terug naar alfabetisch overzicht
Charles Manilius, 1778-1852

Als enige zoon van een Gentse tabaksfabrikant werd de jonge Charles Manilius officier in het leger van Napoleon. Hij woonde in 1804 als kapitein van de nationale garde diens keizerskroning bij en werd daarna een hoge ambtenaar in het Scheldedepartement. In 1809 werd hij belast met het toezicht op de hospitalen en in 1813 kwam daar het inspectoraat van de Gentse gevangenis bij. Als opkoper van kerkelijke goederen legde hij intussen de basis van zijn aanzienlijk fortuin. Hij kocht in en rond Gent bijna 300 hectare grond op, waaronder een deel van het oude complex van de jezu´eten in de Voldersstraat. Hij werd hierdoor niet enkel eigenaar van een van de bekendste Gentse meetingzalen, de Sodaliteit, maar ook van de gronden waarop later de Aula van de universiteit zou worden gebouwd.

In 1815 schaarde hij zich net op tijd onder de Hollandse banier om ook onder Willem I een leidinggevende rol te gaan spelen. Hij werd divisiehoofd onder Charles d'Hane Steenhuyse en provinciaal commissaris belast met het toezicht op de aanleg van het kanaal Gent-Terneuzen. Hij was al die jaren ook actief in de perswereld. Hij schreef artikels voor de Gazette van Gent onder het Franse bewind en werd na de regimewissel van 1815 directeur van de Journal de Gand, een door Willem I gesteunde liberale krant. Via zijn huwelijk met Virginie Van den Berghe, een dochter van de Gentse hoofdontvanger en zus van een succesrijk suikerraffineerder, werd hij ge´ntroduceerd in de Socié té La Concorde, de oranjegezinde burgerclub bij uitstek.

De Belgische onafhankelijkheid van 1830 beschouwde Manilius dan ook als een blunder van formaat. Hij weigerde om het Voorlopig Bewind te erkennen en werd prompt uit zijn ambt als districtscommissaris gezet. Zijn fortuin was echter al gemaakt en hij besloot zich voltijds aan de politiek te wijden. Hij financierde het orangistische dagblad Messager de Gand en leidde als luitenant van Hippolyte Metdepenningen de succesvolle campagne van de Socié té des Amis de l'Ordre et du Repos public bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1830. Hij raakte in 1831 echter betrokken bij de poging tot staatsgreep van kolonel Grégoire en vluchtte naar Rijsel waar hij tot 1836 in ballingschap leefde.

Hij keerde terug naar Gent voor de gemeenteraadsverkiezingen, werd verkozen en ontpopte zich tot een van de twee schaduwburgemeesters. De gematigde burgemeesters Joseph Van Crombrugghe en Jean-Baptiste Minne-Barth (die een neef was van Manilius) bestuurden de stad immers in de schaduw van Metdepenningen die de politieke tribune domineerde en van Manilius die de stadsdiensten controleerde. In 1842 werd hij herkozen en meer nog dan Metdepenningen bleef hij in de jaren 1840 een trouwe orangist. In 1843 bezocht Leopold I samen met de Britse koningin Victoria Gent en tijdens het avondfeest ontving de koning hem in de ereloge, een opvallend gebaar van verzoening maar nog onvoldoende voor Manilius. In tegenstelling tot Metdepenningen maakte hij ook nooit de overstap naar de Liberale Associatie van Hippolyte Rolin. Hij verdween in 1848 uit de politiek maar bleef via de pers fulmineren tegen de Belgische staat. Hij vond echter nergens nog gehoor en stierf vier jaar later als een verbitterd en teleurgesteld man.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat