terug naar alfabetisch overzicht
Auguste De Cock, 1804-1869

Begin negentiende eeuw behoorde de familie De Cock tot de exclusieve groep van rijkste Gentenaars. De belangrijkste bron van inkomsten van Emanuel De Cock en zijn broers lag in de internationale handel en de rederij.

In de eerste jaren na de Belgische onafhankelijkheid, waartegen Emanuel als overtuigd orangist actief was opgekomen, nam zoon Auguste samen met zijn broers en met Franciscus Claes het familiebedrijf over. De ruggengraat werd nog steeds gevormd door de rederij De Cock Frères, maar de jongere generatie diversifieerde haar beleggingen en zwermde ook geografisch uit. Broer Théodore maakte in Antwerpen naam als scheepsmakelaar, industrieel en verzekeraar en broer Nicolas bouwde een vergelijkbare loopbaan uit in Rotterdam. De drie broers dreven handel met alle Europese landen van Noorwegen tot Italië en van Engeland tot Rusland en hadden daarnaast ook de nodige contacten in de Caraïben.

De zaken gingen goed en na twintig jaar hard labeur begon Auguste De Cock wat gas terug te nemen. Hij belegde zijn fortuin in tal van naamloze vennootschappen, werd bestuurder van bedrijven, was viceconsul voor Frankrijk, Zweden en Noorwegen in Gent en was gedurende meer dan twintig jaar ondervoorzitter van de Kamer van Koophandel.

Binnen de Liberale Associatie genoot De Cock het volste vertrouwen. Hij was gemeenteraadslid van 1852 tot 1869 en maakte deel uit van de liberale minderheid onder burgemeester Judocus Delehaye. Voor zijn inzet tijdens die periode beloonde Charles de Kerchove hem met een zetel in het schepencollege, waar hij van 1858 tot zijn overlijden in 1869 bevoegd was voor het departement Financiën. Vanaf 1863 cumuleerde hij gedurende zes jaar zijn schepenambt met een zetel in de Senaat waar hij de katholiek Ferdinand d'Hoop opvolgde.

Hij was daarnaast actief in de provincieraad, waarin hij zetelde van 1843 tot 1863, toen hij senator werd. Met de steun van 69 van de 70 provincieraadsleden werd hij in 1844 verkozen tot bestendig afgevaardigde. Bij het voortijdig vertrek van gouverneur Léandre Desmaisières in 1847, stond De Cock 'tijdelijk' aan het hoofd van de provincie en vervulde gedurende meer dan een jaar de functie van gouverneur. Hij verliet de bestendige deputatie in 1850 nadat zijn dochter Louise haar jawoord had gegeven aan provinciegouverneur Edouard De Jaegher, die hem in 1848 uiteindelijk had opgevolgd.

Het feit dat hij dikwijls werd beschouwd als een brugfiguur tussen katholieken en liberalen deed intussen geen afbreuk aan zijn overtuiging. Hij profileerde zich als een antiklerikaal politicus met veel aandacht voor het officieel onderwijs. Zo was hij van bij de stichting van het Van Crombrugghe's Genootschap in 1857 een van de belangrijke financiers van de kring.

Auguste De Cock woonde in een van de stadspaleizen van zijn familie in de Nederkouter en was de buurman van zijn nicht Adèle en haar man Franciscus Claes. Hij bezat er een omvangrijk wooncomplex in U-vorm annex tuin met een fraai Chinees paviljoen aan de Leiekant. Deze riante woning werd rond de eeuwwisseling eigendom van het Instituut van Gent.

In de zomermaanden verhuisde de familie regelmatig naar Lochristi waar vader Emanuel rond 1808 het kasteel Rozelaar - oorspronkelijk een buitenverblijf van de abten van de Sint-Baafsabdij - had gekocht en laten opknappen. In opdracht van Auguste werd het kasteel verder gerestaureerd en door architect Louis Minard in zijn oorspronkelijke staat hersteld. Het domein verwierf vooral bekendheid in de tweede helft van de negentiende eeuw, toen de familie Vuylsteke er in 1857 als hoveniers en pachters de basis legden voor de lokale sierbloementeelt. In 1995 werd het kasteel erkend als monument, het park met zijn dreven en hoeve werd een beschermd dorpsgezicht.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat