www.liberaalarchief.be
CONGRES VAN DE PARTIJ VOOR VRIJHEID EN VOORUITGANG
OOSTENDE, 5-6 mei 1990
KIEZEN OF VERLIEZEN - HET PVV-MILIEUBELEIDSPLAN 1990-2010
CONGRESRESOLUTIES


DEEL I NAAR EEN LIBERAAL ECOLOGISCH HERSTELBELEID




HOOFDSTUK I

EEN LIBERALE VISIE OP DE RELATIE TUSSEN ECONOMIE EN ECOLOGIE


1. Inleiding

De leefomgeving is ťťn van de factoren die mee de kwaliteit van het leven bepalen, naast andere zoals de economische welvaart en de mogelijkheden voor sociaal-culturele ontplooiing. Het bereikte welvaartspeil in de industrielanden leidde er in de laatste decennia toe dat de burger zijn aandacht meer en meer ging richten op de niet-materiŽle kanten van de welvaart, in de eerste plaats op de vrijetijdsbesteding, allerlei vormen van cultuur, en ook op de kwaliteit van zijn leefomgeving, het leefmilieu.

Alhoewel sinds enkele decennia een uitgebreide milieuwetgeving werd op poten gezet, is de toestand er inmiddels niet op verbeterd. Elke dag opnieuw worden we geconfronteerd met een voortdurende stroom aan berichtgeving over de invloed van het broeikaseffect, de zure neerslag, de vervuiling van water, lucht en bodem, de lawaaihinder, het uitsterven van dier- en plantensoorten, het verdwijnende Amazonewoud, Ö Recente bevindingen tonen daarbij aan dat niet alleen het milieu op zich in gevaar is, maar dat uiteindelijk ook de gezondheid van de mens zelf in het gedrang komt.

Ondanks het vele wetgevende werk, de talloze wettelijke voorschriften en het steeds verdergaande overheidsingrijpen terzake is de balans ronduit negatief. De conclusies van het Sobemaprapport inzake de toestand van de Vlaamse oppervlaktewateren is daarvan een verpletterend voorbeeld.

De oorzaken van het falen van de traditionele aanpak zijn bekend. In de eerste plaats is een gecentraliseerde bureaucratie zoals de overheid geen alwetende godheid. De kennis die nodig is om een rationeel en efficiŽnt milieubeheer te voeren, omvat een zo omvangrijk en wisselend geheel van gegevens, dat de overheid nooit in staat zal zijn deze allemaal te centraliseren en in een beleid te vertalen. In de tweede plaats is de overheidsadministratie geen wezen dat zich kan beroepen op een strikte objectiviteit. Het beleid van de overheid wordt immers niet bepaald door objectieve criteria, maar door politieke spelregels. Het beleid is dus een weerspiegeling van de invloed van de verschillende drukkingsgroepen, van geven en nemen, van compromissen. De uitvoering ervan wordt tevens doorkruist door de concurrentie tussen diverse administraties en diensten, wat de efficiŽntie van het beleid ook al niet ten goede komt.

De bureaucratische aanpak werkt bovendien concurrentieverstorend en botst daardoor regelmatig met de eisen van een open markteconomie. Niet elk bedrijf kan zich een uitgebreide milieustaf veroorloven om wegwijs te raken in de doolhof van milieureglementeringen. Administratieve procedures houden machtsposities in stand omdat via lobbywerk de reglementeringen die de overheid uitvaardigt, worden afgestemd op de behoeftes van de sterkste bedrijven. Een gevolg daarvan is dat vele reglementeringen louter gericht zijn op een stabilisatie of slechts een beperkte vermindering van de bestaande emissies, zodat ze geen stimulans betekenen voor een verdere terugdringing van de vervuiling of voor de invoering van technologische innovaties in het productieproces.

De politieke verantwoordelijken voor het milieubeleid vonden in de opeenvolgende staatshervormingen een dankbaar excuus om het gebrek aan een gecoŲrdineerd beleid te rechtvaardigen en te camoufleren. Een overhaast opgestelde en sectorieel opgedeelde milieuwetgeving leidde tot een wildgroei aan regelgeving, tal van bevoegdheidsconflicten en een sterke toename van het ingrijpen van de uitvoerende macht.

Bij dit alles wordt het bovendien meer en meer duidelijk dat milieuproblemen en de daaruit voortvloeiende kosten een economisch gegeven zijn. Het oplossen van de milieuproblemen zal dus geld, veel geld kosten. Alleen al de huidige begrotingsproblemen zullen het dus voor de overheid onmogelijk maken om de tot nu toe gevoerde aanpak zomaar verder te zetten.

De kosten van het milieubeleid zullen echter ook niet kunnen betaald worden indien men, zoals sommigen beogen, de economische activiteiten aan banden wil leggen. In de eerste plaats zou het terugschroeven van de economische groei de druk op het milieu misschien wel verlagen, maar in elk geval niet teniet doen. Deze druk kan maar fundamenteel verminderd worden indien de productie zelf milieuvriendelijker wordt, d.w.z. indien de hoeveelheid vervuiling per eenheid van productie wordt verminderd en indien de productie zodanig wordt georiŽnteerd dat ze de reproductie van milieugoederen (hernieuwbare grondstoffen) toelaat. Dit zal echter meer investeringen, en dus economische groei vereisen.

In de tweede plaats is een oplossing van de problemen van de Derde Wereld onmogelijk zonder economische groei. Het alternatief zou immers zijn dat we de ontwikkeling van deze landen op een of andere manier onmogelijk maken.

De visie dat de economische groei en ecologische ontwikkeling niet los te koppelen zijn, werd trouwens overtuigend geargumenteerd in het Brundlandt-rapport van de Verenigde Naties. De economische groei moet, in de visie van de stellers van dit rapport, zodanig worden opgevat dat de voorraad milieugoederen niet aangetast wordt, aangezien dit op termijn elke economische ontwikkeling zou onmogelijk maken. Anderzijds moet de economische groei ook de financiŽle middelen verstrekken om het behoud van de milieugoederen mogelijk te maken.

Deze twee vaststellingen, nl. dat enerzijds de bureaucratische aanpak van de milieuproblemen gefaald heeft en dat anderzijds een evenwicht moet worden nagestreefd tussen economische groei en ecologische ontwikkeling, vormen het uitgangspunt van de liberale visie op een efficiŽnt en economisch verantwoord milieubeleid.

De PVV is inderdaad van mening dat de bescherming van onze leefomgeving op een andere manier moet worden aangepakt. Men heeft te lang gedacht dat het invoeren van allerlei overheidsinstellingen, normeringen en heffingen de oplossing zou kunnen bieden. De resultaten van dit beleid bewijzen het tegendeel. Het is dan ook duidelijk dat, wil men tot een ernstig milieubeleid komen, de zaken over een andere boeg moeten gegooid worden, in de richting van een grotere eigen verantwoordelijkheid.

Tot nu toe heeft men inderdaad vooral gewerkt langs overheidsoptreden waarbij de verantwoordelijkheid werd beperkt tot het halen van bepaalde normen, zonder dat men zelf belang had bij het daadwerkelijk bereiken van deze normen. Er was nauwelijks een motivering om ze te bereiken, en zeker geen stimulans om verder te gaan. Anderzijds werden deze normen bijna uitsluitend naar de industrie toe gesteld en werd de doorsnee-burger er op geen enkele manier - enkele informatiecampagnes daar gelaten - toe aangezet zijn consumptie aan te passen. Hij of zij had daar trouwens ook geen persoonlijk belang bij. Het verzoenen van economie en ecologie vereist daarentegen dat elkeen er wel belang bij heeft om zo weinig mogelijk te vervuilen.

Zoín aanpak van de milieuproblematiek veronderstelt dus dat men maximaal het marktmechanisme laat spelen, dat op andere terreinen bewezen heeft dat het zorgt voor de meest efficiŽnte aanwending van de beschikbare middelen en een stimulans is voor het creatief zoeken naar steeds betere oplossingen.

De rol van de overheid bij dit alles moet zich toespitsen op het bepalen van de doelstellingen en het scheppen van een aangepaste omgeving, een omgeving die erop gericht is het marktmechanisme zo vlot mogelijk te laten spelen, eventuele verstoringen ervan weg te werken en stimulansen te geven om de maatschappij in een milieubewuste richting te laten evolueren. In verband met het milieu wordt immers nogal wat afgepraat over "bewustmaking" van de burger. Welnu, hoe kan men de mensen beter bewust maken dan door er via het prijsmechanisme voor te zorgen dat hun minder vervuilend consumptiepatroon wordt beloond? Bovendien zullen hierdoor ook diegenen die weigeren "bewustgemaakt" te worden, toch gestimuleerd worden om voor de milieuvriendelijkste alternatieven te opteren.

Het is immers belangrijk vast te stellen dat milieugoederen een economische waarde hebben, die ook stijgt naarmate ze schaarser worden. Dat hier tot op heden geen rekening mee gehouden wordt, is een gevolg van de klassieke visie van het ius communis, die stelde dat bvb. lucht en water van iedereen, en dus van niemand waren. Iedereen kon er dus vrij gebruik van maken. Dit gold in feite ook ten aanzien van de bodem, in de zin dat de negatieve invloed die uitging van bodemvervuiling niet als negatief werd beschouwd, behalve in geval van ernstige verstoringen van aangrenzende eigendommen. In bepaalde gevallen werd en wordt dit door de overheid zelfs aangemoedigd of verplicht. Zo zijn de Polders als overheidsinstelling verplicht grondwater op te pompen in functie van de landbouwproductie, ongeacht het feit dat hierdoor de eigendommen van anderen (bvb. aangrenzende natuurgebieden) worden geschaad.

Volgens het marktmechanisme moeten alle kosten betrokken worden in de berekening van de marktprijs van een goed. Het leefmilieu wordt dan automatisch beschermd doordat de aantasting van milieugoederen een kostprijs meebrengt. Naarmate er meer aantasting van milieugoederen komt, worden deze schaarser en stijgt ook de ermee samenhangende kostprijs. Dergelijk proces wordt echter verstoord door "externe factoren", waarmee factoren bedoeld worden die het leefmilieu wel beÔnvloeden maar niet in de prijs worden opgenomen. Deze externe factoren kunnen zowel positief als negatief zijn: negatief wanneer wel alle opbrengsten, maar niet alle kosten gaan naar degene die de activiteit onderneemt. Dit is bv. het geval wanneer bij de productie van een goed, stoffen in het milieu (bijvoorbeeld zware metalen uit kunstmest in bodem en water) terechtkomen. De producent krijgt dan wel alle baten van zijn activiteit, maar draait niet op voor de milieukosten. Van positieve externe factoren is sprake wanneer iemand wel alle kosten draagt, maar niet alle opbrengsten int. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer iemand met het gemeenschappelijk vervoer i.p.v. met zijn auto naar het werk gaat. Door zijn auto thuis te laten, draagt hij bij tot een schoner milieu voor iedereen, maar draagt hij toch wel heel wat kosten (minder comfort, gebonden aan bepaalde tijdstippen, tijdverlies, Ö).

Vele milieuvraagstukken zijn tot dergelijke problemen te herleiden. Het komt er bijgevolg voor de overheid, wil ze economie en ecologie op elkaar afstemmen, op aan een omgeving te creŽren waarbij deze externe factoren die het milieu beÔnvloeden, geÔntegreerd worden in het normaal economisch proces. Een efficiŽnt werkende economie vereist immers dat zowel alle kosten als alle opbrengsten van een activiteit ten goede komen van degene die de activiteit onderneemt. Hierbij maakt elke zogenaamde economische agent voor zichzelf een kosten-batenanalyse op van zijn activiteiten.

De overheid moet bijgevolg de nodige technieken ontwikkelen opdat de milieukosten (dus de vervuiling of aantasting van het milieu) en Ėbaten weerspiegeld worden in de marktprijs van een product. Dit is de juiste betekenis van het beginsel "de vervuiler betaalt".



2. Een liberaal milieubeleid: instrumenten

Een liberale milieupolitiek zal er dus in hoofdzaak op gericht zijn de kosten en de baten die verbonden zijn aan deze externe milieu-beÔnvloedende factoren, in de prijs door te berekenen. Producenten en consumenten worden er alzo toe aangezet milieuvriendelijk te handelen vermits ze er rechtstreeks belang bij hebben te kiezen voor de oplossingen die het milieu ten goede komen. De volgende principes en technieken dienen daartoe te worden gehanteerd:

1. De overheid moet het kader, de algemene doelstellingen vastleggen waaraan de kwaliteit van de leefomgeving nu en in de komende decennia dient te voldoen. Het moet hierbij gaan om klare en duidelijke normen. Ondernemingen kunnen immers onmogelijk in zuivering of procestechnische emissiebeperkingen investeren, indien de normen vaag zijn, binnen de gestelde termijnen niet haalbaar zijn of voortdurend wisselen. De normen die moeten worden nagestreefd, mogen gerust worden verstrengd, maar dan wel in een gefaseerd tijdsperspectief, zodat de bedrijven weten wat ze wanneer moeten bereiken, en hun investeringsbeleid - dat in tegenstelling tot het overheidsbeleid op lange termijn wordt gepland - hierop kunnen afstemmen.

In dit verband kan in welbepaalde gevallen ook een systeem van verhandelbare emissierechten worden gehanteerd. De overheid legt hierbij een vervuilingsnorm op voor een bepaald gebied. Aan de er gevestigde bedrijven wordt zelf overgelaten om uit te maken wie welke bijdragen levert aan het terugdringen van de vervuiling. Wanneer in het gebied het vastgelegd niveau van vervuiling is bereikt, kan een bedrijf zich er niet vestigen of uitbreiden indien deze activiteit gepaard gaat met een verhoging van de totale emissie aan vervuilende stoffen. Indien een bedrijf hier toch toe wil overgaan, zal het met de andere bedrijven uit het gebied moeten onderhandelen en hen een prijs betalen opdat zij hun emissie zouden beperken. Op die manier krijgt de vervuilende activiteit een prijs en ontstaat er een markt van "emissierechten". Wanneer de prijs van een "emissieaandeel" hoog is, kan het voor een onderneming interessant zijn om aandelen te verkopen en de opbrengst te investeren in een milieuvriendelijker productieprocedť. Het voordeel van dit systeem is dat geen rigide reglementering per bedrijf, wel een streng objectief per gebied nodig is, en dat de bedrijven een grote mate van vrijheid wordt gelaten over het hoe en wanneer van hun milieu-investeringen. Het is tevens een belangrijke aanzet tot technologische vernieuwingen. In de VS zijn een aantal succesvolle experimenten met deze techniek uitgeprobeerd. Voor wat de toepasbaarheid van dit instrument in Vlaanderen aangaat, zullen een aantal randvoorwaarden nog nader moeten onderzocht worden. De kleine oppervlakte van Vlaanderen vergroot immers het relatieve aandeel van grensoverschrijvende vervuiling. Hetzelfde probleem wordt gesteld door de grote bevolkingsdichtheid, waarbij vele kleine vervuilingen (bv. vanwege het verkeer) samen een grote invloed hebben. Voor bepaalde vervuilingsvormen, zoals industriŽle lozingen op riool, is dit systeem nochtans onmiddellijk toepasbaar.

2. Wanneer het gaat om vervuiling waarvan het aandeel van de individuele vervuilers meetbaar is en waarbij technieken voor het terugdringen ervan bestaan, moeten de burgers en de bedrijven zelf instaan voor het wegwerken van de vervuiling en de aantasting van het leefmilieu die ze veroorzaken. M.a.w. alle kosten die moeten gemaakt worden om de doelstellingen te halen die de overheid inzake de kwaliteit van het leefmilieu heeft gesteld, moeten in verhouding tot hun bijdrage aan de vervuiling, gedragen worden door de producenten en de consumenten zelf. Zij kunnen dit doen door zelf de noodzakelijke inspanningen op te brengen en te investeren of tegen betaling deze diensten te laten uitvoeren. Voor deze diensten (waaronder bv. ook de verzekering voor de objectieve aansprakelijkheid voor milieuschade) kan best een beroep worden gedaan op de private sector. Deze werkt immers efficiŽnter, terwijl de overheid niet is uitgerust - noch financieel, noch qua know-how - om dit te dragen. Tenslotte is er geen enkele reden waarom de overheid - en dus de belastingbetaler - hiervoor zou moeten opdraaien. Het inschakelen van de private sector kan trouwens ook worden toegepast bij een aantal positieve milieueffecten die op de markt niet kunnen ten gelde gemaakt worden. Men kan tegen betaling personen of instellingen activiteiten laten verrichten die het milieu ten goede komen, terwijl ze hier nochtans zelf eerder kosten dan baten aan overhouden. Men kan bv. denken aan milieuverenigingen die i.p.v. subsidies te krijgen, een vergoeding ontvangen om een natuurgebied te onderhouden, waarbij de positieve effecten ook de maatschappij in het algemeen ten goede komen.

3. Wanneer het ofwel moeilijk, ofwel slechts tegen zeer hoge kosten, ofwel onmogelijk is uit te maken wie in welke mate precies voor de vervuiling verantwoordelijk is, moet langs de fiscaliteit om het gebruik worden gestimuleerd van de technieken die tegen deze aantasting van het milieu kunnen worden ingezet. Meer bepaald moet langs het differentiŽren van de verbruiksbelasting het gebruik van de minst schadelijke producten en productiewijzen worden bevorderd. En opdat deze stimulans effectief zou zijn, moet het prijsverschil uiteraard voldoende groot zijn, zoadat de consument een merkbaar voordeel verkrijgt. De negatieve gevolgen voor het milieu van de meer vervuilende producten worden daardoor toch in de prijs van het betrokken product weerspiegeld, doordat de minder vervuilende producten goedkoper zullen worden.

In dezelfde zin moeten de bedrijven gestimuleerd worden om hun productieprocessen milieuvriendelijker te maken. Dit dient in de eerste plaats te worden bevorderd door een verhoogde investeringsaftrek te voorzien voor investeringen die de milieukwaliteit ten goede komen. Deze verhoogde investeringsaftrek houdt in dat het basispercentage van de investeringsaftrek (zijnde het indexcijfer verhoogd met 1,5 percentpunten met een minimum van 3,5 en een maximum van 10,5 %) wordt verhoogd met 10 percentpunten ingeval de nieuw gebruikte activa een gunstig effect hebben op het leefmilieu. Bij het toekennen van deze verhoogde investeringsaftrek zal er dan ook nauwgezet op moeten gelet worden wat men precies wil stimuleren om niet te vervallen in een systeem van een algemene investeringspremie.

4. Ten aanzien van de milieuvervuiling, die wel individueel meetbaar is maar waarvoor de verwerkingstechnieken nog niet op punt staan, zijn bovenstaande maatregelen niet toepasselijk. Hier moet er naar gestreefd worden de hoeveelheid zelf van deze afvalstoffen te beperken, tegelijkertijd met het zoeken naar nieuwe technieken van verwerking. Dit dient te gebeuren door ťn de producenten van dit afval de kosten van opslag of storten te laten betalen, ťn een milieuheffing in te stellen, waarvan men echter wordt vrijgesteld indien men een even groot bedrag investeert in onderzoek naar nieuwe verwerkingstechnieken. Dit geldt voor de mestoverschotten die men bijvoorbeeld niet kwijt kan bij een mestbank, voor sommige industriŽle afvalstoffen of voor radioactief afval. Op termijn zullen de afvalproducenten door deze heffing dus gestimuleerd worden om schonere technologieŽn en producten te ontwikkelen. Wel moeten deze heffingen steeds lineair zijn.

Voor bepaalde soorten afval kan ook naar de consument toe een dergelijk systeem, waarvan vrijstelling mogelijk is, worden toegepast door middel van het zogenaamd statiegeld. Het statiegeld op bepaalde producten bestaat o.m. in een aantal VS-staten (glas) en Zweden (blikverpakking van drank). Het principe is dat een statiegeld wordt geheven op een potentieel vervuilende stof. Het wordt terugbetaald bij verantwoorde verwerking of inlevering van het betrokken product. Deze techniek heeft het grote voordeel dat hij een sterk emissiereducerend effect heeft.

Deze vier technieken zullen voor de vervuilers (bedrijven zowel als verbruikers) een stimulans zijn om te komen tot een steeds verdergaande vermindering van de vervuiling. Zowel voor de overheid als voor de bedrijven laten ze toe op een soepeler manier te werken. Van de overheid vragen ze minder interventionisme. Bedrijven krijgen meer autonomie om te bepalen op welke manier ze hun emissies willen reduceren en aanpassingen willen doorvoeren. Ze zullen daarenboven aangezet worden verspilling van grondstoffen tegen te gaan en efficiŽnter te produceren door bvb. een milieu-accountancy of een mineralenboekhouding op te zetten.

Een ander voordeel van deze maatregelen is dat ze tegemoetkomen aan de nood aan een grotere eigen verantwoordelijkheid en dat ze voor de overheden budgettair minder zwaar wegen dan een rechtstreeks optreden van de overheid. Op termijn treden gunstige neveneffecten op in de vorm van een bredere markt van milieutechnologie en -dienstverlening en van geringere uitgaven voor het opruimen van de vervuiling.

BelgiŽ zou terzake op Europees vlak een belangrijke voortrekkersrol kunnen spelen, die ook voor de eigen economie voordeel oplevert in de vorm van de ontwikkeling van een milieutechnologie, die dan in een tweede fase kan geŽxporteerd worden.

Het nadeel van de milieupolitiek is dikwijls dat de gehanteerde instrumenten een rechtstreekse invloed hebben op de kosten van het productieproces en dus van de geproduceerde goederen, hetgeen een weerslag kan hebben op de internationale concurrentiepositie van bedrijven of ondernemingen. Dergelijke negatieve effecten worden met de door ons voorgestelde maatregelen getemperd doordat via fiscale stimulansen wordt gewerkt, waardoor de gemaakte kosten niet volledig worden afgewenteld op het productieproces.

Niettemin blijft het noodzakelijk dat de Europese Gemeenschap zorgt voor de nodige uniformiteit om concurrentieverstoring tegen te gaan. Het vastleggen van EG-milieukwaliteitsnormen en het effectief invoeren van economische instrumenten door de EG-landen zal daarom in de toekomst een essentiŽle factor zijn in het verzoenen van economie en ecologie.





HOOFDSTUK II

ANALYSE VAN DE PROBLEMEN INZAKE MILIEU EN NATUUR


1. MilieuhygiŽne

In de milieuanalyserapporten in bijlage wordt omstandig ingegaan op de invloed van diverse contaminanten op de verschillende delen van onze leefomgeving (lucht, water, bodem, geluid, Ö). Deze milieu-invloeden zijn echter ook onderling verbonden zodat de effecten van de vervuiling op diverse schaalniveaus inwerken. Deze effecten worden volgens hun aard en karakteristieken dikwijls onder negen thema's geklasseerd, de zgn. negen "V's":

1.1. Verandering van klimaat Op het mondiaal niveau dreigt de milieuvervuiling te leiden tot een ingrijpende wijziging in het klimaat. In de eerste plaats gebeurt dit door het zgn. broeikaseffect: door de verhoogde concentratie van koolstofdioxide (CO2), distikstofoxide (N2O) en methaan (CH4) in de atmosfeer worden de zonnestralen door het aardoppervlak minder teruggekaatst, wat leidt tot een temperatuurstijging.

De emissie van koolstofdioxide is in hoofdzaak afkomstig van de verbranding van fossiele brandstoffen (aardolie, aardgas, hout, steenkool). De totale uitstoot van CO2 in Vlaanderen wordt op 72 miljoen ton/jaar geraamd (1988). 35% hiervan is afkomstig van de industrie, 28% komt van huishoudens en tertiaire sector (gebouwenverwarming), verkeer en elektriciteitscentrales nemen elk 18% voor hun rekening.

Het tweede broeikasgas, distikstofoxide, wordt gevormd bij de verbranding van fossiele brandstoffen. De totale uitstoot van stikstofoxiden in Vlaanderen bedroeg in 1988 173.000 ton. Het leeuwendeel hiervan, nl. 63% is afkomstig van het wegverkeer; de rest komt van elektrische centrales, industrie en gebouwenverwarming. Methaan ten slotte komt vrij bij blootstelling van dierlijke mest aan de lucht.

Wat de impact van het broeikaseffect aangaat, wordt volgens Nederlandse berekeningen aangenomen dat de gemiddelde temperatuur tegen 2050 zou stijgen met 1,5 ŗ 4,5 įC. Hierbij moet worden opgemerkt dat het minimalistische scenario (1,5 įC) overeenkomt met zeer stringente ingrepen (of een totaal stilgevallen wereldeconomie). Het maximalistische (4,5 įC) scenario houdt in dat de huidige evoluties gewoon verder aanhouden.

De bestaande klimaatmodellen geven geen gedetailleerde informatie over de precieze spreiding van deze temperatuurstijging over de aardbol. Nochtans wordt aangenomen dat deze stijging in de mediterrane gebieden ca. 50%, en in de noordelijke streken zelfs 100 ŗ 300 % boven het wereldgemiddelde zou liggen.

De economische consequenties van de opwarming lopen sterk uiteen: In Noord-Europa zou dit gunstige effecten kunnen hebben op land- en bosbouw. In meer zuidelijker streken worden langere droogteperiodes, watertekorten en een uitbreiding van de woestijnvorming voorspeld. Voor de bergstreken wordt verwacht dat in de loop van volgende eeuw de meeste gletsjers zouden afsmelten. Het meest spectaculaire gevolg van de temperatuurstijging is echter de stijging van de zeespiegel. De voorspellingen over de omvang van dit fenomeen variŽren. Volgens Nederlandse berekeningen heeft de stijging van de gemiddelde temperatuur met 1 įC sinds 1900 een stijging van de zeespiegel met 7 cm veroorzaakt. Naar 2100 toe zijn de respectieve prognoses een temperatuurstijging van 1,5 ŗ 8,1 įC en een zeespiegelstijging van 24 ŗ 70 centimeter. Deze stijging komt bovenop de bestaande trend van 15-20 cm/eeuw (ondergang van glaciaal naar warm tijdperk).

De stijging van de zeespiegel zal in kust- en laaglandgebieden gevolgen hebben op het vlak van een toegenomen erosie, zoutindustrie en grotere overstromingsrisico's. Een tweede oorzaak van de verwachte klimaatsverandering is de aantasting van de ozonlaag in de stratosfeer. De oorsprong hiervan is in hoofdzaak de uitstoot van Chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK's) en in mindere mate Broomfluorkoolwaterstoffen (halonen). Door chemische reacties wordt de ozonlaag afgebroken, wat aanleiding geeft tot de zgn. "gaten" in de ozonlaag. CFK's worden vooral gebruikt in koelinstallaties, als drijfgas in spuitbussen en bij de productie van schuimplastics. Halonen worden toegepast als blusmiddel.

De globale productie van CFK's lijkt in de laatste jaren gestabiliseerd te zijn als gevolg van een verminderde toepassing in spuitbussen. Het gebruik voor andere toepassingen neemt evenwel toe. Uit metingen van de NASA is gebleken dat in het noordelijk halfrond de afname van de ozonkolom in de periode 1969-1986 1,7 ŗ 3% bedroeg. In de winterperiodes was deze echter groter. Voor de periode 1979-1986 werd tussen de 53į NB en de 53į ZB een afname van 2,5% geregistreerd, die echter mee beÔnvloed is door variaties in de zonne-activiteit. De ozonafbraak situeert zich vooral rond de Zuidpool, waarbij een jaarlijkse vergroting van het "gat" Ė dat zich momenteel uitstrekt tot de zuidpunt van het Amerikaanse continent en de buurt van AustraliŽ. In 1987 werd hier een afname met 95% op een hoogte van 15-20 kilometer vastgesteld.

De ozon is de stratosfeer staat in voor het filteren van het zonlicht, meer bepaald voor het tegenhouden van de ultraviolette stralen. Een verhoogde UV-straling draagt niet enkel bij tot de opwarming van het klimaat, maar ook tot een groter aantal huidkankers.

Op internationaal vlak werd in september 1987 het Protocol van Montreal afgesloten. Hierin wordt een reductie van de CFK-productie met 50% vooropgesteld voor de periode 1986-1999.

Een uitbreiding van de productie in de Derde Wereld wordt evenwel voorzien, zodat de totale vermindering in de periode 1986-1999 op 25% zou komen. Volgens het Nederlandse Milieuplan biedt het protocol van Montreal evenwel nog ruimte voor een verdubbeling van de CFK-concentraties in de atmosfeer. In BelgiŽ werden de voorbije jaren op vrijwillige basis akkoorden met de betrokken industrie bereikt om het gebruik van CFK's af te bouwen. Verdere maatregelen zullen echter nodig zijn indien men de CFK-emissie verder wil terugdringen.



1.2. Vernietiging van natuurlijke hulpbronnen

Het gaat hierbij om diverse hulpbronnen, zoals fossiele brandstoffen, ertsen en mineralen, maar ook de genetische reserve aan wilde flora en fauna, erosie van vruchtbare bodems met enorme gevolgen voor de landbouw.

De verscheidenheid van de aangetaste hulpbronnen brengt natuurlijk mee dat ook de effecten en de oplossingen verscheiden zullen zijn. Anderzijds zal men per definitie niet altijd de effecten tot nul kunnen herleiden.

Wat de niet-hernieuwbare hulpbronnen aangaat, gaat het hierbij in de eerste plaats om fossiele brandstoffen en ertsen. Volgens recente schattingen zal het mondiale energieverbruik bij sterke economische groei toenemen met 2 ŗ 2,5% per jaar. Aan dat tempo zullen de wereldreserves aan steenkool uitgeput zijn over 250 jaar, de gasvoorraden over 50 jaar en de oliereserves over 30 jaar. De uitputting van de momenteel bekende voorraden aan aluminium, tin, koper, lood en zink wordt uiterlijk verwacht tegen respectievelijk 2080, 2060, 2040, 2015 en 2000.

Het stopzetten van deze exploitaties heeft uiteraard op zich geen enkele zin. Wel zal men moeten trachten om de vernietiging van de bestaande voorraden zoveel mogelijk te beperken, en dus het tijdstip van totale uitputting van de bestaande bronnen uit te stellen. De industrie en de wetenschappelijke wereld krijgen dan immers meer tijd om alternatieven te bedenken en toe te passen.

In het geval van de hernieuwbare hulpbronnen is het stopzetten van de vernietiging om andere redenen belangrijk. Zo herbergt het Regenwoud talloze plantensoorten die nog niet onderzocht zijn maar wellicht een enorm reservoir aan farmaceutische producten inhouden. In dit geval is het vrijwaren van deze flora van belang voor zowel de volksgezondheid als de farmaceutische industrie, maar ook voor de landbouw (aanwezigheid van ziektebestendige rassen en soorten). Hierbij kan nog opgemerkt worden dat de regenwouden, door hun grote oppervlakte, een belangrijke rol spelen in het tegengaan van de effecten van de klimaatverandering (opname van CO2 uit de lucht).

Het tegengaan van erosie is van belang voor de landbouwproductiviteit (en dus indirect voor problemen als voedseltekorten, productie van grondstoffen en economische ontwikkeling). Door de groeiende wereldbevolking zou het landbouwareaal op wereldschaal moeten uitgebreid worden. Aangezien de mogelijkheden hiervoor eerder beperkt zijn, zal men evolueren naar een kleinere oppervlakte per hoofd van de bevolking. Een stijging van de productiviteit door schaalvergroting, mechanisatie, irrigatie, bemesting en bestrijding en het aanwenden van productievere gewassen zal bijgevolg onvermijdelijk zijn. Hier zal de ontwikkeling van milieutechnologieŽn in de geÔndustrialiseerde landen een noodzaak zijn, wil men vermijden dat we over afzienbare tijd vanuit de Derde Wereld met een nieuwe golf milieuproblemen worden geconfronteerd.

De Belgische of Vlaamse bijdrage aan de oplossing van deze problematiek zal - op wereldschaal Ė eerder beperkt blijven. Nochtans kan ook in ons land een bijdrage worden geleverd. Door energiebesparing kan het gebruik van fossiele brandstof worden beperkt. Door het stimuleren van recyclage en procestechnische verbeteringen kan niet alleen de afvalberg worden verkleind, maar kunnen ook grondstoffen worden gerecupereerd. Hieraan zijn niet enkel kosten verbonden, maar ook een aantal baten, zoals een besparing op de aankoop van grondstoffen. Ter illustratie: in 1982 werd de prijs van de hoeveelheid vluchtige stoffen die jaarlijks in Nederland door blootstelling aan de lucht verloren gingen, geraamd op 350 ŗ 400 miljoen gulden. Daarvan zou ca. 120 miljoen gulden technisch kunnen teruggewonnen worden.



1.3. Verzuring

Verzuring wordt vooral veroorzaakt door de uitstoot van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) en komt tot uiting in het fenomeen van de zure neerslag, met effecten als het aantasten van de vitaliteit en de gemiddelde leeftijd, tot zelfs het afsterven van bossen, het vergrassen van heidegebieden, verzuring van oppervlaktewateren leidend tot vissterfte. Niet alleen wordt hierdoor nogal wat natuurschoon aangetast, er zijn ook economische kosten aan verbonden, zoals een verminderde productiviteit in de bosbouw, derving van inkomsten uit visserij en recreatie, meer uitgaven voor onderhoud van (oude) gebouwen. In de landbouw leidt verzuring tot meer uitgaven voor bekalking (verviervoudiging in de laatste twee decennia), bladschade en verminderde bodemvruchtbaarheid. Ook voor de drinkwatervoorziening kan de verzuring extra kosten meebrengen.

In Vlaanderen wordt de jaarlijkse uitstoot van zwaveldioxide in de lucht, afkomstig van verbrandingsprocessen en procestechnische emissies, geraamd op 232.000 ton/jaar (1988). Het grootste deel daarvan (32%) is afkomstig van de stookinstallaties van de elektrische centrales. Raffinaderijen (18%), chemische industrie (16%), metallurgie (14%), verwarming (12%) en verkeer (4%) nemen de rest voor hun rekening. Hierbij moet worden opgemerkt dat de wettelijk vastgelegde maximale zwavelgehaltes in brandstoffen niet gelden voor de grootste vervuilers, nl. elektriciteitscentrales en raffinaderijen.

De verzuring door stikstofoxiden is in hoofdzaak een probleem van emissies vanwege het verkeer. Van de 173.000 ton (1988) die jaarlijks vrijkomen, is 63% afkomstig van het wegverkeer. De rest komt vrij bij in hoofdzaak verbrandingsprocessen in elektrische centrales, industrie en gebouwenverwarming.

De landbouw levert de grootste bijdrage in de uitstoot van de derde verzurende contaminant, ammoniak. Van de 49.000 ton die jaarlijks in de atmosfeer terechtkomt, is 46.000 ton afkomstig van blootstelling van dierlijke mest aan de lucht. De rest is afkomstig van vooral de chemische industrie.

Het totale aandeel van ammoniak in verzurende processen wordt geraamd op 20%, stikstofdioxide zou verantwoordelijk zijn voor 27%, terwijl zwaveldioxide meer dan de helft, m.n. 53% voor zijn rekening neemt. Naar de diverse sectoren toe zouden elektriciteitscentrales, industrie, verkeer en landbouw elk ongeveer 20% van de verzurende effecten veroorzaken, raffinaderijen 13 en gebouwenverwarming 7%.



1.4. Vermesting

De invloed van de vermesting speelt vooral op de sectoren water en bodem. Door een overmatige aanrijking met nutriŽnten (voedingsstoffen) zoals stikstofverbindingen, fosfaten en kalium worden zowel bodem- als waterbiotopen bedreigd.

De aanrijking van de bodem met nutriŽnten is in hoofdzaak een probleem dat veroorzaakt wordt door de bemesting vanuit de landbouw. De jaarlijkse aanvoer van stikstof bedraagt een kleine 290.000 ton. 90.000 ton daarvan is afkomstig van kunstmest en 175.000 ton komt van dierlijke mest. Daarnaast is atmosferische "depositie" (gevolg van stikstofuitstoot in de lucht) verantwoordelijk voor een totale jaarlijkse aanrijking van een goede 24.000 ton. Slechts de helft van de totale stikstofaanvoer wordt opgenomen door de gewassen. Een deel wordt langs natuurlijke weg onschadelijk gemaakt door "denitrificering". De rest spoelt ofwel af of sijpelt door in het grondwater en van daar uit verder naar de oppervlaktewateren.

De aanvoer naar de bodem van fosfaten is uitsluitend een landbouwaangelegenheid. 42.600 ton komt van kunstmest, 93.700 ton van dierlijke mest. De totale input van fosfaten in de (landbouw)bodem bedraagt daarmee 136.000 ton. Daarvan wordt slechts een goede 54.000 ton opgenomen door de gewassen, wat betekent dat jaarlijks een overaanbod van 81.000 ton fosfaten op de bodem terechtkomt.

Ook kaliumoxide is uitsluitend afkomstig van landbouwbemesting. Jaarlijks wordt zo'n 265.000 ton kalium aan de bodem toegevoegd; 60.000 ton daarvan is afkomstig van kunstmest, de rest van dierlijke mest. Ook hier wordt slechts iets meer dan de helft van de jaarlijkse input opgenomen door de gewassen.

Globaal betekent dit dus dat de bemesting met de helft zal moeten teruggedrongen worden om een evenwicht tussen wat toegediend en wat opgenomen wordt te verkrijgen.

De vermesting speelt echter ook op het vlak van de waterverontreiniging. De lozingen van de voedingselementen stikstof en fosfor in oppervlaktewateren zijn afkomstig van huishoudens, industrie en landbouw (door afspoeling en doorsijpeling vanuit de bodem en door illegale lozingen). Wat de stikstof betreft is ook hier de landbouw ťťn van de grootste vervuilers. Jaarlijks komen ongeveer 40.000 ton stikstofverbindingen vanuit de landbouw in de oppervlaktewateren terecht. De industrie loost jaarlijks 46.000 ton stikstof en de huishoudens 22 ŗ 23.000 ton. Daarbovenop is nog eens 8.500 ton per jaar afkomstig van grensoverschrijvende vervuiling.

De aanvoer van fosfor-verbindingen naar de oppervlaktewaters is voor 5.000 ŗ 6.500 ton afkomstig van de huishoudens en voor een kleine 500 ton van de landbouw. Dit lage cijfer - in vergelijking met de overaanvoer in de bodem - is te verklaren doordat fosfor slechts uitsijpelt nadat zeer hoge bodemconcentraties zijn bereikt.

De toestand van de oppervlaktewaters als gevolg van deze aanvoer is uiteraard voor de diverse rivierbekkens verschillend. Nochtans is het globaal beeld ronduit negatief. Zo liggen de stikstofgehaltes in de Schelde en de Ijzer repectievelijk twee en drie maal zo hoog als de norm van 5 mg per liter die vanaf 1995 zou moeten gehaald worden.

Opnieuw is het tegengaan van de overaanvoer van nutriŽnten niet enkel vanuit een "natuurvriendelijk" standpunt belangrijk. Vermesting ligt immers aan de basis van bv. de algenplagen in de Noordzee, met vissterftes tot gevolg. Ook inzake waterzuivering en drinkwaterzuivering (cfr. recente berichten over het te hoog nitraatgehalte) stelt het overaanbod van nutriŽnten problemen en leidt het tot hogere kosten. In de landbouw zelf is overbemesting de oorzaak van een slechtere bodemstructuur, wat gevolgen heeft op het vlak van de aantasting van de natuurlijke resistentie en dus de productiviteit.



1.5. Verspreiding van gevaarlijke stoffen

Door uitstoot van stoffen als zware metalen, bestrijdingsmiddelen, gechloreerde waterstoffen en radioactieve stoffen treden milieuverstorende effecten op in de diverse sectoren. Dergelijke stoffen hebben dikwijls reeds bij minieme concentraties negatieve gevolgen, in de eerste plaats op de volksgezondheid.

Verontreiniging door zware metalen treedt zowel op in bodem en water als in de lucht. De bodemverontreiniging door zware metalen vanuit de landbouw is afkomstig van kunstmest en van veevoeders waarin koper en zink werden verwerkt. Bij de industrie gaat het om diverse processen. Het verkeer veroorzaakt voornamelijk een uitstoot van loodoxide, als gevolg van de verbranding van benzine, waaraan lood is toegevoegd.

Zware metalen in oppervlaktewateren zijn afkomstig van industriŽle lozingen, maar ook van afspoeling van landbouwgronden. Op het niveau lucht zijn de zware metalen in aŽrosolen voornamelijk afkomstig van verbrandingsprocessen in de metallurgische industrie. Een globaal beeld hiervan is moeilijk op te maken, maar toch kan worden gesteld dat rond dergelijke bedrijven de concentraties aan zware metalen tot 10 maal hoger liggen dan de WHO-norm (norm vastgelegd door de Wereldgezondheidsorganisatie).

Verontreiniging door insecticiden, pesticiden en herbiciden is in hoofdzaak een probleem veroorzaakt door de land- en tuinbouw. In 1987 werden 9.000 ton (gewicht uitgedrukt in werkzame stof) bestrijdingsmiddelen op de Vlaamse bodem gedumpt, waarvan een deel door afspoeling of doorsijpeling in het grondwater uiteindelijk in de oppervlaktewateren terechtkomt.

Andere gevaarlijke stoffen zijn olie en diverse toxische chemicaliŽn. Bodemverontreiniging door olie (koolwaterstoffen) en een aantal chemicaliŽn is vooral een probleem van verlies bij overtanken en van lekkende olietanks. Vlaamse cijfers zijn hierover niet bekend, maar aangenomen mag worden dat de hoeveelheden in dezelfde grootteorde liggen als in Nederland (11 miljoen liter/jaar). Daarnaast kunnen dergelijke stoffen ook vanuit de stortplaatsen doorsijpelen in de bodem, en van daaruit naar de bodem- en oppervlaktewateren. Emissies van koolwaterstoffen in de lucht zijn voor 47% afkomstig van het verkeer (onvolledige verbranding in de motor, verdamping bij het tanken, van verdamping door blootstelling aan de lucht (28%) van gaslekken (10%) en van procesemissies in de industrie (8%).

Het terugdringen van de emissie van deze stoffen levert op termijn een aantal baten. Landbouwgronden kunnen hierdoor beschikbaar blijven voor de productie van voedingstoffen (zware metalen tasten in de bodem bvb. de kwaliteit en kwantiteit van gewassen aan), minder uitgaven voor waterzuivering, geringere gezondheidsrisico's (sommige stoffen stapelen zich op in een aantal diersoorten zoals vis en runderen, die voor menselijke consumptie zijn bestemd), minder uitgaven voor sanering.



1.6. Verwijdering van afvalstromen

Zowel bij productie als consumptie komt een breed gamma aan afvalproducten in vaste of vloeibare vorm vrij. De samenstelling van de Vlaamse afvalberg ziet er als volgt uit:

De hoeveelheid huishoudelijk afval die langs normale weg werd ingezameld, bedroeg in 1987 1.740.000 ton. Hiervan werd 5% gecomposteerd en 43% verbrand. 52% van het huishoudelijk afval werd, al dan niet na verkleining, gestort. Hier bovenop komt nog een goede 200.000 ton gerecupereerd afval en 300.000 selectief opgehaald afval, wat de totale hoeveelheid huishoudelijk afval op 2,3 miljoen ton brengt.

Op basis van de gemelde hoeveelheden bedroeg de industriŽle afvalberg in 1987 4.154.000 ton, waarvan 43% anorganisch afval, 27% organisch/biologisch, 19% organisch/synthetisch, 7% giftig, 4% gemengd organisch/anorganisch en 1% opruimafval. Hierbij werd geen rekening gehouden met 6,3 miljoen bulkafvalstoffen (mijnbouwafval, gips, vliegas, dunzuren). Hierbij moet opgemerkt worden dat het gaat om de afvalproductie die door de 74% van de bedrijven werd gemeld. Deze meldingsrespons is relatief hoog bij de grote bedrijven (93%), maar minder bij de middelgrote (86%) en de kleine bedrijven (64%). De totale industriŽle afvalproductie ligt dus nog een stuk hoger. Wat de verwerking van dit industrieel afval aangaat, werd van de gemelde 4.154.000 ton 42% gerecupereerd, 43% werd rechtstreeks gestort, 6% werd verbrand en 9% werd na behandeling ofwel verbrand, ofwel gestort, ofwel gerecupereerd.

Hierbij komen nog een aantal specifieke afvalsoorten als bagger- en ruimingsspecie (jaarlijkse hoeveelheid van ongeveer 1.130.000 ton), slib van rioolwaterzuiveringsinstallaties (662.500 m3), slib afkomstig van rioolreiniging, septische putten en vetvangers (500.000 m3/jaar), slib van drinkwaterbehandeling (70.000 ton/jaar), slachtafval (75.000 ton/jaar), afvalolie (86.000 ton), ziekenhuisafval (45.000 ton), autowrakken (140.000 ton) en autobanden (19.500 ton).

De huidige aanpak van het afvalprobleem richt zich dus vooral op storting. Daarbij moet worden opgemerkt dat hierdoor de afvalberg weliswaar uit het onmiddellijke zicht verdwijnt, maar dat een aantal schadelijke neveneffecten kunnen optreden. Storten geeft aanleiding tot doorsijpeling van afvalstoffen in bodem en grondwater en van daar uit naar de oppervlaktewateren. Verbranding geeft eveneens aanleiding tot het vrijkomen van schadelijke stoffen, zoals o.m. zware metalen, in de atmosfeer, en van daar uit via depositie in bodem en water.

Het ligt dan ook voor de hand dat, wil men het probleem effectief aanpakken, men vooral de recuperatie en de recyclage van afvalstoffen zal moeten bevorderen. Pas daarna kan men overgaan tot vernietiging door verbranding, en slechts als dit niet mogelijk is, zou tot storten mogen worden overgegaan. Deze volgorde van behandeling van afvalstoffen zou principieel voor alle afvalstoffen dezelfde moeten zijn.



1.7. Verstoring van de lokale leefomgeving

Hier spelen diverse processen als stank- en geluidhinder, ongevallen bij transport en productie, visuele hinder en verontreiniging van het binnenmilieu door schadelijke stoffen of verontreiniging. Effecten zijn vooral een aantasting van gezondheid en leefkwaliteit, in de eerste plaats op lokaal vlak.

Verstoring door stankhinder is moeilijk te kwantificeren, gezien het dikwijls tijdelijke en subjectieve karakter van het fenomeen "stank". Voor zover het gaat om problemen die niet aan de bron kunnen bestreden worden, ligt de oorzaak van stankhinder ook voor een groot stuk bij de overheid die industrieŽn, waarvan geweten was dat ze dikwijls aanleiding geven tot stankhinder, heeft toegelaten zich nabij woonkernen te vestigen. Het ruimtelijk beleid zal hier dus een sleutelrol spelen. Ook problemen van geluidsoverlast en visuele hinder zijn grotendeels ontstaan door een falend ruimtelijk beleid.

Een specifiek geval van verstoring zijn de black points, d.w.z. gevallen van ernstige plaatselijke verontreiniging van de bodem met gevaarlijke stoffen, en dus met directe effecten voor gezondheid, aantasting van bodemwaters en landbouwgronden. Dergelijke black points worden vooral aangetroffen nabij fabrieksvestigingen, stort- en opslagplaatsen. In Vlaanderen waren in 1988 een 40-tal black points bekend, maar hun aantal neemt voortdurend toe. Een groot probleem is dat het onderzoek naar dergelijke zwaar verontreinigde plaatsen niet systematisch gebeurt, waardoor ook een globaal beeld ontbreekt.

Verstoring kan ook slaan op bepaalde eco-systemen, bv. van water-ecosystemen door lozingen van koelwaters of zuurstoftekorten als gevolg van een overmatige aanvoer van zuurstofbindende stoffen. Ook verzuring en vermesting werken verstorend op bv. natuurgebieden waar ze de natuurlijke flora en fauna aantasten.



1.8. Verdroging

Door de stijgende grondwaterwinning, het overmatig pompen door Polders louter in functie van de landbouwproductiviteit, drainering en een uitbreiding van verharde oppervlaktes dalen de grondwatertafels.

In de eerste plaats bedreigt de verdroging de waterrijke ecosystemen, waar waterminnende planten en dieren verdwijnen. Daarnaast versterkt verdroging ook de effecten van verzuring en vermesting. Verder verstoort verdroging ook de bodemstructuur door de negatieve weerslag ervan op bodemtemperatuur en -doorluchting. Ook de toevoer van gebiedsvreemd water ter compensatie werkt dikwijls nadelig, gezien de ecologische kwaliteit hiervan. Op de gevolgen van de verdroging wordt nader ingegaan in het luik Ruimtelijke Ordening en Natuurbehoud.



1.9. Versnippering

Hiermee wordt vooral het teloorgegaan van open ruimtes en de ecologische infrastructuur bedoeld, als gevolg van menselijke ingrepen (vernietiging lijn- en puntvormige elementen als bomenrijen, hagen en drinkpoelen, aanleg van infrastructuur allerhande (verkeer, nutsvoorzieningen, industrie, recreatie) en uitbreiding van suburbanisatie en lintbebouwing. De effecten hiervan worden verder uitgewerkt op de volgende bladzijden.



2. Ruimtelijke Ordening en Natuurbehoud

2.1. Analyse van de problemen inzake Ruimtelijke Ordening

2.1.1. Inleiding

Ruimtelijke ordening is voornamelijk van belang voor (1) het behoud van de open ruimtes en (2) het vastleggen van de bodembestemming. Hierbij moet rekening gehouden worden met een aantal factoren zoals de wederzijdse beÔnvloeding tussen gebieden en de grootte van deze gebieden.

Ruimtelijke ordening dient hierbij een eigen doelstelling na te streven, nl. het zo goed mogelijk tot ontplooiing laten komen van de verschillende menselijke activiteiten binnen een ruimte waarvan de eigenschappen zo goed mogelijk bewaard blijven. Dit veronderstelt dus een wederzijdse aanpassing van mens en ruimte. Het kan niet de bedoeling zijn om de maximale ontplooiing van de menselijke activiteit zonder meer ten koste te laten gaan van de ruimte, die daarom een aantal aanpassingen zou moeten ondergaan.

Met de ruimtelijke ordening wordt bijgevolg getracht de menselijke activiteiten te integreren in de natuur, waarbij de ruimtelijke planning zich vooral toespitst op ťťn facet van het in alle maatschappelijke sectoren te voeren beleid, i.c. het ruimtelijke facet.

De ruimtelijke ordening is dan ook een deel van het milieubeleid omdat haar doel het waarborgen inhoudt van de ruimtelijke kwaliteit van onze leefomgeving. Ze heeft echter een heel ander karakter dan de andere onderdelen van dit beleid en kan hier in feite niet mee vergeleken worden. Ze grijpt immers fundamenteler in in de vorm die de menselijke activiteit aanneemt. Dit fundamenteel karakter van de ruimtelijke ordening heeft zowel positieve als negatieve aspecten.

Wettelijk is het doel van de ruimtelijke ordening als volgt omschreven: "De ruimtelijke ordening wordt onderworpen, zowel uit economisch, sociaal en esthetisch oogpunt, als met het doel 's lands natuurschoon ongeschonden te bewaren (Ö)". In de praktijk is gebleken dat de ruimtelijke ordening een resultaat is van het afwegen van de belangen, voor wat hun ruimtegebruik betreft, van de diverse pressiegroepen en maatschappelijke sectoren (huisvesting, industrie, verkeer, landbouw, natuur, recreatie, Ö).

Ten aanzien van het milieubeleid volgt uit het beleid t.a.v. de ruimtelijke ordening dat deze de ruimtelijke perken bepaalt waarbinnen de andere onderdelen van onze milieuwetgeving zullen moeten functioneren. Het milieuhygiŽnerecht (hinderwetgeving) dat tot doel heeft de hinder door verschillende maatschappelijke functies te beperken, zal in zijn opdracht afhankelijk zijn van het gevoerde beleid t.a.v. de ruimtelijke ordening. Zo zal een functioneel en efficiŽnt waterzuiveringsbeleid onmogelijk zijn bij een grote versnippering van bewoning, industriŽle activiteit e.d. Hetzelfde geldt voor het milieubeschermingsrecht. Natuurlijke gebieden krijgen in de ruimtelijke ordening een bepaald statuut. Is dit statuut stevig en kadert het binnen een globale samenhang met omliggende gebieden, dan zal het een goede wettelijke basis zijn waarop het milieubeschermingsrecht eventueel strengere normen kan toepassen. Is dit statuut zwak of ontbreekt de globale samenhang, dan zal de natuurbeschermingswetgeving vooral als een ultieme redplank moeten dienen voor het behoud van deze gebieden.


2.1.2. Historische analyse

In Vlaanderen is het een open deur intrappen wanneer we stellen dat in de voorbije decennia kwistig en onoordeelkundig met onze ruimte is omgesprongen. Zo hebben stedelijke agglomeraties buitengewone expansies gekend, lintbebouwingen werden langs onze wegen uitgebreid, woon-, industrie- en havengebieden nemen grote stukken ruimte in beslag, terwijl verkeerswegen dikwijls een verminking van het landschap inhouden en belangrijke natuurgebieden en waardevolle landschappen definitief zijn verloren gegaan.

De problemen inzake het ruimtelijk beleid zijn uiteraard voor een groot deel vanuit een historische context te verklaren.

In de tweede helft van de negentiende eeuw ging, o.a. door het afschaffen van de stedelijke tol, de stedelijke bebouwing zich buiten de stadswallen ontwikkelen, zij het in een aaneengesloten geheel met de stad. Tot de eerste wereldoorlog zette dit proces zich door, als gevolg van de afwezigheid van en later de hoge prijs van het gemeenschappelijk vervoer.

Tussen de twee wereldoorlogen werden een aantal sociale tuinwijken gebouwd, die door hun open bebouwing en hun afstand tot de stadscentra een traditie inzetten die tot vandaag de sociale woningbouw kenmerkt.

Na de tweede wereldoorlog gaf het bouwpremiestelsel, vervat in de zgn. "Wet De Taeye" (1948), aanleiding tot een belangrijke suburbanisatie, aangezien deze woningen vooral op goedkope bouwgronden buiten de centra werden opgericht.

Deze suburbanisatie werd in de hand gewerkt door het sterk verbeterd wooncomfort op het platteland (water, gas, elektriciteit), een tendens die zich in dezelfde periode doorzette. Door de wettelijke monopolieposities van de maatschappijen die openbare voorzieningen verstrekken, was de tarifiŽring naar de reŽle kostprijs van elke aansluiting overbodig en kon met een uniform tarief gewerkt worden, zonder kosten-baten analyse. Wanneer vanaf de jaren zestig de stadsvlucht pas goed op gang kwam, bleek de overheid, ondanks de soms zware investeringen, niet in staat om deze evolutie te keren. Een gebrek aan gepaste milieuwetgeving en een subsidiŽring van de verkeersmobiliteit werkten deze stadsvlucht zelfs nog in de hand.

In de jaren zestig en zeventig werd deze evolutie door de "terug naar de natuur"-beweging verder aangemoedigd en in feite door de overheid ondersteund. Het wonen in de stad kon daarentegen op veel minder aandacht rekenen. Het stedelijk openbaar domein werd sterkt verwaarloosd, waarbij als gevolg van de verkeersfunctie en de grondprijzen geen groenruimtes konden worden aangelegd. Dit versterkte natuurlijk op zijn beurt de vlucht uit de stad. Het openbaar domein (straten, pleinen, parken) is nochtans het meest commerciŽle deel van de stad, maar in eigendom van de overheid.

Deze overheid slaagt er echter niet in om zelfs tegen het jaar 2000 een stedelijke kwaliteit te realiseren zoals die in verschillende 19de eeuwse projecten (bv. Louisalaan) in Brussel reeds aanwezig was. Deze projecten werden toen reeds grotendeels door private investeerders uitgevoerd. Zolang deze eigenaars (en dus ook de huurders) geen directe impact hebben op de aanleg en het gebruik van het openbaar domein, blijft dit commerciŽle hart van de stad slecht geŽxploiteerd en ondermaats aangelegd.

Inmiddels had de voortschrijdende urbanisatie en suburbanisatie aanleiding gegeven - zij het veel later dan in een aantal ons omringende landen - tot het totstandkomen van de wetgeving op de Ruimtelijke Ordening en de Stedebouw (1962).

Een functionele aanpak van de ruimtelijke ordening werd echter bemoeilijkt door de streng bureaucratische aanpak. Adviescommissies die vanuit de verschillende betrokken belangengroepen dit planningsgebeuren op streek-, gewest- en gemeentelijk niveau moesten begeleiden werden niet of zeer laattijdig opgericht. Hierbij komt nog dat vertegenwoordigers van de socio-culturele en milieubelangen onvoldoende of niet werden betrokken bij de opmaak van de gewestplannen. Reeds voor de afwerking van de gewestplannen was de betekenis en waarde van hun bestemmingsvoorschriften bepaald door het KB van 28 december 1972 inzake de inrichting van de gewestplannen. Een aantal gebieden verkregen buitengewoon vage en niet sluitende voorschriften.

Bovendien werden uitzonderingen met een verregaande impact ingebouwd, zoals bijvoorbeeld de uitbreiding van zonevreemde gebouwen, voortzetting van zonevreemde bedrijfsexploitaties, enz. De door de kaarten gewekte indruk dat de resterende open ruimte en waardevolle landschappen een stevige bescherming genieten, is dan ook misleidend.

Om het gebrek aan planning bij de gemeenten goed te maken, besliste Minister De Saeger in 1966 om prioritair voor gans BelgiŽ de gewestplannen op te stellen.

Volgende principes lagen aan de basis van de gewestplannen:
1. "Beveiliging van de nog open ruimte, hetzij als landbouw-, hetzij als groengebied";
2. "Aanduiding van de woongebieden, direct aansluitend bij de stedelijke en gemeentelijke centra";
3. "Woongebieden en industriegebieden in verhouding tot de ontwikkelingskansen van het gewest";
4. "Indijken van de versnipperde bebouwing";
5. "Maximale vrijwaring van de groengebieden binnen de verstedelijkte gebieden";

De gewestplannen bleken echter niet bij machte de dynamiek van de maatschappelijke evoluties in "goede" banen te leiden, laat staan te beheersen. De nobele doelstellingen uit de gewestplannen werden dan ook niet gerealiseerd, zoals bleek uit studies naar de wijzigingen, aangebracht tussen het voorontwerp-gewestplan en het bij KB goedgekeurde gewestplan.

De studies maakten duidelijk dat:

1. Het stedelijk gebied ten koste van de open ruimte toenam met 102,3 km≤;
2. 34,6 km≤ woonuitbreidingsgebied (reservegebied) werd overgeheveld naar de woonzones;
3. de lintbebouwing, oorspronkelijk toenam met 74,8 km≤;
4. de bouwcapaciteit in de meeste gewestplannen de behoeftes 4 ŗ 5 maal overtrof;

De problemen stelden zich ten andere niet enkel in de woonzones. Sommige bestemmingen op bv. het vlak van de recreatie waren niet voorzien, terwijl andere gebieden geen duidelijke bestemming konden krijgen. Dit was o.m. het geval met de stedelijke gebieden, waar de vermenging van wonen, kleine bedrijfjes en handel (gelukkig) niet te scheiden waren, wat een opsplitsing naar wonen of tewerkstelling onmogelijk maakt. Vele kleine bedrijven werden nochtans naar ambachtelijke zones verwezen, waardoor de suburbanisatie nogmaals werd versterkt ten koste van het stedelijk weefsel.

Deze verarming van het stedelijk weefsel, waarvoor de overheidsplanning een eerste impuls gaf, werd nog bevorderd door het gebrek aan maatregelen om de aantrekkelijkheid van de stedelijke centra te verhogen. De wetgeving inzake stads- en dorpsvernieuwing bleef immers beperkt tot een aantal subsidiŽringsbesluiten, waarvan de uitvoering in gebreke is gebleven.

In 1973 werd op de begroting van Openbare Werken een bedrag van 180 miljoen ingeschreven voor stadsvernieuwing, dat werd verdeeld over de steden Brugge, Brussel, Mechelen, Namen en Jumet. Later werd dit uitgebreid tot Deerlijk, Kortrijk, Leuven en Oostende. Een gebrek aan duidelijke richtlijnen en coŲrdinatie en de problemen rond de regionalisering van de bevoegdheden inzake stadsvernieuwing, leidde er echter toe dat deze projecten moeilijk van de grond kwamen. Hierdoor werd de kans gemist om een aantal projecten te realiseren die als katalysator konden dienen, zoals dit bij gelijkaardige projecten in Parijs, Londen en een aantal Amerikaanse steden het geval was.

Het organieke KB van 15 december 1978 en de Besluiten van de Vlaamse Executieve van 1981, gewijzigd in 1982 en 1983, situeerden de stads- en dorpsvernieuwing binnen de herwaarderingsgebieden, dus binnen de gebieden waarin de "woon- en leeffunctie diende behouden, bevorderd of hersteld". Ook hier liep ťťn en ander vast in de uitvoering. Het besluit op de herwaarderingsgebieden was immers een typisch Belgisch compromis, waar de intentie van stads en dorpsvernieuwing gekoppeld werd aan de problemen van de sociale zekerheid, wat resulteerde in de zgn. "sociale stadsvernieuwing", die niet te realiseren was via een subsidiŽringsbesluit voor ondergeschikte besturen. Het gevolg was dat de beperkte financiŽle middelen vooral gebruikt werden voor sociale huisvesting en veel minder voor het verbeteren van de stads- en dorpsstructuur. Meteen werd ook de kans gemist om een aantal projecten te realiseren die voldoende vernieuwend zijn om de attractiviteit van de steden te kunnen verhogen. De nadruk werd immers te eenzijdig gelegd op renovatie, kleinschaligheid en behoud van de bestaande structuren. Een dergelijke "conservatieve" benadering is uiteraard niet het geschikte kader om grensverleggende projecten te realiseren.

Om de problemen inzake de stadsrenovatie, naar het voorbeeld van de Angelsaksische landen, toch ten gronde aan te pakken, lanceerde Gemeenschapsminister Ward Beysen in 1988 het idee van het Public-Private Partnership, dat werd omgezet in het Besluit van de Vlaamse Executieve van 6 juli 1988. Hierbij werd gepoogd een totaalconcept op te zetten, waarin openbaar en privaat domein samen ontworpen worden en dit in een samenwerkingsverband tussen de private en de openbare sector. Om te vermijden dat de overheid ťťnzijdige investeringen zou doen, waarvoor geen markt aanwezig is, werd gesteld dat de private sector ten minste het viervoudige moest investeren van de stad. De private investeerders kregen eveneens hun zeg in de aanleg van het openbaar domein. Beide partijen waren immers gebonden door een contract, waarin elk zijn eisen kon laten vastleggen. Dit bood de private investeerders garanties inzake het tijdig klaar zijn en inzake de kwaliteit van de openbare infrastructuur. Het PPS-besluit, dat een belangrijke impuls had kunnen geven aan de stadsvernieuwing, is door een aantal politieke verwikkelingen nooit aan uitvoering toegekomen.

Al bij al hoeft het falen van de overheidsplanning op het vlak van de ruimtelijke ordening, evenmin als op andere terreinen, ons niet te verwonderen. Alle grote plannen missen immers flexibiliteit, zowel in de tijd als op het vlak van de schaal. Alternatieven die niet binnen de vooropgestelde visie plannen, worden onvermijdelijk geweerd. Anderzijds dient de overheid voor de uitvoering van haar plannen te rekenen op private investeerders, die echter niet in de planning werden betrokken. Bovendien werd tegelijkertijd koud en warm geblazen. De overheidssubsidies inzake bv. openbaar vervoer maken het suburbaan wonen aantrekkelijker, wat echter ingaat tegen het beveiligen van de open ruimtes. Daarnaast werd de planning zelf een voorwerp van onderhandeling, waaruit een informeel netwerk van contacten ontstond die het planningsproces nog ondoorzichtelijker maakten. Objectieve grenzen, een voorwaarde voor rechtszekerheid, vervaagden als gevolg van de onvoldoende procesbeheersing van de overheid, iets wat nog werd versterkt door de versnippering van de beslissingsmacht in het overheidsapparaat zelf.

De huidige aanpak heeft duidelijk gefaald en ertoe geleid dat onze ruimtelijke ordening in de praktijk heel anders is verlopen dan in de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Stedebouw werd voorzien. Het verschil tussen wettekst en realiteit is op vele punten erg groot. Van de vooropgestelde plannen zijn er slechts weinig uitgevoerd vermits de voorziene nationale plannen en streekplannen nooit werden opgesteld. De gewestplannen kwamen tot stand om de lacunes op te vangen van de APA's (algemene plannen van aanleg), waardoor ze nu onze gehele ruimtelijke ordening domineren. De bedoeling was daarbij om zo snel mogelijk de verschillende bodembestemmingen te kennen en over te kunnen gaan tot het beoordelen van bouw- en verkavelingsaanvragen. De BPA's (bijzondere plannen van aanleg) kwamen eerder sporadisch tot stand en bestrijken kleinere oppervlakten, waardoor ze nauwelijks als een globaal ruimtelijk beleidsplan kunnen worden aanzien.

Formeel verloopt onze ruimtelijke ordening echter nog steeds via het beschreven planmechanisme, dat nooit volwaardig heeft gefunctioneerd en momenteel is gestagneerd.

Lokale knelpunten worden geregeld door het opmaken van een BPA of indien nodig door een beperkte herziening van het gewestplan. CoŲrdinatie tussen de beleidssectoren is nog steeds ver te zoeken, zodat sectoren als landbouw en verkeer hun gang kunnen gaan zonder begeleiding door enig ruimtelijk beleidsdenken op politiek vlak.

De conclusie kan dan ook niet anders zijn dan dat de ruimtelijke ordening in Vlaanderen anno 1990 grondig moet worden herzien. Alhoewel doorheen de jaren tachtig diverse pogingen werden ondernomen om de strakheid van deze plannen op te vangen door meer soepele structuren heeft geen enkele van deze pogingen voet aan de grond gekregen. Het planningsmechanisme bleek niet in staat de onzekerheden inzake politiek waardeoordelen, feitelijke omstandigheden en samenhangende beleidsterreinen adequaat in te schatten. De doelstellingen bleven bijgevolg vaag of onrealistisch. Men kan zich zelfs de vraag stellen in welke mate deze vaagheid een gevolg is van de onzekerheid en de complexiteit van de ruimtelijke planning, dan wel getuigt van de bedoeling om binnen het beleid beslissingen te kunnen vermijden en ruimte te laten voor aanpassingen. Op het vlak van de ruimtelijke ordening zelf zijn de gevolgen intussen duidelijk: de open ruimtes worden schaarser en schaarser. Tenzij er fundamenteel wordt ingegrepen, zal het beleid zichzelf over afzienbare tijd overbodig hebben gemaakt aangezien er niets meer zal te ordenen zijn.



2.2. Het natuurbeleid in Vlaanderen

2.2.1. Inleiding

De aandacht voor en de problemen van "de natuur" en het natuurbeleid hangen uiteraard nauw samen met een aantal maatschappelijke evoluties en met het overheidsbeleid op andere terreinen, zoals bv. de ruimtelijke ordening.

Reeds aan het einde van vorige eeuw ontstond een zekere vorm van ecologisch bewustzijn, als reactie op een aantal negatieve effecten van de industriŽle revolutie. Aanvankelijk kwam dit tot uiting in eerder romantische bespiegelingen over plant- en diersoorten of over de schoonheid van het landschap. Verenigingen ontstonden die in eerste instantie ijverden voor het behoud van landschappen of natuurgebieden. In dezelfde geest kwam een wettelijk kader voor landschapszorg tot stand. Deze holistische benadering kan trouwens nu nog, zij het met een meer wetenschappelijke onderbouw, worden verdedigd.

Het natuur- en landschapsbehoud kreeg in de ons omringende landen al snel een breed maatschappelijk draagvlak. In BelgiŽ verliep deze evolutie iets trager, doordat de publieke opinie werd beheerst door fenomenen als de gevolgen van de twee wereldoorlogen, de taal- en ontvoogdingsstrijd en de levensbeschouwelijke tegenstellingen. De eerste aanzet tot een ruim verspreid natuur- en milieubewustzijn kon daardoor pas in de tweede helft van de twintigste eeuw doordringen.

Deze groeiende aandacht vertaalde zich in de eerste plaats in de oprichting van steeds meer natuurbeschermingsverenigingen. Het is daarbij opvallend dat deze, als gevolg van de toenemende aantasting van kwaliteit en kwantiteit van de open ruimte, de feitelijke evoluties naliepen. Zo ging de natuurbehoudbeweging in de loop van de jaren zestig haar doelstellingen verleggen van landschapsbescherming (dus grotere eenheden) naar gebieds- en soortenbescherming. Voor het beleid bleef de bekommernis om natuurbehoud echter marginaal: de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw en de daaruit voortvloeiende bestemmingsplannen reserveren weliswaar een aantal groengebieden, maar het gaat hierbij in hoofdzaak om marginale gebieden, weinig bruikbaar voor andere bestemmingen. Ook de uitvoeringsbesluiten van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud betreffen in hoofdzaak reservaten (en bepaalde dier- en plantensoorten). In de loop van de jaren zeventig groeide evenwel het bewustzijn dat natuurbehoud en -bescherming meer vroeg dan de bescherming van enkele gebieden en plant- en diersoorten. Deze sectoriŽle benadering was immers niet in staat de aantasting van wat ons nog restte als natuur te voorkomen. Wetenschappelijke bevindingen over ecologische relaties, over de verdwijning van soorten, de verarming van levensgemeenschappen en de samenhang van deze evoluties met o.m. de kwaliteit van lucht, water en bodem ondersteunden dit bewustzijn.

Het referentiekader van de natuurbehoudsbeweging werd hierdoor verruimd en verlegd naar de algemene milieuproblematiek, de relatie met landbouw, en de functie van ruimtelijke ordening als instrument voor natuurbehoud.

De verruimde belangstelling en kennis inzake "milieu" was een noodzakelijke voorwaarde opdat deze materie ook op het vlak van het beleid de nodige aandacht zou krijgen. Milieu werd een politiek thema. Dit vertaalde zich in de uitbouw van een stevig administratief apparaat en een uitgebreide wetgeving. Deze waren echter in de eerste plaats geÔnspireerd door een eenzijdige bezorgdheid om gezondheid en welzijn, dan wel door een ruime bekommernis om de ecologische diversiteit en kwaliteit te bewaren. Natuurbehoud is nog steeds het zwakke broertje in het milieubeleid.

Het veilig stellen van een aantal ecologisch waardevolle gebieden en natuurgebieden betekent immers dat de bestemming van deze gebieden, en dus het huidige gebruik ervan, moet worden gewijzigd. Zo werden een aantal openingen gezocht naar landbouw toe, maar zonder veel resultaat. Op het niveau van administratie en beleid lijkt een zekere koerswijziging merkbaar in de richting van een milieuvriendelijker landbouw, maar de omzetting hiervan in concrete maatregelen stuit op problemen.

Wat het veilig stellen van de open ruimte als dusdanig aangaat, is het Ruimtelijke Ordeningsbeleid er, zoals hoger geschetst, niet in geslaagd zijn doelstellingen te realiseren. Men kon niet verhinderen dat de open ruimte steeds meer afbrokkelde ten bate van industrie, KMO, wonen, enz., door in de bestemmingsplannen gebieden functies toe te kennen die er niet in thuishoorden (bv. woonzones in valleigebieden), door de verdere verspreiding van de bebouwing te laten gedijen i.p.v. ze te concentreren, door het negeren van de eigen behoeftes van natuurgebieden, zoals een voldoende grote oppervlakte en de verbinding tussen diverse gebieden aan de hand van een "ecologische infrastructuur" enz. De informatie-input naar het beleid toe, door bv. overleg met de natuurbehoudsector over bestemmingswijzigingen of over de impact van bepaalde werken, is vrijblijvend of onbestaande.

Van het betrekken van de natuurbehouddoelstellingen in de ruimtelijke ordening is vooralsnog geen sprake. Het recente "natuurontwikkelingsplan" van zijn kant formuleert weliswaar een aantal aanvaardbare hoofddoelstellingen, maar de vraag naar de concretisering hiervan in beleidsmaatregelen blijft vooralsnog onbeantwoord.


2.2.2. Natuurbehoud in Vlaanderen: status questionis

2.2.2.1. Begripsomschrijving

Spreken over natuurbeleid, natuurbehoud enz. impliceert in de eerste plaats dat duidelijk wordt gesteld wat onder "natuur" moet worden verstaan. In het Vlaamse landschap is, als gevolg van het reeds eeuwen lang intensief grondgebruik, vrijwel geen enkele ongerepte natuurlijke situatie meer aan te treffen. Overal zijn wel sporen van menselijke activiteiten weer te vinden. Wat wij vandaag natuurlijk noemen, is eigenlijk een half-natuurlijke toestand, waar deze activiteit nog voldoende ruimte en kwaliteit overlaat voor de spontane groei van flora, fauna en levensgemeenschappen. Naast de invloed van het grondgebruik wordt de ecologische verscheidenheid vooral bepaald door de aanwezigheid van uiteenlopende abiotische omstandigheden als verschillen in reliŽf, bodemsamenstelling, waterhuishouding, klimaat e.d.

Nagenoeg natuurlijke gebieden zijn in Vlaanderen dan ook eerder uitzonderlijk. Nochtans kunnen oude bossen en verwilderde parken juist door de afwezigheid van menselijke beÔnvloeding hun betekenis als natuurlijk milieu in stand houden. Ook verlandingsgemeenschappen van kreken en plassen worden meestal weinig beheerd.

Naast deze half-natuurlijke terreinen kunnen meer uitgesproken cultuurvormen eveneens een belangrijke bijdrage leveren tot de natuurlijkheid en de ecologische verscheidenheid van het landschap. Hieronder valt een hele reeks van lijn- en puntvormige elementen die door de mens bewust werden aangelegd. Voorbeelden hiervan zijn bomenrijen, houtkanten, hagen, taluds en allerhande wegbermen, sloten, greppels, omwallingen en drinkpoelen.Veel van deze patronen hebben tot op heden ook een historisch-geografische waarde.

Naast hun intrinsieke betekenis als biotoop voor tal van typische soorten, zijn zij ook functioneel als verbindingselement tussen natuurgebieden, als corridor of barriŤre. Ze vormen wat men noemt de landschapsecologische infrastructuur en zijn belangrijk bij de verplaatsing en verbreiding van organismen.

Een laatste element in het landschap zijn de nieuwe, totaal artificiŽle terreintypes, zoals opspuitingen, terrils en allerhande ontgrondinge,n die potentiŽle natuurgebieden zijn.

2.2.2.2. Reservaten, natuurgebieden en ecologisch waardevolle gebieden

Tot nu toe ging bij het natuurbehoud veel aandacht naar het gevoerde beleid inzake de verwerving van reservaten. Door een constant gebrek aan financiŽle middelen bij zowel overheid als particuliere organisaties, en door het ontbreken van een globale ruimtelijke visie, heeft dit geleid tot een netwerk van kleine beschermde eilandjes in het landschap.

Zo was in 1983 de helft van de ongeveer 140 reservaten in Vlaanderen kleiner dan 30 ha. De gemiddelde oppervlakte bedroeg 63 ha. Onderstaande tabel geeft de evolutie weer van de gemiddelde oppervlakte van de Vlaamse BNVR-resevaten (Belgische Natuur- en Vogelreservaten, 1988)

Oppervlakte reservaten BNVR (Vlaanderen)
  Aantal Totale opp. Gemid. opp. Ref.
1970 12 858 71 (1)
1980 31 1363 44 (2)
1985 54 1847 34 (3)
1988 73 2002 27 (4)
(1) Noirfalise et al. 1970: gecorrigeerde cijfers
(2) BNVR-reservaten brochure 1980
(3) BNVR-reservaten brochure 1985
(4) archief BNVR toestand juni 1988: gecorrigeerde cijfers

De houdbaarheid van deze reservaten wordt op lange termijn bedreigd door invloeden als eutrofiŽring, verzuring, verdroging e.d. Vooral door de kleine oppervlakte is er een grote randwerking en zal het tegengaan van nivellerende omgevingsinvloeden bijzondere inspanningen vragen.

Een belangrijk instrument hierbij is uiteraard de ruimtelijke ordening die de groene en ecologische bestemmingen aangeeft (valleizones, ecologisch waardevolle agrarische gebieden, natuur-, reservaat-, bos- en parkgebieden). De aandacht zal zich in de eerste plaats moeten toespitsen op het realiseren van voldoende grote aaneengesloten gebieden en op de bestemming die aan de omringende gebieden wordt gegeven (omgevingsinvloeden).

Bijkomende beschermingsmaatregelen zoals het beperken van vegetatie- en reliŽfwijzigingen, het tegengaan van (in)directe ontwatering en het vaststellen van maximale bemestingniveaus in de omringende gebieden zullen eveneens noodzakelijk zijn.

Vooral beide laatste maatregelen hebben betrekking op de agrarische sector. De landbouw heeft immers niet alleen via ruimtelijke, maar ook via kwalitatieve invloeden een impact op de betrokken gebieden.

Hiermee is meteen de vraag gesteld naar het controleerbaar maken van een aantal snel toenemende autonome ontwikkelingen in de landbouw. Op eigen initiatief van de landbouwers worden vaak zeer ingrijpende handelingen verricht met het oog op productieverhoging, risicovermindering, teeltomschakeling of arbeidsduurafname. Structuurveranderingen zoals het samenvoegen van kavels en het slopen van levende perceelscheidingen, het scheuren van graslanden, het opvullen van depressies e.d. gebeuren totaal ongecontroleerd en zelfs ongeacht de gewestplanbestemmingen of rangschikkingbesluiten. Om de snelle en irreversibele verdwijning van kwetsbare gebieden op te vangen, zullen geldmiddelen moeten beschikbaar worden gemaakt. De oppervlakte aan waardevolle gebieden in Vlaanderen die op het Gewestplan een groene bestemming kregen, is terug te vinden in de volgende tabel.

Bestemming op gewestplan       Opp. tot. Vlaanderen
  ha %
Landbouw (incl. landsch. w) 812.700 60,1
Landbouw ecol. waarde + vallei 14.300 1,1
Bosgebieden 38.800 2,9
Bosgebieden ecol. waarde 3.100 0,2
Natuurgebieden (N) 76.800 5,7
Natuurreservaten (R) 15.200 1,1
Parkgebieden (P) 21.500 1,6
Overige groen- en bufferzones 28.600 2,1
Recreatie 18.900 1,4
Militaire domeinen 14.800 1,1
Wachtbekken 230  
Ontginning + reserve + uitbr. 10.800 0,8
Industriegeb. + amb. zones 51.500 3,8
Woongebied + uitbr. e.d. 227.900 16,8
Overige bestemmingen 18.070 1,3
     
Totale oppervlakte 1.353.200 100,0


Reservaten en natuurgebieden nemen 92.000 ha voor hun rekening. Wanneer we hieraan de ecologische waardevolle bos- en valleigebieden en het overige groen toevoegen, betekent dit een oppervlakte van ongeveer 150.000 ha, waarvan naar schatting nog 30.000 ha door de landbouw wordt gebruikt.

De genoemde autonome ontwikkelingen zullen in de toekomst dan ook moeten worden gecontroleerd en gecoŲrdineerd, door het incalculeren van ecologische behoeftes in de sector van de landinrichting. Daarbij is het evident dat de natuurreservaten niet als een soort museum moeten worden beschouwd waarin alle "natuur" veilig wordt opgeborgen. Buiten de reservaten moet aandacht worden besteed aan de globale samenhang, waarbij de ecologisch belangrijke landschapselementen de ruggengraat moeten vormen van het ruimtelijk en natuurbeleid. Deze functionele landschapsecologische infrastructuur moet in de open ruimte behouden blijven en de samenhang verzekeren.

Bij dit alles mag evenwel niet uit het oog verloren worden dat ongeacht het feit dat in de meeste reservaten de soortenrijke half-natuurlijke milieutypes via intensief beheer in stand kunnen worden gehouden, er toch heel wat soorten verloren gaan door de algehele achteruitgang van de omgevingskwaliteit, door versnippering, isolatie e.d. Het behoud van de biologische rijkdom zoals die anno 1900 nog bestond, en die vaak als ongeschreven referentiekader geldt, kan dus helaas geen algemene doelstelling zijn. Dit geldt niet enkel omwille van de milieuverslechtering, maar ook omwille van de (financiŽle) haalbaarheid van het beheer.

Het streven naar levensgemeenschappen die met de huidige milieuomstandigheden tot een evenwichtssituatie kunnen evolueren zonder intensief beheer verdient daarom alle aandacht. Het is bijgevolg nodig om in gebieden met potentiŽle ecologische kansen aan natuurontwikkeling te doen.

Daarmee kunnen op relatief korte termijn (minder dan 50 jaar) overtuigende resultaten behaald worden. Hiertoe moet dan wel met een aantal criteria worden rekening gehouden, zoals de beschikbaarheid van voldoende grote oppervlaktes en van abiotische verscheidenheid, de aanwezige en te verwachten ecologische informatie-inhoud, de isolatiemogelijkheden tegenover kwalitatieve verstoringen, de planologische inpasbaarheid of uitvoering als onderdeel van internationale overeenkomsten en de maatschappelijke en economische haalbaarheid.

2.2.2.3. Bossen

De basiswet waarop het bosbeleid in Vlaanderen zich baseert, is het Boswetboek van 19 december 1854, dat vooral de accenten legde op het beheer van het openbaar bospatrimonium, het zgn. onderworpen bos.

Tot in het midden van de 20ste eeuw vormden empirische bepalingen de basis van het bosbeleid en hebben het ontstaan van ťťnzijdig economisch gerichte bossen in de hand gewerkt.

Door de nieuwe maatschappelijke stromingen in de zestiger jaren, gepaard gaande met nieuwe levensbehoeften en Ėkenmerken, werd het bos meer algemeen benaderd en werd het bosbeleid in Vlaanderen afgestemd op het multifunctioneel karakter van het bos.

Deze gewijzigde behoeften leidden tot vragen naar het openstellen van bossen, naar de aanleg van ecologisch meer verantwoorde bossen, naar het instandhouden van schermbossen die geen volwaardige houtproductie opleveren en naar het behoud van bossen met belangrijke natuurbehoudwaarde. In dit verband kan worden gesteld dat de oprichting van 'bosreservaten' deze belangrijke functies kunnen helpen in stand houden, waarbij een oppervlakte van 2000 ha bosreservaten, op te richten op een termijn van 10 jaar, moet worden nagestreefd.

Het werd bovendien duidelijk dat het bos als levensgemeenschap een belangrijke functie te vervullen had met betrekking tot het behoud en de bescherming van een gezonde en aangename leefsfeer. Een minimumoppervlakte bos van 125 ŗ 250 m≤ per inwoner wordt momenteel als een streefcijfer vooropgesteld. Hierbij moet uiteraard rekening worden gehouden met een evenwichtige spreiding van de bebossing over het Vlaamse land. Onderstaande tabel geeft de huidige oppervlakte bos per inwoner weer in de Vlaamse provincies.

Provincie aantal m≤ per inwoner aantal m≤ openbaar bos per inwoner aantal m≤ privťbos per inwoner
Brabant 155 49 106
Antwerpen 240 58 182
O. Vlaanderen 101 11 90
W. Vlaanderen 69 15 54
Limburg 543 258 285


Om de doelstelling van een voldoende aantal m≤ bos per inwoner en een zekere spreiding hiervan te realiseren, zullen uiteraard een aantal maatregelen nodig zijn. De huidige toestand van het Vlaamse bebost patrimonium wordt gekenmerkt door een grote versnippering en een ongelijk verdeelde bebossingsindex. Uit de cijfers blijkt ook dat het grootste deel, nl. bijna 70% van de Vlaamse bossen privaat eigendom zijn. Dit kan men afleiden uit de hiernavolgende tabel.

  Staat Provincie Openb. Inst. Gemeente Privť Totaal
  ha % ha % ha % ha % ha % ha
Antwerpen 3.324 8,8 243 0,7 1.586 4,3 3.766 0,2 27.988 76,0 36.817
Limburg 3.366 9,5 579 1,6 804 2,3 12.108 34,4 18.611 52,5 35.468
O. Vlaanderen 453 3,4 141 1,1 772 5,8 160 1,2 11.801 88,5 13.327
W. Vlaanderen 982 13,4 57 0,8 474 0,5 112 1,5 5.680 77,8 7.305
Vl. Brabant 5.158 24,2 - 0,0 810 3,8 242 1,1 15.093 70,9 21.303
  13.193 11,6 1.020 0,9 4.446 3,9 16.388 14,4 79.173 69,3 114.220


De oppervlakte aan bossen alleen zegt uiteraard niet alles. Van kapitaal belang is ook de 'gezondheidstoestand' van de Vlaamse bossen. Uit recente cijfers blijkt dat het slechts met een goede 53% van onze bossen echt goed gaat.

Toestand van de Vlaamse bossen in 1987
Toestand Klassen percentage
Volledig gezond Klasse 0 53,8 %
Risicogroep Klasse 1 35,8 %
Groep met schade Klasse 2 8,9 %
Groep met schade Klasse 3 2,5 %
Groep met schade Klasse 4 0,0 %


Hierbij moet worden opgemerkt dat de situatie voor oudere bomen ongunstiger is dan voor de jonge bomen.
De situatie verschilt ook al naargelang het gaat over loof- dan wel over naaldbomen. Bekijken we de toestand van de loofbomenbestanden dan is de toestand in vergelijking met 1987 weinig verbeterd. Het percentage bomen met duidelijke schade (klasse 2-3-4) is verminderd van 16 tot 10%. De situatie van de naaldboombestanden is daarentegen over het algemeen slechter dan in 1987. Het aandeel bomen met duidelijke schade is toegenomen van 4,7% in 1987 tot 10,8% in 1988.

De impact van de individuele schadefactoren is hierbij belangrijk. Aantastingen door schimmels of insecten zijn in bepaalde omstandigheden duidelijk te determineren. Toch zijn de meer chronische en versluierend inwerkende factoren, met name luchtverontreiniging (zure regen), eveneens belangrijk. Hoewel zij minder gemakkelijk determineerbaar zijn, kan met grote zekerheid hun schadelijke invloed verondersteld worden.

In Vlaanderen is in dit verband een onderzoek gestart, met als hoofddoel de kennis te vergroten inzake luchtverontreiniging in de bossen en de mogelijke gevolgen ervan op het bosecosysteem. Hiervoor wordt informatie verzameld over de mogelijke correlatie tussen boomvitaliteitstoestand en de groei enerzijds, en verontreinigingsparameters anderzijds.

Het onderzoek gebeurt aan de hand van permanente proefvlakken, uitgezet in 10 bosgebieden in Vlaanderen, d.w.z. 2 per provincie. Met de metingen in de proefvlakken werd in februari 1988 gestart. Tot op dit ogenblik zijn echter nog geen resultaten bekend.

2.2.2.4. Fauna en flora

Het verdwijnen van soorten uit onze fauna en flora is geen nieuw fenomeen. In 1969 meldden Delvosalle en medewerkers (1969) dat 114 van de ongeveer 600 inheemse mossen- en levermossensoorten verdwenen (19%) en dat nogmaals 34 soorten met verdwijning bedreigd (12%) waren.

Van de ongeveer 1300 plantensoorten, die als inheems in BelgiŽ werden beschouwd, waren 71 soorten zeer bedreigd en 227 soorten vertoonden een min of meer uitgesproken regressie over geheel BelgiŽ of over belangrijke delen ervan. 23% van de inheemse flora moest dus als min of meer bedreigd beschouwd worden.

Tevens werd berekend dat voor een kleine 200 zeldzame soorten, het gezamenlijk aantal groeiplaatsen voor ĺ verloren was gegaan.

Later kwam onder toenemende druk van het milieubewustzijn en de natuurbeschermingsorganisaties de wet op de bescherming van de bedreigde inheemse plantensoorten tot stand (februari 1976). Bedreigde soorten kunnen beschreven worden als soorten die, binnen een bepaald territorium, door hun acute zeldzaamheid of door de snelheid waarmee ze in een gestaag proces zeldzamer worden, een kritiek stadium in hun voortbestaan binnen dit territorium bereikt hebben of op weg zijn om dit te bereiken.

De minimale perioden die worden vooropgesteld vooraleer een soort als verdwenen beschouwd wordt, beslaat in Nederland 50 jaar en in BelgiŽ slechts 20 jaar. Wat BelgiŽ betreft is dit zeker te kort, maar beide limieten blijven behouden omdat ze een zinvolle gradatie vormen naar de categorieŽn van zeer zeldzame soorten. De verdwenen soorten bestaan voor een groot deel uit akkeronkruiden van kalkrijke gronden.

Als zeer bedreigde soorten worden diegenen beschouwd die uiterst zeldzaam (geworden) zijn, d.w.z. die in minder dan 0,23% van het Belgisch grondgebied voorkomen.

Soorten die bedreigd worden in de toekomst hebben vooral betrekking op soorten die in zeer grote mate zeldzamer geworden zijn. Als hun teruggang op dezelfde wijze zou aanhouden, is hun verdwijning in de toekomst niet denkbeeldig.

Volgens de thans gehanteerde criteria en normen zijn 352 op 1408 soorten, d.w.z. 25% van de Belgische flora (Vanhecke, 1985), zo zeldzaam of zo zeldzaam geworden dat ze bedreigd tot zeer bedreigd zijn. Op langere termijn zou dit aandeel tot 32,6% kunnen oplopen, wat wil zeggen dat bijna 1 op 3 soorten zouden verdwijnen. De uitbreiding van het aantal reservaten tussen 1969 en 1985 is vermoedelijk een belangrijke bijdrage geweest tot de stabilisering van de teruggang van de bedreigde soorten uit de meest bedreigde, min of meer gespecialiseerde milieus (Vanhecke, 1985).

In de tabel op volgende bladzijde wordt een overzicht gegeven van de verdwenen en bedreigde soorten uit BelgiŽ.

In bijgaande figuur wordt duidelijk aangegeven welk deel van de diverse categorieŽn bedreigde soorten (cat. 3-15) bij wet beschermd wordt. Voor de sterk bedreigde soorten (cat. 3-9) bedraagt dit aandeel gemiddeld 17,3%, voor de bedreigde soorten (cat. 10-13) 22,2% en voor de op termijn bedreigde soorten (cat. 14-15) 33,6%.

Overzicht verdwenen bedreigde soorten in BelgiŽ
  1969
(Lawalrťe & Delvosalle)
1985
Wilde planten Ī 1300 1408
Verdwenen 59 73
Bedreigd 298 = 22,9 % 352 = 25,0 %
(B! + B)
459 = 32,6 %
(B! + B + Ī B)


Het feit dat het aantal beschermde soorten relatief groter wordt naarmate zij minder bedreigd zijn, is een rechtstreeks gevolg van de beginopties bij het opstellen van de categorieŽn beschermde planten. Ook worden enkele soorten beschermd die op geen van de lijsten met bedreigde soorten voorkomen. Van ťťn van deze soorten, met name de moerasorchis, was de laatst bekende Belgische groeiplaats al vernietigd voor het in voege treden van de wet.

Het zal duidelijk zijn dat de bescherming van de plantensoorten, zoals dit bij wet gebeurde in BelgiŽ, geen doelmatig middel is om het behoud van de talrijke bedreigde soorten te bekomen. Zelfs indien de lijsten met beschermde soorten zouden aangepast worden, d.w.z. een aantal soorten schrappen, een aantal andere opnemen, verschillende lijsten voor Laag- en Hoog-BelgiŽ invoeren, dan zou zich nog steeds het probleem stellen dat sommige van onze interessante soorten een bescherming zouden genieten die in werkelijkheid weinig waarde heeft.

De bescherming van de bedreigde soorten kan alleen maar slagen als in de uitbouw van een dichter net van reservaten zou worden voorzien. Hierbij zijn in de eerste plaats naast aangepaste wetten ook meer financiŽle middelen noodzakelijk. Natuurgebieden en -reservaten staan onder invloed van verschillende externe factoren. Zo zal het water in en uit een natuurreservaat stromen, kunstmest waait erin, vogels broeden in het reservaat, maar gaan voedsel zoeken in het landbouwgebied. Om een juist begrip te hebben van wat er zich in het milieu en de levensgemeenschappen afspeelt, is het noodzakelijk dat men het gebied landschapsecologisch kan situeren in zijn ruimere omgeving. Wat milieu betreft zijn voor onze streken dan vooral de waterhuishouding en de voedingsstoffenvoorziening van belang.

Het uitwendig beheer moet erop gericht zijn de juiste kwaliteit en kwantiteit van het water in het natuurgebied te krijgen en de uitlaat ervan zo te regelen dat de noodzakelijke peilen, schommelingen en verblijftijden behouden blijven. Dit is echter niet eenvoudig. Het water wordt immers steeds beÔnvloed door de activiteiten in de omgeving. Wateronttrekkingen kunnen een invloed hebben op de bodemwaterhuishouding wanneer er een rechtstreeks verband bestaat tussen het bodemvocht in de bodemzone en de vrije grondwaterspiegel. De grootte van deze invloed zal eveneens afhankelijk zijn van de aard van het bodemmateriaal, omdat het rententievermogen van een bodem in de eerste plaats bepaald wordt door de structuur en de textuur van het bodemmateriaal.

Naast de gevolgen voor de landbouw kan het winnen van water ook natuurlijke ecosystemen ontregelen. Verlaging van het freatisch water kan als gevolg hebben dat vijvers, vennen en bronnen geleidelijk minder water bevatten, waardoor bepaalde diersoorten gaan verdwijnen. Als gevolg van een geringere grondwatertoevoer in de beken zal ook het eventueel verontreinigd oppervlaktewater minder verdund worden, wat dan weer weerslag kan hebben op de fauna en flora langs en in open waters.

Een specifiek probleem in verband met grondwateronttrekking is de verzilting van poldergronden. Door de kunstmatige verlaging van de grondwaterstand in deze gebieden, kan dit aanleiding geven tot kwel van zout water. Het water zal zich vooral naar de wortelzone begeven en daar een duidelijke invloed hebben op de flora en fauna van het betrokken gebied.

Een ander probleem vormt het verzilten van het grondwater in landbouwgebieden en bij drinkwaterwinning. In het eerste geval berokkent een te hoog zoutgehalte schade aan de gewassen en planten, terwijl wat de drinkwaterproductie betreft het doorvoeren van een ontzilting dure technieken en installaties vereist.

Instromend oppervlakte- en grondwater wordt geŽutrofieerd door overbemesting en de lozing van huishoudelijk afvalwater. Peilverlaging van het grondwater in de landbouwzone veroorzaakt moeilijkheden bij het handhaven van een voldoende hoog peil en natuurlijke schommelingen van de watertafel in de natuurgebieden. Gebeurt stroomopwaarts van het reservaat een drainage, dan kan het gebied droog komen te liggen. Wordt er daarentegen stroomafwaarts gedraineerd, dan staat het reservaat teveel water af aan de omgeving.

Als gevolg van de hoge hoeveelheden stikstof en fosfor die in het oppervlakte- en grondwater terechtkomen, gaat er verruiging van de soorten optreden. Stikstofminnende planten gaan massaal optreden en de plaats innemen van de oorspronkelijke pioniersvegetatie. Akkerdistel, speerdistel, kruldistel en kale jonker als distelsoorten, en de grote brandnetel zijn de voornaamste verruigende soorten die moeten bestreden worden. Deze laatste plant is echter een habitat voor vele insectensoorten, waaronder een aantal vlindersoorten. De bestrijding van de grote brandnetel is dan ook bij wet nog niet verplicht, terwijl dit voor de ander genoemde plantensoorten wel het geval is.

Het aantal bedreigde, verdwenen en niet-bedreigde (hogere) plantensoorten, dagvlindersoorten en loopkeversoorten in BelgiŽ en sprinkhanen in Vlaanderen en tevens hun aandeel in percent ten opzichte van het totaal aantal soorten wordt in de volgende diagrammen weergegeven. Voor plantensoorten is de toestand gegeven voor 1969 en 1985.

Onder invloed van menselijke activiteiten zijn veranderingen in de fysische waterkwaliteit te bemerken. Reeds eeuwenlang worden rivieren gereguleerd ten behoeve van de economische belangen van de mens.

Het verharden en dus ondoordringbaar maken voor regenwater van grote landoppervlakken (woongebieden, industrieterreinen, wegen, Ö) heeft piekdebieten tot gevolg. Bovendien werd het natuurlijk debiet van elke waterloop verhoogd door de aanvoer van een grote stroom afval- en drainagewater. De natuurlijke overstromingsgebieden worden steeds meer door landbouw en bebouwing ingenomen.

De natuurlijke relaties tussen de rivier en haar vallei, evenals de natuurlijke energiebalans van de rivier worden verstoord door werken als het rechttrekken, verbreden en uitdiepen van de oorspronkelijke rivier, het uitvoeren van oeververstevigingswerken en het bedijken van de waterloop.

Verder verarmen slijk- en kruidruimingen zowel de plantengroei als de gemeenschap van ongewervelden, vissen, vogels en zoogdieren.

De situatie van de visfauna in de stromende wateren van Vlaanderen is ronduit slecht. Het ergst getroffen zijn Schelde- en IJzerbekken, maar ook in het Maasbekken is de toestand zorgwekkend. Niet alleen komt in het grootste deel van onze Vlaamse beken en rivieren bijna geen vis meer voor ten gevolge van de watervervuiling, bovendien stellen we vast dat reeds een aantal soorten uitgestorven zijn en er staan er nog veel meer op het punt te verdwijnen.

De bescherming van de fauna werd vastgelegd via Koninklijk Besluit van september 1980. De bescherming van de hogere dieren wordt in mindere of meerdere mate beschermd door het K.B. van 1981, betreffende de bescherming van de volgens in het Vlaamse Gewest en het uitvoeringsbesluit van de wet van juli 1954 op de riviervisserij. Een verdere integratie met de uitvoeringsbesluiten van de jachtwet en de wet op de riviervisserij zouden moeten nagestreefd worden.

Het statuut van een aantal zoogdieren, vogels en een aantal vissen, werd opnieuw nagekeken, rekening houdend met de Richtlijn van de EEG (1979), betreffende het behoud van de vogelstand en het door BelgiŽ nog niet goedgekeurd verdrag van Bern van september 1979 inzake het behoud van de wilde fauna en flora en hun leefmilieu. Ondertussen werden 23 EEG-Vogelrichtlijn-gebieden aangeduid volgens de richtlijn 79/409. Hun respectievelijke oppervlakten met betrekking tot hun bestemming op het gewestplan worden in volgende tabel weergegeven.

Bestemming op gewestplan Opp. tot. Vlaanderen Voorstel 23 bescherm. zones EEG-vogelrichtlijn Besch x 100
  ha % ha % Vl.
Landbouw (incl. landsch. w) 812.700 60,1 36.640 36,0 4,5
Landbouw ecol. waarde + vallei 14.300 1,1 5.950 5,8 41,6
Bosgebieden 38.800 2,9 6.060 6,0 15,6
Bosgebieden ecol. waarde 3.100 0,2 2.650 2,6 85,5
Natuurgebieden (N) 76.800 5,7 15.780 15,5 20,5
Natuurreservaten (R) 15.200 1,1 10.090 9,9 66,4
Parkgebieden (P) 21.500 1,6 430 0,4 2,0
Overige groen- en bufferzones 28.600 2,1 280 0,3 1,0
Recreatie 18.900 1,4 220 0,2 1,2
Militaire domeinen 14.800 1,1 10..30 9,9 67,8
Wachtbekken 230   220 0,2 95,7
Ontginning + reserve + uitbr. 10.800 0,8 1.030 1,0 9,5
Industriegeb. + amb. zones 51.500 3,8 3.830 3,8 7,4
Woongebied + uitbr. e.d. 227.900 16,8 2.770 2,7 1,2
Overige bestemmingen 18.070 1,3 5.840 5,7  
Totale oppervlakte 1.353.200 100,0 101.820 100,0 7,5






HOODSTUK III

DOELSTELLINGEN VAN HET MILIEU- EN NATUURBELEID




In het vorige hoofdstuk werden de diverse vormen van verontreiniging en verstoring van onze leefomgeving geschetst. Dat er dringend moet worden opgetreden, is duidelijk, maar de vraag is daarbij uiteraard wat we willen bereiken, wat de liberale visie is op een leefbare omgeving.

Een leefbare omgeving veronderstelt in de eerste plaats een proper milieu, en dus een belangrijke reductie van milieuproblemen. Zoals echter in het eerste hoofdstuk geschetst, zal hierbij rekening moeten gehouden worden met het onvermijdelijke streven naar meer economische welvaart. Economische en ecologische aspiraties moeten op elkaar worden afgestemd, zodat een duurzame ontwikkeling kan tot stand komen.

De belangrijkste voorwaarde hiervoor, en dus ook de belangrijkste doelstelling van het milieubeleid, is het instandhouden van het draagvermogen van het milieu, dat nodig is om deze duurzame ontwikkeling mogelijk te maken.

Deze draagkracht van het milieu wordt momenteel ernstig bedreigd door een dusdanige aantasting van de algemene milieukwaliteit dat gezondheidsproblemen ontstaan, dat het welzijn wordt aangetast door diverse vormen van hinder, dat planten- en diersoorten uitsterven, dat de voorraad en zuiverheid van het water wordt aangetast, dat de bodemvruchtbaarheid achteruitgaat, dat de algemene leefbaarheid van de ruimte wordt aangetast, Ö

Op termijn betekenen al deze fenomenen uiteraard een belangrijke maatschappelijke meerkost, die een rem kan zijn op de vereiste economische ontwikkeling. De omvang van deze problemen, en dus ook de kosten nodig om ze weg te werken, zijn momenteel dusdanig opgelopen dat oplossingen en doelstellingen enkel zullen kunnen worden gerealiseerd op een termijn van 10 ŗ 20 jaar, afhankelijk van de aard van de problemen en schaalniveaus waarop ze zich voordoen.
    Op het mondiale vlak spelen fenomenen als klimaatsverandering door het broeikaseffect en de aantasting van de stratosferische ozonlaag. Een internationale aanpak zal noodzakelijk zijn, waarin ook kleine landen een aandeel moeten hebben. De mondiale uitstoot van broeikasgassen, zal moeten worden teruggedrongen of op zijn minst gestabiliseerd tegen 2010. Voor stoffen die de ozonlaag aantasten, zal dit reeds tegen het einde van deze eeuw moeten zijn gebeurd. In een tweede fase zullen deze emissies nog verder moeten worden gereduceerd zodat:
    ē de gezondheidsrisico's voor mensen, planten en dieren op een verwaarloosbaar niveau worden gebracht;
    ē natuurlijke hulpbronnen - waaronder het landbouwareaal - niet verder worden aangetast.
Om deze doelstellingen te bereiken zullen de mondiale emissie van stoffen die de ozonlaag aantasten, tegen 2000 moeten worden gereduceerd tot nul. De mondiale CO2-uitstoot moet tegen 2010 worden gehalveerd. Rekening houdend met een onvermijdelijke groei in de derde wereld, betekent dit dat de geÔndustrialiseerde wereld zijn emissies in deze periode moet terugdringen met 90%. De instandhouding van tropische bossen en de bescherming van de oceanen moet worden nagestreefd opdat deze hun stabiliserende functie zouden kunnen blijven spelen. De inkrimping van het areaal aan tropisch bos moet tegen 2000 tot staan worden gebracht.
De Vlaamse (of Belgische) bijdrage aan de oplossing van de mondiale milieuproblemen zal uiteraard beperkt zijn, wat niet belet dat ook in eigen land maatregelen kunnen worden genomen, of dat BelgiŽ in internationaal verband niet zou kunnen ijveren voor dergelijke oplossingen.
    Op het continentale, Europese vlak, moeten de verontreinigende stoffen dermate worden teruggedrongen dat:
    ē belangrijke ecosystemen op zowel het land als in zoet en zout water, zonder continue ingrijpende maatregelen kunnen blijven voortbestaan;
    ē de gezondheids- en welzijnsrisico's verwaarloosbaar zijn;
    ē de kwaliteit van het landbouwareaal duurzame landbouw toelaat;
    ē het grondwater een zodanige kwaliteit heeft dat het voldoet aan de normen voor drinkwaterbereiding.
Hiervoor zullen tegen 2010 emissiereducties in de orde van grootte van 80 ŗ 90% nodig zijn voor verontreiniging van de lucht met verzurende stoffen, koolwaterstoffen en moeilijk afbreekbare stoffen zoals zware metalen. Bossen en andere natuurgebieden moeten hiervoor maximaal worden in stand gehouden. De kans op rampen met gevolgen op continentale schaal zal moeten worden verminderd. BelgiŽ moet daarom in de eerste plaats de Europese milieuwetgeving in de praktijk omzetten. Het verdient daarnaast de voorkeur dat voor zoveel mogelijk problemen oplossingen in Europees verband worden uitgewerkt. Dit laat niet alleen toe dat een continentale aanpak van de problemen wordt ontwikkeld, maar ook dat tussen de Europese landen de concurrentie zou worden verstoord door unilaterale maatregelen (in positieve of negatieve zin).
    De Vlaamse oppervlaktewateren moeten een dusdanige kwaliteit bezitten dat:
    ē in alle oppervlaktewateren kan worden gezwommen zonder gezondheidsrisico's;
    ē de rivieren leefbaar zijn voor planten en vissen;
    ē de accumulatie van niet-afbreekbare stoffen in de waterbodems een natuurlijk niveau bereikt, zodat het slib zonder speciale behandeling bruikbaar wordt voor andere bestemmingen dan afvalstorten;
    ē het risico op verontreiniging van stranden en oevers een aanvaardbaar peil bereikt.
Voor een aantal stoffen zullen daarom drastische emissiereducties nodig zijn tegen 2010, in een grootteorde van 70 ŗ 90%. Dit geldt o.m. voor vermestende stoffen, zware metalen, bepaalde koolwaterstoffen en bestrijdingsmiddelen. Gezien het schaalniveau (regionaal) waarop deze verstoringen van de milieukwaliteit spelen kunnen hier zowel op Vlaams als nationaal niveau ingrijpende maatregelen worden genomen, ook al zullen samenwerking en afspraken met de buurlanden en -gewesten noodzakelijk zijn.
    De Vlaamse bodem, lucht en ruimtelijke inrichting moeten in 2010 een kwaliteit bezitten die:
    ē de gezondheid niet langer aantast;
    ē duurzame landbouw ťn de productie van hoogwaardige producten toelaat zonder blijvende ingrijpende maatregelen;
    ē de zuiveringsinspanningen voor drinkwaterbereiding uit grondwater tot een minimum beperkt;
    ē de vitaliteit van ecosystemen niet aantast;
    ē een aangenaam en leefbaar stedelijk en landelijk klimaat realiseert;
Een reductie met 70 ŗ 90% van vermestende, verzurende en moeilijk afbreekbare stoffen is daarvoor nodig tegen 2010. Dezelfde cijfers gelden ten aanzien van de reductie van de hoeveelheid afval die wordt gestort. Tegen 2010 moeten alle zwaar verontreinigde locaties (black points) zijn gesaneerd, terwijl onmiddellijk voor bestaande en nieuwe activiteiten strengere normen en voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen. Er zal via de ruimtelijke ordening moeten ingegrepen worden om verdere versnippering van de open ruimtes door bebouwing, verkeer en (para-agrarische) industriŽle vestigingen tot een minimum te beperken. Dit moet gepaard gaan met een strikte bescherming van bestaande en nieuwe natuurgebieden, rekening houdend met de uitbouw van de ecologische infrastructuur en van bufferzones. De mogelijkheden om de gestelde doelstellingen te bereiken, liggen grotendeels binnen de Vlaamse mogelijkheden, gezien het schaalniveau waarop de storingen spelen in vergelijking met de vorige niveaus geografisch beperkter is, en de externe beÔnvloeding dus kleiner.

Op lokaal niveau moet de milieukwaliteit dusdanig zijn dat:
    ē de gezondheidsrisico's in de directe leefomgeving en het binnenmilieu verwaarloosbaar zijn, zonder grote inspanningen of beperkingen inzake woonkeuze, woongedrag en activiteiten binnen de woning;
    ē ook in de steden een kwalitatief goed leefmilieu bestaat, zodat de integratie van wonen en werken niet wordt belemmerd;
    ē het buitenmilieu in de directe woonomgeving en de steden aantrekkelijk is en het voortbestaan van ecosystemen van de bebouwde omgeving toelaat;
    ē de bedrijven beschikken over goede vestigingsmogelijkheden, waarbij aan de voorwaarden voor duurzame ontwikkeling is voldaan;
    ē het risico van verstoring door ongevallen met vaste installaties en transport aanvaardbaar is;
    ē de bodemkwaliteit geen beperkingen oplegt aan de bestemmingswijzigingen van gronden.
Om dit te bereiken zullen verstoringen van het milieu door stank, geluid, gevaarlijke (o.a. radioactieve) stoffen met 70 ŗ 90% moeten worden teruggedrongen. De ruimtelijke ordening zal hierbij, gezien de sterke plaatsgebondenheid van vele problemen, een belangrijke rol moeten spelen. Alle mogelijkheden om de doelstellingen te bereiken, liggen in principe binnen het bereik van de Vlaamse en nationale overheid.

top