www.liberaalarchief.be
CONGRES VAN DE PARTIJ VOOR VRIJHEID EN VOORUITGANG
OOSTENDE, 5-6 mei 1990
KIEZEN OF VERLIEZEN - HET PVV-MILIEUBELEIDSPLAN 1990-2010
CONGRESRESOLUTIES (3)




4. RADIOACTIVITEIT

Vervuilingsniveau: RADIOACTIVITEIT

Contaminant: radioactieve straling

Bron: ongeveer 90% natuurlijke oorzaken, ongeveer 10% kunstmatige oorzaken.

Toestand:
90,2% van natuurlijk oorsprong, waarvan
    - 33,8% radon
    - 19,2% gammastraling bodem
    - 17,3% inwendige lichaamsstraling
    - 14,4% kosmische straling
    - 5,3% thoron
9,8% van kunstmatige oorsprong, waarvan
    - 8,7% van medische oorsprong
    - 0,5% fallout (experimentele kernexplosies)
    - 0,3% diversen (o.a. voedingswaren)
    - 0,2% van beroepswege
    - 0,1% lozingen (o.a. kerncentrales)
Doelstelling: beheersing radioactief afval en minimalisering van risico (vooral kernreactorongevallen).

Maatregelen:
1. Radioactieve straling van niet-natuurlijke bronnen (medische oorsprong, kernenergie, afval) moet beperkt blijven tot wat strikt noodzakelijk is voor medische doeleinden of voor energievoorziening.

2. De opslag van radioactief afval kan slechts als een voorlopige oplossing worden beschouwd. De opslaginstallaties moeten inzake veiligheidsvoorzieningen beantwoorden aan de categorie van het opgeslagen kernafval. Zowel hoog als laag radioactief afval moet en tegen betaling van een opslagvergoeding en een milieuheffing bij voorkeur bovengronds opgeslagen worden op de nucleaire site te Mol-Dessel. Onderzoeksprogramma's voor verwerking en berging moeten verder worden gestimuleerd en gedifferentieerd naar de onderscheiden categorieŽn van kernafval toe. De producenten van dit radioactief afval kunnen van deze milieuheffing worden vrijgesteld indien ze een even groot bedrag investeren in onderzoeksprogramma's naar de mogelijke verwerking van het soort radioactief afval dat ze produceren.

3. Het risico voor een kernreactorongeval moet geminimaliseerd worden door de veiligheidssystemen en -procedures verder te verbeteren en door een bijzonder inspectieprogramma te voorzien voor de reactoren die ouder zijn dan 25 jaar.



5. GELUID

Vervuilingsniveau: GELUID

Contaminant: geluidshinder

Bron: wegverkeer, luchtverkeer, trein en tram, waterverkeer, industrie, gemeenschapsleven, privť-activiteiten

Toestand: geen globaal beeld

Doelstelling: aanvaardbare belasting, afhankelijk van de zone

Maatregelen:

1. Om lawaaihinder vanwege het wegverkeer terug te dringen, dient de overheid bij haar infrastructuur- en verkeerspolitiek rekening te houden met een aantal technische voorwaarden. Het gaat hierbij o.m. om het gebruik van asfalt i.p.v. beton of keien, het zo vlak mogelijk houden van hellingen, de coŲrdinatie van stoplichten en de beperking van het verkeer in de binnensteden. Daarenboven dient op de begroting van Openbare Werken, bij de toekenning van de kredieten, prioriteit te worden gegeven aan het plaatsen van geluidsschermen in kunststof, van aanplantingen langsheen wegen en het voorzien van bufferzones.

2. Ten aanzien van de geluidshinder van het luchtvaartverkeer moeten sluitende afspraken met de betrokken maatschappijen worden gemaakt. Bij de normering moet rekening worden gehouden met de evoluerende technologische mogelijkheden.

3. Voor railvervoer moet er bij de tracťkeuze en bij de constructie van trein- en tramstellen naar gestreefd worden om de lawaaihinder zoveel mogelijk te beperken, rekening houdend met de technologische mogelijkheden, terwijl het nachtelijk rangeren moet worden vermeden.

4. Binnen het globale ruimtelijk- en milieubeleid moet gestreefd worden naar de inrichting van stiltegebieden, o.m. rond natuur- en woongebieden. Daarnaast moet het aspect "geluidshinder" ook betrokken worden in de milieu-effectenrapportering en in het vergunningsbeleid.

5. Ten aanzien van de geluidshinder veroorzaakt door de industrie moeten normen inzake een maximale en na te streven geluidshinder worden opgesteld. Bedrijven die verder investeren om de na te streven belasting te bereiken, krijgen fiscale stimuli, onder vorm van de verhoogde investeringsaftrek.



6. EXTERNE VEILIGHEID

Vervuilingsniveau: BODEM, WATER, LUCHT, RADIOACTIVITEIT

Contaminant/probleem: zware milieurampen en verstoringen

Bron: natuurlijke, technische of menselijke incidenten

Toestand: overlappingen, dubbel gebruik en vertraagd optreden doordat de bevoegdheden inzake de preventie en het operationeel en beleidsmatig beheren en coŲrdineren van acties thans verspreid is over verschillende niveaus, zonder duidelijke afbakening.

Doelstelling: het ontwikkelen van een geÔntegreerd rampenbestrijdingsbeleid, dat reeds aanvangt bij de preventieve fase.

Maatregelen:

1. De rampenbestrijding moet georganiseerd worden rond drie niveaus:
- gemeentelijk;
- nationaal (impliceert de begeleiding door een agentschap van het betrokken Gewest);
- internationaal.

2. Het onderscheid tussen vredes- en oorlogstijd dient zoveel mogelijk opgeheven wat betreft het hanteren van bevoegdheidsstructuren en scenario's om de bevolking te beschermen.

3. De operationele middelen moeten geconcentreerd worden op het gemeentelijk niveau, in de schoot van de brandweerorganisatie, waarin de operationele eenheden van de civiele bescherming moeten worden opgenomen. Dit betekent dat de civiele bescherming een nationale directie wordt binnen het departement Binnenlandse Zaken, met een administratieve begeleidingstaak, te vergelijken met deze van de Algemene Rijkspolitie.

4. De uitzonderlijke middelen, zoals het leggen van noodbruggen, de ontruimingsdiensten enz., dienen beheerd te worden door het leger.

5. De voorbereiding, begeleiding en evaluatie van het crisisbeleid moet worden toevertrouwd aan het CoŲrdinatie- en Crisiscentrum van de Regering, dat rechtstreeks afhankelijk wordt van de Eerste Minister. Binnen het Centrum moet de dialoog met de departementen, de Gewesten en de internationale instanties worden verzekerd. Dit Centrum dient evenzeer bevoegd te zijn in oorlogstijd als in vredestijd.

6. Op het niveau van ieder Gewest wordt een agentschap opgericht voor de evaluatie van en de bijstand in kleinere incidenten.

7. De bevoegdheden moeten gerationaliseerd worden door minder departementen en diensten in te schakelen op alle niveaus.

8. De geŽigende risicomodellen en bestrijdingsscenario's kunnen verschaft worden via een kruispuntdatabank, beheerd door het nationaal Crisiscentrum en gekoppeld aan een performant communicatiesysteem met de 100 en 101-centrales en de bevoegde departementen en instellingen.

9. De projecten RINSIS (Rťseau Informatique National de Services d'Incendie et de Recours) en TELERAD (registreerinstallaties) moeten gerealiseerd worden en gekoppeld worden aan de kruispuntdatabank. Dit betekent het beŽindigen van het REGETEL-project (Rťseau Gouvernemental de Tťlťphonie).

10. Het bestrijdings- en beschermingsmateriaal mag slechts worden aangekocht op basis van de risico-analyses.

11. Er dient een grotere openheid gehanteerd in de informatie naar de bevolking toe wat betreft de rampenplannen. De politieke verantwoordelijken moeten hiertoe een striktere deontologie aan de dag leggen en technici aan het woord laten, teneinde de impact van de mededelingen te vergroten.



HOOFDSTUK 2

RUIMTELIJKE ORDENING EN NATUURBEHOUD


Vervuilingsniveau: RUIMTELIJKE ORDENING EN NATUURBEHOUD

Contaminant/probleem: 1. open ruimtes

Bron: uitbreiding urbanisatie en agro-industrie

Toestand: steeds verder aantasting van de open ruimtes

Doelstelling: maximale bescherming van de open ruimtes

Maatregelen:

1. De bodembestemmingen, aangegeven in de Gewestplannen, moeten op enkele correcties na behouden blijven, o.a. om het teveel aan woonzones te beperken en het tekort aan recreatiezones aan te vullen. Inzake het bouwvergunningsbeleid moet de uitbreiding van de woningbouw in zones de bewoning niet als prioritaire bestemming kregen aan een aantal voorwaarden worden onderworpen. De voorziene ruimte voor bewoning blijkt de behoeften immers in aanzienlijke mate te overschrijden.

2. De huidige politiek inzake openbare voorzieningen (gas, water, elektriciteit, post, huisvuilophaling, wegenaanleg) die door de overheid ofwel gratis, ofwel zwaar gesubsidieerd ter beschikking worden gesteld, moet grondig worden herzien. De gebruikers en consumenten van deze voorzieningen zullen zelf meer de reŽle kostprijs ervan moeten betalen. Daardoor zal het aantrekkelijker worden om te wonen in dichter bevolkte kernen, waar deze voorzieningen ofwel reeds aanwezig zijn, ofwel door een groter aantal gebruikers worden betaald, in tegenstelling tot het suburbaan wonen. Door het inschakelen van de markt voor al deze diensten en aspecten van het bouwen en wonen, zal een spontane en rechtvaardiger ordening op gang worden gebracht. Dit vereist evenwel dat de genoemde diensten volgens de marktprincipes gaan werken.

3. Een geografisch gedifferentieerde onroerende fiscaliteit op basis van het model van de statistische sectoren moet worden op punt gesteld. Een statistische sector is een basiseenheid, gedefinieerd op basis van sociale, economische of bouwkundige elementen. De grenzen ervan vallen zoveel mogelijk samen met herkenbare landschapselementen (straten, waterlopen, Ö). Deze geografische eenheden worden gegroepeerd in woonkernen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen aaneengesloten en verspreide bebouwing. Op basis van dit onderscheid moet een lagere fiscaliteit voor dichter bevolkte kernen worden ingevoerd op het vlak van bv. registratierechten, kadastraal inkomen, aftrekbaarheid van de eigen woning (hypotheeklening) van de personenbelasting,Ö Hierdoor zal een ordening op gang komen op basis van het marktmechanisme, waardoor het wonen in kernen economisch interessanter wordt en de open ruimtes beter worden beschermd.

4. De gevoerde politiek inzake landinrichting, vooral dan t.a.v. de para-agrarische bedrijven, moet fundamenteel worden herzien, zowel door een herstructurering van het departement (zie hoofdstuk 3), als op vlak van het ruimtelijke ordenings- en het vergunningsbeleid. Zo moeten para-agrarische en agro-industriŽle bedrijven doorverwezen worden naar de industriezones. Qua beschikbare oppervlakte stelt dit in principe geen problemen aangezien de voorziene oppervlakte voor industriegebieden nog lang niet volledig is bezet. Eventueel kan men hierbij ook denken aan het omvormen van delen van de bestaande industriezones tot agro-industriegebieden. Deze maatregel zal ook belangrijke positieve gevolgen hebben inzake het probleem van de mestoverschotten, zoals het drukken van de kosten van mestophaling en een betere controle op illegale lozingen.

5. Daarnaast moet een aanvang worden gemaakt met de opmaak van de structuurplannen, die hiŽrarchisch boven de gewestplannen staan en de randvoorwaarden bepalen waaraan deze laatste dienen te voldoen. Inzake de woonzones zal hierdoor de effectieve ingebruikname van deze zones daardoor onmogelijk worden indien bepaalde voorzieningen, zoals riolering, niet aanwezig zijn. Hierdoor wordt naar de toekomst toe de vervuiling door huishoudelijke afvalwaters door het niet aanwezig zijn van riolering, maar ook de aanleg van nieuwe rioleringen (bovenop de reeds voorziene) beperkt. Door toepassing van bovenstaande maatregelen zal ook de "inbreiding" voordeliger worden dan de "uitbreiding".

6. Nog inzake het ruimtelijk beleid moeten voor de uitbreiding van industriegebieden de behoeftes meer per streek worden bekeken. Sommige gemeenten gaan nu immers tot uitbreiding over, terwijl er in aangrenzende gemeenten aanzienlijke overschotten zijn. Daarnaast moet ook gestreefd worden naar de integratie van niet-hinderende ambachtelijke bedrijven in de woonkernen.

7. Daarnaast dienen tevens een aantal maatregelen te worden genomen die specifiek gericht zijn op het aantrekkelijker maken van de stedelijke leefomgeving. In de eerste plaats moet een betere bescherming van monumenten worden nagestreefd door een aantal fiscale stimuli, zoals het verminderen van de registratierechten, van de onroerende voorheffing, van de patrimoniumbelasting en het aantrekkelijk maken van sponsoring.

8. Verder moeten de bewoners een grotere eigen verantwoordelijkheid krijgen inzake de zorg voor hun woonomgeving, door straten, pleinen, parken e.d. in eigendom of in beheer te geven van een vereniging waarin naast de gemeentelijke overheid ook de aanpalende eigenaars participeren.


Vervuilingsniveau: RUIMTELIJKE ORDENING EN NATUURBEHOUD

Contaminant/probleem: 2. reservaten, natuurgebieden en ecologisch waardevolle gebieden

Bron/oorzaak: uitbreiding industrie, landbouw, urbanisatie

Toestand: totale oppervlakte, voorzien in de gewestplannen: 150.000 ha (12% van de totale oppervlakte van Vlaanderen), waarvan 92.000 ha reservaten en natuurgebieden, 38.800 ha bosgebieden en 3.100 ha bosgebieden met ecologische waarde. 30.000 ha wordt nog door landbouw gebruikt.

Doelstelling: onmiddellijke stopzetting van de aantasting van de groene ruimtes en strikte uitvoering van de internationale engagementen (Conventie van Ramsar, EG-richtlijn 79/409); in de periode tot 1995 moet de bescherming van 72.000 ha natuurgebieden door verwerving, huur, beheersovereenkomsten worden gerealiseerd; naar 2000 toe moet deze oppervlakte worden verdubbeld, en tegen 2010 moet minimaal 150.000 ha of 12% van het grondgebied als groene zone zijn beschermd.

Maatregelen:

1. In de eerste plaats zullen de voorgestelde maatregelen inzake de open ruimtes op zich al positieve effecten hebben voor de diverse "deelgebieden" van het natuurbehoud.

2. Wat de reservaat- en natuurgebieden en de ecologisch waardevolle gebieden betreft moet in elk geval bij de zonering rekening worden gehouden met de behoefte aan voldoende grote oppervlakten.

3. Een uitbreiding van de middelen voor aankoop van reservaten vanuit de private sector moet worden gerealiseerd door fiscale stimuli zoals het afschaffen van de registratierechten, een vrijstelling van onroerende voorheffing en patrimoniumbelasting en het fiscaal aantrekkelijk maken van sponsoring.

4. De overtredingen van de reglementeringen inzake vegetatie- en reliŽfwijzigingen in waardevolle gebieden moeten worden aangepast door een efficiŽnt vervolgingsbeleid via milieurechtbanken en door de voorgestelde maatregelen inzake landinrichting.

5. De bestaande EG-regeling voor het uit productie nemen van set-aside-landbouwgronden moet effectief in het beleid van de Vlaamse Gemeenschap worden overgenomen, in de eerste plaats door een vereenvoudiging van de administratieve procedures.

6. Voor de bescherming van waardevolle gebieden die door de landbouw worden gebruikt, moet in samenwerking met milieuverenigingen een beter beheer worden opgezet onder de vorm van beheerscontracten/beheersplannen. Deze milieuverenigingen zouden dan optreden als "milieu-management-bureaus" en hierdoor vergoedingen ontvangen die in de plaats komen van de huidige subsidiŽring. Dergelijke vormen van inkomsten voor deze verenigingen lijken meer aangewezen dan rechtstreekse overheidssubsidiŽring (gevaar van "milieuvakbonden"). De betrokken landbouwers die gronden verliezen, moeten hiervoor een verhoogde uittredingsvergoeding of een vergoeding voor het uit gebruik nemen van landbouwgronden. Deze vergoedingssystemen bestaan momenteel en kunnen worden gefinancierd binnen de voorziene middelen van het Landbouwinvesteringsfonds.

7. Voor landbouwers en eigenaars die zelf het beheer waarnemen, kan eveneens de genoemde beheersvergoeding worden voorzien, die varieert met de grootte en de ecologische kwaliteit van de biotoop. Dit zal de betrokken landbouwers aanmoedigen om een zo groot mogelijke kwaliteit na te streven en hen motiveren om met de eigenaars van aanpalende gronden samen te werken om het beheersplan tot een zo groot mogelijk aaneengesloten gebied uit te breiden. Extra inkomsten zouden de eigenaars van deze gronden kunnen krijgen uit bepaalde vormen van recreatie (wandelen, fietsen, Ö) die aangetrokken worden door het beter beheer van deze gebieden.

8. De middelen nodig om deze beheersvergoedingen te financieren moeten komen van een vermindering van de kredieten voor ruilverkaveling, waterbeheersingswerken e.d. die milieuonvriendelijk zijn, maar nu gesubsidieerd worden.


Vervuilingsniveau: RUIMTELIJKE ORDENING EN NATUURBEHOUD

Contaminant/probleem: 3. bossen

Bron: kappen van bossen

Toestand: totale oppervlakte bos in Vlaanderen: 114.000 ha, waarvan 70% privť

Doelstelling: tegen 1995 moet de aantasting van het Vlaamse bosareaal zijn stopgezet; tegen 2000 moet gestreefd worden naar een uitbreiding met 70.000 en tegen 2010 naar een uitbreiding met 140.000 ha

Maatregelen:

1. Het behoud en de uitbreiding van het bosbestand moet worden gestimuleerd, door het voorzien van een vrijstelling van registratierechten bij aankoop, vrijstelling van successierechten, de verhoogde investeringsaftrek bij aanleg van nieuwe bossen, indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan (beheersplan, gebruik inheemse soorten, gebruik bestrijdingsmiddelen en nutriŽnten, Ö.)

2. De bestaande EG-regeling voor het uit productie nemen van marginale landbouwgronden voor bebossing moet onmiddellijk in het beleid van de Vlaamse Gemeenschap worden opgenomen. In de eerste plaats veronderstelt dit het vereenvoudigen van de administratieve procedures.


Vervuilingsniveau: RUIMTELIJKE ORDENING EN NATUURBEHOUD

Contaminant/probleem: 4. waardevolle landschappelijke elementen en ecologische infrastructuur

Bron: landinrichtingswerken ( ruilverkaveling + neveneffecten ervan, waterbeheerswerken), vernietiging lijn- en puntvormige landschapsaspecten als hagen, bomenrijen, alleenstaande bomen, Ö.

Toestand: geen globaal beeld

Doelstelling: maximaal behoud en uitbreiding van de ecologische infrastructuur

Maatregelen:

1. De huidige politiek van landinrichting moet worden herzien in functie van de ecologische behoeften. Daarnaast moet het begrip "landinrichting" worden geherdefinieerd in de zin van "ruimtelijke inrichting" en worden onttrokken aan de sector ruilverkaveling (VLM) zodat het van een louter uitvoerend aspect worden omgevormd tot ťťn van de centrale instrumenten bij de uitstippeling en de coŲrdinatie van het beleid (zie ook verder in hoofdstuk 3).

2. De voorgestelde maatregelen inzake het opstellen van beheersplannen en beheerscontracten die worden uitgevoerd door milieuverenigingen, moeten eveneens van toepassing zijn op de bescherming van de ecologische infrastructuur.

3. Daarnaast moet door de invoering van ecologische adviesverstrekking naar landbouwbedrijven, polders en wateringen, gemeenten en OCMW's en particuliere eigenaars en organisaties op het vlak van de waardevolle landschapselementen een betere naleving worden gerealiseerd van het bermbesluit, de reglementering inzake kappen van bomen, bomenrijen en hagen, de bescherming en het herstel van puntvormige biotopen (omwallingen, drinkpoelen).

4. Zogenaamde restgronden (bv. stroken en oevers langsheen beken) waarvan de overheid eigenaar is, maar die nu dikwijls gewoon door de landbouw worden bezet, kunnen onder ťťn of andere vorm afgestaan of in beheer gegeven worden aan milieuverenigingen.


Vervuilingsniveau: RUIMTELIJKE ORDENING EN NATUURBEHOUD

Contaminant/probleem: 5. fauna en flora

Bron: vernietiging natuurlijke biotopen

Toestand: van de inheemse wilde planten waren er in 1985 5,6% verdwenen en 33% bedreigd, tegenover respectievelijk 4,5 en 22,9% in 1969. Voor dieren bestaat geen globaal beeld. Wel moet de verdwijning van een aantal typische soorten, zoals de otter, worden vermeld.

Doelstelling: maximaal behoud en herstel van de natuurlijke biotopen in voldoende grote oppervlaktes

Maatregelen:

1. Aangezien het voortbestaan van flora en fauna afhankelijk is van de aanwezigheid van bepaalde biotopen, is het uitvoeren van de voorgestelde maatregelen inzake reservaten, natuurgebieden, ecologische infrastructuur en het behoud van de open ruimtes de eerste voorwaarde voor hun bescherming.

2. De kwaliteit van deze biotopen moet bovendien worden veilig gesteld door de voorgestelde maatregelen inzake het terugdringen van de verontreiniging door o.m. pesticiden en mestoverschotten.

3. Als aan deze voorwaarden voldaan is, kunnen voor verdwenen of bedreigde soorten reÔntroductieprogramma's worden opgezet.



HOOFDSTUK 3

INSTRUMENTEN


1. ORGANISATIE VAN HET MINISTERIE VAN RUIMTELIJKE ORDENING, LEEFMILIEU EN INFRASTRUCTUUR

Vanuit het standpunt van Natuurbehoud is de splitsing van de administratie Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu nefast, omdat hierdoor de nodige coŲrdinatie bemoeilijkt of onmogelijk wordt.

De Vlaamse Landmaatschappij (nu in principe enkel bevoegd voor ruilverkavelingen) dreigt te evolueren naar een superparastatale, die zelfs bevoegdheden zou hebben die normaal tot het beleid behoren, zoals het uitstippelen van het landinrichtingsbeleid. Bovendien wordt deze maatschappij volledig gericht op de loutere verdediging van de landbouwbelangen, doordat ze naast de ruilverkavelingen ook de bevoegdheden zou krijgen om als mestbank op te treden.

Om een afdoende bescherming van de Vlaamse natuur te garanderen moet de Dienst Natuurbehoud verplicht worden geconsulteerd voor bestemmingswijzigingen, bouwvergunningen en plannen van aanleg in volgende bestemmingsgebieden:

- gebieden die volgens de gewestplannen zijn aangeduid als groengebied, valleigebied, agrarisch gebied met ecologische waarde, bosgebied met ecologische waarde, ontginningsgebied met nabestemming groengebied;
- natuurreservaten, aangeduid op grond van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud (staatsnatuurreservaten en erkende reservaten)
- gebieden beschermd op basis van internationale overeenkomsten;
- de vertaling van een natuurbehoudsplan in een ruimtelijk beleidsplan (structuurplan).
- deze verplichte consultatie van de Dienst Natuurbehoud geldt eveneens voor het vergunningsbeleid, voor zover het gaat over handelingen die invloed kunnen hebben op kwaliteit en kwantiteit van oppervlakte- en grondwateren of op de kwaliteit van bodem en lucht.

De administratie van de Vlaamse Gemeenschap moet zodanig worden gereorganiseerd dat er ťťn Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Leefmilieu en Infrastructuur wordt opgericht volgens onderstaand organigram:

Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Leefmilieu en Infrastructuur
Secretaris-Generaal
Ruimtel. Ord. Leefmilieu Landinrichting Infrastructuur
Stedebouw Leefmilieu Landel.Struct. Waterw.       Wegen
Monum./ Water Natuurontw. Bevaarb.
Landsch. Bodem Groen/Bossen Onbevaarb.
Huisv. Lucht Ruilverkavel. Polders
      Wateringen


Op het vlak van het beleid krijgen we volgende taakomschrijving:
- De administraties Ruimtelijke Ordening, Leefmilieu en Infrastructuur staan respectievelijk in voor het formuleren van het beleid, m.n.:

* het aanduiden van de bodembestemmingen en het vastleggen van de hoofdstructuren in een ruimtelijk structuurplan, dat hiŽrarchisch boven de gewestplannen moet staan;
* het vastleggen van de milieukwaliteitsnormen en het beleid inzake natuurbehoud;
* het vastleggen van het beleid inzake infrastructuurwerken

- Landinrichting zorgt voor:

* de nu ontbrekende coŲrdinatie in het beleid. Dit is noodzakelijk om bv. voor gebieden die rijp geacht worden voor landinrichting de diverse ingrepen en functies op elkaar te kunnen afstemmen. Hetzelfde geldt ten aanzien van het op elkaar afstemmen van de beleidsopties en kwaliteitsdoelstellingen inzake ruimtelijke ordening, natuurbehoud, leefmilieu en infrastructuur.
* de controle op de conformiteit van de sectoriŽle uitvoering met de diverse beleidsaspecten en kwaliteitsdoelstellingen inzake ruimtelijke ordening, leefmilieu, natuurbehoud, infrastructuur. Dit betekent bijvoorbeeld dat geen bouwvergunning kan worden gegeven door Stedebouw, wanneer wordt vastgesteld dat geen riolering aanwezig is; of nog, dat het pompen van grondwater door de Polders in een bepaald gebied kan beperkt worden indien hierdoor het voortbestaan van een nabijgelegen natuurgebied wordt bedreigd (het voorbeeld van de Blankaert). Nu wordt enkel gepompt in functie van de landbouw.
* inzake de voorgestelde organisatiestructuur moet worden opgemerkt dat de sector ruilverkaveling (dus de VLM) onder Landinrichting ressorteert, en dus niet zelf zal instaan voor het formuleren van het landinrichtingsbeleid (zie ook hoofdstuk 2, 4. waardevolle landschappelijke elementen en ecologische infrastructuur, maatregel 1).


2. MILIEUINFORMATIE

Bij het opmaken van de diverse analyses en het inzamelen van gegevens over milieu en natuur is duidelijk gebleken dat er in Vlaanderen een belangrijk gebrek aan kennis over de kwaliteit van onze leefomgeving bestaat. In andere gevallen zijn gegevens weliswaar verzameld maar zitten ze verspreid over diverse administraties en diensten, zowel ressorterend onder de nationale als onder de gemeenschapsoverheden.

Het is daarom noodzakelijk dat gestart wordt met het systematisch inventariseren van alle gegevens en cijfermateriaal dat noodzakelijk is om een efficiŽnt milieubeleid op te baseren. Om dit te realiseren is het nodig dat:

- op het hoogste niveau van het Vlaamse ministerie van Ruimtelijke Ordening, Leefmilieu en Infrastructuur een dienst wordt opgericht, belast met het systematisch inzamelen van alle beschikbare gegevens vanuit de diverse administraties en diensten.

- op basis van de hiaten in dit milieu-databestand moeten zowel aan de administraties als aan de universiteiten - in het kader van de huidige kredieten voor wetenschappelijk onderzoek- prioritair de opdrachten worden gegeven om de ontbrekende gegevens en metingen aan te vullen.

- Eveneens in het kader van het wetenschapsbeleid moet het onderzoek naar technologische oplossingen van milieuproblemen worden gestimuleerd. De betrokken datacel van het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Leefmilieu en Infrastructuur moet daartoe een prioriteitenlijst opstellen.

- Met het oog op de praktische toepasbaarheid moet de private sector maximaal bij dit onderzoek worden betrokken. De bedrijven die hierin investeren kunnen genieten van het systeem van verhoogde investeringsaftrekken voor de middelen die ze aan deze samenwerkingsprojecten besteden.


3. MILIEURECHTBANKEN

De bestaande rechtbanken zijn onvoldoende uitgerust om een efficiŽnt vervolgingsbeleid te voeren. Daardoor worden vele milieuovertredingen zonder gevolg geklasseerd, enkel omdat de betrokken magistraten over onvoldoende kow how beschikken om de technische aspecten van de milieuwetgeving onder de knie te krijgen.

Om het probleem van de vervolging van milieuovertredingen aan te pakken, moet worden overgegaan tot de oprichting van milieurechtbanken. Dit kan gebeuren door hetzij een aparte organisatiestructuur te voorzien (naar het voorbeeld van de arbeidsrechtbanken), hetzij door een interne reorganisatie van de bestaande rechtbanken en de oprichting van aparte kamers voor de vervolging van milieudelicten. Deze laatste wijze van optreden is te verkiezen, omdat ze zonder veel wetgevende initiatieven kan gebeuren en ook meest waarborgen voor de objectiviteit van de rechtspraak biedt. In elk geval zal de oprichting van milieurechtbanken of van milieukamers binnen de bestaande rechtbanken vereisen dat meer geld en middelen moeten worden beschikbaar gesteld voor de uitbouw van dit gerechtelijk apparaat.

Het PVV-Milieubeleidsplan stoelt op het veranderen van het gedrag van consumenten en producenten naar een meer milieuvriendelijke houding. Dit wordt bereikt door (1) consumenten en producenten zelf - dus niet langs de overheid - de reŽle prijs te laten betalen van het wegwerken van de vervuiling (bv. afval, waterzuivering), (2) de prijs van milieuvriendelijke goederen, technieken en investeringen fiscaal te verlagen en (3) de productie van niet-verwerkbaar afval tegen te gaan door in deze gevallen een milieuheffing te gebruiken. De enige heffingen die hier dus gehanteerd worden, zijn deze op sommige vormen van industrieel afval en op mestoverschotten die niet via een mestbank kunnen weggewerkt worden. Het gaat hierbij om reeds bestaande heffingen, die echter zodanig beperkt en omgevormd worden dat ze gericht worden op het stimuleren van industrie en landbouw in de richting van het zelf wegwerken van de vervuiling. Dit gebeurt door erin te voorzien dat de betrokken ondernemingen of landbouwbedrijven kunnen vrijgesteld worden van het betalen van deze heffingen indien ze ofwel een even groot bedrag investeren in afvalverwerking ofwel aansluiten bij een mestbank.

De wisselwerking van deze mechanismen maakt dat ťn de burger ťn de onderneming een reŽel belang krijgen bij milieuvriendelijk gedrag, en dat zonder het zetten van een rem op de economische en maatschappelijke activiteiten.

De financiŽle kost voor de overheid is in deze visie beperkt tot volgende vier punten:

- het vaststellen van en de controle op de emissie- en imissienormen (bv. de uitbouw van een bestendig meetnet door de VMZ);

- het verschaffen van de basisinfrastructuren waar dit om natuurlijke redenen niet anders kan (bv. de aanleg van rioleringen en collectoren inzake waterzuivering);

- het wegwerken van de historische milieuschade (bv. de sanering van de black points);

- het geven van de nodige stimuli voor een milieuvriendelijker gedrag van consumenten en producenten. Dit gebeurt zowel via het bevorderen van het wetenschappelijk onderzoek terzake, invoeren van gedifferentieerde fiscaliteit t.v.v. milieuvriendelijke producten.

De financiering van de taak van de overheid in het PVV-Milieubeleidsplan brengt, gezien het feit dat geen beroep wordt gedaan op het systematisch invoeren van milieuheffingen, een budgettaire kost mee. Een overzicht van de omvang van deze budgettaire kost op jaarbasis, en dit voor de eerstkomende jaren, wordt hierna gegeven.

1. Overheidsinvesteringen in basisinfrastructuur
(vnl. rioleringen en collectoren)
(maatregelen hoofdstuk 1: 2.1.1, 2.1.2, 2.1.5, 2.5.1, 3.1.3)
22 miljard
2. Meet- en controleapparatuur
(maatregel hoofdstuk 1: 2.1.8)
p.m.
3. Versterking Wetenschappelijk Onderzoek
(maatregelen hoofdstuk 1: 1.1.1, 1.4.1, 3.1.4;
hoofdstuk 3: 3)
1 miljard
4. Wegwerken historische milieuschade
(vnl. sanering black points, maatregel hoofdstuk 1: 1.10.4)
10 miljard
5. Fiscale stimuli
waaronder:
53 miljard
- gediff. verbruiksbelasting
(hoofdst. 1: 1.1.1, 1.1.5, 1.2.2, 1.4.2, 1.5.3, 1.9.3, 2.3.4, 3.2.3, 3.3.1, 3.7.1, 3.9.2)
20 miljard
- verhoogde invest. aftrek
(hoofdst. 1: 1.1.1, 1.4.4, 2.6.2, 3.1.2, 3.1.3, 3.2.5, 3.3.6, 3.5.2, 3.7.2, 5.5;
hoofdst. 2: 2.3, 3.1)
9 miljard
- vermindering onr. fisc.
(hoofdst. 2: 1.3, 2.3, 3.1)
p.m.
- fiscale aftrek katalys.
(hoofdst. 1: 1.8.1, 3.1.1, 3.3.2, 3.3.3)
3 miljard
- verhoogde forf. aftrek gemeensch. vervoer
(hoofdst. 1: 3.1.3)
20 miljard
- afschaffing aanvullende verkeersbel. LPG (hoofdst. 1: 3.3.4) 0,3 miljard


De financiering van deze budgettaire kost - die slechts een eerste raming is - moet op twee wijzen worden gefinancierd:

Ten eerste - voor wat de eerste vier punten betreft, moet een herschikking binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap en binnen de gemeentebegrotingen worden doorgevoerd. Meer bepaald moet:

- inzake de waterzuivering 20% van de gemeentelijke investeringscapaciteit of 5 miljard per jaar worden voorbehouden voor de aanleg van rioleringen en afvalwatercollectoren. De resterende 17 miljard per jaar moet worden gehaald uit een herschikking van het investeringsprogramma van de Vlaamse Gemeenschap (totaal van 42,4 miljard) en door het aanwenden van de toelagen voor economische expansie en de toelagen aan het Gemeentelijk Investeringsfonds.

- met uitzondering van de sanering van een aantal prioritaire punten, moet de aanpak van de black points voornamelijk starten nadat het waterzuiveringsprogramma is uitgevoerd, zodat de daarvoor voorziene kredietherschikking hierop kan worden geconcentreerd.

Ten tweede moet, voor wat het vijfde punt betreft, de financiering worden rondgemaakt door een deel van de economische groei voor te behouden voor het bevorderen van een milieuvriendelijk gedragspatroon bij consumenten en producenten, en dit zowel langs de personen-, de vennootschaps- als de verbruiksbelasting om. Het uitgangspunt is namelijk dat economische groei en ecologisch herstel onlosmakelijk verbonden zijn. In concreto moeten de inkomstendervingen op nationaal vlak die het gevolg zijn van het invoeren van milieugerichte fiscale stimuli, worden opgevangen door jaarlijks ca. 1% van de reŽle groei van het BNP (of 3% van de ontvangsten) hiervoor nadrukkelijk te bestemmen. Er moet m.a.w. een maatschappelijk contract worden afgesloten waarbij elk jaar een vast gedeelte van de economische vooruitgang wordt voorbehouden aan de verwezenlijking van het ecologisch herstel.

top