terug naar alfabetisch overzicht
Auguste de Maere, 1820-1900

Een hoofdstukje Gentse cultuur zonder vermelding van de zorg voor het onroerend erfgoed is ondenkbaar. De belangstelling voor monumentenzorg en stedenbouw kwam reeds meermaals aan bod, onder meer in de lemma's van Emile Braun, Hippolyte Lippens, Auguste Van Lokeren en Auguste Wagener.

Een van de markantste maar intussen totaal vergeten Gentse pleitbezorgers van de monumentenzorg was Auguste de Maere. Deze zoon van een orangistische katoenfabrikant uit Sint-Niklaas was in 1830 met zijn familie gevlucht naar Nederland. Hij studeerde in Deventer, Amsterdam en Parijs waar hij het diploma van waterbouwkundig ingenieur behaalde. Zijn huwelijk met de gefortuneerde Gentse Isabella Limnander bracht hem in 1850 terug naar BelgiŽ en hij werd op korte tijd een graag geziene gast in Vlaamsgezinde liberale kringen en culturele organisaties.

auguste de maere

Hij was actief in het bestuur van het Willemsfonds, was voorzitter van De Tael is Gansch het Volk en de Société des Choeurs of Koormaatschappij (waar hij ook cello speelde en de Vlaamse muziek poogde te introduceren), vergezelde Ferdinand Vander Haeghen naar de Société pour l'Encouragement des Beaux-Arts de la ville de Gand en ondersteunde de Société Callier. Hij behoorde tot de top van de Liberale Associatie en was een vertrouweling van burgemeester Charles de Kerchove. De verkiezingsnederlaag van Judocus Delehaye in 1857 markeerde het begin van zijn politieke loopbaan. Hij zetelde tot 1872 in de gemeenteraad en was van 1857 tot 1866 schepen van Openbare Werken. Onder zijn bestuur werden onder meer de eerste ringlanen aangelegd, het Dampoortstation in gebruik genomen, de Verbindingsvaart gegraven, het sluizencomplex van Gentbrugge ontworpen en de bouw van het burgerlijk ziekenhuis de Bijloke aangevat.

In 1866 werd hij volksvertegenwoordiger en wierp zich in het parlement op als de voornaamste spreekbuis van de liberale flaminganten. In 1867 stemde hij als enige liberaal voor het wetsvoorstel De Laet dat de rechters wilde verplichten om in Vlaanderen recht te spreken in het Nederlands en op 14 januari 1869 schreef hij geschiedenis door in de Kamer een rapport te presenteren waarin hij aantoonde dat er een rechtstreeks verband bestond tussen de socio-economische problemen in Vlaanderen en de taalproblematiek. Bij de verkiezingen van 1870 gingen de Gentse liberale zetels echter verloren en de Maere zette een punt achter zijn korte maar opvallende parlementaire loopbaan.

In 1872 trok hij zich terug in zijn verblijf in Aartrijke maar bleef zich engageren binnen de brede Vlaamse beweging. Zo was hij tussen 1875 en 1900 meermaals voorzitter van de Nederlandsche Taal- en Letterkundige Congressen, werd hij benoemd tot werkend lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde en werd hij in 1892 de eerste voorzitter van de Vlaamsche Volksraad in Brussel. Zelf een begenadigd amateur-componist was hij een bewonderaar en boezemvriend van Peter Benoit en lag hij mee aan de basis van de oprichting van het Koninklijk Vlaams Conservatorium in Antwerpen in 1898.

In West-Vlaanderen was hij de initiatiefnemer en belangrijkste bezieler van de aanleg van de diepzeehaven in Zeebrugge, die een nieuwe economische bloeiperiode voor de provincie zou inluiden. Zijn inzicht als ingenieur werd ook in het buitenland gesmaakt. De Zwitserse overheid riep zijn expertise in bij hun strijd tegen de overstromingen van de Rhôône en hij adviseerde Ferdinand de Lesseps bij de aanleg van het Panamakanaal.

Deze drukke agenda hield hem echter niet helemaal weg uit Gent. Nog meer dan tevoren werd hij een belangrijke spil in het culturele leven van de stad. Een van zijn belangrijkste verwezenlijkingen in de stadskuip was de redding van het Gravensteen. De restauratie van dit historische slot was in de jaren 1870 op de agenda van het stadsbestuur gezet maar was ondanks de inzet van zwaargewichten zoals Auguste Wagener, Ferdinand Vander Haeghen, Julius Vuylsteke, Victor Deneffe, Frans De Potter en Paul Voituron in het slop geraakt. In 1887 kwam de Maere, die reeds enige tijd lid was van de Stedelijke Commissie voor Monumenten en Stadsgezichten in actie. Op 18 februari 1887 richtte hij het Comité du Château des Comtes op waarin een dozijn van de belangrijkste liberalen en katholieken uit de stad onder zijn voorzitterschap de kwestie uiteindelijk regelden. Op 23 maart werd het desbetreffende ministeriŽle besluit getekend en in 1894 begon de echte restauratie. Dit succes zette hem aan het dromen over een organisatie die de restauratie van de hele historische stadskuip zou kunnen ondersteunen. Hij richtte daartoe in 1893 de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent op die hij tot zijn dood zou leiden en die vanaf dan een doorslaggevende rol zou gaan spelen in de restauratiepolitiek van de stad.

Auguste de Maere overleed in oktober 1900 in zijn kasteel in Aartrijke op de gezegende leeftijd van tachtig jaar, na een onwaarschijnlijk rijk gevuld leven.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat