terug naar alfabetisch overzicht
Auguste Wagener, 1829-1896

Met Auguste Wagener benoemde het Gentse stadsbestuur een waardige opvolger voor de te vroeg overleden Gustave Callier. Wagener groeide op in de Nederlands-Belgische grensgemeente Roermond, studeerde filologie en wijsbegeerte aan de universiteiten van Bonn en Luik en volgde aanvullende studies aan de Sorbonne en het Collège de France in Parijs. Hij vestigde zich in Gent waar hij een indrukwekkende academische loopbaan opbouwde. Van zijn vader had hij niet enkel de liefde voor de taal geŽrfd, maar ook een hevig antiklerikalisme. Zijn aanstelling tot docent moraalfilosofie in 1850 leidde binnen het jaar tot een zware botsing met de Gentse bisschop Joseph Delebecque, die hem in een herderlijke brief in 1852 beschuldigde van ketterij. Met de steun van de liberale minister Charles Rogier kon Wagener echter standhouden en kwam zijn aanstelling tot buitengewoon (1858) en later tot gewoon (1862) hoogleraar aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte niet in het gedrang.

Auguste Wagener

In 1863 schoof Charles de Kerchove hem naar voren als gemeenteraadslid ter vervanging van de overleden Callier. Hij werd verkozen en werd in december 1863 schepen van Onderwijs en van Schone Kunsten. Tijdens zijn veertien jaar durend bestuur kende het stedelijk onderwijs een fenomenale groei. Het leerlingenaantal steeg van tienduizend naar achttienduizend en de onderwijsbegroting verdrievoudigde, waardoor het werkterrein kon worden uitgebreid. Zo nam de stad onder meer het onderwijs in de weeshuizen over, werden "ouvroirs" of naaiateliers ingericht aan de meisjesscholen, leverde de normaalschool voor meisjes haar eerste gediplomeerde leraressen af, werd het volwassenenonderwijs kosteloos, werd het medisch schooltoezicht opgericht en gingen vakken als gymnastiek, tekenen en zang deel uitmaken van het curriculum.

In diezelfde periode namen ook de private initiatieven een hoge vlucht. Financieringsgenootschappen zoals de Société Callier en de Société l'Avenir werden opgericht, de eerste Laurentkringen gingen van start en Euphrosine Spanoghe schonk haar fortuin aan de stad voor de bouw van een jongensschool.

Zijn parlementaire werkzaamheden - hij was volksvertegenwoordiger van 1882 tot 1886 - sloten naadloos aan op zijn werk als schepen want ook in Brussel engageerde hij zich in de strijd voor een emanciperend volksonderwijs. Thema's die hij reeds sinds de jaren 1860 had verdedigd, zoals een wet op de kinderarbeid en de nood aan onderwijs in de volkstaal zette hij er opnieuw op de agenda. Zijn belangrijkste verwezenlijking was ongetwijfeld het ministerieel besluit dat Pierre Van Humbeeck op zijn aandringen in 1884 uitvaardigde en dat de oprichting van een reeks Nederlandstalige leergangen aan de Gentse Faculteit der Letteren mogelijk maakte. Door deze maatregel konden Nederlandskundige leerkrachten voor het middelbaar onderwijs opgeleid worden. Dit werd door Paul Fredericq omschreven als de "eerste belangrijke bres in het verfranscht onderwijsstelsel der Gentsche Hoogeschool" [Schets eener geschiedenis der Vlaamsche Beweging, deel 3, p.150-151].

Als schepen voor Schone Kunsten stond hij onder meer in voor de restauratie van het stadhuis en van de Lakenhalle, de bescherming van de ruÔnes van de Sint-Baafsabdij en van het gildehuis van de huidenvetters op de Vrijdagmarkt. Het hoogtepunt van zijn loopbaan als cultuurschepen was ontegensprekelijk de organisatie van de Pacificatiefeesten van 1876 waarvan hij, samen met Paul Fredericq, de onmisbare spil was. Ook buiten zijn mandaat als schepen was hij begaan met cultuur en monumentenzorg. Hij was tot op hoge leeftijd actief in het bestuur van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, het Oudheidkundig Museum, de Stedelijke Commissie voor de bewaring van praal-, gedenk- en kunststukken en het Gravensteencomité van Auguste de Maere. Daarnaast was hij actief in verenigingen als het Willemsgenootschap, de Cercle Artistique et Littéraire en de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde.

In 1877 werd hij beheerder of administrateur van de universiteit en directeur van de Bijzondere Scholen en de Normaalschool voor Wetenschappen. Door deze benoeming moest hij ontslag nemen als schepen. In die nieuwe functie zette hij zich vooral in voor de modernisering van het universitair onderwijs, wat het mooist geÔllustreerd werd door de bouw van het majestueuze Instituut der Wetenschappen aan de Jozef Plateaustraat, naar een ontwerp van stadsarchitect Adolphe Pauli. In 1882 ging hij officieel met emeritaat maar hij bleef actief aan de universiteit tot 1895. Bij zijn afscheid werd hij uitgebreid gehuldigd door de academische overheid en door de Société générale des Etudiants Libéraux.

Auguste Wagener overleed in 1896 en werd, hoewel protestant, begraven na een dienst in de Sint-Annakerk. Hij vond een laatste rustplaats op de Westerbegraafplaats en werd vrij snel vergeten door zijn stadsgenoten. De in 1891 naar hem genoemde stedelijke meisjesschool in de Gildestraat huisvest momenteel een afdeling van de Vrije Handelsschool Sint-Joris en verwijst op geen enkele wijze nog naar deze voor Gent toch belangrijke onderwijsschepen.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat