gezondheidszorg, recht op arbeid.

De neiging bestaat wel eens minder aandacht te schenken aan de bevordering van de klassieke burgerrechten: recht op fysische en morele integriteit, recht op een eerlijk proces. Mensenrechten zijn geen luxe.

Men moet zich frontaal afzetten tegen het verhaal als zouden mensenrechten wel kunnen wachten tot een aantal basisbehoeften voldaan zijn, en dat dit laatste zelf alleen kan in een systeem dat prioriteiten stelt. Waar de mensenrechten dan vanzelfsprekend niet bijhoren maar een vleugje dictatuur wel. Waar in beginsel de eerbiediging van de klassieke burgerrechten geen aanzienlijke financiŽle inspanning van de betrokken regering vereist, mag toch niet uit het oog worden verloren dat in een niet onaanzienlijk aantal ontwikkelingslanden de minimale institutionele infrastructuur voor de eerbiediging van de klassieke burgerrechten in onvoldoende mate aanwezig is.
Klassieke burgerrechten vereisen voor hun eerbiediging een goed werkend gerechtelijk en politieapparaat.
Van het grootste belang is vooral dat de burgers kunnen rekenen op een onafhankelijke rechterlijke macht, die kan optreden ingeval de vrijheden van de burgers door hun medeburgers of Ė wat veel vaker voorkomt Ė door de overheid, op onrechtmatige wijze worden beknot. Een goedwerkend gerechtelijk apparaat vereist rechters die de nodige juridische opleiding hebben genoten. De eerbiediging van de rechtsstaat vereist ook dat er wetten zijn opgesteld door bekwame juristen en toegankelijk (minstens) voor de rechtsbeoefenaars. Het is dan ook nodig dat de ontwikkelingshulp meer oog zou hebben voor deze fundamentele vereisten van de rechtsstaat en er projecten zou rond opzetten. Het voldoen van deze behoeften, voor zover er in het ontwikkelingsland een politieke bereidheid toe bestaat, kan met tamelijk beperkte financiŽle middelen.
Bijzondere aandacht moet ook worden geschonken aan de regionale beschermingsmechanismen ter bescherming van de mensenrechten. In tegenstelling tot de begrijpelijke weerstand tegen inmenging van andere regionale groepen in het mensenrechtenbeleid van ontwikkelingslanden kan een meer constructieve houding van hen verwacht worden ten aanzien van de activiteiten van de eigen regionale beschermingsmechanismen.

Zo kon begin 1987 het Afrikaans Charter voor Mensenrechten, opgesteld in het kader van de organisatie voor Afrikaanse Eenheid, in werking treden. De internationale gemeenschap, en meer in het bijzonder de Europese Gemeenschap, moet hieraan steun verlenen, daar het een belangrijk instrument kan worden voor meer respect voor de mensenrechten in de landen van de Conventie van Lomť.

Hetzelfde geldt trouwens voor de Conventie van Lomť zelve, waar in de derde uitgave ervan eindelijk de bevordering van de mensenrechten als een van de doelstellingen wordt omschreven.

Het Europees Parlement, in het kader van zijn vertegenwoordiging in het Paritair Comitť van de Conventie, heeft een zeer bijzondere verantwoordelijkheid op dit gebied.


4. De Europese Gemeenschap en de Mensenrechten.

Het Europees Parlement heeft sinds zijn rechtstreekse verkiezing in 1979 steeds bijzondere aandacht gehad voor de bescherming van de mensenrechten. In zijn schoot werd een subcommissie voor mensenrechten ingericht.
Wij zijn de mening toegedaan dat de bevordering van de mensenrechten ťťn van de fundamentele doelstellingen van de Europese Gemeenschap, en meer in het bijzonder het Europees Parlement, moet zijn.
Sinds de jaren '70 is het mensenrechtenbeleid meer en meer een factor van buitenlandse politiek gaan worden. Zeer slagvaardige niet-gouvernementele organisaties, met als typevoorbeeld Amnesty International, hebben de aandacht van de internationale gemeenschap op dit fenomeen getrokken.
Wij kunnen de bescherming van de mensenrechten evenwel niet overlaten aan gouvernementele organisaties alleen. Het respect voor de menselijke persoon raakt aan de fundamenten van het democratische systeem zelf.

Basisvoorwaarde voor een doeltreffende en geloofwaardige politiek op dit terrein is het beschikken over accurate informatie. Wij pleiten ervoor dat, zoals nu reeds in het State Department gebeurt, door de Raad van Ministers een jaarlijks rapport over de toestand van de mensenrechten in de wereld zou worden opgesteld, dat als basis moet dienen voor de evaluatie en de politieke actie van het Europees Parlement.

De Europese Gemeenschap, met zijn rechtstreekse vertegenwoordiging in een aantal landen, maar vooral door het kanaal van de vele tientallen ambassades van de onderscheidene lidstaten, biedt een unieke mogelijkheid om een onschatbare informatiebron te zijn. Het resultaat te velde is ook dat elke ambassade zich concreet met mensenrechtenproblemen moet bezighouden, en uit een aandachtige analyse van de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten in de voorbije jaren blijkt dat dit een niet onaanzienlijke invloed heeft gehad op een aantal beleidsbeslissingen.

Een doeltreffend mensenrechtenbeleid veronderstelt ook credibiliteit. Het kan niet dat het Europees Parlement alleen oog zou hebben voor schending van de mensenrechten in derde landen, en niet voor de problemen die zich stellen binnen de Europese Gemeenschap zelf. Onmiddellijk moet hier aan toegevoegd worden dat de aantasting van de mensenrechten in de Europese Gemeenschap, en meer in het algemeen in de westerse wereld enerzijds en op de rest van onze planeet anderzijds een uitgesproken kwalitatief verschil vertoont. Willen wij evenwel geloofwaardig zijn, dan moeten wij evenveel aandacht hebben voor de splinter in ons eigen oog, dan voor de balk in het oog van de ander.

Sommigen dromen weliswaar van een buitenlands beleid dat door mensenrechtenoverwegingen zou worden gedomineerd.
Vermits er in een buitenlands beleid evenwel weinig plaats is voor dromen, moet het ook geen verbazing wekken dat hiermede alleen de utopie gediend wordt.

Er moet niettemin met aandrang gepleit worden voor meer aandacht in het buitenlands beleid voor de mensenrechtendimensie. Een actief optreden, zowel in het bilaterale kader als in het multilaterale, dringt zich hierbij op. Democratische landen moeten systematisch en ongecomplexeerd hun geloof in de democratische waarden en in het mensenrechtenbeleid manifesteren. De ontwikkelingssamenwerking is het domein bij uitstek waar meer aandacht voor een welbegrepen mensenrechtendimensie aangewezen is. Er is evenwel slechts hoop op een consekwent, beginselvast en geloofwaardig beleid wanneer de mensenrechtenbescherming als een zelfstandig onderdeel van het buitenlands beleid wordt nagestreefd.


top