terug naar alfabetisch overzicht
François Donny jr., 1822-1896

kasteeltje aan St-Pietersnieuwstraat

De selfmade chemicus François Donny was afkomstig uit Oostende waar zijn vader in de Hollandse periode gemeentesecretaris was. Donny sr. - van 1832 tot 1848 lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers - stelde niet veel vertrouwen in het onderwijssysteem van het jonge BelgiŽ en besloot zijn zoon zelf te onderwijzen. Hij gaf hem vooral een gezonde dosis nieuwsgierigheid mee en voedde zijn belangstelling voor scheikunde. Op 17-jarige leeftijd kwam junior op de Gentse universiteit terecht waar hij zich, bij gebrek aan een diploma, als vrij student inschreef voor de cursussen chemie en fysica. Zijn enthousiasme en inzicht vielen op en hoewel Donny er nooit in slaagde een diploma te behalen, kon hij professoren met een uitstekende reputatie zoals Daniël Mareska, Adolphe Quetelet en Joseph Plateau onder zijn bewonderaars rekenen.

Hij ging aan de slag als preparator of assistent onder Mareska en verwierf faam met zijn experimenten. Tijdens de hongersnood van 1845 ontdekte hij een methode om vervalst tarwemeel te identificeren en in 1846 publiceerde hij een baanbrekende studie over oppervlaktespanning en de cohesie van vloeistoffen. In de jaren 1840 legde hij zich ook toe op fotografie en werd één van de eerste Gentse fotografen. Hij introduceerde tal van technische verbeteringen in de fotografie en was van 1874 tot 1880 voorzitter van de Gentse afdeling van de Association Belge de Photographie.

In 1858 overleed Mareska en Donny werd zijn opvolger. Gezien zijn totaal gebrek aan wettelijke kwalificaties werd hij buitengewoon hoogleraar op de speciaal voor hem opgerichte leerstoel Toegepaste Chemie. In 1865 werd hij toch gewoon hoogleraar en een jaar later volgde, met een benoeming tot effectief lid van de Koninklijke Academie van België, een definitieve erkenning van zijn wetenschappelijk onderzoek. Dit moeilijke en lange pad vergat hij nooit, wat hij onder meer hard maakte door decennialang een jaarlijkse bijdrage te storten in de kas van de Société Callier. Was het de onzekerheid van zijn academische loopbaan of gewoon zijn zin voor experiment en zijn nieuwsgierigheid, maar Donny startte in 1855 een parallel beroepsleven op de hellingen van de Blandijnberg aan de Schelde. Hij kocht het kasteel EmmaŁs dat de familie Van Waesberghe er ooit als buitenverblijf of maison de plaisance had gebouwd en transformeerde het complex in een laboratorium met stoommachine waar hij in een eerste fase scheikundige producten aanmaakte. In de loop der jaren evolueerde hij tot een bier- en frisdrankenfabrikant waarbij hij gebruik maakte van het zuivere grondwater uit de Blandijnberg en van ijs dat hij per schip uit ScandinaviŽ liet aanvoeren. Om dit ijs (dat hij ook los verkocht aan herbergiers uit de stad) te kunnen bewaren, liet hij twee gigantische ijskelders van elk meer dan tweeduizend kubieke meter aanleggen onder de gronden tussen het kasteeltje en de Sint-Pietersnieuwstraat. Het bedrijf werd van vader op zoon doorgegeven maar ging in 1961 als slachtoffer van de grootproducenten toch over kop. Ondanks een erkenning als beschermd monument in 1964 sloeg het verval toe en werd het complex uit veiligheidsoverwegingen afgesloten. In 1999 werd een herwaarderingsplan goedgekeurd en sinds enkele jaren is de gerenoveerde site, inclusief de kelders, opnieuw in gebruik.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat