www.liberaalarchief.be
CONGRES VAN DE PARTIJ VOOR VRIJHEID EN VOORUITGANG
GENK, 4 - 5 november 1989
MIGRANTEN - OPEN EN EERLIJK
CONGRESRESOLUTIES


1. Het samenleven tussen een groep Belgen (autochtonen) en een groep buitenlanders (allochtonen) kan problemen creŽren wanneer beide groepen het gevoel hebben ongelijk te worden behandeld. Het behoort tot de prioritaire taken van de overheid een aantal indringende maatregelen te treffen om de bestaande spanningshaarden te ontzenuwen.

2. Als uitgangspunt geldt dat de autochtone bevolking, evenmin als de in onze samenleving geÔntegreerde vreemdelingen, het slachtoffer mogen zijn van hun verdraagzaamheid.

3. De migrantenbevolking moet zich aanpassen aan de maatschappelijke waarden en leefgewoonten van de autochtone bevolking en niet omgekeerd. Hiertegenover staat dat de culturele eigenheid van de allochtonen mag worden gevrijwaard, in zoverre de uitoefening ervan, de autochtone bevolking niet hindert. De culturele en filosofische verscheidenheid, eigen aan het fenomeen "migratie", dient geŽerbiedigd, zonder dat daarbij achteruitstelling of bevoordeling van de migrant plaatsvindt. Integratie veronderstelt een dubbele beweging, enerzijds een zich openstellen naar de anderen toe, anderzijds een instemmen door de anderen opgenomen te worden in een reeds bestaand geheel en zich aan dat geheel aan te passen.

4. Diegenen die zich niet willen integreren, diegenen die hier geen voldoende bestaanszekerheid opbouwen en diegenen die wensen terug te keren, moet de kans worden gegeven te reÔntegreren in het land van herkomst.



1. EEN MODUS VIVENDI VOOR EEN VERDRAAGZAAM SAMENLEVEN


1.1. Tewerkstelling en Sociale Zekerheid

5. Inzake tewerkstelling, arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding moeten een aantal specifieke maatregelen getroffen worden, die, alhoewel ze gelden voor de gehele bevolking, van bijzonder belang zijn voor de integratiemogelijkheden van de migranten. Er moet daarbij van uitgegaan worden dat aan de komst van de migranten sociale, economische en industriŽle motieven ten grondslag lagen waardoor zij nu dus kansen tot bijscholing en herintegratie in het arbeidsproces moeten krijgen. Meer bepaald:

6. het uitbouwen van programma's die specifiek gericht zijn op het ontwikkelen van basisvaardigheden of sociale vaardigheden;

7. het verbeteren van de toegankelijkheid van de arbeidsmarktgerichte opleidingen;

8. alle langdurig werklozen moeten worden ingeschakeld in de arbeidsgerichte opleidingen. Een onderdeel hiervan is het verplicht volgen van taalcursussen voor werklozen, in casu de streektaal, nl. het Nederlands voor werkloze migranten. Wie weigert deel te nemen aan deze programma's kan worden uitgesloten van werkloosheidsuitkeringen.

9. Op het vlak van de sociale zekerheid dringt zich een strengere controle op inzake sociale uitkeringen en bijdragen, ten einde misbruiken en oneigenlijk gebruik van de sociale zekerheid tegen te gaan, zoals foutieve tellingen van het aantal kinderen ten laste en het fictief tewerkstellen van familieleden door zelfstandigen met het oog op het verkrijgen van sociale voordelen. De verstrengde controle dient vanzelfsprekend te gelden voor de gehele bevolking.


1.2. Onderwijs

10. Onafgezien van de rol van de jeugdrechtbank en de noodzakelijke informatie, moet het niet nakomen van de leerplicht, zijnde de daadwerkelijke regelmatige aanwezigheid in een onderwijsinstelling of een opleidingscentrum, worden gesanctioneerd met het inhouden van de kinderbijslag. Deze maatregel geldt voor gans de bevolking en moet gepaard gaan met een strengere aanwezigheidscontrole in de scholen en controle op de geldigheid van de ingeleverde medische attesten.

11. Een meerderheid van migrantenkinderen wordt opgevangen in de door de overheid georganiseerde netten. Heel wat scholen, vaak behorend tot het vrij gesubsidieerd net, trachten immers de moeilijkheden eigen aan het onderwijs van migranten te omzeilen.
De Minister van Onderwijs dient het initiatief te nemen om de vertegenwoordigers van de verschillende onderwijsnetten die met gemeenschapgelden worden gefinancierd en gesubsidieerd, bijeen te brengen en praktische afspraken te maken i.v.m. de schoolopvang en het vermijden van concentratie van migrantenkinderen.

12. Beleidsmaatregelen moeten op korte termijn genomen worden teneinde de opleiding en de motivatie van het lerarenkorps te verhogen.

13. er is vastgesteld dat de leerkrachten in de concentratiescholen geconfronteerd worden met een complexe en onbekende uitdaging, namelijk de taalverwerving.
Er is nood aan een aangepaste opleiding en bijscholing van de leerkrachten, ondermeer om de streektaal, in casu het Nederlands, te kunnen onderwijzen aan Nederlandsonkundigen.

14. de onderwijsomkadering moet worden aangepast. De tewerkstelling in scholen die worden geconfronteerd met een hoog percentage migrantenkinderen moet aantrekkelijker worden gemaakt. Dit is mogelijk door een specifieke omkadering in te voeren. Dit betekent dat men drie soorten omkaderingsnormen moet hebben: een algemene, ťťn voor buitengewoon onderwijs en een specifieke norm voor scholen met migranten.

15. de inhoudelijke aanpak dient eveneens te worden aangepast. Het is van essentieel belang dat wetenschappelijk onderzoek wordt aangewend om de beginsituatie, de aanpak van het onderwijsleerproces, de specifieke taalaanpak e.d.m. juist in te schatten en in handboeken te verwerken. De bekomen gegevens kunnen aldus voor de betrokken leerkrachten een daadwerkelijke ondersteuning vormen bij de inhoudelijke aanpak van het onderwijsproces.

16. Een aantal specifieke maatregelen dienen dit integratieproces aan te zwengelen:

17. het is noodzakelijk taalcursussen voor alle leeftijdsgroepen te organiseren, zowel voor migrantenkleuters als voor ouders die het Nederlands niet of onvoldoende machtig zijn. In deze cursussen zijn ook noties van staatsburgerlijke opvoeding vervat. In dit kader is het opstarten van een sensibiliseringscampagne een noodzaak teneinde de migrantenouders aan te zetten hun kinderen zo vroeg mogelijk naar het kleuteronderwijs te sturen. Gezien de spilfunctie van de islamitische echtgenote binnen het gezin, is het essentieel haar eveneens te betrekken bij het onderwijsproces. Zij moet de kans geboden worden de lessen in de streektaal, in casu het Nederlands te volgen. De kennis van de streektaal is de beste basis voor een systeem van basiseducatie met integratiebevorderend en emancipatorisch opzet. Voor vrouwen van de eerste generatie moet tevens praktisch en bicultureel vormingswerk worden ingericht. Speciale aandacht dient te worden besteed aan de informatie van migrantenvrouwen, die zich meestal in de meest precaire en onderbetaalde arbeidscircuits bevinden, over hun rechten en plichten onder de arbeids- en sociale zekerheidswetgeving.

18. de discriminatie van de vrouw binnen de islamitische leer heeft zijn weerslag op het onderwijsproces van de meisjes evenals op hun persoonlijke positie. In dit opzicht dient duidelijk te worden gesteld dat het afwijzen van een gedragsaanpassing aan de gangbare normen indruist tegen een aantal wettelijke bepalingen. Zo kan het verbod tot zwemonderricht en lichamelijke opvoeding, of het weigeren van gemengd onderwijs, gezondheidsopvoeding en het dragen van hoofddoeken, sluiers of tchadors niet gehandhaafd worden in het licht van de bestaande leerplicht.
Om de onafhankelijkheid van de migrantenvrouw te versterken, dient haar een onafhankelijk recht op verblijfs- en arbeidsvergunning te worden verleend in geval van echtscheiding, niet-samenwonen of weduwschap.

19. Met betrekking tot de oprichting en subsidiŽring van islamitische scholen is het duidelijk dat:

20. dit slechts kan als ze zich schikken naar de Belgische wetten en de maatschappelijke waarden die eraan ten grondslag liggen, en alzo geen rem zetten op de integratie;

21. de inrichtende machten de representatieve vertegenwoordigers moeten zijn van de betrokken gemeenschap en niet van een extremistische minderheid of van de ambassades van enkele islamitische landen. Dit geeft de kans meer gematigde islamleraars aan te werven. In dit kader is de beste garantie voor de integratie het opzeggen van de overeenkomst die het voormalige Ministerie van Nationale Opvoeding heeft gesloten met C.I.C.B. (Centre Islamique et Culturel de Belgique).


1.3. De religieuze beleving in schoolverband

22. Zoals reeds werd gesteld dringen zich een aantal ingrepen in de huidige situatie op:

23. ten eerste het opzeggen van het akkoord met het Islamitisch Centrum;

24. ten tweede het effectief controleren dat de leraars voldoen aan de wettelijke vereisten, zowel inzake nationaliteit als inzake diploma en talenkennis. In Nederlandstalige scholen dient het godsdienstonderricht in het Nederlands te worden verstrekt door leraars die de Belgische nationaliteit bezitten. Deze strikte voorwaarde is de beste garantie voor een onderwijs dat integratiegericht is. De in de wet voorziene uitzonderingen mogen nooit worden toegepast voor wat betreft het gebruik en de kennis van de Nederlandse taal. Voor wat de controle van het pedagogisch-didactisch handelen betreft gelden dezelfde voorwaarden, regels en rechten als voor andere leerkrachten.


1.4. De vrije tijd

25. Het lijkt aangewezen hier fundamentele afspraken te maken. Wij mikken op een veelvoud van kleinschalige initiatieven die gecoŲrdineerd en ondersteund moeten worden vanuit de gemeente:

26. De tot nu toe met behulp van BTK-personeel gerealiseerde buurtwerking zou moeten vervangen worden door naschoolse opvang en begeleiding, gecoŲrdineerd vanuit het migrantenmilieu;

27. Wat betreft de naschoolse activiteiten dient de toegankelijkheid van de lokale socio-culturele en sportieve verenigingen te worden vergroot.


1.5. Leven en wonen

28. Volgende maatregelen die, alhoewel zij gelden voor de gehele bevolking, van bijzonder belang zijn voor de integratiemogelijkheden van de migranten, moeten de leefbaarheid van de betrokken concentratiegebieden verhogen en vermijden dat nieuwe concentratiegebieden ontstaan:

29. Het aanbod van huurwoningen dient voor middel van privatisering en depolitisering verhoogd te worden door het omschakelen van het stelsel van sociale woningbouw en de blokkering van huurprijzen naar een stelsel van individuele huurhulp voor alle kansarmen, rekening houdend met de waarde van het goed en het inkomen van de huurder, hetgeen de kwaliteit en kwantiteit van het aanbod zal verhogen.

30. Naast het behoud van het renovatiestelsel moeten strengere normen worden opgelegd inzake de bewoning van vervallen en ongezonde panden, evenals strengere controles worden uitgevoerd om de overbevolking van pensions en logementshuizen tegen te gaan.

31. Er moet een actief stadsvernieuwingsbeleid worden uitgewerkt. Het PPS-besluit (Privaat-Publieke-Samenwerking) van 6/6/88 van de Vlaamse Executieve kan daartoe als gangmaker worden gehanteerd. Het voorziet in een samenwerking tussen de privť-sector en de overheid, waarbij tevens rekening moet worden gehouden met de sociale aspecten van een efficiŽnt stadsvernieuwingsbeleid. Dit veronderstelt voldoende groot opgezette projecten om te evolueren naar een heterogene bewoning in de gerenoveerde zones. Een premiestelsel (renovatie- of huurcompensatie) kan hieraan gekoppeld worden, waar ook de private eigenaars-verhuurders moeten van kunnen genieten. Ook moet het PPS-besluit zodanig worden aangepast dat de oorspronkelijke bevolking hier kan blijven wonen.

32. Wat de sociale woningsector betreft moeten door de huisvestingsmaatschappijen bepaalde verhoudingen worden gerespecteerd inzake bevolkingsgroepen, dit om een te hoge concentratie van migranten in sociale woonwijken te vermijden. Hiervoor kunnen drempels worden gehanteerd, afhankelijk van gemeente tot gemeente. Hiervoor kunnen ook akkoorden tussen de gemeenten worden afgesloten.

33. Teneinde de spanningen in bepaalde woongebieden te doen afnemen, de leefbaarheid in de concentratiegebieden te optimaliseren en te vermijden dat nieuwe concentratiewijken ontstaan, moeten volgende maatregelen worden genomen:

34. de sociale huisvestingsmaatschappijen dienen bij het opstellen en/of aanpassen van hun intern reglement elementaire leefregels -met effectieve sanctionering- in te bouwen, waaraan iedereen zich strikt dient te houden.

35. de organisatie van informatiecampagnes naar de migranten toe, om hen wegwijs te maken in de praktische kanten van onze leefgewoonten en cultuur, waarbij vooral aandacht zal besteed worden aan de raakpunten met hun eigen leefgewoonten en cultuur.

36. met de migrantengemeenschap dienen op plaatselijk vlak overeenkomsten gesloten te worden opdat de ramadan of andere typische uitingen van de migrantencultuur of -religie, geen stoornissen zouden veroorzaken voor de leef- en werkomgeving.

37. op lokaal niveau moet aan de functie van de wijkagent een nieuwe dimensie worden toegevoegd. Deze zou zich moeten profileren als een spilfiguur die vooral fungeert als het neutraal klankbord van de verschillende gemeenschappen in probleemwijken. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij de opleiding. Eťn en ander moet leiden tot een gelijke behandeling van alle bevolkingsgroepen om iedere vorm of zelfs indruk van positieve discriminatie uit de wereld te helpen.



2. DE IMMIGRATIESTOP


38. De immigratiestop waartoe in 1974 werd beslist, moet niet alleen worden gehandhaafd, maar dient strikt te worden toegepast, niet alleen tijdens periodes van laagconjunctuur maar ook bij schaarste op de arbeidsmarkt. De strikte toepassing van de immigratiestop houdt in dat streng moet worden opgetreden tegen de tewerkstelling van illegalen.

39. De overheid, zowel nationaal, gewestelijk als lokaal moet voor het naleven van de immigratiestop een prioritaire actie maken. D.w.z. dat de controles moeten geÔntensifieerd worden en dat de middelen om controle uit te oefenen dienen uitgebreid te worden.

40. Tegen manifeste misbruiken, zoals schijnhuwelijken en het onrechtmatig aanwenden van tenlastenemingsattesten om de immigratiestop te omzeilen, moet eveneens streng worden opgetreden. Om schijnhuwelijken tegen te gaan dienen de parketten instructies te krijgen om het bestaande wettelijk arsenaal nauwgezetter toe te passen. Tenlastenemingsattesten mogen slechts worden verleend na het bekomen door de bevoegde nationale, gewestelijke of gemeentelijke overheden, rechtstreeks van de bevoegde officiŽle instanties van het land van herkomst, van een officieel bewijsstuk dat de familieband aantoont. Evenals moet het bewijs kunnen worden geleverd van voldoende financiŽle draagkracht om die tenlasteneming op zich te nemen. De Belgische overheid moet het initiatief nemen om hiervoor, zo nodig, internationale verdragen met de betrokken landen af te sluiten.

41. Voor zover de dwingende noodzaak wordt aangetoond, kunnen verblijfsvergunningen van beperkte duur worden toegekend aan vreemdelingen die in het kader van contracten van beperkte duur en voor specifieke opdrachten worden aangeworven. In deze contracten moet worden opgenomen dat de migrant zich verbindt het land te verlaten bij beŽindiging van de specifieke opdracht.



3. DE TERUGKEER NAAR HET LAND VAN HERKOMST


42. Het is onjuist de terugkeer naar het land van herkomst als dť oplossing voor gans het migrantenprobleem voor te stellen. Het uitgangspunt is de blijvende aanwezigheid van een migrantenpopulatie die als een gegeven dient te worden aanvaard. Wel kan de bevordering van de terugkeer een belangrijke bijdrage leveren tot het beheersen van het migrantenprobleem. Migranten die zich niet wensen te integreren of hier een onvoldoende bestaanszekerheid opbouwen, kunnen ertoe worden aangezet terug te keren door hun een geloofwaardige mogelijkheid tot reÔntegratie te bieden. Dit veronderstelt een totaal andere aanpak dan die van het Koninkrijk Besluit van 17 juli 1985 betreffende de herintegratiepremie voor personen van vreemde nationaliteit. Naar Duits voorbeeld dient een samenhangend reÔntegratiebeleid te worden gevoerd. Het voeren van zulk een samenhangend reÔntegratiebeleid kan wel degelijk efficiŽnt en aantrekkelijk zijn, zoals bewezen is in de Bondsrepubliek Duitsland. Daar keerden in 1984 250.000 migranten terug naar hun land in het kader van een wet met een geldigheidsduur van tien maanden. De kostprijs van dit reÔntegratiebeleid zal in de mate van het mogelijke verhaald worden op de begroting van Ontwikkelingssamenwerking.

43. Voorgesteld wordt ook in BelgiŽ een reÔntegratiepremie in te voeren die door de betrokken migrant voor zijn gezin als terugkeerpremie kan worden aangevraagd, ten belope van een bedrag van 400.000 F, aangevuld met 40.000 F per kind-ten-laste. Deze maatregel zou een beperkte geldingsduur hebben van ťťn jaar en moet gekoppeld worden aan een intensieve informatiecampagne.

44. Aan iedere vreemdeling die sedert meer dan zes maanden volledig werkloos is, wordt eveneens automatisch het voorstel gedaan gebruik te maken van deze reÔntegratiepremie. Indien van de geboden mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt binnen de eerstvolgende zes maanden, wordt de reÔntegratiepremie gedurende een nieuwe periode van zes maanden aangeboden, weliswaar voor een vermindering van de premie ten bedrage van 1/3 van het totaal. Indien terug van het aanbod geen gebruik wordt gemaakt, valt de betrokkene onder art. 137 en/of art. 143 van het K.B. van 20.12.1963 betreffende de arbeidsvoorziening en werkloosheid, dat onmiddellijk wordt toegepast.

45. Om niet alleen de terugkeer, naar, maar ook de aankomst in het land van herkomst optimaal te laten verlopen, wordt de migrant een formule verschaft om hier de financiering van zijn toekomstige woning in zijn land van herkomst te starten. De migrant kan hier een goedkoop bouwleningscontract afsluiten voor een maximumbedrag, dat de gemiddelde prijs is van een woning in het land van herkomst. Het contract moet worden afgesloten tijdens de vijfjarige geldingsduur van deze maatregelen en de titularis moet binnen vijf jaar vanaf de datum van het afsluiten van het contract naar zijn land terugkeren. Dit veronderstelt bilaterale overeenkomsten tussen de spaarkassen van de betrokken landen, teneinde de afbetalingsmodaliteiten te regelen.

46. Verder dient een herintegratiehulp in het land van oorsprong te worden opgezet. Modelprojecten voor de tewerkstelling van de teruggekeerde migranten kunnen worden opgestart met de logistieke steun van het gewezen gastland, bvb. in het hotelwezen, waar een migrant beroep kan doen op zijn multiculturele ervaring, of in de bouwsector, waar de know how van hier kan worden toegepast door de gewezen migrant. Dit alles mede in het kader van de ontwikkelingssamenwerking met zijn land. Voor teruggekeerde jongeren kunnen onderwijsprojecten worden opgezet, meet jonge leerkrachten van hier die ginds een ook voor hen interessante stage kunnen lopen.

47. De terugkeeroptie is het sluitstuk van het herintegratiebeleid. In Duitsland geldt deze wettelijke mogelijkheid beperkend voor jonge migranten, die, na de leeftijd van 15 jaar, verplicht waren met hun ouders terug te keren, maar zich beter kunnen en willen aanpassen in het gastland, dat in feite hun geboorteland is. De maximumleeftijd hiervoor is 18 jaar op het ogenblik van de aankomst in het land van oorsprong (van de ouders) en de terugkeer naar het gastland dient binnen de twee jaar te gebeuren. Belangrijk is dat de nodige bewijzen zijn vereist dat de jongere in zijn opvang kan voorzien. Minderjarigen onder de 15 jaar kunnen terugkeren als zij minder dan 5 jaar in het land van herkomst hebben verbleven. Een analoog voorstel, aangepast aan onze wetgeving, moet worden uitgewerkt.



4. DE UITWIJZING IN SPECIFIEKE GEVALLEN



48. De uitwijzing van vreemdelingen moet in volgende gevallen strikt worden toegepast:

49. De uitwijzing van illegaal in ons land verblijvende vreemdelingen. De huidige administratieve procedure, waarbij de dienst vreemdelingenzaken van het Ministerie van Justitie de illegaal in het land verblijvende vreemdeling uitwijst bij ministerieel besluit, dient efficiŽnter, sneller en vooral effectiever te worden toegepast. Hiertoe moeten de middelen en het personeelsbestand van de Dienst Vreemdelingenzaken met 30% worden uitgebreid, via herschikkingen binnen de algemene begroting.

50. De uitwijzing na bepaalde misdrijven. De strafrechter moet de mogelijkheid krijgen om bij misdaden of bij met misdaden gelijkgestelde wanbedrijven of opzettelijke wanbedrijven, in bende uitgevoerd, of bij herhaling gepleegd, na tenuitvoerlegging van de hoofdstraf, de uitwijzing uit te spreken als een afzonderlijke, al dan niet bijkomende sanctie. Deze maatregel moet ingevoerd worden na artikel 44 e.v. van het Strafwetboek. De uitwijzing wordt dus een onderdeel van de strafmaat, waarbij de huidige administratieve procedure vervangen wordt door een strafrechterlijke.



5. DE NATURALISATIE


51. Zulks houdt in dat onze naturalisatienormen moeten aangepast worden.

52. Als eerste bijkomende norm wordt gesteld het voorleggen van een bewijs dat men in staat is om in zijn onderhoud te voorzien. Dit kan blijken uit een arbeidscontract van onbeperkte duur. Voor specifieke sectoren waar de arbeid wordt georganiseerd op basis van contracten van beperkte duur, is het voorleggen van een bewijs van regelmatige beroepsactiviteit over een periode van drie jaar vereist. Zelfstandigen moeten het bewijs kunnen leveren van hun activiteit. De beroepskaart, arbeidsvergunning, huur of handelsovereenkomsten, inschrijving in het handelsregister zijn elementen om dit aan te tonen.

53. Op lokaal niveau is het de taak van de plaatselijke politiediensten met behulp van een sociale dienst (toegevoegd aan de provinciegouverneur of arrondissementscommissaris) een moraliteitsverslag op te stellen, waaruit de integratiewil van de aanvrager moet blijken. In dit zelfde verslag dient ook te worden gerapporteerd of de betrokkene het gebruik van ťťn van de landstalen beheerst, als element voor het beoordelen van de wil tot integratie.

53bis. De naturalisatieprocedures moeten efficiŽnter worden afgehandeld.



6. STEMRECHT OF ĖPLICHT


54. Het stemrecht, zowel nationaal, gewestelijk, provinciaal als gemeentelijk blijft expliciet voorbehouden aan ingezetenen met de Belgische nationaliteit of mogelijks aan E.G.-onderdanen, in het kader van een toekomstige Europese wetgeving. Migranten die toch in BelgiŽ willen stemmen moeten beroep doen op de naturalisatieprocedure, waardoor ze zowel de rechten als de plichten van de Belgen verkrijgen.



7. DE TOEGANG TOT HET OPENBAAR AMBT


55. Het wetsvoorstel nr. 100-11/2į (1988-1989), neergelegd in de Senaat, houdende herziening van artikel 6, 2e lid, 2e zinsdeel van de Grondwet, dat een wettelijke opening biedt om alle vreemdelingen in "betrekkingen in overheidsdienst" toe te laten, is onaanvaardbaar. De toegang tot overheidsambten, zwoel nationaal, gewestelijk, provinciaal als gemeentelijk, dient expliciet voorbehouden te blijven aan ingezetenen met de Belgische nationaliteit of aan E.G.-onderdanen, op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie.



VLUCHTELINGENBELEID


56. Hierbij moet vooreerst een bijdrage worden geleverd tot het wegnemen van de oorzaken van de groei van het aantal vluchtelingen en asielzoekers. Aldus dient de Belgische ontwikkelingssamenwerking projecten te steunen die bijdragen tot de verbetering van de eerbiediging van de mensenrechten en van de levensvoorwaarden in de betrokken landen.

57. Naast het voeren van een actief mensenrechtenbeleid op het internationale vlak, dient BelgiŽ ook op passende wijze bij te dragen tot de begroting van het VN-Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen om de opvang van vluchtelingen in hun eigen regio te bevorderen. Vermits deze opvang niet steeds mogelijk is, moet BelgiŽ in het kader van de internationale solidariteit zijn deel ten laste nemen door de jaarlijkse opvang van een bepaald contingent vluchtelingen.

58. De wet moet worden aangepast als volgt:

59. Een versnelling van de procedure moet worden bereikt door een vereenvoudiging ervan, maar vooral door het ter beschikking stellen van voldoende personeel, zoals eerder gesteld op de Dienst Vreemdelingenzaken van het Ministerie van Justitie en in het bijzonder op het nieuw opgerichte Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen, waar, via een spoedprocedure onmiddellijk minstens een tiental juristen dienen aangeworven te worden. Dit moet eveneens gebeuren door een interne herschikking van de algehele begroting.

60 De procedure kan worden vereenvoudigd door de beslissingsbevoegdheid inzake de ontvankelijkheid van de asielaanvragen toe te vertrouwen, in eerste aanleg, aan de Dienst Vreemdelingenzaken en in beroep aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen. Tevens moeten de Kamers van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen in de mogelijkheid worden gesteld om vaker te kunnen zetelen en om onontvankelijk en kennelijk ongegronde beroepen bijzonder snel te kunnen afhandelen.

61. Een versnelde procedure en het inrichten van voldoende behoorlijke opvangcentra voor de kandidaat-vluchtelingen moet het mogelijk maken alleen erkende vluchtelingen over de gemeenten te spreiden.

62. Zoals dit ook geldt voor andere illegale vreemdelingen, moeten de definitief geweigerde asielzoekers effectief uit het land worden gezet. Een grotere waakzaamheid van de politie en de dienst vreemdelingenzaken, die daartoe de nodige middelen moeten krijgen, is hierbij geboden. Wanneer geen gevolg wordt gegeven aan een bevelschrift om het grondgebied binnen een redelijke termijn te verlaten, moet de illegale vreemdeling naar zijn land van herkomst worden gebracht.

top