terug naar alfabetisch overzicht
Pol De Schamphelaere, 1839-1904 en Edmond De Schamphelaere, 1864-1926

Met de firma De Schamphelaere had Gent ook een toonaangevende vertegenwoordiger uit de rubberindustrie. Als zoon van een pianobouwer uit de Onderstraat die halfweg de negentiende eeuw was overgeschakeld op de verwerking van guttapercha, een harde variant van natuurrubber uit Indonesië en Maleisië, bouwde Pol De Schamphelaere een mooi familiebedrijf op. In de fabriek aan de Schelde in de Bassijnwijk in Gentbrugge vulde hij de guttaperchaverwerking aan met productielijnen voor de verwerking van rubber of caoutchouc en van amiant, een fijne asbestsoort. Hij werd een succesvol zakenman.

Van kleine winkeltjes - in de Serpentstraat en in Hotel Hemelrijk op de hoek van de Donkersteeg en het Goudenleeuwplein - verhuisde zijn verkoopzaal naar een prestigieus pand in de Veldstraat. De Schamphelaere bood er een ongelooflijk breed gamma van producten aan, maar bleef in het Gentse volksgeheugen vooral hangen wegens de verkoop - al dan niet onder de toonbank - van 'Schamphelaerkes' of de eerste generatie condooms en - als we Karel Waeri in zijn lied De nieuwe Spuitmachien uit de beruchte Vetjes mogen geloven - ook andere seksuele hulpstukken.

Tegen het einde van de negentiende eeuw stelde hij een zestigtal arbeiders te werk en in 1892 werd langs de Schelde aan de Stropkaai, met een belangrijke financiŽle inbreng van de familie Verbessem, een tweede fabriek opgetrokken. In 1898 werd deze omgedoopt tot de Colonial Rubber en eenmaal de nv volledig was uitgebouwd, werd de fabriek in Gentbrugge gesloten (1902). Zijn oudste zoon Edmond (1864-1926) werd afgevaardigd bestuurder op de Stropkaai en zijn jongere zoon Oswald nam de winkelactiviteiten op zich. Onder Edmond en diens zoon specialiseerde de fabriek zich in latere jaren vooral in de productie van auto- en fietsbanden onder de toepasselijke maar misschien toch iets te triomfantelijke productnaam 'Neverflat'.

Pol De Schamphelaere was ook buiten zijn fabriek een actief man. Zijn enige opleiding had hij genoten aan een stedelijke lagere school, waarna hij een naschoolse opleiding genoot in het Willemsfonds en in het Van Crombrugghe's Genootschap. In 1879 volgde hij Paul Fredericq op als secretaris van de Gentse Willemsfondsafdeling maar hij was vooral actief in het Van Crombrugghe's Genootschap, van waaruit hij in 1865 de Gentsche Volksbank stichtte. In 1895 werd hij voorzitter van Van Crombrugghe's en bleef dit tot zijn overlijden in 1904. Hij werd opgevolgd door Jozef Vercoullie.

Ook verenigingen zoals de Société Callier, de Société l'Avenir, de Zonder Naam niet Zonder Hart en het Werk der Goede Lucht mochten op zijn steun rekenen. Opvallend hierbij is dat hij vooral initiatieven in de vormings- en onderwijssector steunde, misschien een compensatie voor de kansen die hij zelf had gemist.

Op partijpolitiek vlak speelde hij een beperkte rol. Hij was liberaal gemeenteraadslid van 1896 tot 1903 en was een van de financiers van de SA de la Presse Libérale Gantoise, de uitgever van La Flandre Libérale.

Zijn twee zonen volgden in zijn voetsporen. Edmond, die ook voorzitter was van de Gentse Rode Kruisafdeling, was actief in de loge La Liberté en was een van de eerste financiers van het in 1903 opgerichte Julius Vuylstekefonds.

De De Schamphelaeres werden begraven op de Westerbegraafplaats. Het graf van Pol werd intussen verwijderd, maar de grafkelders van Edmond en van Oswald zijn nog steeds te bezichtigen. Over de familiekelder van Edmond waakt een imposant bronzen vrouwenbeeld van de hand van Hippolyte Leroy. Het monument werd in het voorbije decennium helaas beschadigd. Zijn portretmedaillon werd nog gered maar onder meer de vrijmetselaarssymbolen in bas-reliëf en enkele decoratieve stukken zijn spoorloos.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat