terug naar alfabetisch overzicht
Edouard Jaequemyns, 1806-1874

Edouard Jaequemyns was de zoon van een chirurgijn annex landbouwkundige en behaalde in 1826 zijn diploma van doctor in de geneeskunde en in 1829 dat van apotheker, beide aan de universiteit van Luik. Hij vervolmaakte zich via een cursus scheikunde te Berlijn en sloot zijn studies af met een bijkomend doctoraat in de wis- en natuurkunde aan zijn alma mater.

In 1830 bevond de Gentse universiteit zich in een moeilijk parket. Van het Voorlopig Bewind mocht de faculteit Wetenschappen ondanks de dringende vraag vanuit het professorenkorps immers niet opnieuw van start gaan. Samen met de professoren Morren en Mareska weigerde Jaequemyns zich daarbij neer te leggen en zij stichtten, met de stilzwijgende goedkeuring en steun van het rectoraat, de zogenaamde Vrije Faculteit waar zij tot 1835 in de semi-illegaliteit (vanaf 1831 erkende de regering wel de examencommissie) de wetenschapsvakken doceerden. Bij de regularisatie van de toestand in 1835 benoemde de regering Jaequemyns echter niet tot hoogleraar, wat ongetwijfeld te maken had met zijn sterke orangistische sympathieŽn. Het stadsbestuur van Joseph Van Crombrugghe beschouwde dit veeleer als een pluspunt en benoemde hem tot docent aan het atheneum en aan de Nijverheidsschool, waarvan hij tot 1874 ook bestuurder was.

Jaequemyns maakte eveneens deel uit van de Gentse industriŽle elite. Hij was in 1839 gehuwd met Marie Van Zantvoorde, een van de erfgenamen van het Voortman-imperium, en was in opvolging van zijn schoonvader bestuurder in onder meer de twee grote vlasbedrijven van die tijd, de Société La Lys en de Société Linière. Het wekt dan ook geen verwondering dat hij van 1848 tot 1866 onafgebroken in het bestuur van de Gentse Kamer van Koophandel zetelde. Via deze kennissenkring kwam hij ook in de politiek terecht. Hij werd verkozen tot bestuurslid van de Liberale Associatie en zetelde van 1845 tot 1854 - tijdelijk verslagen door de groep rond Judocus Delehaye - en van 1856 tot 1857 in de gemeenteraad, waar hij zich aansloot bij de radicalen rond Metdepenningen en Manilius. Hij vertegenwoordigde Gent van 1848 tot 1854 ook in de Oost-Vlaamse provincieraad en was van 1857 tot 1870 volksvertegenwoordiger. Een poging om in 1870 tot senator verkozen te worden, mislukte. Kort daarna nam zijn schoonzoon, Gustave Rolin-Jaequemyns, echter de fakkel over en werd een van de toonaangevende Gentse liberalen in het laatste kwart van de negentiende eeuw.

Zijn belangstelling als academicus, docent en politicus focuste op het landbouwbeleid. Hij promootte de oprichting van de opleiding land- en tuinbouw aan de nijverheidsscholen en was in 1860 stichtend voorzitter van de landbouwhogeschool in Gembloux bij Waver. De regering benoemde hem meermaals tot haar officiŽle vertegenwoordiger op buitenlandse landbouwconferenties en de bestendige deputatie plaatste hem van 1864 tot 1874 aan het hoofd van de Provinciale Landbouwcommissie van Oost-Vlaanderen.

Een internationale reputatie verwierf hij echter vooral door zijn privaat onderzoek. In 1846 kocht hij dertienhonderd hectare grond in Minderhout in de Antwerpse Kempen. Hij richtte er een modern landbouwbedrijf op en verrichtte baanbrekend werk in zijn zoektocht naar bodemverbeteraars en alternatieve bemestingsmethodes voor schrale zandgronden. Jaequemyns stierf in 1874 op zijn modelbedrijf in de Kempen na een korte ziekte.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat