terug naar alfabetisch overzicht
Arthur Buysse, 1864-1926

arthur buysse

De gedoodverfde politieke erfgenaam van Julius De Vigne groeide op in een toonaangevende Vlaams-liberale familie. Arthur Buysse was de broer van schrijver Cyriel Buysse en politica Alice Buysse en was ook nauw verwant met onder anderen Cťsar en Paul Fredericq, Rosalie en Virginie Loveling en Julius Mac Leod. Hij was kunstzinnig aangelegd maar zijn vader, Louis Buysse, een liberale schepen en industrieel uit Nevele, stuurde hem naar de Gentse universiteit waar hij in 1887 promoveerde tot doctor in de rechten. Desondanks bleef Arthur zijn leven lang een begenadigd amateur-kunstenaar met een passie voor de schilder- en beeldhouwkunst. Hij schreef zich in aan de Gentse balie, huwde in 1890 met Augusta Beaucarne en vestigde zich in de Hofstraat.

Naar familiale traditie engageerde hij zich in het verenigingsleven en de politiek. Hij gaf lessen strafrecht in het volwassenenonderwijs van het Willemsfonds, was raadsman van de Liberale Werkersverdediging, was actief in de Vlaamse Conferentie van de Balie van Gent en was medestichter van het Liberaal Congres van de Vlaamse Gewesten en diens opvolger het Liberaal Vlaams Verbond. Hij werd in 1893 voorzitter van de Liberale Kring Heilig-Kerst en Meulestede en in 1905 erevoorzitter van de Liberale Kring Rabot. Buysse profileerde zich als een sociaal en emancipatorisch politicus die de gematigde Vlaamse eisen, zoals het taalgebruik in bestuurszaken, heel consequent verdedigde. De meer landelijke gemeenten rond Gent waren zijn natuurlijke kieshabitat en Buysse werd in het eerste decennium van de twintigste eeuw incontournable in het Gentse liberale weefsel. In 1907 richtte hij de Liberale Volksbond op en vier jaar later, in 1911, was hij als uitgesproken antiklerikaal een van de architecten van het Gentse paarse kartel. Buysse zelf volgde in 1909 Julius De Vigne op als Vlaams-liberale volksvertegenwoordiger voor Gent. Hij zetelde in de Kamer tot zijn overlijden in 1926, met een korte onderbreking tussen 1921 en 1924.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vluchtte hij naar Nederland van waaruit hij, samen met zijn broer Cyriel, ging werken voor De Vlaamsche Stem. Vanaf 1915 was hij actief voor Vrij BelgiŽ van Julius Hoste en Frans Van Cauwelaert. Zijn nederlaag tegen zijn politieke rivaal Jozef Vercoullie binnen de Liberale Volksbond, de strijd tegen de vernederlandsing van de Gentse universiteit en zijn radicale veroordeling van elke vorm van activisme brachten zijn Vlaams imago tegen 1918 onherstelbare schade toe. Zijn stugge verdediging van onder meer de Franstalige Gentse universiteit in combinatie met de oprichting van een Nederlandstalige universiteit elders in Vlaanderen (een wetsvoorstel dat hij samen met Albert Mechelynck indiende) kon op weinig begrip rekenen binnen de Vlaamse beweging. In de jaren 1920 was daar voor Buysse dan ook geen rol meer weggelegd. In 1922 werd hij lid van het Gentse liberale partijbureau waarbij hij zijn laatste flamingantische reflexen begroef.

Drie jaar later werd Buysse ziek, trok zich terug op zijn buitengoed in Landegem en overleed in 1926 aan darmkanker. Na een eenvoudige burgerlijke plechtigheid werd hij bijgezet in de familiekelder op de Westerbegraafplaats. Naast hem rust Virginie Loveling en in het perceel ernaast werd in 1932 zijn broer Cyriel begraven.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat