terug naar alfabetisch overzicht
Adolphe Neyt jr., 1830-1892

Adolphe Neyt jr. groeide op binnen een familie van gefortuneerde suikerraffinadeurs. Zijn oom Edouard en vader Adolphe sr. baatten een groot familiebedrijf aan de Coupure uit en hadden ook flink geÔnvesteerd in de Gentse vlasnijverheid. Daarnaast hadden ze politieke interesses en waren actief in de Liberale Associatie. Adolphe sr. zetelde in de gemeenteraad en de provincieraad en was volksvertegenwoordiger van 1857 tot 1861. Edouard was gemeenteraadslid van 1843 tot zijn overlijden in 1849.

Adolphe jr. studeerde aan de Gentse universiteit en volgde zijn vader op in de suikerfabriek en in de Liberale Associatie. Hij was gemeenteraadslid van 1865 tot 1869 en meermaals kandidaat bij de parlementsverkiezingen, maar was enkel actief vanuit een zekere gemeenschapszin zonder enige politieke ambitie. Zijn echte interesses - waarin hij zich dankzij het familiefortuin ten volle kon uitleven - lagen op het vlak van wetenschap, kunst en cultuur. Hij was als lid van het Willemsfonds geŽngageerd in de steuncommissie van de volksbibliotheken, was in 1874 betrokken bij de oprichting van het Gentse Oudheidkundig Museum in het Caermersklooster en zetelde als bestuurslid van de Maatschappij tot aanmoediging der Schone Kunsten in de jury voor de driejaarlijkse kunsttentoonstellingen of Gentse salons in het Casino. Hij was daarenboven een vermaard antiekverzamelaar met onder meer een indrukwekkende collectie oude wapens en harnassen die hij belangeloos ter beschikking stelde voor de Pacificatiefeesten van 1876. Na zijn overlijden schonk zijn echtgenote de wapens en kurassen, samen met zijn verzameling porselein, aan het Oudheidkundig Museum van Gent. In 2001 werden ze onder het stof vandaan gehaald en ondergebracht in het Gravensteen, waar ze sindsdien deel uitmaken van de permanente tentoonstelling.

Internationale bekendheid verwierf Neyt vooral via de fotografie, die volgens hem een cruciale rol zou gaan spelen in het wetenschappelijk onderzoek. Enige invloed van zijn schoonbroer, de Duitse chemicus Friedrich Kekulé, zal hieraan niet vreemd zijn geweest. In 1857 nam hij zijn eerste reeks stereoscopische foto's van kristallen en micro-organismen en in 1862 stelde hij deze voor aan de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, die echter maar lauwtjes reageerde en van de nieuwlichterij niet veel moest hebben. Op de Wereldtentoonstelling te Parijs van 1867 oogstte hij er echter de grootste lof - en een zilveren medaille - en ook de topfiguren uit de sector, zoals Gustave De Vylder en Désiré Van Monckhoven, steunden hem.

Een tweede groot project lonkte en daarvoor liet hij op zijn eigendom aan de Coupure een intussen verdwenen astronomisch observatorium met spiegeltelescoop bouwen. In 1869 publiceerde hij zijn meest spectaculaire werk, de Atlas photographique de la lune. Essai de cartes photographiques de la lune. Zijn twaalf beelden van de maan, met een tot dan zelden geziene scherpte en helderheid, spraken tot eenieders verbeelding en ook de gevestigde waarden van de Academie gingen nu overstag. Op de Wereldtentoonstelling van 1873 te Wenen behoorden zijn maanfoto's tot de absolute topstukken van het Belgische paviljoen.

Kort daarna maakte hij kennis met de bioloog Edouard Van Beneden die hem warm maakte voor zijn genetisch onderzoek. Neyt nam voor hem niet minder dan twaalfhonderd microfoto's van de eitjes van een parasitaire rondworm, de zogenaamde Ascaris Megalocéphalis. In 1887 werden de resultaten gepubliceerd maar voor Neyt was dit het laatste grote project. Hij werd zwaar ziek en trok zich terug op zijn buitenverblijf, de Villa Choucas op de Oostendse zeedijk.

Adolphe Neyt jr. overleed in Oostende in 1892. Zijn stoffelijk overschot werd overgebracht naar de Westerbegraafplaats waar met een burgerlijke plechtigheid onder leiding van zijn vriend Adolphe Dubois afscheid werd genomen. Zijn apparatuur en zijn vele foto's kwamen dankzij zijn echtgenote in het bezit van de universiteit.

Zijn echtgenote, Elise Drory, hield zich intussen bezig met liefdadigheid. Afkomstig uit een welstellende liberale ondernemersfamilie met Engelse roots, steunde zij projecten in Oostende en in Gent, waar ze ook de in 1892 gestichte Gentsche Volkskeukens hielp financieren. Haar testament zorgde in 1912 echter voor beroering. Zij schonk bij legaat honderdduizend frank aan het Gentse Bureau van Weldadigheid én aan dat van Oostende. Dit stuitte op zwaar protest van de gefortuneerde familie - het koppel was kinderloos gestorven - en pas in 1921 werd een vergelijk gevonden waarbij de twee steden elk genoegen moesten nemen met een kwart van het oorspronkelijke legaat.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat