terug naar alfabetisch overzicht
Klik op de afbeeldingen om te vergroten.
Alle foto's uit de fotocollectie van het Liberaal Archief

Napoleon DESTANBERG


Portret N. DestanbergNapoleon Destanberg werd op 7 februari 1829 te Gent geboren als zoon van een kleine middenstander. Hij kreeg desondanks de kans om te studeren en bezocht achtereenvolgens een stadsschool, de Rijksmodelschool in de Hoornstraat en het Koninklijk Atheneum van Gent. Hij vatte vervolgens hogere studies aan en schreef zich in aan de rechtsfaculteit, maar zijn roeping lag duidelijk niet in de advocatuur. Hij stopte zijn studies voortijdig en stapte het beroepsleven binnen.

Hij ging aan de slag als journalist en kwam terecht bij De Broedermin, een Gentse krant die gelieerd was met de Société Huet en uitgegeven werd door Constant Leirens. De krant verdedigde een sociaal liberalisme en een verbreding van de democratie en was strijdend antiklerikaal. Consequent met deze visie werd De Broedermin een van de zeldzame politieke bladen die in het Nederlands verschenen en was dan ook een doorn in het oog van zowel de Kerk als de doctrinaire liberalen. Destanberg maakte er kennis met enkele grote liberale figuren uit zijn tijd zoals Gustave Callier, Emile de Laveleye en Jean Stecher, waardoor hij definitief in het kamp van de progressieve liberalen terechtkwam. Na een kort intermezzo als verslaggever in Den Haag keerde hij terug naar Gent, huwde er en werd in dienst genomen als journalist bij eerst Le Journal de Gand (1858) en vervolgens De Stad Gent (1859). Daarnaast was hij gedurende lange jaren redacteur en uitgever van liberale kiesbladen en andere periodieken.

De Stad Gent was de opvolger van De Broedermin en samen met hoofdredacteur Felix Boone bouwde Destanberg de krant uit tot de spreekbuis bij uitstek van de progressieve Gentse Vlaamsgezinde liberalen. Zijn antiklerikalisme en de manier waarop hij de Vlaamse volksmens verdedigde en hem een rol toebedeelde in de ontwikkeling van het liberalisme, maakten van hem een veelbesproken en dikwijls controversieel figuur. De boog diende echter niet altijd gespannen te staan en onder het pseudoniem Cies van Ghendt wendde hij zijn talent als journalist ook aan bij het schrijven van een ironisch feuilleton – wat nu een cursiefje zou heten - in De Stad Gent en als medewerker aan de Volksalmanak van het Willemsfonds, waarvan hij een trouw lid was.

Lag zijn engagement in de pers, dan lag zijn passie in de volkscultuur. Het volkstoneel lag hem hierbij het nauwst aan het hart. In 1848 werd hij lid van de rederijkerskamer De Fonteine, waar hij zijn eerste successen als acteur boekte en die in 1854 in de Minardschouwburg zijn eerste grote toneelstuk, Laurens Coster, opvoerde. In 1853 sloot hij zich ook aan bij het pas opgerichte Nationaal Tooneel van Antwerpen, dat in geheel Vlaanderen acteurs en regisseurs ronselde. Hij deed er zijn eerste ervaring als regisseur op maar verlegde zijn toneelactiviteiten na vijf jaar terug naar Gent, waar hij in 1865 samen met Edmond Hendrickx het Nationaal Tooneel van Oost-Vlaanderen oprichtte. Gedurende korte tijd traden zij onder de artistieke leiding van Destanberg op in het Hof van Plaisance aan de Dampoort, waarna het gezelschap naar de Minardschouwburg verhuisde. Daar begon een zeer vruchtbare samenwerking tussen Destanberg’s Tooneel van Oost-Vlaanderen en de twee residente gezelschappen van de Minard, met name De Fonteine en Broedermin en Taalijver. Ondanks alle enthousiasme verdween dit samenwerkingsverband in 1871 nadat het gemeentebestuur de subsidiëring van toneelgezelschappen via het Nederlands Toneel Gent had mogelijk gemaakt. De Fonteine en Broedermin en Taalijver verhuisden naar het Sint-Baafsplein en Destanberg keerde terug naar De Fonteine.

Hij was ook een uiterst veelzijdig en productief auteur en scenarist. Hij schreef onder meer kindergedichten en schoolzangen, waarvan een flink gedeelte door zijn goede vriend Karel Miry op muziek werd gezet. Hij schreef daarnaast meer dan honderd toneelstukken, een mengeling van eigen Vlaams werk (wat zeer zeldzaam was in die periode) zoals Mast en Danneels en De Kiesrevolutie naast geadapteerde stukken uit andere talen waaronder MacBeth van Shakespeare en Les Misérables van Victor Hugo. Dit combineerde hij met een uitbundige levenslust, wat zich uitte in het schrijven van feestliederen die we onder meer terugvinden in zijn bundel Het boeksken der teerlingen. Het zwaardere genre was hem evenmin onbekend. Zo leverde hij de tekst van de Arteveldecantate (op muziek van Gevaert en uitgevoerd ter gelegenheid van de inhuldiging van het standbeeld van Jacob van Artevelde in september 1863). Ook als vertaler deed hij het niet slecht. Werken van onder meer Shakespeare en Molière werden door hem in het Nederlands overgezet. Daarnaast schreef hij nog een aantal biografieën, waaronder Prudens Van Duyse: zijn leven en zijn werk, Hippolyte Van Peene en zijn werken en Felix Boone: verspreide werken.

In zijn sociaal getinte poëzie beleed hij intussen zijn politieke overtuiging. In 1866 publiceerde hij onder de titel Al de liberale liedjes en gedichten van Napoleon Destanberg een staalkaart van twintig jaar geëngageerd schrijven. In deze volkse bundel kwamen alle belangrijke thema’s waarrond hij als progressief liberaal had gemiliteerd aan bod: de uitbuiting van de arbeiders, de Vlaamse strijd, de macht en rijkdom van de Kerk, de scheiding tussen Kerk en Staat, het lotelingensysteem, de secularisering en de uitbreiding van het onderwijs, het stemrecht, het pacifisme, enzovoort. Als rasechte Gentenaar ging hij uiteraard ook in op de lokale politiek en schreef zowel huldeteksten voor verdienstelijke liberale verenigingen en personen als schimpliederen over de Gentse clerus en electorale propagandaliederen. Als volkspoëet ten slotte vulde hij de bundel uiteraard aan met de nodige feest- en carnavalsliederen.

Grafmonument N. DestanbergDit alles maakte hem geliefd in heel brede kring. Velen maakten van zijn diensten als gelegenheidsdichter gebruik, bewonderden hem om zijn scherpe pen als journalist of genoten van zijn milde volkshumor. Bij zowel de man in de straat als de leidende liberalen (hij was onder meer een graag geziene gast bij burgemeester Charles de Kerchove) was hij kind aan huis. Zijn laatste levensjaren waren helaas minder fortuinlijk. In 1870 overleed Felix Boone en het beleid van De Stad Gent werd radicaal gewijzigd. Doctrinair liberalisme verving het progressisme en zowel de Vlaamsgezinde als de volkse artikels van Destanberg werden niet langer gepubliceerd. Hij werd een verbitterd man en gleed af naar de armoede. In augustus 1875 werd hij zwaar ziek en een maand later overleed hij, een behoeftige familie met negen kinderen achterlatend. Hij werd begraven op de Westerbegraafplaats, toen in de omgang de “geuzenbegraafplaats” genoemd. Een korte arduinen obelisk met een portretmedaillon, bekostigd via een publieke inschrijvingslijst en door de voorzitter van de liefdadigheidskring Zonder Naam niet Zonder Hart, Charles Verbessem, sierde zijn graf en zijn collega’s uit de toneelwereld (onder meer de Melomanen, het Willemsgenootschap, De Fonteine, de Orphéon en het Van Crombrugghe’s Genootschap) brachten hem er een laatste eer.

Bart D'hondt

 


Illustraties: Portret Van Napoleon Destanberg.
De CD Bleiw en ruud es nog gien purper door Marc Reynaerts en de Kokedies. Bewerking van 15 liederen van Napoleon Destanberg door Freek Neirynck en Marc Reynaerts, muziek Philippe de Chaffoy.
Grafmonument van Destanberg op de Westerbegraafplaats.