terug naar alfabetisch overzicht
Felix Cambier, 1854-1934

Vader Eugène Cambier was afkomstig uit Ronse maar had zich na zijn huwelijk met Mathilde Minne, een dochter van oud-burgemeester Jean-Baptiste Minne-Barth, in Gent gevestigd. Hij werd bestuurslid van de Liberale Associatie en was voorzitter van de liberale kruisboogschuttersvereniging Willem Tell. Zoon Felix studeerde voor ingenieur aan de Gentse universiteit en engageerde zich in het liberale en vrijzinnige verenigingsleven. Als medestichter van de Société l'Avenir in 1875 (en voorzitter vanaf 1885) profileerde hij zich reeds op jonge leeftijd als een voorvechter van het stedelijk onderwijs. In 1881 veroverde hij een zetel in de gemeenteraad en maakte er direct naam door samen met Joseph Kerfyser nog in extremis het plan Zollikofer-De Vigne van Hippolyte Lippens onderuit te willen halen. Dit mislukte maar het wantrouwen van de liberale fractie was gewekt.

Cambier bewees in de daaropvolgende jaren een rebels element in de liberale rangen te zijn. Halfweg de jaren 1880 koos hij onomwonden voor de progressisten. Hij werd uitgever en hoofdredacteur van de progressief liberale krant bij uitstek, de Journal de Gand, en in september 1890 voerde hij samen met Constant Heynderickx en Edouard Anseele het woord op het Congres voor het Algemeen Stemrecht in Brussel. Voor de conservatieve liberalen was de maat vol en de leden van de Progressistenkring werden van de kandidatenlijst van 1890 geschrapt. Cambier verloor zijn zetel in de gemeenteraad maar bleef politiek actief. Hij was sinds de stichting in 1886 voorzitter van de vrijdenkerskring La Libre Pensée Gantoise en had ook in de vrijmetselaarsloge La Liberté voldoende gelijkgezinden gevonden om zijn visie te blijven propageren.

In 1895 werd hij verkozen als onafhankelijke radicalist op de socialistische lijst voor de gemeenteraad en in 1900 tot volksvertegenwoordiger. De val van het college van Emile Braun over de schoolsoep begin 1909 bracht voor het eerst socialisten en katholieken in het Gentse schepencollege. De onafhankelijke Cambier kreeg als brugfiguur tussen liberalen en socialisten ook een zetel aangeboden. Hij nam ontslag als volksvertegenwoordiger en kreeg het belangrijke departement Onderwijs toegewezen.

Cambier mikte op een grote heropleving van het stadsonderwijs. In de vijf jaar van zijn mandaat richtte hij aan de lopende band nieuwe schoolgebouwen op - desnoods in houten paviljoenen - waaronder achttien voor de opvang van kleuters en vijf voor het lager onderwijs. Deze operatie wierp vruchten af: op enkele jaren tijd stabiliseerde het leerlingenaantal in het lager onderwijs en was er zelfs sprake van een relatieve winst. Er kwam een kosteloze stedelijke normaalschool voor meisjes in de Casinostraat (nu Wispelbergstraat), het systeem van een vierde graad werd uitgebreid naar alle lagere hoofdscholen, de schoolrefters deden zij aan zij met het Werk van het Schooleetmaal hun intrede en in de Gentse schoolkolonies in Bredene werden in 1913 twee klaslokalen ingericht. Helemaal in de toenmalige tijdgeest organiseerde het stadsonderwijs ook drie grote optochten met als ultiem doel het propageren van het officieel onderwijs. Prachtig verklede kinderen doorkruisten in 1910 (het Bomenfeest), 1911 (de uitreiking van de banieren) en 1913 (de landenstoet ter ere van de Wereldtentoonstelling) de stad. Deze stoeten brachten telkens een massa volk op de been.

Op 5 januari 1914 gaf Cambier om onduidelijke redenen zijn schepenzetel op. Zijn bevoegdheden werden verdeeld tussen Constant Heynderickx en Camille De Bruyne, en na de oorlog trok Cambier zich volledig terug uit de politiek. Aan zijn overlijden in 1934 schonken liberalen noch socialisten veel aandacht hoewel Vooruit hem in een korte necrologie typeerde als "de grootste figuur die de liberale bourgeoisie aan de Gentsche BWP schonk". Cambier werd bijgezet in de grote familiekelder op de Westerbegraafplaats.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat