www.liberaalarchief.be
CONGRES VAN DE PARTIJ VOOR VRIJHEID EN VOORUITGANG
OOSTENDE, 5-6 mei 1990
KIEZEN OF VERLIEZEN - HET PVV-MILIEUBELEIDSPLAN 1990-2010
CONGRESRESOLUTIES (2)


DEEL II MILIEUBELEIDSMAATREGELEN




HOOFDSTUK I

MILIEUHYGIňNE


1. BODEM

Vervuilingniveau: BODEM

Contaminant: 1.1. fosfaat (P205)

Bron: landbouw (bemesting)

Toestand :
    42.600 ton/jaar kunstmest
    93.700 ton/jaar dierlijke mest
    136.300 ton/jaar = 224 kg/ha/jaar
    (op basis van 609.000 ha cultuurgrond, 1988)
Doelstelling: 136.300 ton - 54.700 ton (opgenomen door gewassen) = 81.600 ton/jaar te veel, d.i. een reductie met 60% tegen 2010 (dit komt overeen met een gemiddelde fosfaataanvoer van 90 kg/ha/jaar). Tegen 2000 moet als tussentijdse doelstelling een fosfaatnorm van 125 kg/ha/jaar worden nagestreefd, d.i. een reductie met 44%.

Maatregelen: 1. Een eerste reeks maatregelen die moeten genomen worden, behelzen het aanmoedigen van het gebruik van dierlijke mest door het terugdringen van kunstmest. Drie maatregelen dringen zich op:
    ē de invoering van een gedifferentieerde fiscaliteit, waardoor het gebruik van kunstmest wordt ontmoedigd, dient te worden ingevoerd;
    ē het stimuleren van de kunstmestindustrie om over te schakelen naar mestverwerking door het invoeren van een verhoogde investeringsaftrek van 10 percentpunten voor investeringen in mestverwerking;
    ē het verhogen van de middelen voor wetenschappelijk onderzoek naar mestverwerking;
2. De blijvende mestoverschotten dienen te worden weggewerkt door volgende maatregelen:
    ē Een volledig verbod moet worden ingesteld op de oprichting van nieuwe of de uitbreiding van bestaande varkenshouderijen die niet bij een mestbank zijn aangesloten.
    ē De bestaande varkenshouderijen dienen ertoe te worden aangezet aan te sluiten bij private mestbanken (d.z. bedrijven wiens activiteiten erin bestaan mestoverschotten in te zamelen en te zoeken naar land- en tuinbouwers die deze kunnen gebruiken, waarbij de mestbank al dan niet zelf instaat voor het vervoer), zodat ze met hun mestoverschotten hierbij terecht kunnen. Per landbouwbedrijf moet daarom een mineralenbalans worden bijgehouden. Bij aanwezigheid van mestoverschotten worden landbouwbedrijven die niet bij een mestbank zijn aangesloten of mestbanken die hun overschotten niet kwijtraken, gesanctioneerd via een heffingensysteem.
    ē Dit heffingsysteem moet op een lineaire basis worden berekend. Aangezien de vervuiling per dier even groot is in een groot als in een klein bedrijf, is het bestaande heffingsysteem zowel onrechtvaardig als ondoelmatig en moet het dan ook worden veranderd. Grote bedrijven kunnen er aan ontsnappen door zich op te splitsen in een aantal kleinere bedrijven.
    ē Aansluitend moet er in een overgangsperiode van vijf jaar een bijkomende stimulans gegeven worden aan varkenshouders die hun bedrijf stopzetten, door binnen de bestaande LIF-kredieten een verhoogde uittredingspremie te voorzien.
3. Na vijf jaar zal een herevaluatie van het mestprobleem moeten worden gemaakt, waarbij tot strengere maatregelen kan worden overgegaan. In de eerste plaats moet hierbij gedacht worden aan het afschaffen van de steunmaatregelen vanwege zowel de EG als vanwege het Landbouwinvesteringsfonds voor de bio-industrie en het meer richten van het landbouwsubsidiebeleid op de cereale landbouw.

4. Om uitspoeling van mineralen en structuurdegradatie van landbouwgronden tegen te gaan, moet het gebruik van groenbemesters worden aangemoedigd of gedurende bepaalde periodes zelfs worden verplicht gesteld.

5. Bovenstaande maatregelen gelden ten aanzien van de overmatige aanrijking van de bodem met zowel fosfaten, stikstofverbindingen als kalium. Vooral ten aanzien van de aanrijking van mest met fosfaten dienen deze te worden aangevuld met de invoering van een gedifferentieerde fiscaliteit die gericht is op het stimuleren van fosfaatarme veevoeders.

Vervuilingsniveau: BODEM

Contaminant: 1.2. stikstof (N-verbindingen)

Bron: landbouw (bemesting)
N in zure neerslag

Toestand:
    89.198 ton/jaar (kunstmest)
    174.982 ton/jaar (dierlijke mest)
    24.355 ton/jaar (atmosferische depositie)
    288.535 ton/jaar = 474 kg/ha/jaar (609.000 ha cultuurgrond, 1988).


Doelstelling: 288.500 ton/jaar - 174.000 ton/jaar (142.000 ton opname gewassen en 32.000 ton denitrificering) = 114.500 ton/jaar (= gemiddelde van 300 kg/ha/jaar), dit is een reductie met 37% tegen 2000. Deze norm dient ook naar 2010 toe als maximum te worden aangehouden.

Maatregelen:

1. Om de stikstofaanrijking van de bodem door meststoffen tegen te gaan, moeten dezelfde maatregelen genomen worden als voor de bestrijding van het globale mestoverschot.

2. Daarnaast moet via een systeem van gedifferentieerde verbruiksbelasting het gebruik van stikstofarme veevoeders worden gestimuleerd.

3. Daarenboven moet de stikstofaanrijking van de bodem vanuit atmosferische depositie worden teruggedrongen door de maatregelen die voorgesteld werden om de uitstoot van stikstof in de lucht aan te pakken (zie infra "lucht").

Vervuilingsniveau: BODEM

Contaminant: 1.3. kalium (K2O, kaliumoxide)

Bron: landbouw (bemesting)

Toestand:
    60.000 ton/jaar (kunstmest)
    205.000 ton/jaar (dierlijke mest)
    265.000 ton/jaar


Doelstelling: 265.000 ton/jaar - 140.000 ton/jaar (opname door gewassen) = 125.000 ton/jaar, dit is een reductie met 47% tegen 2000. Deze norm dient ook als maximum te worden aangehouden naar 2010 toe.

Maatregelen: De aanrijking van de bodem met kaliumoxide dient te worden bestreden via dezelfde maatregelen als voorgesteld inzake het wegwerken van het mestoverschot.

Vervuilingsniveau: BODEM

Contaminant: 1.4. pesticiden

Bron: voornamelijk landbouw

Toestand: 9000 ton/jaar (1987, uitgedrukt in gewicht werkzame stof)

Doelstelling: moeilijk te omschrijven bij gebrek aan precieze gegevens

Maatregelen:

1. Een grondig wetenschappelijk onderzoek naar de precieze toestand in diverse gebieden en de gevolgen van concentraties van pesticiden in de verschillende bodemsoorten is noodzakelijk. Tevens moet het wetenschappelijk onderzoek aandacht blijven besteden aan bio-technologie en geÔntegreerde bestrijding.

2. In de mate van het mogelijke moet worden overgeschakeld van niet-afbreekbare naar afbreekbare pesticiden. Het gebruik van afbreekbare stoffen moet worden aangemoedigd door een stelsel van gedifferentieerde fiscaliteit.

3. De gebruiker van pesticiden moet een degelijke voorlichting krijgen over de stoffen die hij wil gebruiken, met precieze informatie over de werkzaamheid van de stoffen en te gebruiken hoeveelheden. In de eerste plaats is dit een taak voor de landbouwopleiding en bijscholing. Het verstrekken van deze informatie door de verdelers zelf geeft immers onvoldoende waarborgen dat de voorlichting afdoende rekening houdt met de milieugevolgen.

4. Het gebruik van sproei-installaties die verlies of overmatige toediening van pesticiden beperken, moet worden aangemoedigd, door het voorzien van de verhoogde investeringsaftrek en door de toekenning van de beschikbare kredieten van het Landbouwinvesteringsfonds te richten op de omschakeling naar deze nieuwe sproei-installaties.

Vervuilingsniveau: BODEM

Contaminant: 1.5. zware metalen - landbouw

Bron: landbouw (cadmium in fosfaathoudende kunstmest, koper en zink afkomstig uit veevoeders in mengmest)

Toestand: geen globaal beeld; gevoeligheid van de bodem is afhankelijk van de samenstelling (zand, klei)

Doelstelling: tegen 2010 moeten kunstmest en veevoeders volledig vrij zijn van zware metalen.

Maatregelen:

1. Gezien de beperkte beschikbare informatie over de precieze vervuiling van de bodem door zware metalen moet in de eerste plaats een systematische kwantificering en kartering van de vervuiling worden doorgevoerd.

2. In afwachting van eventuele strengere maatregelen die uit dit systematisch onderzoek kunnen worden afgeleid, moeten voor wat de sporenelementen, afkomstig van kunstmest, aangaat, dezelfde maatregelen worden genomen als op het vlak van de mestoverschotten.

3. Inzake de metalen koper en zink die als additief aan veevoeders worden toegevoegd, moet een gedifferentieerde fiscaliteit worden gehanteerd waardoor gebruik van veevoeders die arm aan of vrij van deze additieven zijn, wordt gestimuleerd.

Vervuilingsniveau: BODEM

Contaminant: 1.6. zware metalen Ė industrie

Bron: industrie

Toestand: jaarlijkse aanrijking met zware metalen door stofneerslag (in mg/m≤/jaar): cadmium: 0,001 (rurale gebieden) ŗ 0,025 (industriegebieden); lood: 0,25-0,5 (ruraal) ŗ 2,5 (industrie); mangaan: 0,02-1,0 (ruraal) ŗ 1,5 (industrie); nikkel: 0,02-0,06 (ruraal) ŗ 0,5 (industrie).
Nabij ertsverwerkende bedrijven werden hogere waarden vastgesteld.

Doelstelling: de emissies van zware metalen mogen zeker niet verder toenemen boven het huidige niveau. Tegen 2010 moeten de imissies van zware metalen in de lucht aan volgende normen voldoen:
WHO-normen voor cadmium (0,001-0,005 microgram/m≥ (landelijk) ŗ 0,010-0,020 microgram/m≥ (stedelijk) jaargemiddeld), lood (0,5-1,0 microgram/m≥ jaargemiddeld), mangaan (1,0 microgram/m≥ jaargemiddeld), vanadium (1,0 microgram/m≥ daggemiddeld); nulwaarden voor arseen, nikkel, chroom-VI (kankerverwekkend)

Maatregelen:

1. Normeringen inzake de emissies van zware metalen door de industrie moeten worden vastgelegd in de exploitatievergunning.

2. Voor de vervuiling door zware metalen door de bestaande industrie moeten de bodemimissienormen worden vastgelegd. Bij sluiting of overname moet een bodemanalyse worden gedaan. In geval een sanering noodzakelijk is, moeten de kosten hiervan gedragen worden door de laatste eigenaar.

Vervuilingsniveau: BODEM

Contaminant: 1.7. zware metalen - verkeer

Bron: verkeer (loodoxide, afkomstig van verbranding van benzine)

Toestand: niet gekwantificeerd; plaatselijke verontreiniging langsheen autowegen

Doelstelling: volledige reductie van de loodemissies door het verkeer tegen 2010

Maatregelen: De uitstoot van loodoxide door het verkeer moet worden tegengegaan door de bij het hoofdstuk luchtverontreiniging voorgestelde maatregelen inzake loodvrije benzine en aardgas.

Vervuilingsniveau: BODEM

Contaminant: 1.8. olie en chemicaliŽn

Bron: verlies bij opslag en productie: particulieren (50-60%) bedrijven (20-30%), tankstations (10-20%), landbouw (minder dan 5%) (verhoudingen Nederland)

Toestand: 11 miljoen liter/jaar (Nederland); voor Vlaanderen ligt deze hoeveelheid in dezelfde grootteorde, maar precieze cijfers zijn niet bekend.

Doelstelling: maximaal wegwerken van verlies tegen 2010

Maatregelen:

Wat het verlies van olie en chemicaliŽn door particulieren en bedrijven aangaat, dienen volgende maatregelen te worden genomen:

1. Voor particulieren moet het vervangen van 10 jaar oude tanks worden gestimuleerd, door de prijs van de nieuwe tanks fiscaal aftrekbaar te maken van het netto-belastbaar inkomen. Het aftrekbaar bedrag beloopt de helft van het niet door subsidies gedekte gedeelte van de uitgaven, met een maximum van 100.000 fr. en de installatie van de nieuwe tank moet gebeuren door een geregistreerd aannemer.

2. Ten aanzien van de constructie en installatie van opslagtanks moet worden voorzien dat nieuwe tanks ofwel in een afdekkingsput worden geplaatst, ofwel dat gebruik wordt gemaakt van dubbelwandige tanks of van tanks in kunststof dat niet aan corrosie onderhevig is. Het verbod op het gebruik van deze laatste tanks moet daarom worden afgeschaft.

3. Om verlies bij overtanken terug te dringen, moeten de overslagsystemen lekvrij worden gemaakt. Dit kan men bereiken door zowel afspraken met producenten en bedrijven als door normering inzake de installatie.

Het verlies van olie en de daaruit voortvloeiende bodemverontreiniging bij de tankstations moet worden tegengegaan door volgende maatregelen:
1. Bij verandering van eigenaar of stopzetting dient een verplicht onderzoek naar de kwaliteit van de ondergrond te worden doorgevoerd. Ingeval van een noodzakelijke sanering vallen de kosten hiervan ten laste van de laatste eigenaar.

2. Voor nieuwe stations moet de exploitatievergunning voorzien in de installatie van een afsluitsysteem en/of een drainagesysteem.

Vervuilingsniveau: BODEM

Contaminant: 1.9. afval huishoudens

Bron: huishoudens

Toestand: totaal volume: 2,3 miljoen ton, waarvan 88.000 ton gecomposteerd, 740.000 ton verbrand, 900.000 ton gestort, 200.000 ton gerecupereerd en 300.000 ton selectief opgehaald.

Doelstelling: maximale recuperatie en verwerking; wat overblijft zoveel mogelijk verbranden; reductie van de stortcapaciteit met 90% tegen 2010.

Maatregelen: Het wegwerken van de huishoudelijke afvalberg dient zoveel mogelijk te gebeuren door recuperatie. Wat niet recupereerbaar is, moet zoveel mogelijk worden verbrand, teneinde de gestorte hoeveelheid zo gering mogelijk te houden. Daarom zijn volgende maatregelen noodzakelijk:

1. Het selectief ophalen van huishoudelijk afval moet worden veralgemeend. Dit zal enkel op een efficiŽnte manier kunnen gebeuren indien de huisvuilophaling volgens de marktprincipes word georganiseerd. Daarom moet de huisvuilophaling worden uitbesteed, hetzij aan private bedrijven, hetzij aan intercommunale bedrijven. Het lastenboek dat aan deze uitbesteding is verbonden, moet de voorwaarden vastleggen waaraan de ophaling moet voldoen. Hier is minstens een specificatie van een aantal stoffen zoals klein chemisch afval, koelkasten (CFK's), geneesmiddelen en organisch materiaal vervat, die zeker selectief moeten worden opgehaald. De ophaalmaatschappij kan uiteraard zelf beslissen om ook andere stoffen selectief in te zamelen. Ten aanzien van de huishoudens kan de betrokken maatschappij zelf haar tarieven opstellen, die gedifferentieerd kunnen zijn. De huishoudens zullen daarmee aangezet worden om zoveel mogelijk te sorteren om het laagste tarief te verkrijgen.

2. Voor probleemafval, zoals batterijen en blikverpakking, moet een statiegeld worden ingevoerd. De consument kan dit statiegeld recuperen door de betrokken producten via de verdeler aan de producent terug te bezorgen. De producenten zullen hierdoor gestimuleerd worden om te streven naar vervangingsproducten of om aan recuperatie te doen.

3. Om niet-recycleerbare of niet-herbruikbare verpakkingsmaterialen te ontmoedigen, moet via een stelsel van gedifferentieerde fiscaliteit beoogd worden dat de prijs van herbruikbare verpakking lager is dan deze van recycleerbare, en deze van recycleerbare verpakking lager dan deze van niet-recycleerbare.

4. Door de voorgestelde maatregelen inzake het ophalen van voorgesorteerd huishoudelijk afval zal de verwerking en recuperatie van huishoudelijk afval gestimuleerd worden. Door het daarna nog resterende afval op de minst vervuilende manier te verwerken, en dus te verbranden, kunnen de mogelijkheden tot storten tegen 2010 worden teruggebracht tot 10% van de huidige capaciteit.

Vervuilingsniveau: BODEM

Contaminant: 1.10. industrieel afval

Bron: industrie

Toestand: gemeld volume van 4,154 miljoen ton, waarvan 42% werd gerecupereerd, 43 % gestort, 9% geconditioneerd en 6% verbrand.

Doelstelling: op het vlak van het industrieel afval gelden dezelfde prioriteiten als voor het huishoudelijk afval, m.n. eerst recuperen of verwerken, daarna verbranden en pas in laatste instantie storten; tegen 2010 moet de stortcapaciteit worden gereduceerd met 90%.

Maatregelen:

1. De milieuheffing op het storten van industrieel afval moet volgens een vooraf bepaald tijdsschema geleidelijk worden opgetrokken.

2. Aangezien de technieken voor recuperatie en verwerking verder moeten ontwikkeld worden en de huidige capaciteit voor verbranding van industrieel afval te klein is, moeten bedrijven worden aangemoedigd om hierin te investeren. Daarom zullen bedrijven worden vrijgesteld van het betalen van de milieuheffing op storten indien ze minstens een even groot bedrag investeren in technieken van afvalrecuperatie of -verwerking of in afvalverbrandings-installaties.

3. Gezien de financiŽle implicaties en het feit dat voor specifieke afvalstoffen (bv. transformatorolie) louter nationale verwerking niet rendabel kan zijn, dient BelgiŽ binnen de Europese Gemeenschap het initiatief te nemen om tot een gecoŲrdineerde aanpak te komen.

4. Wat de sanering van de black-points aangaat, dienen volgende maatregelen te worden genomen:
- Een volledige en grondige inventaris en kartering van alle verontreinigde sites, die volgens prioriteit worden gerangschikt, moet worden opgemaakt.
- Een bijzonder krediet, te bepalen op grond van de gemaakte inventaris, moet in de begroting van de Vlaamse Gemeenschap worden ingeschreven. Indien de verontreiniging van recente datum is, moet de financiering mee gedragen worden door de eigenaar. Ter vergelijking, in Nederland wordt voor de sanering van 72.500 verontreinigde sites jaarlijks 23 miljard gulden voorzien.
- Om de sanering zo vlot en efficiŽnt mogelijk te laten verlopen wordt ze uitbesteed aan private maatschappijen of bedrijven.

Vervuilingsniveau: BODEM

Contaminant: 1.11. zouten en andere stoffen

Bron: verkeer (asbest), strooizout (natriumchloride), verkeersongevallen

Toestand: natriumchloride: 175.000 ton/jaar; andere stoffen zijn niet gekwantificeerd

Doelstelling: maximaal wegwerken van de verontreiniging door natriumchloride, asbest en andere stoffen

Maatregelen:

1. Aangezien de bodemvervuiling door het verkeer vooral problemen stelt door het ontbreken van voldoende afwatering, moet deze in de eerste plaats worden teruggedrongen door de aanleg van rioleringen, zoals voorgesteld in het hoofdstuk "water".

2. Daarnaast moet gestreefd worden naar het vervangen van bepaalde schadelijke stoffen, zoals asbest, door milieuvriendelijker alternatieven. Dit moet voornamelijk worden nagestreefd door afspraken met de autoconstructeurs.



2. WATER

Vervuilingsniveau: WATER-ALGEMEEN

Kontaminant: 2.1. Waterzuivering

Toestand: De zuiveringscapaciteit van de bestaande RWZI's (rioolwaterzuiveringstations) volstaat om 55% van de geproduceerde afvalwaters van de bevolking en de industriŽle rioollozers te zuiveren.

Door een onvoldoende aansluiting van de rioleringen op de waterzuiveringsinstallaties wordt evenwel slechts 51% van de ontwerpcapaciteit van de zuiveringsinstallaties benut. Globaal betekent dit dus dat slechts 28% van de in Vlaanderen geproduceerde afvalwaters wordt gezuiverd.

Technisch gesproken zijn de huidige waterzuiveringsinstallaties verouderd, doordat er geen voorzieningen zijn voor tertiaire zuivering (dit is het verwijderen van eutrofiŽrende stoffen als nitraten en fosfaten).

Doelstelling: Door zuivering van alle afvalwaters moeten de hierna vermelde normen voor zuurstofbindende stoffen eutrofiŽrende stoffen en toxische en persistente stoffen worden bereikt.

Maatregelen:

1. In de periode tot 1995 moet het investeringsbeleid van de Vlaamse Gemeenschap en de gemeenten prioritair gericht worden op de aanleg van rioleringen en de bouw van afvalwatercollectoren. Om tot een zuivering te komen die de 100% benadert, zullen de investeringen oplopen tot 110 miljard, dit in tegenstelling tot de voorgestelde 50 miljard die in het Milieubeleidsplan van minister Kelchtermans worden voorzien, en die slechts een zuivering van 68% van de geproduceerde afvalwaters voorzien. De financiering van de aanleg van riolen en de bouw van collectoren moet deels worden gerealiseerd door minstens 20% van de investeringscapaciteit van de gemeenten hiervoor te bestemmen. Het betoelagingspercentage wordt opgetrokken tot 80% binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, hetgeen een drastische herschikking van de kredieten, inclusief deze voor economische expansie, noodzakelijk maakt. De combinatie van beide maatregelen moet het in de periode tot 1995 mogelijk maken jaarlijks een bedrag van 22 miljard vrij te maken.

Bij de aanleg van deze rioleringen moet rekening worden gehouden met het feit dat de optimale werking van zuiveringsinstallaties mede wordt afgeremd door te grote hydraulische belasting. Daarom moet ervoor gezorgd worden dat beken, grachten en regenwaterafvoer zo weinig mogelijk aansluiting hebben op het rioleringsnet.

2. Parallel hiermee moet in de periode tot 1997 geÔnvesteerd worden in de bouw van waterzuiveringsstations. Deze nieuw te bouwen waterzuiveringsstations moeten voorzien zijn van installaties om tertiaire zuivering door te voeren. De middelen hiervoor moeten gehaald worden bij private investeerders die na de bouw van de zuiveringsstations zullen instaan voor de exploitatie ervan. Dit betekent ook dat zij aan de aangesloten huishoudens en industrie de reŽle kostprijs van de zuivering zullen aanrekenen. Een lastenboek, waarin de voorwaarden worden omschreven waaraan de zuivering en de doorberekening van de kostprijs naar de aangeslotenen moet voldoen, wordt opgesteld door de VMZ. De controle op de naleving hiervan gebeurt door de VMZ.

3. De reeds bestaande waterzuiveringsstations moeten in concessie worden gegeven of overgedragen aan private ondernemingen, die deze zullen uitbaten onder voorwaarden (kwaliteit van het gezuiverde water, doorberekening van de kostprijs, aanleg van financiŽle reserve voor aanpassingswerken, Ö) die vastgelegd worden in een lastenboek, opgesteld door de VMZ.

4. Zowel voor de private waterzuiveringsstations als voor deze die in concessie zijn gegeven moet de eigenaar of concessionaris de mogelijkheid hebben om met het oog op het maximaal rendement van installaties een goede verhouding tussen de diverse stoffen te bereiken. Hiertoe kan hij van de aangesloten bedrijven verlangen dat bepaalde stoffen worden geŽlimineerd voor het afvalwater wordt geloosd. Hiervoor kan een beroep gedaan worden op een systeem van verhandelbare emissierechten, waardoor bedrijven die op een bepaald rioolnet zijn aangesloten onderling de mogelijkheid hebben om kwantiteiten van bepaalde stoffen te ruilen of verhandelen.

5. In de periode 1997-2004 zal de Vlaamse Gemeenschap haar investeringsbeleid prioritair moeten richten op het uitrusten van de nu reeds bestaande waterzuiveringsstations die in concessie zijn gegeven met installaties voor tertiaire zuivering. Voor de financiering van de nu reeds bestaande stations die aan private ondernemingen zijn overgedragen moet de financiering hiervan gebeuren door de private eigenaar.

6. Ten aanzien van industriŽle lozingen op oppervlaktewaters, zullen enkel nog deze bedrijven mogen lozen die hun afvalwaters zelf zuiveren. Het niet aanwezig zijn van rioleringen mag dus geen alibi zijn om ongezuiverd afvalwater in rivieren te lozen. Indien een bedrijf verkiest om op riool te lozen zal het, bij afwezigheid van riolering, zelf moeten instaan voor de aanleg van de nodige rioleringsinfrastructuur.

7. Wat de lozingen vanwege de industrie van gezuiverde afvalwaters in het oppervlaktewater betreft, moet een gefaseerde verbetering worden voorzien van de geloosde afvalwaters in drie fasen: 1995, 2000, 2010. De respectieve (steeds strengere) normen inzake de maximale vuilvracht voor elk van de groepen stoffen (zuurstofbindende, eutrofiŽrende, zware metalen) en het maximale debiet voor elk van de bedrijven die op oppervlaktewateren lozen, rekening houdend met de bestemming van het water (drink-, vis-, zwemwater) waarin geloosd wordt, worden vastgelegd door de VMZ, die ook zal instaan voor de controle. Het is van kapitaal belang dat deze normen zo snel mogelijk worden opgesteld om de betrokken bedrijven de kans te geven bij hun investeringsplanning rekening te houden met wat van hen in de toekomst in verschillende fasen zal worden verwacht. Bij de vaststelling van deze normen moet ook het huidige onderscheid tussen de diverse industrietakken vervallen, aangezien ook het effect niet verschilt naargelang de industrietak waarvan de vervuiling afkomstig is. De normering moet tevens dynamisch zijn, in de zin dat nieuwe gevaarlijke stoffen moeten kunnen worden ingecalculeerd.

8. Ten aanzien van de VMZ moet dus een nieuwe taakomschrijving worden vastgelegd. De maatschappij zal nadat de geplande waterzuiveringsinfrastructuur zal zijn aangelegd, instaan voor het opstellen en de controle op de naleving van de genoemde lastenboeken en de lozingsnormen, en voor het afleveren van de lozingsvergunning. Een deel van de middelen voor de VMZ moet prioritair worden gericht op de installatie van een bestendig meetnet in zowel de rioolwaterzuiveringsinstallaties als in de zuiveringsinstallaties van de bedrijven die op oppervlaktewater lozen.

Vervuilingsniveau: WATER

Contaminant: 2.2. zuurstofbindende stoffen COD, BOD, NH4-N)

Bron: huishoudelijk en industrieel afvalwater, landbouw, grensoverschrijdend transport

Toestand: De situatie is best bekend voor de chemische zuurstofbindende stoffen (COD):
    - huishoudens en industrie via riool en RWZI's: 160.300 ton 02/jaar
    - industrie op oppervlaktewateren: niet gekend
    - landbouw: niet gekwantificeerd
    - grensoverschrijdend: minimaal 77.000 ton 02/jaar tot 158.000 ton 02/jaar (Milieubeleidsplan Kelchtermans)
Doelstelling:
    Basiskwaliteitsnorm (1995):
    Opgeloste zuurstof: min. 5 mg/l
    Biol. OD: max. 6 mg/l
    Chem. OD: max. 30 mg/l
    Ammonium: gemiddelde van max. 1 mg N/l; max. 5 mg N/l

    Normen viswaters (1995)
    Opgeloste zuurstof: min. 5-7 mg 02/l
    BOD: max. 3-6 mg 02/l
    Ammonium: richtwaarde van 0,03-0,16 mg N/l; maximum van 0,78 mg N/l

    Microbiologische normen zwemwater
    Totale collibacteriŽn: 500/100 ml
    Fecale collibacteriŽn: 100/100 ml
    Fecale streptokokken: 100/100 ml
    Salmonella: 0 per liter
    Virus PFU: 0/10 liter
Deze waarden moeten minimaal worden aangehouden naar 2010 toe.

Maatregelen:

1. In de eerste plaats moet de hoeveelheid zuurstofbindende stoffen in de afvalwaters worden teruggedrongen door de voorgestelde maatregelen met het oog op de waterzuivering.

2. De aanvoer van zuurstofbindende stoffen door de landbouw moet worden tegengegaan door de maatregelen voorgesteld bij de verontreiniging van de bodem door overbemesting.

3. Inzake de grensoverschrijdende vervuiling moeten met Frankrijk, WalloniŽ en Brussel akkoorden gesloten worden opdat deze hun vervuiling zouden verminderen.

Vervuilingsniveau: WATER

Contaminant: 2.3. eutrofiŽrende stoffen (stikstof, fosfor, Ö)

Bron: huishoudens (mest, detergenten), industrie, landbouw (mest), grensoverschrijdend

Toestand:

Lozingen in oppervlaktewaters (in ton/jaar):

stikstof fosfor Huishoudens 22 ŗ 30.000 5.000 ŗ 6.500 Industrie max. 46.000 niet gekend Landbouw 40.000 497 Buitenl. 8.500 niet gekend

(toestand verschilt in de diverse rivierbekkens) vb:
    Schelde 8 ŗ 9 mg N/l
    IJzer 14 ŗ 16 mg N/l

    Lozingen in Noordzee vanuit rivieren:
    71.000 ton stikstof;
    51.000 ton fosfor (enkel Schelde).
> Doelstelling:

Tegen 1995 moeten volgende normen worden bereikt:
    Zoet water: - Stikstof: max 5 mg/l
    - Fosfor: 0,3 (stromend) ŗ 0,05 (stilstaand) mg/l
    Zout water: - Stikstof: geen normen
    - Fosfor: geen normen
Tegen 2010 moeten de Nederlandse normen worden bereikt. Dit wil zeggen:
    Zoet water: - stikstof: max. 5,6 mg/l
    streefcijfer van 1,0 mg/l
    - fosfor: max. 0,15 mg/l
    streefcijfer 0,05 mg/l
    Zout water: - stikstof: max. 0,5 mg/l
    Streefcijfer 0,1 mg/l
    - fosfor: max. 0,03 mg/l
    streefcijfer 0,02 mg/l
Maatregelen: 1. Het verwijderen van eutrofiŽrende stoffen uit afvalwaters moet in de eerste plaats worden gerealiseerd door de voorgestelde maatregelen inzake de waterzuivering, meer bepaald door het uitrusten van de zuiveringsinstallaties met systemen voor tertiaire zuivering.

2. De aanvoer van vermestende stoffen door de landbouw moet worden tegengegaan door de maatregelen voorgesteld bij de beperking van de mestoverschotten (bodem).

3. Inzake de grensoverschrijvende vervuiling moeten met Frankrijk, WalloniŽ en Brussel akkoorden gesloten worden opdat deze hun vervuiling zouden verminderen.

4. Aangezien de fosfaatvracht van de huishoudens voor 40% afkomstig is van detergenten (waspoeders), moet worden onderzocht of fosfaatarme waspoeders niet moeten worden gestimuleerd via een stelsel van gedifferentieerde fiscaliteit. Vooralsnog ontbreken echter duidelijke gegevens over de schadelijkheid van de fosfaatvervangende stoffen.

Vervuilingsniveau: WATER

Contaminant: 2.4. toxische en persistente stoffen

Bron:
- zware metalen: vnl. industrie, maar ook landbouw
- pesticiden, insecticiden, herbiciden: landbouw
- andere stoffen: industrie

Toestand: slecht gekwantificeerd / industriŽle puntbronnen zijn evenwel goed lokaliseerbaar

Doelstelling: De vastgestelde Vlaamse waterimissienormen moeten worden gehaald tegen 1995 voor o.m.:
    Lood: Vl. norm: max. 50 microgr./l (1995)
    Kwik: Vl. norm: max. 0,5 microgr./l (1995)
    Cadmium: Vl. norm: max. 2,5 microgr./l (1995)
    Chroom: max. 50 microgr./l (1995)
    Cyandiden: max. 0,05 microgr./l (1995)
    Tegen 1993 moet het nationaal gemiddelde van 1 microgr./l worden bereikt.
Aangezien het probleem zich echter vooral toespitst op de concentratie van deze stoffen in de rivierbodem (slib), zullen, met het oog op de rechtstreekse afzet van baggerslib in de landbouw, de emissies verder moeten worden beperkt zodat tegen 2010 volgende slibconcentraties worden bereikt:
    Lood: 500 microgr./kg droge stof
    Kwik: 5 microgr./kg droge stof
    Cadmium: 5 microgr./kg droge stof
    Chroom: 500 microgr./kg droge stof
    Zink: 2000 microgr./kg droge stof
    Nikkel: 100 microgr./kg. droge stof
    Koper: 600 microgr./kg droge stof
Maatregelen:

1. Het verwijderen van zware metalen en bestrijdingsmiddelen uit afvalwaters dient in de eerste plaats te worden aangepakt door de maatregelen, voorgesteld inzake de waterzuivering.

2. De aanvoer van zware metalen en bestrijdingsmiddelen door de landbouw moet worden tegengegaan door de maatregelen voorgesteld bij de beperking van de mestoverschotten (bodem).

3. Inzake de grensoverschrijvende vervuiling moeten met Frankrijk, WalloniŽ en Brussel akkoorden gesloten worden opdat deze hun vervuiling zouden verminderen.

Vervuilingsniveau: WATER

Contaminant: 2.5. diverse stoffen - Noordzee

Bron: scheepvaart (goederenvervoer, personenvervoer, visserij, yachting)

Toestand: vuilvrachten aan boord van en afgeleverd door de schepen die de Belgische havens aandoen (cijfers 1988)
    - Afvalolie: 300.800 ton/jaar, waarvan 26.095 ton afgeleverd
    - Oliehoudende waters: 1.189.300 ton/jaar, waarvan 563.273 ton afgeleverd
    - ChemicaliŽn en waswaters: 9.886 ton/jaar, waarvan 1050 ton afgeleverd (enkel Antwerpen)
    - Vuilnis: 10.467 ton/jaar, waarvan 2.603 ton afgeleverd.
Doelstelling: voorkomen van alle zeeverontreiniging door lozingen door schepen die de Belgische havens hebben aangedaan tegen 2000; deze norm moet ook naar 2010 toe worden aangehouden.

Maatregelen:

1. Aangezien het lozen van scheepsafval op zee grotendeels veroorzaakt wordt door het niet aanwezig zijn of niet efficiŽnt functioneren van opvanginstallaties in de havens, moeten binnen de begrotingskredieten voor haveninvesteringen de nodige middelen worden vrijgemaakt om tegen 2000 alle havens te voorzien van de nodige infrastructuur om een volledige en vlotte opvang van de diverse afvalproducten te verzekeren. De betoelaging van deze infrastructuur moet worden gelijkgesteld met de betoelaging voor basisinfrastructuur, d.w.z. een subsidiŽring aan 100%.

2. Deze maatregel moet gepaard gaan met een totaal verbod op lozingen van afvalstoffen door schepen. Schepen die, eens de nodige infrastructuur is gerealiseerd, nog lozen nadat ze Belgische havens hebben aangedaan, moet de verdere toegang tot de havens worden geweigerd.

Vervuilingsniveau: WATER

Contaminant: 2.6. koelwater

Bron: industrie (vnl. elektrische centrales, petrochemie)

Toestand: plaatsgebonden verstoring, geen globaal beeld

Doelstelling: max. 3įC temperatuurstijging als gevolg van lozing

Maatregelen:

1. Het opnemen van de nationale norm van 3įC temperatuurstijging als gevolg van de lozing in de lozingsvergunningen tegen 1995.

2. In de periode tot 1995 zullen de bedrijven die investeren in oplossingen om het koelwaterprobleem terug te dringen, kunnen genieten van de verhoogde investeringsaftrek. Ten aanzien van de elektrische centrales kunnen deze investeringen worden opgelegd en kan de meerkost gecompenseerd worden door een geringere daling van de elektriciteitsprijs.



3. LUCHT

Vervuilingsniveau: LUCHT

Contaminant: 3.1. koolstofdioxide (CO2)

Bron: verbranding van fossiele brandstof door huishoudens en tertiaire sector (28%), industrie (35%), verkeer (18%), elektriciteitscentrales (18%)

Toestand: 72 miljoen ton/jaar (1988)

Doelstelling: op grond van de afspraken, gemaakt op de Wereldconferentie van Toronto (1988) en de Conferentie van de Westerse landen van Hamburg (1988) moet een reductie met 30% tegen 2000 en met 50% tegen 2010 worden gerealiseerd.

Maatregelen: De CO2-problematiek kan niet los worden gezien van de problematiek van het energiegebruik in het algemeen. Een reductie van de CO2-emissie is onmogelijk indien niet wordt overgegaan tot een beperking van de verbranding van fossiele brandstof (aardolie, aardgas, steenkool, hout, Ö). Daarenboven stelt de problematiek van het broeikaseffect zich meer dan andere vormen van vervuiling op wereldschaal.

Volgende maatregelen kunnen op nationaal en op Vlaams vlak genomen worden:
1. Energiebesparing kan in de eerste plaats gerealiseerd worden door zuiniger stoken. Daarom moeten maatregelen genomen worden om warmte-isolatie en stookketels met hoog rendement fiscaal te stimuleren. Dit kan bv. gebeuren op basis van de attesten van (private) keuringsinstellingen als AIB, VinÁotte, ... Voor nieuwe gebouwen en/of installaties kan men eventueel bepaalde isolatie en rendementsnormen opleggen.
De fiscale stimulans wordt gegeven door de helft (met een maximum van 100.000 fr.) van het niet door subsidies gedekte gedeelte van de uitgaven, gedaan voor de thermische isolatie van de woning en voor een rationeler energieverbruik in de woning, aftrekbaar te maken van het netto-belastbaar inkomen op voorwaarde dat de gewijzigde of vervangen goederen voor 1 januari 1980 voor het eerst in gebruik zijn genomen en de verrichtingen door een geregistreerd aannemer zijn gedaan.

2. Ten aanzien van de industrie kunnen analoge maatregelen worden genomen door te voorzien in de verhoogde investeringsaftrek voor investeringen, gericht op een rationeler energiegebruik of op de verbetering van industriŽle processen met het oog op energiebesparing en voor de terugwinning van energie in de industrie.

3. De CO2-emissies van het verkeer kunnen door volgende maatregelen worden teruggedrongen:
- Voor het gebruik van een aantal specifieke infrastructuurwerken moet een gebruiksvergoeding worden ingevoerd. Dergelijke vergoedingen hebben hun nut reeds in een aantal landen bewezen en zullen trouwens ook in eigen land worden aangewend bij de exploitatie van de Liefkenshoektunnel. Ten aanzien van de buitenlandse wagens wordt een analoog systeem voorzien, nl. de invoering van een autowegenvignet.

- Vormen van zowel openbaar als privaat gemeenschappelijk vervoer moeten fiscaal aftrekbaar worden gemaakt. Langs het aanslagbiljet om, wordt voorzien in een verhoging van de forfaitaire aftrek van de personenbelasting voor wie gebruikmaakt van gemeenschappelijk vervoer (openbaar vervoer en privaat gemeenschappelijk vervoer met personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen, autobussen of autocars) voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling. Bij gebruik van personenauto's, auto's voor dubbel gebruik of een minibus moet het voertuig tijdens het gemeenschappelijk vervoer, buiten de bestuurder, door ten minste twee passagiers bezet zijn. Deze verhoogde forfaitaire aftrek varieert volgens de afstand heen en terug volgens volgende barema's:
    20 tot 40 km: 20.000 fr.
    40 tot 60 km: 30.000 fr.
    60 tot 80 km: 40.000 fr.
    80 tot 100 km: 50.000 fr.
    meer dan 100 km: 60.000 fr.
- Private maatschappijen moeten de mogelijkheid krijgen om op eigen initiatief over te gaan tot het inrichten van collectief vervoer.

- Ondernemingen die, alleen of in samenwerking met andere ondernemingen, bedrijfsvervoer organiseren, zullen kunnen genieten van een verhoogde investeringsaftrek, die zal variŽren volgens de afstand - hoe groter de afstand, hoe hoger de verhoogde aftrek.

- Gemeenschappelijk vervoer moet ook verkeerstechnisch worden gestimuleerd, o.a. door een rijvak voor te behouden voor gemeenschappelijk vervoer op autowegen met drie of meer vakken in ťťn rijrichting.

- Het openbaar gemeenschappelijk vervoer moet worden gemoderniseerd om een vlotte en regelmatige dienstverlening tegen betaalbare prijzen tot stand te brengen.

- De aansluiting tussen gemeenschappelijk openbaar vervoer en wegverkeer moet worden verbeterd door het verder aanleggen of uitbreiden van de parkings rond de grote spoorwegstations.

- Een vlotter doorgaand verkeer op de ringen rond Brussel en Antwerpen moet worden gerealiseerd door selectieve investeringen in een verbetering van de wegeninfrastructuur. De middelen hiervoor kunnen gehaald worden uit de gebruiksvergoeding voor specifieke infrastructuurwerken en uit de invoering van het autowegenvignet voor buitenlandse wagens.

- De concentratie en overbelasting van de wegen tijdens de spitsuren moet worden tegengegaan door het versoepelen van de school- en arbeidsuren en door onderhoud van wegen en wegenapparatuur, het ophalen van huisvuil en het laden en lossen van vrachtwagens zoveel mogelijk buiten de spitsuren te laten gebeuren.

4. Het wetenschapsbeleid moet onderzoek naar en toepassing van alternatieve energievormen stimuleren. Hierbij moet vooral het onderzoek naar waterstof als energiedrager worden bevorderd. Bij verbranding van waterstof wordt immers enkel water geproduceerd. Voor andere toepassingen, zoals zonne-energie zullen de toepassingen in eigen land sowieso beperkt blijven. Nochtans kan het onderzoek de ontwikkeling van de technologie terzake bevorderen, mede met het oog toepassingen in de ontwikkelingslanden.

5. Bossen vervullen een belangrijke rol in het opnemen van CO2 uit de lucht. Daarom moet een aanvang worden genomen met de effectieve uitvoering van herbebossingsprogramma's (zie maatregelen bij Ruimtelijke Ordening en Natuurbehoud).

6. Gezien het belang van de tropische regenwouden inzake de CO2-problematiek, moet hiervoor een internationale bescherming worden uitgebouwd. De Belgische overheid moet zowel binnen de EG als in de Verenigde Naties het initiatief nemen om tot een betere bescherming te komen. Voor de financiering van dergelijke internationale programma's kan men bv. denken aan het ruilen van de schulden van de derde wereldlanden tegen een bescherming van het regenwoud. Voor de financiŽle input zou eveneens een beroep kunnen gedaan worden op grote private concerns, voor wie dergelijke projecten een belangrijke publiciteit kunnen meebrengen.

Vervuilingsniveau: LUCHT

Contaminant: 3.2. zwaveldioxiode (SO2)

Bron: verbranding fossiele brandstof/procestechnische emissies door elektrische centrales (32%), raffinaderijen (18%), chemische industrie (16%), metallurgie (14%), verwarming (12%), verkeer (4%)

Toestand: 232.000 ton/jaar (1988)

Doelstelling: reductie van de totale verzuring t.o.v. 1987-1988 met 70% tegen 2000 en met 90% tegen 2010; voor zwaveldioxide moet een reductie t.o.v. 1980 worden nagestreefd met 30% tegen 1993, met 84% tegen 2000 en met 92% tegen 2010.

Maatregelen:

1. De wettelijke maximale zwavelgehaltes in stookolie moeten tegen 2010 worden verminderd tot 1%. De technische mogelijkheden om dit te realiseren bestaan en worden reeds toegepast. Om de bedrijven toe te laten hun investeringen in de aanpassing van hun installaties te plannen, wordt deze vermindering in fasen ingevoerd (maximaal gehalte van 2% tegen 2000, 1% tegen 2010).

2. Inmiddels moeten de bestaande wettelijke maximale zwavelgehaltes worden veralgemeend tegen 1995. Meer bepaald betekent dit dat ook de installaties van elektrische centrales en raffinaderijen de bestaande normen moeten toepassen en niet langer van een uitzonderingsregime zullen kunnen genieten.

3. Via een gedifferentieerde verbruikersbelasting moeten zwavelarme brandstoffen en vooral gas (dat geen zwavel bevat) voor verwarming en loodvrije benzine voor verkeer aantrekkelijker gemaakt worden. Dit moet gebeuren door een accijnsverlaging. Deze verlaging zal groter zijn naarmate de brandstoffen respectievelijk minder dan 3, 2 of 1% zwavel bevatten.

4. De elektriciteitscentrales zullen moeten overgaan tot de installatie van technieken van rookgasontzwaveling. De kosten hiervan kunnen worden gecompenseerd door de verwachte prijsdaling minder dan voorzien door te voeren.

5. Procesgebonden emissiereducties moeten worden gestimuleerd door de verhoogde investeringsaftrek voor de installatie van dubbele katalysetechnieken en dubbele SO2-monitoring bij de productie van zwavelzuur in chemische en metallurgische bedrijven en voor investeringen in rendementsverbeteringen bij de zwavelherwinning in raffinaderijen en chemische industrie.

6. De resultaten van deze maatregelen moeten na enkele jaren worden getoetst aan de vooropgezette doelstelling. Indien blijkt dat bijkomende maatregelen nodig zijn, dan kunnen eventueel strengere normen worden opgelegd. Ondertussen hebben bedrijven en verbruikers er alle belang bij om hun reducties te realiseren langs de gunstige fiscale regimes die zullen worden ingevoerd.

Vervuilingsniveau: LUCHT

Contaminant: 3.3. stikstofoxiden (NOx)

Bron: wegverkeer (63%), elektrische centrales, industrie, gebouwenverwarming

Toestand: emissie van 173.000 ton/jaar (1988)

Doelstelling: reductie met 30% tegen 1995, met 70% tegen 2000 en met 90% tegen 2010

Maatregelen:

1. Het gebruik van loodvrije benzine en het toepassen van de geregelde driewegkatalysator moet nadrukkelijker gestimuleerd worden. Via een gedifferentieerde gebruiksbelasting moet de prijs van loodvrije benzine onder die van diesel worden gebracht. Dit dient te gebeuren door de gewone accijns op loodvrije benzine te verlagen van 8,96 fr./l tot 4,30 fr./l en de bijzondere accijns van 2,84 fr./l op 2,75 fr./l te brengen. Het rijden op loodhoudende benzine en op diesel zal daardoor alle aantrekkelijkheid verliezen voor privťvervoer.

2. Gezien de beperkte levensduur van de katalysator, moet zowel de installatie als de vervanging ervan worden gestimuleerd, door te voorzien in de aftrekbaarheid bij vervanging. Dit moet gebeuren door drie vierden, met een maximum van 30.000 fr. van de uitgaven gedaan voor het bevestigen van een driewegkatalysator op een in BelgiŽ ingeschreven autovoertuig aftrekbaar te maken van het netto-belastbaar inkomen, op voorwaarde dat het gaat om een bestaand voertuig of een nieuw voertuig waarvoor de katalysatoruitrusting nog niet wettelijk verplicht was of bij vervanging van de katalysator op een voertuig dat wel aan deze verplichting was onderworpen. De dienstverrichting moet hierbij door een erkend garagehouder zijn uitgevoerd. Een analoge maatregel wordt voorzien voor roetfilters op dieselwagens.

3. Ten aanzien van nieuwe wagens op waterstof en op elektriciteit die op het punt gecommercialiseerd te worden, moeten analoge voordelen worden voorzien.

4. Ook het rijden op LPG, dat minder NOx-uitstoot meebrengt dan loodhoudende benzine, moet worden gestimuleerd door het afschaffen van de huidige aanvullende verkeersbelasting op voertuigen op LPG.

5. Een vermindering van de uitstoot van NOx door een vermindering van het totaal aantal gereden kilometer kan worden bekomen door de voorgestelde maatregelen inzake verkeer bij CO2.

6. Op het vlak van de industriŽle NOx-emissies moet worden voorzien in de verhoogde aftrek voor investeringen, gericht op de hercirculatie van rookgassen, het "getrapt" stoken en de installatie van "low NOx"-branders.

Vervuilingsniveau: LUCHT

Contaminant: 3.4. koolstofmonoxide (CO)

Bron: verbranding fossiele brandstof, wegverkeer (vnl. fileverkeer), ferro-metallurgie (in Vlaanderen bijna uitsluitend Sidmar)

Toestand: lokale verontreiniging; geen globale cijfers bekend

Doelstelling: maximale reductie

Maatregelen: Naast de maatregelen inzake de emissiereductie van SO2, CO2, NOx, moeten volgende maatregelen genomen worden:

1. Met de industrie moeten afspraken worden gemaakt om te komen tot een vrijwillige reductie van de CO-uitstoot. Indien dit onvoldoende resultaten oplevert, moet worden ingegrepen via het vergunningsbeleid, gekoppeld aan een efficiŽntere controle.

2. De CO-verontreiniging in tunnels, afkomstig van het verkeer, kan worden tegengegaan door een regelmatiger afzuigen van de tunnels -dus niet enkel wanneer bepaalde immissiegrenzen zijn overschreden. Een dergelijke matregel is ook van belang om grote concentraties van NOx in tunnels te vermijden.

3. CO-verontreiniging door filerijden moet worden tegengegaan door de voorgestelde maatregelen inzake fileprobleem bij CO2. Daarnaast kan ook het huidig toegelaten niveau van 4,5% CO bij stationair toerental worden verlaagd.

Vervuilingsniveau: LUCHT

Contaminant: 3.5. ammoniak (NH3)

Bron: bijna uitsluitend landbouw (46.000 ton/jaar); rest chemische industrie

Toestand: emissie 49.000 ton/jaar (1988)

Doelstelling: reductie met 20% tegen 1995, 60% tegen 2000 en 90% tegen 2010

Maatregelen:

1. De uitstoot van ammoniak vanuit dierlijke mest moet worden teruggedrongen door een aantal normeringen op het vlak van de behandeling en het omgaan met dierlijke mest. Er zullen voorwaarden moeten opgelegd die ertoe strekken dat:
- mest niet wordt uitgereden onder bepaalde weersomstandigheden (vorst) en/of perioden (winter);
- de uitgereden mest direct wordt ondergewerkt, ofwel sneller in de bodem wordt verwerkt door injectie of inregening.

2. Ten aanzien van het verhinderen van ammoniakemissie vanuit stallen en opslagplaatsen, moet de installatie van gesloten mestopslagsystemen en van biofilters langs fiscale weg worden gestimuleerd. Dit kan gebeuren door de investeringskosten hiervan over meerdere jaren aftrekbaar te maken van de forfaitaire belasting waaraan de landbouw is onderworpen.

3. De uitstoot van ammoniak in de lucht vanuit dierlijke mest kan evenwel niet los worden gezien van de mestproblematiek in zijn geheel. Bovenstaande maatregelen moesten daarom worden gezien in samenhang met de maatregelen inzake de overbemesting van de bodem.

4. Inzake de ammoniakvervuiling door de industrie kunnen afspraken gemaakt worden om te komen tot een procesgerichte reductie.

Vervuilingsniveau: LUCHT

Contaminant: 3.6. methaan (CH4)

Bron: overwegend landbouw (veeteelt); daarnaast ook verbranding fossiele brandstof

Toestand: niet geÔnventariseerd

Doelstelling: zo groot mogelijke reductie, te bereiken in samenhang met de aanpak van het globale mestprobleem

Maatregelen:
Om de emissie van methaan terug te dringen, moeten dezelfde maatregelen worden genomen als voorgesteld inzake de uitstoot van ammoniak (lucht) inzake energiebesparing (CO2-lucht) en inzake het mestprobleem (bodem).

Vervuilingsniveau: LUCHT

Contaminant: 3.7. kookwaterstoffen (CHx)

Bron: verkeer, inclusief tankstations (47%), verdamping (28%), gasdistributie (10%), procesemissies (8%)

Toestand: 218.000 ton/jaar (1985)

Doelstelling: reductie met 50% tegen 2000 en met 90% tegen 2010

Maatregelen:
1. Via een stelsel van gedifferentieerde fiscaliteit worden watergebaseerde verven goedkoper gemaakt dan producten op basis van solventen.

2. Voor de recuperatie van benzinedampen die vrijkomen bij overslag of tanken, wordt in de eerste plaatst getracht tot vrijwillige overeenkomsten met de industrie te komen. Voor investeringen die deze recuperatie beogen wordt de verhoogde investeringsaftrek toegekend. Hetzelfde geldt voor investeringen om procesgebonden emissies vanwege de raffinaderijen te verminderen.

3. Ten aanzien van de emissie van niet-verbrande benzine door het autoverkeer wordt verwezen naar de voorgestelde maatregelen m.b.t. de geregelde driewegkatalysator.

Vervuilingsniveau: LUCHT

Contaminant: 3.8. zware metalen (in de vorm van aŽrosolen)

Bron: metallurgie (vnl. bij verbrandingsprocessen)

Toestand: nabij bedrijven tot 10 maal hoger dan WHO-normen

Doelstelling: tegen 1995 moeten volgende normen worden gehaald:
WHO-normen voor cadmium (0,001-0,005 microgram/m≥ (landelijk) ŗ 0,010-0,020 microgram/m≥ (stedelijk) jaargemiddeld), lood (0,5-1,0 microgram/m≥ jaargemiddeld),
mangaan (1,0 microgram/m≥ jaargemiddeld), vanadium (1,0 microgram/m≥ daggemiddeld);
nulwaarden voor arseen, nikkel, chroom-VI (kankerverwekkend).

Deze normen moeten ook naar 2000 en 2010 toe worden aangehouden.

Maatregelen:
Het terugdringen van de uitstoot van zware metalen door de metallurgische nijverheid moet worden aangepakt via het opleggen van strengere normen in de exploitatievergunning, gekoppeld aan een betere controle en een efficiŽnter vervolgingsbeleid via de oprichting van milieurechtbanken.

Vervuilingsniveau: LUCHT

Contaminant: 3.9. chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK's)

Bron: gebruik in de industrie: kunststoffen (61%), spuitbussen, (27%), koelmiddelen (8%) (1988)

Toestand: 14.617 ton/jaar (1988); verbintenissen vanwege de industrie in BelgiŽ t.o.v. het niveau van 1988:
    - kunststoffen: reductie met 25% tegen 1992; met 50% tegen 1995 en met 50% tegen 1998
    - spuitbussen: reductie met 90% tegen 1990
    - koelmiddelen: reductie met 100% tegen 1995
Doelstelling: het bereiken van nulwaarden voor CFK-emissies tegen 2010

Maatregelen:

1. Verderzetten van de huidige politiek inzake vrijwillige emissiebeperking. Deze politiek dient ook op Europees vlak te worden gevoerd.

2. Door de invoering van een gedifferentieerde fiscaliteit moeten de vervangingsmiddelen voor voornamelijk kunststoffen, schuimplastics en hard polyurethaanschuim worden gestimuleerd en dus rendabel worden gemaakt.

Vervuilingsniveau: LUCHT

Contaminant: 3.10. ozon op leefniveau

Bron: chemische reactie (meteorologische omstandigheden) tussen NOx en CHx

Toestand: afhankelijk van weersgesteldheid en luchtvervuiling

Doelstelling: aanhouden van de huidige normen, m.n. een maximale uurwaarde van 240 microgram/m≥ en een uurgemiddelde waarschuwingswaarde van 200 microgram/m≥

Maatregelen:

Aangezien het ontstaan van ozon op leefniveau een gevolg is van chemische reacties tussen NOx en CHx, zal het probleem automatisch worden opgelost door de maatregelen die zijn voorgesteld om tot emissiereducties van deze stoffen te komen.

Vervuilingsniveau: LUCHT

Contaminant: 3.11. stankhinder

Bron: industrie, verkeer, bio-industrie (stallen)

Toestand: geen globaal beeld

Doelstelling: geen globale doelstelling

Maatregelen:

Aangezien problemen met stankhinder nauw samenhangen met bepaalde industriŽle activiteiten, zal vooral via het vergunningsbeleid moeten worden ingegrepen. Daarom worden volgende maatregelen voorgesteld:

1. Via het vergunningsbeleid moeten de stankverwekkende industrieŽn doorverwezen worden nar de industriezones, en weg van de residentiŽle zones.

2. Methodes voor kwantificering van het stankhinderprobleem moeten verder worden uitgewerkt. Op basis daarvan worden normen vastgelegd en overgenomen in de uitbatingsvergunning.

Vervuilingsniveau: LUCHT

Contaminant: 3.12. verstoring binnenmilieu

Bron:
    - ioniserende straling
    - asbest en stof
    - geisers
Toestand: diverse stoffen en lokale verstoring; geen globaal beeld

Doelstelling: maximale reductie van de verstoring; kwantificering van de doelstelling na inventarisatie

Maatregelen:

Centraal staat het informeren van de bevolking door sensibilisatie- en informatiecampagnes. Dikwijls zijn de burgers en bedrijven niet op de hoogte van het feit dat bepaalde technieken of bouwmaterialen ongezond zijn of kunnen zijn. Men zal dikwijls, ook zonder stimulerende maatregelen, bereid zijn een hogere prijs te betalen voor een gezonder binnenmilieu. Deze campagnes moeten zich o.m. richten op de Radon-straling (vloeren, verluchting), gevaar van stof- en asbesthoudende bouwmaterialen, afvoerloze gas- en petroleumtoestellen, roken, het regelmatig reinigen van airconditioning-installaties.

top