terug naar alfabetisch overzicht
Adolphe Dubois, 1827-1900

Adolphe Dubois

Als zoon van een Brussels advocaat studeerde Adolphe Dubois in 1849 af aan de Gentse rechtsfaculteit. Hij schreef zich in aan de balie maar maakte in 1858 de overstap naar de magistratuur als substituut van de procureur des Konings. Hij werd bestuurslid van de Gentse Liberale Associatie en nam in 1856 deel aan de gemeenteraadsverkiezingen. Hij werd verkozen en maakte zo samen met Charles de Kerchove en Gustave Callier een einde aan het bestuur van Judocus Delehaye.

Dubois, een fervent antiklerikaal, haalde in 1859 een eerste keer de nationale pers met een valse herderlijke brief in de Journal de Gand, waarin de aartsbisschop van Mechelen zogezegd een oproep aan de clerus deed om zich buiten de politiek te houden. Verschillende katholieke kranten trapten in de val. Ze namen de aanbeveling over en moedigden de priesters aan om bij de kiesstrijd aan de zijlijn te gaan staan. Het bedrog kwam uiteraard vrij snel uit maar het duurde nog tot 1861 voor de auteur van het artikel bekend raakte. In het parlement werd justitieminister Tesch door boze katholieken geïnterpelleerd en Dubois nam ontslag als magistraat. Dit wapenfeit leverde hem nationale faam en de bijnaam 'le Cardinal' op. In 1863 werd hij lid van de Commissie voor Burgerlijke Godshuizen, waarin hij samen met voorzitter Adolf De Meulemeester de motor achter de secularisering werd. In 1884 volgde hij Hippolyte Lippens op als voorzitter van de Liberale Associatie. Hoewel zelf een volgeling van François Huet en mentor van de volgende generatie progressieve liberalen, onder wie Remi De Ridder, Marc Baertsoen, Felix Dauge en Hippolyte Callier, profileerde Dubois zich als een conservatieve politicus en een antiflamingant, die regelmatig in aanvaring kwam met de Vlaamsgezinde liberalen. Toch genoot hij het respect van het brede publiek. Napoleon Destanberg, de liberale volksdichter bij uitstek, droeg zijn verzamelbundel op aan Dubois, "Uit achting voor zijn talent, uit diepen eerbied voor zijn karakter".

Na de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht in 1893 begon zijn invloed te tanen. Hoewel hij tot aan zijn overlijden op 25 september 1900 gemeenteraadslid bleef, trok hij zich grotendeels terug op zijn buitenverblijf, de Villa Destinata bij het Patijntje, een 'maison de plaisance' in empirestijl aan de Gordunakaai dat zijn vader in 1827 had laten bouwen. Hij vulde zijn laatste dagen vooral met schrijven. Zijn goede vriend Oswald de Kerchove verzorgde na zijn dood de publicatie van een keur van zijn teksten onder de titel Essais et notices.

Adolphe Dubois werd begraven op de Westerbegraafplaats en rust er onder een opvallend neoclassicistisch grafmonument waarop een bronzen allegorisch tafereel van de hand van Frédéric de Smet. Het stelt een oude man met vleugels en zeis, symbool voor de dood, voor, die een perkamentrol met als titel "Droit" ontrolt.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat