terug naar alfabetisch overzicht
Adolphe Burggraeve, 1806-1902

Adolphe Burggraeve

In de door de industrialisering uit hun voegen barstende steden was de huisvesting van de arbeiders een probleem van eerste orde. Reeds onder burgemeester Joseph Van Crombrugghe werden aangepaste urbanisatieplannen ontworpen, maar in de jaren 1840 werd duidelijk dat de politici de wildgroei aan arbeiderswoningen en beluiken niet echt onder controle hadden. Drastische maatregelen om de stad leefbaar te houden en onder meer de steeds terugkerende epidemieŽn uit te roeien, drongen zich op. Gereputeerde geneesheren zoals Daniël Mareska, J. Heyman, Jozef Kluyskens en Joseph Guislain trokken aan de alarmbel maar voorlopig met weinig resultaat. Uiteindelijk zou in die jaren slechts één experiment daadwerkelijk worden uitgevoerd, met name de zogenaamde Cité De Vreese of Cité Ouvrière bij het Sint-Pietersplein, een geÔntegreerd complex naar een ontwerp van Leclerc-Restiaux met zowel arbeiderswoningen als gemeenschapsruimten en nutsgebouwen. Hoewel succesvol, vond dit in 1848 opgetrokken gebouw geen navolging en in de jaren 1930 werd het afgebroken om plaats te maken voor de boekentoren van de universiteit. Niet iedereen legde zich bij deze situatie neer, zoals de arts Adolphe Burggraeve die in 1828 afstudeerde aan de Gentse universiteit. Hij bouwde een mooie loopbaan als hoogleraar uit en schreef verschillende historiografische werken over de geneeskunde, waaronder een internationaal gelauwerde biografie van Vesalius. Daarnaast werd hij in 1848 benoemd tot hoofdchirurg van het burgerlijk hospitaal De Bijloke, waar hij tot 1880 actief was en een belangrijk promotor werd van de modernisering van de instelling. Samen met stadsarchitect Adolphe Pauli stond hij tussen 1864 en 1880 in voor de bouw van het nieuwe ziekenhuiscomplex.

Net als Guislain was Burggraeve actief in de Liberale Associatie en van 1858 tot 1881 zetelde hij in de gemeenteraad. Daar vertegenwoordigde hij niet enkel de liberalen maar ook het Geneeskundig Genootschap van Gent, dat hij in 1832 mee had opgericht. Met hun steun zette hij de ongezonde en onhygiŽnische levensomstandigheden van de Gentse arbeiders op de agenda. Hij publiceerde tal van studies en pamfletten waarin hij niet enkel de bestaande situatie aanklaagde maar ook alternatieven bood. Hierbij stond de in 1851 door hem gestichte Société Anonyme pour l'Amélioration des dťmeures de la classe ouvrière, de allereerste Gentse sociale bouwmaatschappij, centraal. Deze maatschappij ontwierp in de daaropvolgende vijftien jaar vier gedetailleerde plannen voor de bouw van een gezond en modern arbeiderskwartier, gaande van de eerder traditioneel georiënteerde 'familistères' tot het meer vooruitstrevende tuinwijkmodel. Deze concepten veronderstelden allen de afbraak van de beluiken en hun vervanging door leefgemeenschappen waarin huisvesting, cultuur, kleinhandel, onderwijs en groenvoorziening werden gecombineerd. Volgens de ontwerper(s) zou dit gunstig zijn voor zowel de levenskwaliteit van de arbeider als voor de sociale rust en de industriŽle ontwikkeling en dus een win-winsituatie opleveren voor alle betrokkenen. De industriŽlen en het stadsbestuur, die uiteindelijk samen zouden opdraaien voor de investeringskosten, zagen helaas geen brood in deze plannen. Ironisch genoeg vonden Burggraeves plannen en ideeŽn wel ingang bij de aanleg van de meer burgerlijke wijken en werd er bij de uitvoering van onder meer het Zollikofer-De Vigneplan onder Hippolyte Lippens en de wijk rond het Citadelpark terdege rekening mee gehouden. De nv verdween maar de impuls ging niet verloren. Latere initiatiefnemers van projecten rond sociale huisvesting zoals de Gentsche Maatschappij der Werkerswoningen, evenals hun architecten, onder wie Jacob Semey en Charles Van Rysselberghe, waren schatplichtig aan Burggraeve.

De laatste twintig jaar van zijn leven - Burggraeve werd net geen honderd - wijdde hij opnieuw helemaal aan de geneeskunde als propagandist van de zogenaamde dosimetrie, een alternatieve farmaceutische benadering, en de bio-elektrische geneeswijze, waarvoor hij een klein 'gesticht' financierde aan de Voetweg (nabij de Heuvelpoort). Zijn confraters hoonden hem echter weg en alle inspanningen ten spijt, kwam hij in de medische marginaliteit terecht. In 1897 publiceerde Adolphe Burggraeve nog zijn uitgebreide memoires maar vijf jaar later stierf hij totaal berooid en vergeten. Een eenvoudig houten kruis op de Zuiderbegraafplaats markeerde zijn graf.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat