terug naar alfabetisch overzicht
Adolphe Pauli, 1820-1895

Als architect van zowel het Lousbergsgesticht, het burgerlijk hospitaal de Bijloke, het weeshuis op de Martelaarslaan als de psychiatrische instelling van Joseph Guislain speelde Adolphe Pauli een sleutelrol in elk belangrijk Gents caritasproject uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Zijn ouders waren in 1814 van het Duitse Mecklenburg geŽmigreerd naar Gent en waren actief in de banksector. Adolphe studeerde in Gent aan de Ecole du Génie civil, waar hij architectuurlessen volgde bij Louis Roelandt, de toenmalige stadsarchitect. Na aanvullende studies in Duitsland en Italië vestigde Pauli zich als architect in Gent. Hij was een aanhanger van de vele neostijlen en van de empirestijl uit die periode en wekte belangstelling door de wijze waarop hij moderne inzichten over functionaliteit durfde te integreren in zijn ontwerpen en waarop hij experimenteerde met nieuwe materialen.

instituut van wetenschappen gent

Toen Roelandt in 1854 op rust ging, benoemde de gemeenteraad Pauli tot zijn opvolger als stadsarchitect en als directeur van de dienst Openbare Werken. Hij legde in de daaropvolgende jaren een grote activiteit aan de dag en kon net als Roelandt een blijvende stempel zetten op de stad. Naast de reeds vermelde gebouwen tekende hij de plannen voor een aantal onderwijsinstellingen zoals de Nijverheidsschool op de Lindenlei, de stadsschool op het Kramersplein, de Gustave Callierschool in de Tweebruggenstraat, de Zonder Naam-school op Sint-Macharius en de nieuwe universiteitsbibliotheek aan de Ottogracht. Pronkstuk was het Instituut der Wetenschappen aan de Jozef Plateaustraat waarvoor Gents meest beruchte sloppenwijk, de Batavia, begin jaren 1880 tegen de vlakte ging. Hij ontwierp plannen voor enkele paviljoenen van de Gentse dierentuin, voor de grote uitbreiding van het Casino op de Coupure en was hoofdarchitect van het antiklerikale paradepaard van burgemeester Charles de Kerchove, de Westerbegraafplaats.

Pauli zelf was een beginselvast protestant en van 1861 tot zijn overlijden ouderling of bestuurslid van de Brabantdamgemeente. Zijn drukke bezigheden lieten hem daarbuiten weinig tijd voor een uitgebreid verenigingsleven maar organisaties zoals het Willemsfonds en de Société Callier konden steeds op zijn financiële steun rekenen. Zijn rol als stadsarchitect beschouwde hij echter als ondergeschikt aan zijn rol als leraar. Zijn leerling Charles Van Rysselberghe nam vanaf 1867 een deel van zijn taken over en in 1873 nam Pauli ontslag als stadsarchitect. Bij grote festiviteiten werd wel nog meermaals een beroep gedaan op zijn creativiteit. Zo zette hij zich regelmatig in voor het ontwerpen van stoeten en stond hij onder meer in voor de praalwagen over de Spaanse furie in de Pacificatiestoet van 1876.

Zijn loopbaan als bouwpedagoog begon in 1850 met een benoeming tot eerste professor architectuur aan de Koninklijke Academie voor Teken-, Schilder- en Bouwkunst. Elf jaar later werd hij in opvolging van Roelandt ook docent aan de universiteit waar hij in 1867 tot buitengewoon en in 1873 tot gewoon hoogleraar werd benoemd. Hij zetelde in tal van adviesraden en commissies met betrekking tot kunst en monumentenzorg en hij maakte vanaf 1875 deel uit van de Koninklijke Academie van België afdeling Schone Kunsten. In 1890 ging hij met emeritaat en werd aan de universiteit opgevolgd door Louis Cloquet. Twee jaar later volgde Van Rysselberghe hem op als professor aan de Academie. Nog een jaar later, in 1893, betrok zijn goede vriend Auguste de Maere hem nog bij de oprichting van de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent en dit werd het laatste project van de intussen zieke Pauli.

Adolphe Pauli stierf in maart 1895 en werd begraven in de - intussen verdwenen - familiekelder op 'zijn' Westerbegraafplaats. In 1901 huldigden zijn collega's en leerlingen een bronzen huldeplaket in dat een plaats kreeg in de vestibule van het Instituut der Wetenschappen. Een groot portretmedaillon, in 1876 gemaakt door Benoit Wante ter gelegenheid van de huldiging van Pauli en zijn twee co-directeurs van de Academie - de schilder Theodore Canneel en de beeldhouwer Pieter De Vigne - hing in de inkomsthal van het gebouw in de Academiestraat en bevindt zich nu in depot in de Bijlokecampus.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat