www.liberaalarchief.be
CONGRES VAN DE PARTIJ VOOR VRIJHEID EN VOORUITGANG
KORTRIJK, 17-18 november 1990
OPNIEUW AAN DE SLAG
CONGRESRESOLUTIES


1. EEN CONCURRENTIELE ECONOMIE


In 1979 hield de P.V.V. tot tweemaal toe een congres in Kortrijk alwaar voor de jaren tachtig het liberaal gedachtengoed werd uitgetekend. De mijlpalen die toen werden uitgezet vonden grote weerklank. Het sociaal-economisch luik dat het levenslicht zag op de beide Kortrijkse congressen kreeg vanzelfsprekend zeer veel aandacht. De nefaste gevolgen van de nog steeds niet bedwongen crisis uit de zeventiger jaren waren volop voelbaar en de P.V.V. droeg harde doch realistische oplossingen aan. Op grond van de toen ingenomen standpunten aarzelden de Vlaamse liberalen niet tot tweemaal toe regeringsverantwoordelijkheid te nemen. Zonder afbraak te doen aan onze ideologische uitgangspunten slaagden we erin een aantal essentiŽle beslissingen in de sociaal-economische en begrotingsdossiers door te drukken. De resultaten van de liberale recepten werden al vlug tastbaar. De slabakkende economie begon stilaan te herleven en tegelijk werd de invloed van de staat ingeperkt. Er was weer hoop. Het einde van de tunnel kwam in zicht.

Het is geen toeval maar sedert de verwijdering van de liberalen aan de macht heeft de regering een aantal kansen laten voorbijgaan. Het interventionisme neemt terug toe, het staatsapparaat wordt nog groter, de staatsuitgaven verhogen, het overheidsbeslag vergroot, regulering is troef, er is meer bureaucratie, er gaan meer subsidies naar bevriende organisaties en de fiscale en parafiscale lasten laten zich voelen. De P.V.V., zich bewust zijnde van de ernst van de toestand, is bezorgd om deze gang van zaken en zij wenst op elk ogenblik klaar te zijn met een actueel sociaal-economisch platform. Vanzelfsprekend zijn de bladzijden die hier volgen maar een deel - zij het niet onbelangrijk - van onze globale maatschappijvisie. Vorig jaar werden reeds belangrijke standpunten ingenomen m.b.t. de migrantenproblematiek en het leefmilieu. Eerlang zal ook onze zienswijze inzake onderwijs verder worden uitgediept.

"Opnieuw aan de slag" omvat niet het volledig programma van de P.V.V., het tekent het beleid uit dat wij op sociaal en economisch vlak tijdens de komende legislatuur willen voeren. Na de ontwikkelingen in Centraal en Oost-Europa is het immers meer dan ooit duidelijk geworden dat het socialisme dood is, zowel intellectueel als economisch en dat een vrije economie hťt middel is om zoveel mogelijk welvaart te creŽren voor zoveel mogelijk mensen. Alleen door een gezonde economie is het mogelijk voldoende welvaart te scheppen nodig om zowel een sociale als een milieubewuste samenleving op te bouwen. Omgekeerd kan niet. Een sociale en ecologische politiek voeren zonder economische basis is en blijft onmogelijk.

"Opnieuw aan de slag" wil de Belgische economie dereguleren, de overheid onder meer door privatiseringen efficiŽnter en doorzichtiger laten functioneren, de fiscale lasten verlagen, de sociale stelsels meer solidair maken en de maatschappelijke structuren ontzuilen. Hoe zwak onze economie nog steeds is heeft de Golf-crisis aangetoond. Ze toont ook aan hoezeer een terugkeer van de liberalen in de regering nodig is om ook in de jaren negentig de welvaart en het welzijn van de burger veilig te stellen. "Opnieuw aan de slag" zal de leidraad zijn die wij zullen gebruiken wanneer wij tot regeringsonderhandelingen worden uitgenodigd.

Een economie die in staat is te concurreren met deze van de andere landen in Europa en in de wereld is de beste waarborg om ook in de jaren negentig onze welvaart veilig te stellen. Sinds 1981 werd daartoe een bijzondere inspanning geleverd en dit met toenemend succes zoals o.m. blijkt uit de groei van het Bruto Nationaal Produkt.

De Golf-crisis en de scherpe stijging van de energieprijzen hebben echter aangetoond dat desondanks onze economie nog steeds heel kwetsbaar is. Het volstaat dat er zich ťťn oorlogsdreiging in het Midden-Oosten voordoet, opdat de meeste economische indicatoren opnieuw in het rood slaan. Bovendien zal de Belgische economie in de komende jaren het hoofd moeten bieden aan tal van nieuwe uitdagingen. Eerst en vooral is er de totstandkoming van de Europese eenheidsmarkt op 1 januari 1993. Deze zal de grenzen in de handelsbelemmeringen doen verdwijnen die ons vandaag nog steeds afschermen van de al te hevige concurrentie. Ten tweede zijn er de ontwikkelingen in Centraal en Oost-Europa. Tsjechoslowakije, Hongarije, Polen, Oost-Duitsland, zelfs de Sovjet-Unie ontwikkelen zich in een razendsnel tempo tot een vrije markteconomie, hetgeen voor de Belgische economie zowel nieuwe concurrenten oplevert, als nieuwe afzetmarkten opent. Tenslotte en niet in het minst, is er de koppeling van de Belgische Frank aan de Duitse Mark. Die koppeling noodzaakt er ons toe een beleid te voeren, waarbij onze economie even competitief, en net zo concurrentieel is als de Duitse. En dat is vandaag allerminst het geval. Volgens het World Economic Forum bekleedde BelgiŽ in 1990 slechts de vijftiende plaats op de competitiviteitstabel van de wereld en dit ver achter Duitsland.

In de komende jaren zal dan ook een bijzondere inspanning moeten geleverd worden om de Belgische economie te moderniseren en concurrentieel te houden. Tal van ingrepen dringen zich daartoe op, met name:
1) de invoering van een vrije en gedecentraliseerde loonvorming,
2) het verlagen van de belasting van de arbeid,
3) het versoepelen en verbreden van de arbeidsmarkt,
4) het liberaliseren van de prijzen,
5) het aanmoedigen van investeren en ondernemen,
6) het moderniseren van de economische infrastructuur,
7) het hervormen van de landbouw,
8) het stimuleren van het onroerend goed en
9) het heroriŽnteren van het regionaal economisch beleid.

1.1. Een flexibele en competitieve loonvorming

De belangrijkste voorwaarde voor een concurrentiele economie is gezonde bedrijven. Nu de Belgische Frank aan de Duitse Mark gekoppeld is en moet blijven, moet de evolutie van de loonkost in de andere landen van de DM-zone, met name Duitsland, Nederland en Frankrijk nadrukkelijker in het oog worden gehouden. Daartoe is, naast een zo laag mogelijke fiscale en parafiscale druk, een soepele loonvorming noodzakelijk die rekening houdt ťn met de mogelijkheden van elk bedrijf ťn met de loonevolutie in de andere landen van de DM-zone. Bovendien moet het ook mogelijk zijn het loon nauwer te laten aansluiten op de arbeidsprestaties, dit door het toekennen van resultaatsgebonden vergoedingen of van nieuwe vormen van uitgesteld loon.

Om tot een flexibele en competitieve loonvorming te komen dringen zich vier ingrepen op:

1) De invoering van een gedecentraliseerd loonoverleg.

De loonvorming in ons land geschiedt thans op verschillende niveaus. Er is vooreerst het zogenaamde interprofessioneel akkoord dat normaal om de twee jaar wordt afgesloten. Vervolgens zijn er de sectoriŽle akkoorden en de overeenkomsten per bedrijf die het interprofessioneel akkoord aanvullen of vervangen indien op interprofessioneel vlak geen overeenkomst kon worden bereikt. Tenslotte is er de automatische koppeling van de lonen aan de inflatie, uitgedrukt in de index van de consumptieprijzen. Deze opeenstapeling van akkoorden en de automatische indexering doen in de praktijk de loonkosten opnieuw de pan uitrijzen.
Om dit in de toekomst te vermijden, is een nieuw systeem van loonvorming noodzakelijk dat vergelijkbaar is met datgene wat bestaat in de andere landen van de DM-zone.

Concreet zou dit systeem er als volgt uitzien:
- de automatische koppeling van de lonen aan de index zou worden vervangen door ťťn jaarlijkse aanpassing, die zowel de gestegen levensduurte van het voorbije jaar als de reŽle loonsverhoging zou inhouden; de loonsverhoging en de arbeidsvoorwaarden zouden om de twee jaar worden onderhandeld;

- deze eventuele aanpassing van de lonen zou onderhandeld worden op het vlak van de onderneming, zodat meer rekening wordt gehouden met de reŽle mogelijkheden van het bedrijf, maar wel binnen ťťn onderhandelingsruimte of ťťn onderhandelingskader dat vooraf globaal of sectorieel wordt vastgelegd;

- deze onderhandelingsruimte bepaalt de minimale en de maximale stijging van de lonen waarop de werknemer en de werkgever zich respectievelijk bij de onderhandelingen in het bedrijf kunnen beroepen; de maximale aanpassing komt overeen met de gemiddelde loonkostenevolutie bij onze handelspartners in de DM-zone (Duitsland, Frankrijk, Nederland); de minimale aanpassing is de gemiddelde inflatie in de DM-zone of de Belgische inflatie indien deze lager zou liggen.
M.a.w. ieder jaar wordt in het bedrijf een loonaanpassing doorgevoerd die minstens gelijk is aan de gestegen levensduurte van de economische en monetaire zone waar BelgiŽ nu toe behoort en die maximaal kan oplopen tot de loonsverhogingen zoals die ook bij onze drie voornaamste handelspartners worden toegekend. Uiteraard moeten garanties worden ingeschreven opdat kleine en middelgrote ondernemingen hierbij maximaal zouden worden betrokken.
Een gelijkaardig systeem zou kunnen ontwikkeld worden voor de non-profitsector.

2) Een nieuwe wet op de vrijwaring van het concurrentievermogen.

De wet van 6 januari 1989 ter vrijwaring van het concurrentievermogen is voorbijgestreefd en ontoepasbaar. Zij is voorbijgestreefd omdat ze de Belgische competitiviteit nog steeds meet aan de hand
van de prestaties van onze zeven voornaamste handelspartners, daar waar ons land nu behoort tot de DM-zone. De wet is ook ontoepasbaar. Zij kent immers geen automatische toepassing. De politieke overheid moet eerst oordelen dat het concurrentievermogen in gevaar is alvorens kan worden ingegrepen.
Een nieuwe wet op de vrijwaring van het concurrentievermogen is derhalve noodzakelijk. Deze zou wettelijk vastleggen dat de lonen eens per jaar worden aangepast binnen het hierboven beschreven onderhandelingskader. Bovendien zou deze wet ook voorzien in een procedure in kortgeding om stakingen tegen te gaan die tot doel zouden hebben loonsverhogingen af te dwingen die hoger zijn dan de maximale stijging die in het onderhandelingskader wordt bepaald. In het kader van deze procedure dient rechts-persoonlijkheid aan de vakorganisaties als aan de werkgeversorganisaties te worden opgelegd. Tevens moet voor de bedrijven de mogelijkheid van een lock-out worden voorzien, zodanig dat zij, in afwachting van de procedure in kortgeding of wanneer het om een wilde staking gaat, de mogelijkheid hebben zich te verweren.

3) Het aanmoedigen van prestatie- en resultaatsgebonden beloning.

Naast het overeengekomen loon moet een groter deel van de beloning worden toegekend in functie van de geleverde prestaties en de bekomen resultaten. Nieuwe vormen van beloning moeten daartoe worden ingevoerd om de werknemers rechtstreeks te laten delen in de resultaten van het bedrijf. Meer dan tot op heden het geval is moeten de bedrijven gebruik kunnen maken van zogenaamde prestatie- of resultaatgebonden vergoedingen en van het toekennen van winst- of gewone aandelen. Die aandelen en vergoedingen moeten een voordelige fiscale behandeling krijgen die rekening houdt met het tijdelijk en onzeker karakter van hun toekenning. Ook het inkomen uit overuren, zaterdag- en zondagwerk, arbeid op feestdagen en de shift-vergoeding moeten een betere fiscale behandeling krijgen.

4) De invoering van een gekapitaliseerd pensioen.

Een gedeelte van de loonsverhogingen kan tijdelijk aangewend worden om een gekapitaliseerd pensioen op te bouwen voor de jongere werknemers beneden de 40 jaar. Ieder bedrijf of groep van bedrijven zou een pensioenfonds oprichten of aan een pensioenfonds deelnemen, dat een individueel, onaantastbaar en overdraagbaar recht op pensioen waarborgt voor de aangesloten werknemers. Het pensioenfonds zelf neemt de vorm aan van een afzonderlijke rechtspersoon, los van de onderneming. De opbouw van zo een gekapitaliseerd pensioen via de onderneming is onontbeerlijk wil men ook aan de toekomstige generaties een pensioen waarborgen.

1.2. Het verlagen van de belasting op de arbeid.

De tweede voorwaarde voor een concurrentiŽle economie is een lage fiscale en parafiscale druk. De Belgische bedrijven kunnen slechts wedijveren met hun buitenlandse concurrenten indien hun loonkost, zijnde het brutoloon verhoogd met de directe en indirecte sociale werkgeversbijdragen, niet sneller stijgt dan de loonkost in de andere landen van de DM-zone. Anderzijds is het voor de ondernemingen noodzakelijk de werknemers te motiveren door hun hoge nettolonen uit te betalen. Slechts wanneer de fiscale en parafiscale druk zo laag mogelijk wordt gehouden is het mogelijk bij lage loonkosten hoge nettolonen uit te keren. Zeer concreet dient men tijdens de volgende legislatuur de fiscale en parafiscale druk, te verlagen tot het niveau van het laagste percentage in de DM-zone.

De hervorming van de personenbelasting die enkele jaren geleden werd doorgevoerd, heeft hieraan weinig of niets veranderd. De belastinghervorming, waarbij het aantal aanslagvoeten werd herleid tot zeven, gaande van 25 tot 55%, werd immers gecompenseerd door het beperken en het schrappen van een aantal fiscale aftrekken, alsmede door het verhogen van de indirecte belastingen.

In de komende legislatuur is het dan ook noodzakelijk een grondige hervorming van de personenbelasting door te voeren en tegelijkertijd een fiscale stop in te voeren op alle niveaus. Op die manier wordt verhinderd dat de belastinghervorming opnieuw op de burgers en de bedrijven zou worden afgewenteld door het verhogen van andere belastingen of bijdragen. Vandaar ook dat de P.V.V. haar politieke mandatarissen op Europees, nationaal, regionaal, provinciaal en lokaal vlak opdraagt onder geen enkel beding een stijging van de fiscale druk goed te keuren.

Het probleem van de overdreven fiscale en parafiscale druk in BelgiŽ wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de personenbelasting, waarvan een verlaging niet kan worden opgevangen door het verhogen van andere belastingen.

De indirecte belastingen liggen in BelgiŽ niet merkelijk onder het E.G.- en het OESO- gemiddelde. Het zijn de directe belastingen en de sociale bijdragen die te hoog liggen en de fiscale en parafiscale druk de hoogte instuwen. Een hervorming van de personenbelasting en een grondige hervorming van de sociale zekerheid moeten dan ook worden doorgevoerd. Een vrijstelling van belastingen voor de laagste inkomens, waarbij rekening wordt gehouden met de gezinstoestand, moet worden voorzien.

De hervorming en verlaging van de personenbelasting die moet doorgevoerd worden, dient te stoelen op drie ingrepen.

1) Het herleiden van het aantal belastingtarieven tot twee, nl. 25 en 40%.

Tegen 1993 moet het aantal belastingtarieven dat thans oploopt tot zeven (van 25 tot 55%) verminderd worden tot vier (25%, 35%, 40%, 50%). In de tweede helft van de legislatuur dient dan het aantal belastingtarieven verder tot twee te worden herleid, mits het inbouwen van een overgangsregeling en met de bedoeling later te komen tot een flat-tax systeem.

2) Het doorvoeren van de volledige decumul.

De decumul, m.a.w. het afzonderlijk belasten van de inkomsten van man en vrouw, moet ook gelden voor de andere dan de bedrijfsinkomsten. Ook op de vervangingsinkomens (pensioenen, werkloosheidsuitkeringen, e.d.) en de inkomsten uit roerende en onroerende goederen moet de decumul van toepassing zijn. De volledige decumul, samen met de verlaging van de belastingtarieven, moeten tot een neutrale belastingheffing leiden, ongeacht de aangenomen gezinsvorm (tweeverdieners, ťťnverdieners, alleenstaanden en samenwonenden).

3) De hergroepering van de fiscale aftrekken in een aantal fiscale korven.

De inflatie aan fiscale aftrekken die thans in de personenbelasting bestaat, moet worden herleid tot een aantal fiscale korven. Meer bepaald moeten drie korven worden voorzien; ťťn voor de beleggingen in roerende en onroerende waarden, een tweede korf die tot doel heeft de pensioenvorming aan te moedigen (levensverzekering, pensioensparen, e.d.), tenslotte een derde korf die de giften wenst te stimuleren aan instellingen met een sociaal, humanitair, cultureel, wetenschappelijk of educatief doel. Iedere korf bestaat uit een geplafonneerde fiscale aftrek en het is aan de belastingplichtige zelf om uit te maken welke giften, pensioenvormen en roerende en onroerende inkomsten hij respectievelijk tot het geplafonneerd bedrag op zijn belastingen in mindering brengt.

Naast de fiscale stop, de grondige herziening van de personenbelasting en de uitroeiing van een aantal misbruiken, is tenslotte een vereenvoudiging en een codificatie noodzakelijk van de fiscale wetgeving. De maatregelen die daartoe moeten worden genomen, worden beschreven in het hoofdstuk "een efficiŽnte overheid".

1.3. Het versoepelen en het verbreden van de arbeidsmarkt.

In de maand september bedroeg het aantal werklozen 344.000 eenheden. Dit cijfer weerspiegelt echter niet de volledige omvang van de werkloosheid. Dit cijfer geeft enkel de uitkeringsgerechtigde werklozen weer. Naast de uitkeringsgerechtigde werklozen zijn er 75.000 niet-uitkeringsgerechtigde werklozen, 72.000 oudere werklozen die zich niet als werkzoekenden opgeven, 38.000 werklozen met loopbaanonderbreking, 140.000 bruggepensioneerden en een 200.000-tal uitkeringsgerechtigde deeltijds werkende werklozen. Indien daarbij de ongeveer 55.000 personen worden opgeteld die actief zijn in allerlei tewerkstellingsprogramma's, dan zijn er in ons land nog steeds 900.000 mensen, hetzij geheel of gedeeltelijk werkloos, hetzij kunstmatig tewerkgesteld. De werkloosheidsgraad loopt daarbij sterk uiteen per geslacht, per gewest en per leeftijd.

De belangrijkste vaststelling is echter dat de werkloosheid vooral bestaat uit langdurig werklozen. Tweederden van de werklozen zijn immers reeds langer dan ťťn jaar zonder job, terwijl slechts ťťn werkloze op vier binnen het jaar werk vindt. In schril contrast hiermee ziet men dat er in bepaalde bedrijfstakken en bepaalde regio's een tekort is aan (geschoolde) arbeidskrachten. Het aantal aangeboden en niet voldane jobs neemt dan ook gestadig toe. De bereidheid werk te zoeken en een aangeboden betrekking te aanvaarden, moet worden gestimuleerd en gecontroleerd om de talrijke misbruiken inzake langdurige werkloosheid te vermijden.

De conclusie is duidelijk. De Belgische arbeidsmarkt functioneert slecht of helemaal niet. De arbeidsmarkt in ons land is een stroeve markt met strakke reglementeringen die voornamelijk is afgesteld op het vroegtijdig terugtrekken van de werklozen en de werknemers uit de arbeidsmarkt. Het gevolg is dat voor bepaalde gekwalificeerde jobs geen arbeidskrachten meer kunnen worden gevonden, terwijl het leger laaggeschoolde langdurige werklozen aanzienlijk blijft. Daarom dient, naast een beleid dat gericht is op economische groei, ook een specifiek tewerkstellingsbeleid te worden gevoerd, dat tot doel heeft de arbeidsbereidheid te prikkelen, arbeidsvernietigende drempels af te bouwen, en de arbeidsmarkt zelf te versoepelen en te verbreden.

1) Het prikkelen van de arbeidsbereidheid.

De bereidheid werk te zoeken en een aangeboden betrekking te aanvaarden moet worden gestimuleerd. Niet zozeer de hoogte van de werkloosheidsuitkering, maar de toegang tot het stelsel en vooral de onbegrensdheid in de tijd waarbij men van het stelsel kan genieten, vormen daarbij een probleem. BelgiŽ is namelijk het enige land dat zo een onbegrensdheid in de tijd kent.
Het gevolg is dat de kosten verbonden aan de werkloosheid in BelgiŽ zeer hoog liggen.

Twee maatregelen dringen zich dan ook op:
- het verlies van werkloosheidsuitkering moet bij langdurig werklozen automatisch zijn indien de werkloze een passende omscholing of een passende betrekking weigert; de langdurig werkloze mag wel zelf kiezen welke omscholings- of bijscholingscursus hij wil volgen; aan jongeren beneden de 25 jaar wordt een bestaansminimum toegekend;
- de duur van het recht op werkloosheidsuitkering moet afhankelijk worden gemaakt van de voorheen gepresteerde arbeidstijd; na afloop zou de werkloze aangewezen zijn op het stelsel van het bestaansminimum waarvan het bedrag moet verhoogd worden en dat slechts toegekend wordt na onderzoek van de bestaanmiddelen; de financiering van het bestaansminimum zal volledig ten laste genomen worden door de nationale overheid, daar waar het sociaal onderzoek wordt gedaan door de lokale welzijnsbureaus (O.C.M.W.'s), die voor hun taken tijdig de nodige financiŽle middelen moeten ontvangen.

2) Het afbouwen van arbeidsvernietigende drempels.

Zowel op het gebied van de loonreglementering, de sociale zekerheid als op het vlak van de regeling van de sociale verhoudingen in ons land, bestaan er drempels die de onderneming ervan weerhouden voornamelijk laaggeschoolde arbeidskrachten in dienst te nemen. Drie drempels zouden in elk geval in de komende jaren moeten doorbroken worden:
- de minimumlonen moeten worden vervangen door een waarborg van een minimuminkomen voor de betrokken werknemers;
- de zware sociale zekerheidsbijdragen; een tijdelijke volledige vrijstelling van R.S.Z.-werkgeversbijdragen moet worden ingevoerd bij het aanwerven van laaggeschoolde langdurig werklozen en gehandicapte werknemers;
- de verplichte oprichting van sociale overlegorganen in de onderneming die vooral de kleine en middelgrote ondernemingen ervan weerhouden tot nieuwe aanwervingen over te gaan; om deze arbeidsvernietigende drempel te slopen zou de grens van waaraf een comitť voor veiligheid, gezondheid, hygiŽne en verfraaiing der werkplaatsen moet worden opgericht, met name 50, worden opgetrokken tot de grens van waaraf een ondernemingsraad verplicht wordt gesteld, namelijk 100; in de ondernemingen met minder dan honderd werknemers kan de taak van het comitť dan worden overgenomen, hetzij door de arbeidsgeneeskundige diensten, hetzij door de syndicale delegatie, met dien verstande dat er beneden de 25 werknemers geen syndicale delegatie mag zijn; dit mag tevens niet de bijkomende bescherming inhouden van een lid van het comitť; parallel moet bij het nemen van de beslissingen die verband houden met de arbeidsverhoudingen, zoals een staking bijvoorbeeld, steeds een geheime stemming worden gewaarborgd en dit aan alle werknemers ook van de niet-gesyndiceerden; in bedrijven van 100 tot 500 werknemers wordt slechts ťťn orgaan opgericht dat de taken van syndicale delegatie, comitť V.G.V. en ondernemingsraad zal uitoefenen; enkel bij bedrijven met meer dan 500 werknemers worden drie afzonderlijke organen opgericht; tenslotte moeten werknemers, die niet worden gesteund door de vakbonden, zich kandidaat kunnen stellen bij de sociale verkiezingen.

3) Het verbreden van de arbeidsmarkt.

De steeds groter wordende tekorten op de arbeidsmarkt die morgen nog zullen aanzwellen ingevolge de demografische evolutie, zullen grotendeels worden opgevangen door de totstandkoming van de Europese eenheidsmarkt en de beschikbare arbeidskrachten in de Centraal- en Oosteuropese landen. Nochtans is het ook nodig de arbeidsmarkt te verbreden, dit zowel naar de langdurig werklozen toe als naar hen die vervroegd uit het arbeidsproces zijn gestapt.

Maatregelen die daartoe moeten genomen worden zijn:
- het versterken van de vormings- en omscholingsprogramma's voor de langdurig werklozen door of in samenwerking met de bedrijven; de financiŽle middelen daartoe kunnen gehaald worden in het derde arbeidscircuit dat al te vaak slechts kunstmatige tewerkstelling en oneerlijke concurrentie met de privť-sector oplevert en slechts dient behouden te worden waar dat absoluut noodzakelijk is;
- het uitdoven van het stelsel van de brugpensioenen dat niet alleen financieel onhoudbaar is geworden, maar vooral een krapte op de arbeidsmarkt aan ervaren werknemers heeft veroorzaakt; door dit stelsel heeft BelgiŽ in de Europese Gemeenschap voor de 55 tot 65-jarigen de laagste activiteitsgraad gekregen; intussen moeten de bestaande ongelijkheden tussen de diverse stelsels van bruggepensioneerden worden weggewerkt.

4) Het versoepelen van de arbeidsmarkt.

Zowel op het vlak van de wekelijkse arbeidsduur als inzake de beroepsloopbaan en de pensioengerechtigde leeftijd is een versoepeling noodzakelijk van de geldende reglementering. Deze versoepeling moet het de werknemers, in overleg met de bedrijven, mogelijk maken zelf hun arbeidstijd en hun loopbaan uit te bouwen, terwijl het de bedrijven moet toelaten beter gebruik te maken van hun investeringen. In die zin moet de verplichte rustdag, de reglementering inzake sluitingsuren, enz... worden afgeschaft en op vrijwillige basis geschieden.

- de 38-urenweek moet een gemiddelde zijn over een periode van meerdere maanden, eerder dan een strak na te leven tijdsschema op dag- of weekbasis; de maximaal per week toegelaten arbeidstijd moet versoepeld worden en zich kunnen aanpassen aan de toestand in de verschillende bedrijven; de modaliteiten moeten per bedrijf onderhandeld worden, waarbij uiteraard geen afbreuk mag worden gedaan aan de minimale normen van het arbeidsrecht;
- het invoeren van het flexibel en deeltijds pensioen; de werknemers, zowel mannen als vrouwen, moeten de kans krijgen zelf te bepalen op welke leeftijd zij met pensioen gaan; in akkoord met de werkgever moet daarbij de mogelijkheid worden geboden van een gemengde einde loopbaan waarbij de gepensioneerde die dat wenst, nog een of meerdere dagen per week actief kan zijn op het bedrijf of in de openbare dienst; het bruusk afbreken van de loopbaan op 60 of 65 jaar doet nu tť dikwijls al te veel kostbare ervaring verloren gaan.
- in het licht van de evolutie van de arbeidsmarkt dient te worden onderzocht of het onderscheid tussen arbeidersstatuut en bediendenstatuut kan omgevormd worden tot ťťn statuut van uitvoerende werknemers. Een onderscheid tussen uitvoerend personeel en kaderleden en/of leidinggevend personeel is veel relevanter.

1.4. De liberalisering van de prijzen.

Een volledige liberalisering van de prijzen moet het de Belgische bedrijven mogelijk maken beter te concurreren. Beter dan door een strakke prijzenwetgeving moet de verbruiker worden beschermd door een grotere mededinging tussen bedrijven, een betere keuze van goederen en diensten en door een grotere doorzichtigheid van de markt. Daartoe zijn een aantal maatregelen noodzakelijk:

1) Het afschaffen van de prijsreglementeringen.

De soldenreglementering, de reglementering m.b.t. de maximumprijzen en het verbod op vergelijkende reclame dienen te worden afgeschaft. Al deze reglementeringen benadelen de verbruiker;

2) Het afbouwen van de monopolies en de kartels.

Vooral inzake de nutsvoorzieningen moet een echte concurrentie worden georganiseerd door de basisinfrastructuur los te koppelen van de dienstverlening. Deze laatste moet, waar mogelijk, door privť-bedrijven in concurrentie kunnen geschieden.

3) Het verhogen van de doorzichtigheid van de markt.

Ten bate van de verbruiker moet de doorzichtigheid worden verhoogd, voornamelijk door het openen van het kabel- en telecomnet voor consumenteninformatie en teleshopping, ook aangepast voor personen met een handicap.

4) De invoering van een snelle en goedkope rechtsprocedure ter bescherming van de verbruiker.

Naar Brits model moet bij onze rechtbanken een snelle en goedkope rechtsprocedure ter bescherming van de verbruiker worden ingevoerd. Deze procedure moet zowel betrekking hebben op de controle als op de naleving van de reglementeringen inzake de levering van goederen en diensten door de privť-bedrijven en door openbare diensten en bedrijven.

1.5. Het aanmoedigen van investeren en ondernemen.

Een concurrentiŽle economie vereist ook een klimaat waarin het sparen en het investeren worden aangemoedigd. In de jaren tachtig werden daartoe met succes tal van maatregelen genomen. In de huidige legislatuur werden veel van deze stimulansen opnieuw ongedaan gemaakt. Met het oog op de Europese eenheidsmarkt van 1 januari 1993 is het meer dan ooit onontbeerlijk een beleid te voeren dat het ondernemen en het investeren aanmoedigt.
Vier hervormingen dringen zich op:

1) Het afschaffen van de roerende voorheffing.

In afwachting van de afschaffing, moet de roerende voorheffing op aandelen, die thans nog altijd 25% bedraagt, tenminste op 10% worden gebracht, zoals dit voor de obligaties reeds het geval is. Op die wijze wordt de discriminatie ongedaan gemaakt die thans bestaat tussen het ontleend en het risicodragend kapitaal.

2) Het moderniseren van de Belgische Beurs.

De omzet van de Brusselse Beurs moet worden opgetild tot het niveau van de betere beurzen van Europa. Dit objectief kan worden bereikt wanneer een verregaande liberalisering van de beurssector wordt doorgevoerd. Concreet houdt dit in:
- dat de beurstaksen en de zegelrechten worden afgeschaft zoals dit in de meeste lidstaten van de Gemeenschap nu reeds het geval is;
- dat de beurscommissielonen vrij kunnen worden bepaald en dat bovendien de mogelijkheid wordt gecreŽerd om zoals dit reeds op vele beurzen in de wereld het geval is, de zogenaamde flat-net-aanbiedingen te verrichten, (d.w.z. prijsbiedingen waarin alle kosten zijn begrepen);
- dat de beursvennootschappen voor alle rechtspersonen en natuurlijke personen zonder beperking zouden toegankelijk zijn;
- dat voor de aandelenverhandeling geen monopolie aan de beurs zou worden toegekend; het is niet door strakke reglementering, maar door de aantrekkingskracht van de Beurs te ver-hogen dat het volume aldaar moet worden verhoogd; te rigide voorschriften die bepalen welke orders binnen en buiten de beurs moeten gebeuren, zouden al te veel aandelenverhandelingen buiten BelgiŽ drijven;
- dat de bescherming van de kleine belegger zou geschieden door het instellen op de beurs van een ombudsman i.p.v. tal van nieuwe gebodsbepalingen en geschillencommissies in het leven te roepen;

3) De hervorming van de vennootschapsbelasting.

De vennootschapsbelasting in ons land moet worden geharmoniseerd met de stelsels zoals die bestaan in de andere landen van de Europese Gemeenschap.

De Belgische marginale belastingdruk op de bedrijven is nog steeds veruit de hoogste van de geÔndustrialiseerde landen. Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat de uitgekeerde winsten in BelgiŽ, bovenop de vennootschapsbelasting, nog aan een roerende voorheffing van 25% worden onderworpen, waardoor de globale belastingdruk op de dividenden vandaag algemeen 57,25% (43% + 1/4) bedraagt.
Tenslotte is het Belgisch belastingstelsel als gevolg van talloze afwijkingen en uitzon-deringen, ook zeer ondoorzichtig.

Vier ingrepen moeten worden doorgevoerd:
- het verlagen van het tarief naar 35% met een aanvangstarief van 25% voor de eerste schijf;
- de aftrekken in de vennootschapsbelasting moeten aangepast worden;
- het begrip fiscale consolidatie dient in de vennootschapsbelasting te worden ingevoerd, waarbij de geconsolideerde winst van de groep belast wordt i.p.v. de winst van iedere entiteit afzonderlijk; anderzijds moeten de regels betreffende de fusies, opslorpingen, inbrengen van activa en verhandeling van aandelen aan en tussen vennootschappen worden aangepast aan de Europese richtlijnen ter zake.
- tenslotte zal bij uitkering van winst, de geheven vennootschapsbelasting de eindbelasting zijn; beleggingen in het kader van een beroepsactiviteit krijgen een belastingkrediet van 100% of m.a.w. de aftrek van de werkelijk in BelgiŽ of in het buitenland betaalde belasting.

4) Het terugdringen van de administratieve verplichtingen op het ondernemen.

Daartoe moeten de vestigingswetten hetzij vereenvoudigd en herleid worden tot het bezitten van een bekwaamheidsattest, hetzij worden afgeschaft. Tevens moet in het kader van een efficiŽntere werking van de overheid de zogenaamde eenheidsvergunning worden ingevoerd. Wie het bekwaamheidsattest niet kan verwerven door een diploma of een zeker aantal jaren ervaring, dient om het even waar en mits voldaan wordt aan de geldende normering, een aangepaste opleiding te kunnen volgen die van korte duur is.

1.6. Het moderniseren van de economische infrastructuur.

BelgiŽ heeft de jongste jaren een aanzienlijke achterstand opgelopen op het vlak inzake telecommunicatie- en transportinfrastructuur. Beide zijn nochtans van uitzonderlijk belang voor de toekomst van onze economie en voor de competitiviteit van onze ondernemingen. Op het vlak van de telecommunicatie heeft BelgiŽ zich nog steeds niet aangepast aan de Europese richtlijnen die tot doel hebben deze sector open te stellen voor de concurrentie. Op het gebied van de transportinfrastructuur loopt ons land een enorme vertraging op. Dit is o.m. het geval voor de aanleg van het supersnelle treinnet en de uitbouw van de havens. Hier dient in het bijzonder gewezen te worden op het belang van onze zeehavens voor de Belgische economie.

In de komende legislatuur zal dan ook een bijzondere inspanning moeten worden geleverd om onze economische infrastructuur te moderniseren. Daartoe zijn volgende acties noodzakelijk:

1) De liberalisering van de telecommunicatiesector.

De liberalisering en deregulering van de telecommunicatiemarkt is een absolute noodzaak wil BelgiŽ zijn rol als "dienstverlenende" natie, gelegen in het centrum van Europa, kunnen waarmaken. Het afbouwen van het overheidsmonopolie in deze sector is vooral nodig om toe te laten dat de markt voor netwerkdiensten met toegevoegde waarde, de zogenaamde VANS, zich zou kunnen ontwikkelen. Daar waar de omzet voor telefonie jaarlijks met bijna 6% groeit, kan dit voor de netwerkdiensten ten behoeve van banken, verzekeringen, toerisme en distributie oplopen tot dan 30% per jaar.

Concreet houdt de liberalisering van de telecommunicatiemarkt in dat:
- de R.T.T. wordt geprivatiseerd, m.a.w. wordt omgevormd tot ťťn of meerdere naamloze vennootschappen die in concessie de basisinfrastructuur inzake telecommunicatie uitbaat;
- de netwerken met toegevoegde waarde en de eindapparatuur door de privť-sector in concurrentie worden geleverd en uitgebaat.

2) De modernisering van de spoorweginfrastructuur.

Binnen de Europese eenheidsmarkt zal een modern en efficiŽnt spoorwegennet een steeds belangrijker rol gaan spelen. BelgiŽ loopt daarbij een enorme vertraging op. Twee ingrepen dringen zich op:
- de activiteiten van de spoorwegmaatschappij dienen opgesplitst in een openbare dienstverlening die voor betoelaging door de overheid in aanmerking komt en de commerciŽle activiteiten; naar het voorbeeld van Japan, Groot-BrittanniŽ en Duitsland kunnen deze activiteiten door afzonderlijke exploitatiemaatschappijen worden uitgebaat, hetzij in concessie worden gegeven;
- het SST-net dient versneld te worden aangelegd om te vermijden dat niet Brussel maar Rijsel en Straatsburg de draaischijven worden van het toekomstig Europees snelspoornet; hierbij moet de schade aan het milieu tot het strikte minimum worden beperkt; wat de exploitatie betreft moet de SST worden toevertrouwd aan een afzonderlijke private maatschappij die de infrastructuur van de spoorwegmaatschappij huurt of least.

3) De uitbouw van de wegeninfrastructuur.

De wegeninfrastructuur blijft van essentieel belang. Ondanks de sterke concentratie van de industrie rond drie grote havens, blijft meer dan 70% van het goederenverkeer over de weg verlopen, terwijl dit voor het personenverkeer zelfs oploopt tot 90%.
De wegeninfrastructuur dient dan ook verder verbeterd, beter beveiligd en gemoderniseerd te worden. Daarbij dient gebruik gemaakt te worden van nieuwe financierings- en exploitatievormen (o.m. tolgelden), welke toegepast worden nadat de nieuwe tarieven inzake de personenbelasting invoege zijn getreden. Zij zijn gelimiteerd in tijd en omvang en kunnen enkel aangewend worden bij de aanleg van nieuwe infrastructuur. De wegeninfrastructuur voor woon-werkverkeer dient in die mate te worden aangepast dat er aan de stadsranden parkings worden voorzien, zodat er nog slechts een minimaal stadsverkeer (enkel voor bewoners en de nodige diensten) circuleert.

4) De modernisering van de luchtvaartindustrie.

De exploitatie van de Nationale Luchthaven gebeurt thans door een private maatschappij waarvan de aandelen voor bijna 70% in handen zijn van banken, holdings en verzekeringsmaatschappijen. De uitbouw van Brussel tot draaischijf van het Europese luchttransport is dan ook verzekerd. Naar dit voorbeeld dient ook de uitbating van de regionale luchthavens te worden geprivatiseerd.

5) De uitbouw van de haveninfrastructuur.

De toestand van de openbare financiŽn en de beperkte budgettaire middelen zijn een rem op de verdere uitbouw van onze drie grote havens. Tevens kennen zij een al te stroef beheer. Twee ingrepen dringen zich dan ook op:
- naar het voorbeeld van andere grote havens dient het beheer toevertrouwd aan een private vennootschap;
- de haveninvesteringen dienen deels publiek maar deels ook privaat te worden gefinancierd; een gemengde financiering is de beste waarborg opdat onze havens economisch op de meest efficiŽnte manier zouden worden uitgerust; bij de verdeling van de publieke middelen dient rekening te worden gehouden met de toegevoegde waarde die elke haven creŽert.
- de bevordering van ons goed uitgebouwd net van binnenwaterwegen; deze transportwijze kan immers leiden tot een belangrijke ontlasting van het wegvervoer.

1.7. Het hervormen van de landbouw.

De gevolgen voortvloeiend uit de E.G.-beslissing om de subsidies met 30% te verminderen, en de Uruguay Round, moeten opgevangen worden door een meer liberale landbouwpolitiek. Dit omvat:
- de huidige subsidiepolitiek, gebaseerd op gegarandeerde prijzen, met een nefast quotabeleid, moet vervangen worden door een subsidiŽring gericht naar het inkomen, ermee rekening houdend dat kleinschalige landbouwbedrijven een belangrijke ecologische functie vervullen;
- de vermindering van de subsidiŽring en de liberalisering van de prijzen moeten gepaard gaan met het verwijderen van een aantal dwangmaatregelen, zoals het verbod op de inentingen tegen brucellose, mond- en klauwzeer en varkenspest;
- het verlichten van de produktiekosten door het verlagen van de B.T.W. op produkten gebruikt in de landbouw en van de accijnzen op de energieprodukten;
- de nationale en regionale subsidiŽring van programma's en initiatieven in de landbouwsector, die tot dusver al te zeer hebben gediend aan de macht van een welbepaalde landbouworganisatie verder uit te breiden, moet omgevormd worden tot een ondersteuning van de individuele landbouwer zelf.

1.8. Het stimuleren van het onroerend goed.

De bouwsector is onverbrekelijk verbonden met het macro-economisch gebeuren in de rest van de economie en vormt eveneens een belangrijk element in het proces van economische groei op lange termijn en in de dynamiek tussen sparen en investeren op korte termijn. De overheid oefent een niet geringe invloed uit op deze economische sector door, naast haar optreden als opdrachtgever, in grote mate de randvoorwaarden te bepalen waaronder aan het bouwproces kan worden deelgenomen.
Teneinde de vastgoedmarkt nieuw leven in te blazen, zijn volgende maatregelen noodzakelijk:
- het annuleren van de beslissing van de Vlaamse Executieve om de onroerende voorheffing van 1,25% naar 2,50% van het kadastraal inkomen te brengen;
- het verlagen van de registratierechten naar 6%;
- het rationaliseren van de premies en toelagen vanwege het Vlaams Gewest;
- het afbouwen van de talrijke aftrekmogelijkheden en uitzonderingen inzake de onroerend goed fiscaliteit, met het behoud van ťťn grote aftrekpost voor interesten van leningen aangegaan voor het behoud of de verwerving van een eerste woning;
- het opnieuw invoeren van de wet Gol van 22 januari 1985 betreffende de huurovereenkomsten;
- het verder uitbouwen van de alternatieve financiering voor de sociale woningbouw in het kader van een globaal beleid inzake de sociale huisvesting;
- het verlagen van het B.T.W.-tarief voor de bouwsector naar 6%.

1.9. Het regionaal economisch beleid.

Sinds de regionalisering kan de Vlaamse Gemeenschap belangrijke beleidsinitiatieven nemen met betrekking tot de economische sector in Vlaanderen. In het kader van deze bevoegdheid dient de overheid een eigentijds beleid te voeren, waarbij volgende punten bijzondere aandacht verdienen:
- in het kader van de economische expansiewetgeving dient er een verdere afbouw van toelagen doorgevoerd en prioritair gericht naar milieu-investeringen. Binnen het totale overheidspakket aan toelagen en subsidies in het kader van de economische expansiewetgeving, zal naast de milieu-investeringen de toekenning van toelagen gebeuren op basis van 50% naar de K.M.O.-sector en 50% naar de grote ondernemingen.
- de Vlaamse Executieve moet ook stoppen met de ongelijke behandeling inzake subsidiŽring op basis van zogenaamde impulsgebieden. Er moet gestreefd worden naar eenvormigheid en doorzichtigheid;
- Het actief participeren van de overheid in het economisch marktgebeuren dient grondig gewijzigd te worden. De toelagen aan de GIWV dienen gestopt en binnen de GIMV moet de private sector de mogelijkheid hebben om een meerderheidsparticipatie te verkrijgen. De L.I.M. en de K.S. dienen eveneens geprivatiseerd te worden.
- de toelagen aan de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappijen en de leningsmachtigingen van de Vlaamse Gemeenschap zijn niet opportuun en dienen gestopt. Het gaat hier immers om een louter "provinciaal" initiatief. Artikel 15 ß 1 van de kaderwet van 15 juli 1970 houdende organisatie van de planning en economische decentralisatie stelt uitdrukkelijk dat het initiatief dat oprichting van de G.O.M.'s toebehoort aan de provincieraden. Indien de provincies behoefte hebben aan het bestaan van een G.O.M., dan moet de financiŽle last ook worden gedragen door de provincies zelf. Deze koppeling (oprichtingsrecht ťn eigen financiŽle verantwoordelijkheid) leidt tot een doeltreffend en efficiŽnt functioneren van de G.O.M.'s, waarbij de autonomie van de provincies inzake het al dan niet instandhouden van een G.O.M. wordt gevrijwaard.
- in het licht van een eigen Vlaams beleid inzake buitenlandse handel, dient het exportbeleid volledig geregionaliseerd te worden. De taak van de Vlaamse Gemeenschap hierbij bestaat erin voorlichting en informatie te verstrekken aan potentiŽle exporteurs. De private sector moet meer betrokken worden bij de Vlaamse Dienst voor Buitenlandse Handel (VDBH), onder meer via het financieel medeparticiperen. - in de sector van het toerisme moet maximale ruimte gelaten worden aan de private sector. De concurrentievervalsing via de subsidiŽringen aan het sociaal toerisme moet opgeheven worden. In deze sector is bovendien een doorlichting hoogst noodzakelijk ten einde geldverslindende en frauduleuze praktijken, zoals die recent zijn aan het licht gekomen, in de toekomst onmogelijk te maken.


2. EEN SOLIDAIRE SOCIALE ZEKERHEID


Nooit zal men kunnen voorkomen dat bepaalde groepen van de bevolking niet of niet meer kunnen deelnemen aan het arbeidsproces en hieruit dan ook geen inkomsten kunnen verwerven. Onverbrekelijk met het economisch beleid moet er dus een sociaal beleid gevoerd worden. Een dubbel doel moet daarbij worden nagestreefd. Ten eerste moet aan iedereen een minimum levensstandaard worden gewaarborgd (het solidariteitsprincipe). Ten tweede dient aan elk individu de mogelijkheid te worden geboden om boven dit minimum een eigen, materiŽle bestaanszekerheid op te bouwen (het verzekeringsprincipe).
Door de jaren heen werd in BelgiŽ zeer veel geld uitgegeven om onze sociale zekerheid te financieren. Er werd vooral beroep gedaan op bijdragen van de werknemers en de werkgevers en op staatstoelagen.

Om het evenwicht tussen de inkomsten en de aanzwellende uitgaven te bewaren werd telkens beroep gedaan op drie middelen:
- het verhogen van de bijdragen; sinds 1970 verdubbelden de sociale zekerheidsbijdragen ten laste van de werknemer, hetgeen een ernstige aantasting van de koopkracht en een ontmoediging van de actieve bevolking heeft veroorzaakt; ook de bijdragen die de ondernemingen moeten betalen, stegen in dezelfde mate; de slagkracht van de bedrijven werd hierdoor ernstig aangetast;
- het verhogen van de staatstoelagen; in 1965 bedroeg de globale staatstussenkomst in de sociale zekerheid zo'n 22,7 miljard, steeg in 1983 tot een hoogtepunt van 350,7 miljard en kon in de jaren tachtig gedrukt worden tot 291,7 miljard in 1989;
- het aanspreken van de financiŽle reserves; in 1969 bedroegen alle reserves samen bijna 140 miljard frank; in 1975 waren zij gestegen tot 230,6 miljard; in 1989 bedragen zij nog amper 50 miljard.

Desondanks staat het nu reeds vast dat in de volgende jaren enorme tekorten in de sociale zekerheid zullen worden opgebouwd, indien geen diepgaande hervorming wordt doorgevoerd, die ingrijpt op de oorzaken.

Deze oorzaken zijn gekend, met name:
1) de demografische evolutie,
2) de wisselende economische conjunctuur,
3) de ondoelmatigheid die meebrengt dat de sociale uitkeringen niet altijd terechtkomen bij diegenen voor wie ze oorspronkelijk waren of voor wie ze zouden moeten bestemd zijn,
4) de ingewikkeldheid en de ondoorzichtigheid waardoor de maatschappelijk zwakkeren slechts moeilijk toegang krijgen,
5) de etatistische uitbouw van het stelsel zodat er geen zorg bestaat voor kostenbeheersing,
6) het gebrek aan verantwoordelijkheid van de burger, wat leidt tot overconsumptie en oneigenlijk gebruik,
7) de horizontale werking van de inkomensverdeling omdat de sociaal-economische groepen voor zichzelf betalen en
8) het feit dat de sociale zekerheid nog steeds en integraal een nationale materie is.

In de komende legislatuur dringt een globale en grondige hervorming van de sociale zekerheid, die inspeelt op deze oorzaken, zich dan ook op. Zij dient echter gepaard te gaan met een evenredige, reŽle belastingvermindering. Deze hervorming moet stoelen op drie pijlers:

1) De eerste pijler, het stelsel "algemene middelen".

De eerste pijler heeft tot doel alle burgers een behoorlijke levensstandaard te waarborgen. Hij wordt dan ook gefinancierd uit de algemene middelen, langs de fiscaliteit. Deze eerste pijler bevat het minimum gewaarborgd inkomen maar ook het minimum gewaarborgd inkomen voor bejaarden, het minimum gewaarborgd inkomen voor gehandicapten, de werkloosheidsuitkeringen, die toegekend worden in functie van de eerder gepresteerde arbeidstijd, de premies voor gezondheidszorgen voor personen die door een gebrek aan inkomsten daar zelf niet voor kunnen instaan, e.d. In deze eerste pijler geldt het criterium van de selectiviteit, wat inhoudt dat het bedrag van de uitkering een behoorlijk niveau moet bereiken, ze slechts wordt toegekend na onderzoek van de medische, sociale en financiŽle situatie van de aanvrager (behalve voor werkloosheidsuitkeringen). Uitzonderlijk is het bedrag geheel of gedeeltelijk terugvorderbaar indien er een onderhoudsplicht bestaat (rekening houdend met een vrijgesteld minimuminkomen en eveneens met uitzondering van de werkloosheidsuitkeringen).

De eerste pijler zou worden georganiseerd door lokale welzijnsbureaus, gedecentraliseerde diensten die per gemeente of per wijk worden georganiseerd, afhankelijk van de grootte en de sociale structuur van de gemeente. Het zijn geen nieuwe instellingen, maar hervormde O.C.M.W.'s.

2) De tweede pijler, het stelsel "verplichte verzekering".

De tweede pijler bestaat uit een net van verplichte sociale verzekeringen. Zij hebben tot doel de burger te beschermen tegen de sociale risico's die zijn materiŽle bestaanszekerheid zouden kunnen aantasten. Zij worden gefinancierd uit individuele bijdragen, te dragen door al diegenen die risicodrager zijn. Zo zullen voor de gezondheidszorgen alle burgers bijdragen. Zo zal ook geen onderscheid meer gemaakt worden tussen de afzonderlijke werknemers- en werkgeversbijdrage. Behoudens de wijze van inning en bepaalde modaliteiten van berekening, die wettelijk worden vastgelegd, wordt het bedrag van de te betalen premie vrij bepaald. De burger kan aansluiten bij de verzekeringsinstelling van zijn keuze. Het beheer van deze verzekeringsstelsels moet opgedragen worden aan vrije, onafhankelijke instellingen die de vorm aannemen van een vereniging naar mutualistisch model, van een gemeenschappelijke verzekeringskas of een private vennootschap. Tot deze pijler behoren de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen, de arbeidsongevallen, de beroepsziekten, de gezondheidszorgen en het gekapitaliseerd pensioen.

3) De derde pijler, het stelsel "vrije verzekering".

De derde pijler omvat het stelsel van de vrije verzekering, dat tot doel heeft de sociale verantwoordelijkheid van de burger maximaal te ontwikkelen. Uiteindelijk moeten alle vormen van vrije sociale verzekering mogelijk zijn en aangemoedigd worden. Hierbij moet vooral gedacht worden aan een gunstige fiscale behandeling van deze verzekeringen.

De financiering van de sociale zekerheid steunt op twee principes: de solidariteit en het verzekeringsbeginsel. Sociale voorzieningen waarop eenieder recht heeft, worden door de algemene middelen, dus door de solidariteit gefinancierd; de arbeidsgebonden voorzieningen door bijdragen, dus door het verzekeringsprincipe.

Concreet zou de hervorming van de sociale zekerheid acht ingrepen noodzaken:

2.1. De federalisering van de sociale zekerheid.

Normaal zou een federalisering van de sociale zekerheid moeten afgewezen worden omdat op die wijze immers de solidariteit, die er tussen de bevolking moet bestaan, in hoge mate wordt doorbroken. Het volume aan sociale zekerheidsuitkeringen wordt echter tussen Vlaanderen en WalloniŽ zeer onevenwichtig verdeeld. Reeds een ruim aantal jaren vindt er een netto-financiŽle transfert van Vlaanderen naar WalloniŽ plaats en voor een belangrijk deel is deze geldstroom het resultaat van de inkomensherverdeling binnen de sociale zekerheid. Het groeiend Waals tekort wordt feitelijk gedekt door een overheveling van de groeiende overschotten die Vlaanderen en Brussel realiseren. In 1989 bedroeg het saldo in Vlaanderen 87 miljard frank en in Brussel 15 miljard frank. Het Waals tekort beliep in 1989 circa 102 miljard. Dit betekent dat het Waals tekort voor zowat 85% gedekt wordt door Vlaanderen en voor 15% door Brussel. In 1988 putte de gemiddelde Vlaming maandelijks 14.200 F uit arbeid, de gemiddelde Waal 11.570 F of bijna 20% minder. De gemiddelde Vlaming put daarentegen 5.640 F inkomsten uit de sociale zekerheid, de gemiddelde Waal 7.510 F of 33% meer. Nochtans zou een billijk sociaal zekerheidssysteem dezelfde sociale ondersteuning moeten geven aan iedereen die zich in dezelfde omstandigheden bevindt. Dit is in ons land duidelijk niet het geval. Wij moeten dan ook ons sociaal zekerheidssysteem, dat op Belgische maat is gestructureerd, in vraag durven stellen.

Ingepast in de drie pijlers van ons sociaal zekerheidssysteem, ziet het federale model er als volgt uit:

a) het stelsel van de algemene middelen: nationale bevoegdheid.
Het uitgangspunt is dat alle burgers kunnen terugvallen op een onvoorwaardelijk gewaarborgd inkomen. Dit impliceert het handhaven van de algemene solidariteit ten opzichte van de sociaal meest kwetsbare groepen en houdt dan ook in dat de eerste pijler van ons hervormd sociaal zekerheidsstelsel - dit is het deel dat met de algemene middelen wordt gefinancierd - federaal blijft;

b) het stelsel van de verplichte verzekering: Gemeenschapsbevoegdheid.
De bevoegdheid om de tweede pijler, het stelsel van de "verplichte verzekering", te beheren en erover te normeren, zal aan de Gemeenschappen worden overgedragen. De bijdragen voor de verplichte verzekering hebben tot doel de burger te beschermen tegen sociale risico's. De sociale uitkeringen worden gefinancierd uit deze individuele bijdragen. Met deze bijdragen kunnen sociale voorzieningen worden uitgewerkt. Tot deze pijler behoren de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen, de gezondheidszorgen, de kinderbijslagen en de gekapitaliseerde pensioenen.

c) het stelsel van de vrije verzekering: privť-initiatief.
De vrije verzekering behoort tot het particulier initiatief en is dus geprivatiseerd. Deze pijler heeft tot doel de sociale verantwoordelijkheid van ieder individu maximaal te ontwikkelen.

De federalisering van de sociale zekerheid versterkt de autonomie van de deelgebieden om op basis van hun eigen financiŽle mogelijkheden hogere of lagere sociale uitkeringen aan hun bevolking te verstrekken. Niets belet dat de Gemeenschappen nadien en onderling een eerlijke en gezamenlijke solidariteit afspreken.

2.2. Het verhogen van het minimum gewaarborgd inkomen.

Het minimum gewaarborgd inkomen moet aan alle burgers een behoorlijke levensstandaard waarborgen. Het moet dan ook worden verhoogd, terwijl het slechts mag worden toegekend na een ernstig fiscaal en sociaal onderzoek. Voor gehandicapten dient het tevens te steunen op een medisch dossier. Een en ander belet niet dat voorschotten kunnen uitgekeerd worden om het snelle en soepele karakter van het stelsel te verzekeren.

2.3. Het hervormen van de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen.

Een nieuw stelsel voor de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen is noodzakelijk, waarvan de financiering gebaseerd wordt op premies, die in functie staan van het loon en van de risicogroep waartoe de verzekerde behoort. De premies van de werknemers die in de huidige regeling geen bijdrage betalen, doch wel kunnen genieten van de arbeidsongeschiktheidsregeling (zoals de werklozen, de arbeiders in zwangerschapsrust en dergelijke) zullen in de nieuwe regeling betaald worden door de overheid. Hetzelfde geldt ook voor de premies van werknemers met een laag inkomen, die door omstandigheden buiten hun wil om tot een hoge risicogroep behoren en dus een hoge premie betalen. De beoordeling van de ongeschiktheid wordt toevertrouwd aan een centraal Instituut voor Arbeidsongeschiktheid, dat in de plaats komt van de talrijke instanties die nu de arbeidsongeschiktheid evalueren. Het beheer, de inning van de premie en de uitbetaling van de uitkering zullen toevertrouwd worden aan vrije en financieel verantwoordelijke instellingen of vennootschappen.
De nieuwe regeling voor de ZIV-uitkeringen kan ook andere regelingen inzake arbeidsongeschiktheid, zoals de arbeidsongevallen en de beroepsziekten, in zich opnemen. Het is weinig logisch dat personen die het slachtoffer werden van een ongeval buiten het werk, anders zouden behandeld worden dan een slachtoffer van een arbeidsongeval. De arbeidsongevallen worden reeds verzekeringstechnisch beheerd. Ook voor de beroepsziekten dient dit het geval te zijn.

2.4. Een dubbele tegemoetkoming voor de gehandicapten.

Wie ten gevolge van natuurlijke oorzaken of door zijn geestelijke, lichamelijke of zintuiglijke
vermogens geheel of gedeeltelijk verliest moet, zoals elke andere medeburger, kunnen genieten van een behoorlijke levensstandaard. Daartoe moet uit de algemene middelen een dubbele tegemoetkoming worden toegekend.
1) de inkomensvervangende tegemoetkoming, die ten minste gelijk is aan het minimum gewaarborgd inkomen en die onder dezelfde voorwaarden wordt toegekend;
2) de integratietegemoetkoming, die erop gericht is om de sociale contacten van de gehandicapten mogelijk te maken of te verhogen, zodat hij zoveel mogelijk het leven van de validen zou kunnen delen.
De beoordeling van de handicap gebeurt door het Instituut voor Arbeidsongeschiktheid.

2.5. De herziening van de werkloosheidsuitkeringen.

Het verlies aan inkomen tengevolge van werkloosheid moet ondervangen worden door een specifiek vervangingsinkomen. Dit moet echter worden toegekend in functie van de voorheen gepresteerde arbeidstijd. Na afloop zou de werkloze aangewezen zijn op het stelsel van het bestaansminimum, dat wordt toegekend na een fiscaal en sociaal onderzoek.

2.6. De invoering van een drietrapstelsel inzake pensioenen.

Het pensioenstelsel in zijn huidige vorm is op termijn onhoudbaar geworden tenzij de pensioenbijdragen worden verdubbeld.
Er moet dan ook een fundamentele hervorming tot stand gebracht worden die geleidelijk het kapitalisatiestelsel opnieuw invoert. Het pensioenstelsel zou uit drie trappen moeten bestaan:
1) Een eerste trap die het basispensioen omvat dat voor iedereen gelijk zou zijn en zou overeenkomen met het huidige gewaarborgd inkomen voor bejaarden; iedereen zou automatisch recht hebben op dit minimumpensioen.
2) Een tweede trap in funktie van de professionele loopbaan en gebaseerd op het kapitalisatiestelsel; dit stelsel moet zodanig georganiseerd worden dat de gevormde kapitalen automatisch en zonder kosten getransfereerd kunnen worden bij verandering van werk; deze tweede trap zou het basispensioen uit de eerste trap minimaal moeten aanvullen tot een te bepalen minimumdrempel en maximum tot 80% van de laatste maximale bruto-jaarbezoldiging van de werknemer.
3) Een derde trap eveneens georganiseerd onder het kapitalisatiestelsel, waaraan elkeen individueel zijn eigen bijdragen kan storten; in deze trap komen het pensioensparen en de individuele levensverzekeringen.
Dit nieuw stelsel kan uiteraard niet opgebouwd worden aangezien de omschakeling van een repartitiestelsel naar een kapitalisatiestelsel bijzonder duur uitvalt. Dit stelsel zou evenwel nu moeten ingevoerd worden voor mensen onder de 40 jaar, zodat een overgangsperiode van ongeveer 25 jaar beschikbaar is voor de omschakeling. De andere betrokkenen blijven in het huidig stelsel zitten met behoud van de bestaande pensioenbeloften.

2.7. De hervorming van het stelsel van de gezondheidszorgen.

Het huidige stelsel heeft een enorme aangroei van de uitgaven veroorzaakt, zodanig zelfs dat het de zwaarste post is geworden binnen de sociale zekerheid.
Het nieuwe stelsel moet een echte financiŽle verantwoordelijkheid invoeren en worden opgesplitst in twee luiken.

1) De verplichte ziektekostenverzekering.
Deze verzekering wordt door iedere burger afgesloten bij een vereniging naar mutualistisch model van zijn keuze. De verzekerde ziektekosten kunnen een ruim pakket van gezondheidszorgen omvatten. Niet alleen ziekenhuisopname of heelkundige ingrepen, maar
ook de zogenaamde kleine risico's zijn hierin begrepen.
De verzekering omvat een franchise, zijnde een beperkt bedrag aan gezondheidszorgen waarvoor de verzekerde zelf eerst moet instaan, alvorens de verzekering begint te spelen en de terugbetalingen een aanvang nemen. Het bedrag is afhankelijk van de sociale categorie waartoe de verzekeringsplichtige behoort. Een grondig onderzoek dient vooraf uit te welke de financiŽle en sociale weerslag van de franchise is en wat de uiteindelijke effectiviteit zal zijn.
De financiering gebeurt door het betalen van een maandelijkse premie. De hoogte daarvan houdt rekening met de omvang van het pakket gezondheidszorgen en met het bedrag van de franchise. De overheid komt tussen in het betalen van de premie van de laagste inkomenscategorieŽn.

2) De vrije ziektekostenverzekering.
Deze verzekering is aanvullend aan de verplichte ziektekostenverzekering. Zij kan worden afgesloten bij verenigingen naar mutualistisch model, gemeenschappelijke verzekeringskassen of private vennootschappen. De premies worden betaald door de verzekerde en zijn fiscaal aftrekbaar.
Financieel, organisatorisch en administratief moet er tussen de verplichte ziekteverzekering en de vrije een strikte scheiding worden gemaakt. Ook de wet inzake de mutualiteiten moet grondig worden herzien. De mutualiteiten moeten zich strikt houden op het terrein van de ziekteverzekering en mogen noch rechtstreeks noch onrechtstreeks banden hebben met of participaties bezitten in verzorgingsinstellingen (ziekenhuizen, apotheken, rustoorden, centra voor de bejaarden, ... ) en dienen zich eveneens te onthouden van alle sociaal-culturele activiteiten. Ondanks dit model voor de ziektekostenverzekering zal, na het jaar 2005, de financiering van de verzorging van een steeds toenemende groep van hulpbehoevende hoogbejaarden precair worden. Een parlementaire commissie, die alle voorstellen dienaangaande grondig onderzoekt, dient dan ook onverwijld te worden opgericht.

2.8. Meer rechtvaardige gezinsvergoedingen.

De huidige regeling inzake gezinsvergoedingen bevat enerzijds de gezinsbijslagen die in het kader van de sociale zekerheid worden toegekend, anderzijds de fiscale aftrek die in verhouding tot het aantal kinderen staat. Deze regeling is onrechtvaardig. De laagste inkomenscategorieŽn ontvangen immers minder hulp dan de andere. Om hieraan te verhelpen moeten de belastingplichtigen de keuze krijgen: ofwel worden de kinderbijslagen opgetrokken en de fiscale aftrek voor de kinderlast afgeschaft, ofwel kan men opteren voor een belastingkrediet dat stijgt met het aantal kinderen ten laste en dat de kinderbijslag meteen vervangt. Tenslotte moet de bijzondere bijdrage van ongehuwden of personen zonder kinderen ten laste, ten bedrage van respectievelijk 675 F en 375 F, worden afgeschaft, alsmede de inhouding op de gezinsvergoeding voor het eerste kind.

Naast de globale hervorming van de sociale zekerheid dienen ook in het Vlaams welzijns- en gezondheidsbeleid nieuwe accenten gelegd te worden:
- zowel in de welzijnssector als in de gezondheidssector dient het principe van de koppeling van de erkenning aan de subsidiŽring verlaten te worden. De erkenning mag enkel het gevolg zijn van de zorg voor een kwaliteitsverhoging en niet van vestigingsnormen en programmatiecriteria; nieuwe initiatieven in beide sectoren moeten gefinancierd worden binnen de beschikbare begrotingsenveloppes, via compensaties binnen de bevoegde sector;
- ingevolge de denataliteit is er reeds een budgettaire herschikking mogelijk en dit zowel binnen de totale begroting van de Vlaamse Gemeenschap als binnen de eigen begroting van "Welzijn en Gezin"; zo dient een deel van de dotatie aan de openbare instelling "Kind en Gezin" geheroriŽnteerd te worden naar de jeugdzorg, de gehandicaptenzorg en het bejaardenbeleid. Voor de bejaardenzorg kunnen ook kredieten, oorspronkelijk bestemd voor het onderwijs, aangesproken worden;
- de bijzondere jeugdbijstand dient kleinschalig aangepakt te worden omdat dit de beste waarborg inhoudt om de moeilijke educatieve en didactische opdracht ten aanzien van een problematische groep jongeren, tot een goed einde te brengen;
- in het gezondheidsbeleid moet de voorrang gaan naar de eerstelijnsgezondheidszorg, de thuiszorg en de extra-murale dienstverlening; bij decreet dient vastgelegd te worden dat zelfstandige paramedici, zoals zelfstandige verplegers en verpleegsters, hun activiteit met dezelfde kansen als de hulpverleners in dienstverband zouden kunnen uitoefenen;
- een Vlaams gehandicaptenbeleid moet de gehandicapte, samen met zijn naaste omgeving, als individu een maximale kans op integratie bieden; integratie is een tweerichtingsverkeer, waarbij enerzijds de maatschappij open staat voor de integratie van de gehandicapte en waar anderzijds de gehandicapte de wil en de inzet opbrengt om die integratie voor zichzelf te realiseren; voor de gehandicapte - of zijn vertegenwoordiger - blijft het gebrek aan informatie over zijn rechten om tegemoetkomingen of tussenkomsten ťťn van de voornaamste problemen; het oprichten van een administratie voor gehandicaptenzorg en de eenvormige vaststelling van de graad van de handicap dringen zich op;
- wat de voorzieningen voor bejaarden betreft, dienen de belemmeringen, die de private, commerciŽle sector nog steeds ondervindt, weggenomen te worden, zodat op een meer soepele wijze kan ingespeeld worden op de steeds groeiende vraag naar zorgenverstrekking;
- inzake de bestrijding van het doping en druggebruik en van AIDS moet vooral de aandacht gaan naar een doeltreffend preventief beleid, dat - naast het curatief beleid - als een volwaardige pijler moet worden opgebouwd.


3. EEN EFFICIENTE OVERHEID

De gezondmaking van de openbare financiŽn door de afslanking van het staatsapparaat en een efficiŽnte dienstverlening naar de bevolking toe, blijven belangrijke doelstellingen in het beleid van de jaren negentig. Sinds enige jaren werd wel een belangrijke inspanning geleverd, maar zowel het overheidstekort als de globale schuld lopen nog steeds op tot het dubbele van het Europees gemiddelde. Dit is vooral te wijten aan het feit dat sinds 1988, ondanks de economische hoogconjunctuur, de begrotingssanering volledig tot stilstand is gekomen.

In de jaren negentig zal dan ook een bijzondere inspanning moeten worden geleverd om zonder lastenverhogingen het Belgisch overheidstekort drastisch te beperken. Daartoe zijn bezuinigingen noodzakelijk, alsmede een grondige rationalisering en modernisering van het staatsapparaat. Tevens moet een nieuw grondwetsartikel worden ingevoerd, dat alle overheden verplicht hun begroting in evenwicht in te dienen. Het doel moet zijn om in het komende decennium het overheidsbeslag terug te dringen tot ongeveer 40% van het B.N.P.

3.1. De definitieve gezondmaking van de openbare financiŽn.

Met het oog op een blijvende gezondmaking van de openbare financiŽn moet een nieuwe wet worden ingevoerd die, net zoals de Gramm-Rudman-wet in de Verenigde Staten van Amerika, automatisch de uitgaven vermindert indien de overheid haar tekort niet binnen de vastgestelde perken kan houden. Vanaf 1995 zou het tekort daarbij moeten beperkt worden tot het niveau van de investeringsuitgaven (hetgeen overeenkomt met ongeveer 2% van het B.N.P.). M.a.w. de staat zou slechts mogen ontlenen ten belope van haar investeringen. Vanaf volgend jaar tot 1995 zou het toegelaten tekort moeten worden verminderd.

Indien, hetzij bij het opmaken van de begroting, hetzij bij de begrotingscontrole, hetzij bij het
einde van het begrotingsjaar zou blijken dat de doelstelling niet wordt gehaald, zou de nieuwe wet automatisch vier "hakbijlen" in werking stellen", met name:
- het herleiden van de verbintenissen van de overheid tot 90%;
- het schrappen van de facultatieve uitgaven;
- het annuleren van alle vastleggingen;
- het bevriezen van de begrotingsfondsen.

Naast deze objectieven die gelden voor de overheid, de Gewesten en de Gemeenschappen moeten vanaf 1995 ook alle tekorten bij de sociale zekerheid en de gemeenten worden weggewerkt, terwijl ook alle tekorten buiten begroting, de zogenaamde gedebudgetteerde schulden, opnieuw in de begroting moeten opgenomen zijn.
Deze nieuwe wet en haar objectieven moeten toelaten dat bij het begin van volgende eeuw de overheidsschuld, uitgedrukt in procent van het B.N.P., wordt teruggebracht tot het huidig E.G.-gemiddelde, hetzij beneden de 60%.
Om deze objectieven te halen en tegelijkertijd de belastinghervorming te realiseren die zich opdringt, is tijdens de komende legislatuur een jaarlijkse saneringsinspanning (Staat, Gewesten en Gemeenschappen) noodzakelijk die kan geraamd worden op 80 miljard (bij een inflatie van 3%, een B.N.P.-groei van 2% en een rentevoet van 10%).
Maatregelen die in het kader van deze jaarlijkse bezuinigingsoperatie moeten worden genomen zijn:

1) het invoeren van een wervingsstop.

Daar waar tot 1988 het aantal ambtenaren stelselmatig daalde, liep dit aantal in 1989 terug op;
Vergelijken wij de toestand in BelgiŽ met deze van onze voornaamste handelspartners, dan stellen we vast dat ons land na Frankrijk het hoogste deel van zijn actieve bevolking tewerkstelt in de openbare sector.
Een wervingsstop moet toelaten de personeelssterkte in de openbare sector opnieuw te verminderen; eventuele personeelstekorten moeten daarbij worden opgevangen door het invoeren van een interne mobiliteit tussen de administratieve diensten; het invoeren van een algemene wervingsstop moet ook toelaten de nodige financiŽle ruimte te creŽren om de ambtenaren beter op te leiden, te vergoeden en te motiveren;

2) het afbouwen van de economische toelagen.

De subsidies die aan de private en de openbare bedrijven in ons land worden toegekend, liggen merkelijk hoger dan in de andere landen van de E.G. en de OESO; daarom voor elk van de verlieslatende overheidsbedrijven (N.M.B.S., Post, Sabena ... ) nieuwe en meer drastische saneringsplannen worden opgesteld; vervolgens dienen deze overheidsbedrijven geheel of gedeeltelijk te worden geprivatiseerd; tevens dienen de rentetoelagen en de kapitaalpremies die aan de private ondernemingen worden toegekend te worden afgeschaft;

3) het hervormen van de sociale zekerheid.

De maatregelen die hierboven m.b.t. de sociale zekerheid werden beschreven, moeten ons sociaal systeem ombouwen tot een kwalitatief hoogstaand en efficiŽnt stelsel dat voornamelijk gericht is op het lenigen van de noden van de laagste inkomenscategorieŽn; deze hervorming moet ook toelaten dat de sociale zekerheid een kostendekkend stelsel wordt, m.a.w. een stelsel dat stoelt op de bijdragen van de burgers en de bedrijven zonder tussenkomst vanwege de overheid, behalve voor de laagste inkomenscategorieŽn.

4) het herzien van de defensietaken.

De politieke en militaire ontwikkelingen op het Europese continent laten een aanzienlijke inkrimping toe van de defensietaken; de vermindering van de strijdkrachten zoals die o.m. in West-Duitsland, Nederland en Groot-BrittanniŽ werd beslist, moet ook in ons land worden doorgevoerd, in Europees overleg; de beperking van het defensiebudget die daaruit voortvloeit zal deels moeten worden aangewend om de dienstplicht af te schaffen en het leger definitief te stoelen op een beperkt en democratisch gecontroleerd beroepskader.

5) het afschaffen van de intermediaire structuren.

Tussen de burger en het overheidsapparaat werden de jongste decennia tal van geldverslindende organisaties opgericht, zogenaamd om de dienstverlening te verbeteren; de mutualiteiten regelen de verplichte ziekteverzekering; de vakbonden betalen de werkloosheidsuitkeringen; het aantal kassen dat zich met het vakantiegeld bezighoudt is niet te tellen; een afschaffing van deze intermediaire organisaties dringt zich dan ook op; hun opdrachten dienen, hetzij aan de administratie zelf te worden toevertrouwd, hetzij in concurrentie uitbesteed te worden.

6) de vermindering van de rentelasten.

De rentelasten maken een steeds groter deel uit van de totale overheidsuitgaven; BelgiŽ scheert zelfs de top wat de intrestbetalingen betreft.
De rente op de overheidsschuld moet beperkt worden door, naast het terugdringen van het tekort, de markt van de overheidsobligaties te liberaliseren; zo moet de roerende voorheffing worden afgeschaft en dient de markt van de schatkistcertificaten voor iedereen, private en rechtspersonen, toegankelijk te worden gemaakt.

7) het invoeren van de zero-base-budgetting.

Bij het opstellen van de begroting vertrekt men bij het Z.B.B.-systeem van het standpunt dat er geen referentie is naar de werkingsmiddelen van de vorige begrotingsperiode. Het doel van deze methode is dat men steeds opnieuw de doelstellingen formuleert teneinde te voorkomen dat nutteloze activiteiten blijven voortbestaan; op deze manier komt men tot bezuinigingen, niet door lineaire besparingen, doch door selectieve ingrepen.

8) het invoeren van een gemeenschappelijke doelstelling inzake de openbare financiŽn.

Onze institutionele structuur geeft ruime autonomie aan de nationale overheid, de Gemeenschappen en Gewesten en de provincies en gemeenten inzake het voeren van een uitgavenbeleid; zonder aan deze autonomie te tornen is het duidelijk dat slechts op basis van gemeenschappelijke afspraken onze openbare financiŽn kunnen gezond gemaakt worden; een jaarlijks globaal overleg tussen deze verschillende niveaus, op basis van de studies van de Hoge Raad van FinanciŽn, moeten kunnen leiden tot een gemeenschappelijke afspraak inzake ieders deelname aan de globale sanering; hieraan moet de invoering van een fiscale stop op alle bestuursniveaus worden gekoppeld, alsmede een stop inzake het doorschuiven of het opleggen van nieuwe lasten aan de lagere besturen.

9) de afbouw van de verzuiling.

De verzuiling moet aangepakt worden door de huidige rechtstreekse subsidiŽring van de organisaties op basis van door elkaar lopende wetten, decreten en besluiten, waarbij diegenen met de sterkste politieke invloed aan het langste eind trekken, te vervangen door zogenaamde consumentensubsidies; namelijk rechtstreekse toelagen aan de verbruiker waarbij hijzelf bepaalt wie betoelaagd wordt; wel wordt nog voorzien in een beperkte basistoelage voor de algemene werking van de organisatie en een tussenkomst van de overheid voor de uitbouw van de infrastructuur.

10) het stopzetten van de compensatiepolitiek.

Het overhevelen van bijkomende middelen van de centrale staat naar de Gemeenschappen en de Gewesten mag enkel en alleen gebeuren wanneer deze overheveling van middelen gepaard gaat met een evenredige bevoegdheidsoverdracht of indien er een plotse en onverwachte daling is van de inkomsten.

3.2. De modernisering van het staatsapparaat.

Naast het strikt uitvoeren van een vierjarig saneringsplan, dient ook de overheidsadministratie zelf grondig te worden aangepast. Minstens vier hervormingen dringen zich op:

1) De hergroepering van de departementen.

De administratie moet worden afgeslankt en gehergroepeerd in acht departementen, met name:
* Ministerie van FinanciŽn en Begroting;
* Ministerie van Sociale Zaken (Pensioenen, Volksgezondheid, Tewerkstelling, Sociale Zaken);
* Ministerie van Binnenlandse Zaken (Binnenlandse Zaken, Rijkswacht en Openbaar Ambt);
* Ministerie van Economische Zaken (Economische Zaken, Landbouw en Middenstand);
* Ministerie van Infrastructuur en Leefmilieu;
* Ministerie van Buitenlandse Zaken (Buitenlandse Zaken, Handel en Ontwikkelingssamenwerking);
* Ministerie van Landsverdediging;
* Ministerie van Justitie.

Parallel hiermee moet vanzelfsprekend ook het aantal ministers worden beperkt tot negen, inclusief de Eerste minister en dient het aantal staatssecretarissen te worden herleid tot zes.

De Vlaamse Executieve dient beperkt tot zeven leden, die volgende bevoegdheden uitoefenen:
* FinanciŽn, Begroting, Algemene Zaken en CoŲrdinatie;
* Economie, Tewerkstelling, Landbouw en Middenstand;
* Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Infrastructuur;
* Volksgezondheid, Welzijn en Gezin;
* Onderwijs en Wetenschapsbeleid;
* Cultuur;
* Binnenlandse Zaken en Openbaar Ambt.

De Brusselse Executieve wordt verminderd van acht naar drie leden.

Eveneens dienen de ministeriŽle kabinetten grondig te worden afgeslankt, meer bepaald te worden gehalveerd. De staatssecretarissen zouden geen eigen kabinet hebben, maar gebruikmaken van de diensten van de minister waaraan zij zijn toegevoegd. Voor het beheer van het kabinet dient een beperkte enveloppe-begroting te worden voorzien.

Om het bestaande politieke wantrouwen weg te nemen moeten diegenen die de leiding hebben over de administratie en die het beleid concipiŽren en uitvoeren, nl. de directeur- generaal en de secretarissen-generaal het volle vertrouwen kunnen genieten van de minister in functie. Zoiets kan slechts gerealiseerd worden door de minister zelf de rangen 16 en 17 te laten aanduiden. Uiteraard kan dit slechts voor de periode van zijn ambtstermijn. Met deze aanpak moet het aantal kabinetsleden sterk kunnen gereduceerd worden.

2) De versoepeling van het statuut van het openbaar ambt.

Het overheidsapparaat staat ten dienste van de bevolking. Dit betekent dat de ganse structuur en de organisatie van de administratie geconcipieerd moet zijn vanuit het aspect "dienstverlening naar het publiek toe". De administratie is als onderdeel van deze "public service" bestemd voor de burger en niet omgekeerd. Vanuit dat oogpunt moet het statuut van het Openbaar Ambt grondig worden hervormd. Het nieuw statuut moet het mogelijk maken het Openbaar Ambt te depolitiseren, de mobiliteit binnen de administratie te vergroten en de motivering van de ambtenaar te verhogen door hem beter te betalen voor de geleverde prestaties. Daartoe dringen zich volgende maatregelen op:
- de invoering van een wervingsstop, zodat er eindelijk budgettaire ruimte zou ontstaan voor een betere verloning van een beperkter maar meer gemotiveerd ambtenarenkorps; het tekort aan personeel dat daardoor kan ontstaan moet worden opgevangen door een grotere mobiliteit; door een aanpassing van het statuut moeten vlottere mutaties tussen overheidsdiensten worden mogelijk gemaakt;
- de invoering van een vergoeding voor produktiviteit; bovenop de lonen en wedden die in het openbaar ambt worden uitbetaald dient een vergoeding te worden ingesteld die rechtstreeks gekoppeld is aan de produktiviteit; normen zouden daarbij worden vastgesteld die aanduiden of het dossier snel en efficiŽnt werd afgehandeld; wie de normen haalt kan aanspraak maken op de produktiviteitsvergoeding; met de produktiviteitsvergoeding moeten de hiŽrarchische oversten van overbezette administratieve diensten er bovendien toe worden aangespoord om personeel af te staan.
- de toepassing van een nieuw aanwervingsbeleid, uitgaande van een functie- en profielbeschrijving door de departementen en het V.W.S., moet blijven waken over de objectiviteit van de procedures en ervoor zorgen dat elk evaluatiesysteem een vergelijkend karakter behoudt, zowel voor de statutaire als de contractuelen; eens de behoefte vastgesteld en de taak- en profielbeschrijving van de te begeven functie op een objectieve wijze is omlijnd, worden externe selectiebureaus ingeschakeld; het resultaat van deze selectie wordt onder de vorm van een vergelijkende evaluatie overgemaakt aan het V.W.S., waarna - mits het naleven van de nodige administratieve procedure- de geselecteerde ambtenaren in dienst worden genomen.
- het geheel van de overheidsdiensten dient doorgelicht te worden met het oog op een aan de huidige noden aangepaste herverdeling van het beschikbare menselijke potentieel, m.a.w. een "Human Resources Management"; men stelt vast dat bepaalde diensten onderbemand zijn, andere hebben wel personeel maar geen dossiers, sommige diensten worden in vaste piekperioden overstelpt en zitten voor een groot deel van het jaar zonder werk; via enerzijds een deskundig uitgevoerde analyse (volledig losstaand van de huidige titularis) van de betrekkingen en anderzijds een objectief evaluatiesysteem, moet het mogelijk zijn te komen tot een betere aanwending van het menselijk potentieel; voorts moet de overheid in piekperioden voor bepaalde diensten, liever dan werklozen die toevallig de juiste politieke weg gevonden hebben in allerlei nepstatuten tewerk te stellen, een beroep kunnen doen op de uitzendkrachten.
- de invoering van beheerscontracten; in dit systeem wordt door de overheid met de leidend ambtenaar van een administratieve entiteit een overeenkomst afgesloten, waarbij overeengekomen wordt dat een administratie een bepaalde taak, eventueel binnen een bepaalde termijn uitvoert; de overheid van haar kant stelt een globale enveloppe van mensen en middelen ter beschikking; aan deze overeenkomst wordt een premiestelsel gekoppeld, waardoor de betrokken ambtenaren, die in uitvoerende diensten vaak omwille van het eentonige werk en gebrek aan verantwoordelijkheid weinig gemotiveerd zijn, een ernstige en concrete aanmoediging krijgen.
- de invoering van een nieuw bevorderingsrooster dat, naast de bestuurlijke noodzaak, de bevordering enkel afhankelijk maakt van de bekwaamheid, de inzet en de anciŽnniteit van de betrokkene; in het nieuw bevorderingsrooster wordt rekening gehouden met het feit dat personeel van de rangen 10, 11 en 12 aan heel andere vereisten moet voldoen dan de rangen 13, 14 en 15; deze laatsten fungeren als diensthoofden en moeten derhalve blijk geven van organisatorisch en leidinggevend talent; via een vergelijkende evaluatie kan hiernaar gepeild worden; de overgang naar de loopbaan verbonden met de rangen 13 en 14 gebeurt volgens een vergelijkend examen dat peilt naar de kwaliteiten van de kandidaten om een dienst te leiden; de overgang naar de leidinggevende functies van een departement of een groepering van diensten gebeurt op basis van een managementsbrevet dat bekomen wordt door meerdere jaren van bijscholing aan een erkende universiteit of hogeschool; parallel met de invoering van dit nieuwe loopbaanrooster dient het zogenaamde artikel 18 te worden afgeschaft, terwijl bij wet ook een algemeen verbod moet worden afgelegd om nog primobenoemingen te verrichten.
- de voortschrijdende automatisering en de steeds toenemende specialisatie, maakt het noodzakelijk om aan "upgrading" van de ambtenarij te doen; veel meer dan vroeger heeft de overheid nood aan hooggekwalificeerde ambtenaren van niveau 1 die beleidsvoorbereidend werk of studieopdrachten aankunnen; daarnaast vermindert de toenemende informatisering de behoefte aan loutere uitvoerders, zoals opstellers en dactylo's; naast een wijziging in de kwantitatieve verhouding tussen de vier bestaande niveaus, moet er ook gewerkt worden aan een herindeling van de niveaus; in elk geval is het aangewezen niveau 3 en 4 tot ťťn enkel niveau te versmelten; ook moet er gedacht worden aan een soort tussenniveau tussen 1 en 2, waarin de afgestudeerden van het hoger niet-universitair onderwijs kunnen opgevangen worden.
- de ambtenaren moeten voldoende vorming krijgen, vooral in managementstechnieken, vergadertechnieken, communicatietechnieken, informatica, recht, Europese instellingen, talen, ...; liever dan een aparte school voor ambtenaren op te richten, worden cursussen aan universiteiten of hogescholen bijgewoond; ook stages in bedrijven of overheidsdiensten in het buitenland, moeten aangemoedigd worden; een eigen Vlaamse vormingsdienst die dit alles organiseert is een absolute noodzaak.
- het herzien van de vastheid van betrekking; voor een aantal ambten die leidinggevend zijn of een bijzondere kwalificatie vereisen zou de vastheid van betrekking worden afgeschaft; parallel hiermee dienen voor deze ambten hogere wedden te worden voorzien, vergelijkbaar met de lonen die aan kaderleden in de privť-sector worden uitgekeerd; aan nieuwe ambtenaren die in de toekomst worden aangeworven moet eveneens een contractueel statuut worden aangeboden dat recht geeft op een hogere wedde.
- het afschaffen van het syndicaat statuut; in alle departementen moet een paritair comitť worden opgericht dat werkt volgens de voorschriften die ook de sociale betrekkingen regelen in de privť-sector; de vertegenwoordiging van de ambtenaren in het comitť wordt daarbij aangeduid na verkiezingen die plaatshebben om de vier jaar.
- ten gevolge van de staatshervorming met de daarmee gepaard gaande overheveling van diensten en ambtenaren, van het toenemende belang van het Europees beslissingsniveau en
van de steeds wisselende noden van de samenleving, verdient het aanbeveling dat iedere overheid een onderzoek verricht naar de mogelijkheid tot rationalisatie (afschaffing, opslorping, fusie of reorganisatie) van haar diensten; ongetwijfeld hebben een aantal administratieve entiteiten ofwel geen nut meer ofwel een gewijzigde personeelsbehoefte.

3) De vereenvoudiging van de administratieve voorschriften.

De toename van het aantal wetten en reglementen is in ons land aanzienlijk. In het 143ste boek van het Rekenhof werd dit op treffende wijze geÔllustreerd. In totaal werden in het bestek van 25 jaar, van 1960 tot 1985, niet minder dan 56.053 normatieve teksten uitgevaardigd, nl. 4.058 wetten en decreten, 40.044 koninklijke besluiten en besluiten van de Executieve en 11.951 ministeriŽle besluiten. Het aantal bladzijden van het Belgisch Staatsblad, dat 9.988 bedroeg in 1960 liep op tot 18.982 in 1985 en het aantal bladzijden van de Verzameling Wetten, decreten en besluiten steeg van 4.463 tot 6.191 in 1984. Die wettelijke en reglementaire inflatie gaf bovendien aanleiding tot een massa administratieve formaliteiten die dringend moet worden ingeperkt. De maatregelen die daartoe moeten genomen worden, zijn velerlei:
- de instelling van het wetsactueel; het wetsactueel verplicht het Parlement al de wetten die ouder zijn dan vijftien jaar en sindsdien niet gewijzigd werden, te onderzoeken. Zijn deze wettelijke voorschriften voorbijgestreefd, dan moeten ze worden aangepast of afgeschaft; parallel hiermee moet in ieder departement een afdeling deregulering worden opgericht, die tweemaal per jaar t.b.v. de minister en het parlement een rapport opstelt over de vermindering van wetten, besluiten en verordeningen die kan worden doorgevoerd; op grond van deze nieuwe procedure dient in elk geval een aanpassing te geschieden van de faillissementswet, alsook een aanpassing van de wetgeving betreffende de invoering van wijziging inzake betekening van vonnissen en kennisgevingen;
- de openbaarheid van bestuur zou in de Grondwet moeten ingeschreven worden; ook zonder grondwettelijke waarborg echter kunnen tal van initiatieven worden genomen; een dereguleringscommissie kan de wetgeving voor de burger doorzichtiger en eenvoudiger maken; een ombudsman kan de rechten van bestuurde beter vrijwaren, de zwijgplicht van de ambtenaar kan vervangen worden door een spreekrecht;
- de verplichte codificatie van de wetten; wetten worden op korte tijd soms meerdere malen aangepast zodat de burger en vaak ook de administratie de tekst niet meer exact kennen; daarom is het noodzakelijk dat na een derde wijziging van eenzelfde wet de verplichting zou bestaan een codificatie en coŲrdinatie van de teksten door de Raad van State te laten doorvoeren;
- de invoering van de eenheidsvergunning; de wildgroei van de administratieve formaliteiten is ook een belangrijke rem geworden bij de oprichting van bedrijven; ťťn enkele aanvraag bij de gemeente zou moeten volstaan voor het bekomen van alle vergunningen; de gemeente zou daarbij optreden als centraliserend orgaan dat de aanvragen naar de betrokken instanties uitstuurt en de antwoorden ontvangt; indien binnen een periode van twee maanden geen reactie wordt ontvangen van de betrokken administratieve diensten, wordt de vergunning hoe dan ook afgeleverd zoals aangevraagd;
- de afschaffing van de belastingaangifte; voor de loon- en weddetrekkenden, de gepensioneerden en de werklozen, waarvan de inkomsten en uitgaven goed zijn gekend, moet de belastingaangifte worden afgeschaft; zonder aangifte zal de administratie een voorstel van aanslag mededelen, waarop deze laatste, ingeval van akkoord, de belasting vereffenen, of in geval van niet akkoord, deze betwisten;
- de gelijktijdige controle van directe belastingen en B.T.W.; zelfstandigen, vrije beroepen en ondernemingen worden voor dezelfde inkomsten vaak tweemaal gecontroleerd, ťťnmaal door de directe belastingen en ťťnmaal door de B.T.W.-administratie; om dit te verhinderen moeten de belastingkantoren tot polyvalente taxatiekantoren worden heringericht die de beide dossiers beheren en een ťťnmalige controle uitvoeren, alsook dienen de procedures geŁniformiseerd te worden;
- de vereenvoudigde inning van belastingen; de thans bestaande, regionaal verspreide ontvangkantoren van belastingen, B.T.W., registratie en domeinen, douane, enzovoort dienen in ťťn centraal inningscentrum te worden heringericht waar elke belastingplichtige ťťn rekening heeft en waarop hij alle belastingen en taksen dient te vereffenen; deze rekening kan werken als een rekening-courant met automatische compensatie tussen de verschuldigde en terug te geven belastingen.

4) De snellere informatisering.

Een efficiŽnter gebruik van de bestaande geÔnformatiseerde diensten dient gewaarborgd; bovendien moet de overheidsadministratie verder geÔnformatiseerd worden, teneinde de administratieve procedures voor de burger doorzichtiger te maken en een doeltreffender afhandeling te verzekeren.

3.3. De afbouw van het overheidsbeslag.

Naast de klassieke taken die de staat vervult, is de overheid ook een belangrijke ondernemer geworden o.m. als eigenaar van een groot aantal overheidsbedrijven. De belangrijkste domeinen waarin de staat als ondernemer actief is, zijn:
* de financiŽle sector; de openbare kredietinstellingen (Gemeentekrediet, A.S.L.K., N.I.L.K., C.B.H.K., N.K.B.K., N.M.K.N.), de publieke holdingmaatschappijen (N.l.M., G.I.M.V., S.R.I.W., G.I.M.B., K.S., L.I.M., F.N.S.V., F.N.S.W., F.I.V., de zogenaamde investen...);
* de energiesector (Distrigas, S.C.K., ...);
* de transportsector (N.M.B.S., Buurtspoorwegen, intercommunale vervoermaatschappijen, Sabena, R.M.T., R.L.W.);
* de telecommunicatiesector (P.T.T., R.T.T.);
* de dienstensector; de audio-visuele media, (B.R.T., R.T.B.F.), de milieudiensten (Aquafin, Indaver), de G.O.M.'s.

De overheid verleent aanzienlijke steun aan deze overheidsbedrijven, hetzij door het dekken van de exploitatietekorten, hetzij door het verlenen van toelagen, hetzij door het financieren van de investeringen, hetzij door het niet vragen van een marktconforme vergoeding op de in deze bedrijven geÔnvesteerde kapitalen.

Naast het opleggen van meer drastische saneringsplannen, moet een operatie worden doorgevoerd die tot doel heeft deze overheidsbedrijven en overheidstaken opnieuw over te brengen naar de vrije markt. Deze operatie houdt drie ingrepen in:

1) de privatisering van een aantal overheidsbedrijven.

Deze bedrijven zouden omgevormd worden tot N.V.'s met in de eerste fase een kapitaal waarvan de aandelen voor honderd procent in handen zijn van de overheid; vervolgens door sanering en het aanstellen van een privť-manager dient het rendement van deze bedrijven te worden verhoogd; tenslotte moeten over meerdere jaren gespreid, de aandelen langs de beurs aan het publiek te koop worden aangeboden; de werknemers van de betrokken bedrijven zouden hierbij wel een voorkeursrecht krijgen; de staatsondernemingen die hiervoor in aanmerking komen zijn de openbare kredietinstellingen, de publieke holdingmaatschappijen, Distrigas, Sabena, de R.T.T.

2) de uitbesteding van een aantal overheidstaken.

D.m.v. concessies en licenties moeten bepaalde opdrachten aan de private sector worden uitbesteed; domeinen die hier in elk geval in aanmerking komen zijn de grote openbare werken en de nieuwe milieudiensten, o.m. inzake watervoorziening, waterzuivering en afvalverwerking die de komende jaren zullen moeten worden opgezet.

3) de invoering van een "efficiency act".

Teneinde verspilling van overheidsgelden, veroorzaakt door de inefficiŽnte werking van het overheidsapparaat, krachtig tegen te gaan, dient een wet tot stand te komen, efficiency act genoemd, die stipuleert dat elke duidelijke, omlijnbare overheidsdienst die aan de burger wordt geleverd bij de beste prijs/kwaliteitsverhouding dient te verlopen; in deze wet zal bepaald worden dat enerzijds de daartoe in aanmerking komende overheidsdepartementen verplicht het initiatief moeten nemen om op geregelde tijdstippen de diensten die geen typische overheidstaken vervullen, openbaar aan te besteden, waarbij de overheid zelf als ťťn van de deelnemers naast de private deelnemers fungeert; anderzijds dient deze wet te stipuleren dat elk privaat bedrijf op bepaalde tijdstippen de mogelijkheid krijgt een openbaar bod te doen om een dienst die geen typische overheidstaak vervult, te leveren tegen een betere prijs/kwaliteit.

Wel moet resoluut een einde gesteld worden aan de steeds verdergaande ontreddering van de gezagsministeries die herhaalde malen blind getroffen werden door lineaire besparingsmaatregelen die geen rekening hielden met de vitale behoeften van deze diensten. De overheid moet de onontbeerlijke middelen krijgen om de klassieke taken te vervullen die alleen door de overheid kunnen worden vervuld (Buitenlandse Zaken, Justitie, Binnenlandse Zaken, FinanciŽn). Andere taken, die thans door de overheid worden vervuld, moeten maximaal worden geprivatiseerd.

3.4. Een efficiŽntere wetgevende macht.

Ook voor de wetgevende macht dringt zich een meer efficiŽnte werking op, meer bepaald drie maatregelen:

1) het afschaffen van het dubbel mandaat;

2) het afschaffen van de Senaat en de oprichting van een Senaat der Gemeenschappen;

3) een drastische inperking van het aantal politieke mandatarissen.

top