terug naar alfabetisch overzicht
Cesar Fredericq, 1817-1887

Tal van artsen, die dagelijks geconfronteerd werden met de gevolgen van de armoede, namen eveneens een sociaal engagement op. Sommigen onder hen, zoals Joseph Guislain, verwezenlijkten grootse projecten en zijn nog bekend. Anderen, zoals Cesar Fredericq, werkten kleinschaliger, zetten zich een leven lang in als armendokter en zijn totaal vergeten.

Cesar Fredericq

Cesar Fredericq groeide als zoon van Jacques Fredericq en Marie Comparé op in het landelijke Nevele en was rechtstreeks verwant met Arthur, Cyriel en Alice Buysse, Julius Mac Leod, Rosalie en Virginie Loveling. Hij verloor zijn vader toen hij 7 jaar oud was, en zijn stiefvader Herman Loveling had weinig sympathie voor de kinderen Fredericq. De oudsten werden van school gehaald en Cesar ging als leerjongen aan de slag bij een timmerman. Samen met zijn oudere broer Louis Auguste eiste hij echter het erfdeel van zijn vader op en met zijn tweeŽn gingen ze opnieuw studeren. Via zelfstudie verwierven ze een basiskennis Latijn en schreven zich in aan de Gentse universiteit. Als kandidatuurstudent filosofie raakte Cesar gefascineerd door de Franse professor FranÁois Huet en hoewel hij vanaf 1840 geneeskunde studeerde, verbrak hij nooit het contact. Hij werd in 1846 doctor in de geneeskunde en de heelkunde en huwde drie jaar later met Huets zus Batilde. Samen brachten ze zes kinderen groot onder wie Paul Fredericq.

In 1846, het jaar dat hij afstudeerde, was Cesar Fredericq een van de medestichters van de Sociťtť Huet, een progressieve sociaal-liberale studiegroep met een sterk antiklerikaal profiel maar met respect voor een moderne godsdienstbeleving. Hij was ook actief in de pers en schreef tal van artikelen voor Broedermin en Taelyver en later de Stad Gent. Hij verdedigde een verregaande democratisering van het politieke leven - inclusief algemeen stemrecht - en een gelijkekansenbeleid avant la lettre, dat hij wou realiseren via gratis en verplicht volksonderwijs en via de inwilliging van de Vlaamse taaleisen. Op economisch vlak pleitte hij voor de invoering van een progressieve inkomsten- en kapitaalbelasting en voor de oprichting van industriŽle coöperatieven. Diezelfde ideeŽn droeg hij uit in onder meer het Vlaemsch Gezelschap en in het Willemsfonds, waar hij zich vooral inzette voor de bibliotheek. Ook als liberaal gemeenteraadslid, van 1861 tot 1883, focuste hij in hoofdzaak op de sociale kwesties en was hij een steunpilaar van de gematigde Vlaamsgezinden.

Dit ideeëngoed kreeg een consequent verlengstuk in zijn beroepsleven. Fredericq vestigde zich als huisarts in de arbeiderswijk Heilig Kerst waar hij gedurende veertig jaar gratis consult gaf en onvermoeibaar streed tegen ziekten als cholera en tyfus. Het onderhoud van zijn gezin en familie (onder meer zijn moeder en zijn halfzussen Rosalie en Virginie Loveling woonden enige tijd bij hem in) verzekerde hij via zijn werk in het burgerlijk hospitaal de Bijloke en in het stedelijk meisjesweeshuis en via een reeks succesvolle publicaties over gezondheid, EHBO en publieke hygiŽne als wapen tegen de epidemieën van die tijd.

Hij overleed in de winter van 1887 en werd begraven in een kleine - en intussen totaal vervallen - familiekelder op de Westerbegraafplaats, waar later ook zijn zoon Paul een laatste rustplaats zou vinden.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat