terug naar alfabetisch overzicht
Franciscus Claes-De Cock, 1791-1845

Franciscus Claes was afkomstig uit het bosrijke Lembeke, waar zijn familie via grondbezit en nijverheid fortuin had gemaakt. Franciscus vestigde zich in Gent en huwde er in 1816 met Adèle De Cock, een nicht van Auguste De Cock. Aan de Kantienberg bouwde hij een fabriekscomplex waarin zowel een katoenspinnerij en -weverij als een chemisch bedrijf onderdak vonden. Hij fabriceerde er bijtende stoffen zoals vitriool of zwavelzuur en het conserveringsmiddel formaline, en kreeg in 1822 een koninklijk octrooi voor een nieuw productieproces voor bleekwater. Hierdoor werd Claes een centrale toeleverancier van zowel de textiel- als de papiersector.

In de daaropvolgende jaren werd hij een van de belangrijkste Gentse industriŽlen. Hij was een van de stichters van de Société industrielle de Gand in 1829, werd in 1830 door het Voorlopig Bewind benoemd tot lid van de Centrale Commissie voor Landbouw, Industrie en Handel en werd in 1834 voorzitter van de Société pour l'Industrie du Coton à Gand. Daarnaast was hij bestuurder van de vlasspinnerij La Lys, commissaris van de Banque de Flandre en lid van de Kamer van Koophandel.

Claes was ook politiek actief. Als overtuigd orangist sloot hij zich in 1830 aan bij de Société des Amis de l'Ordre et du Repos Public van Hippolyte Metdepenningen en was 15 jaar lang Gents gemeenteraadslid. Zijn fortuin stelde hem eveneens in staat om verkozen te worden in de Senaat, waar hij zetelde van 1843 tot zijn overlijden in 1845.

Net zoals bij Charles Antheunis of Jean-Baptiste Voortman werd zijn pro-Hollandse houding hem niet steeds in dank afgenomen, getuige hiervan een rel uit januari 1831 waarbij arbeiders zijn koets en huis met stenen bekogelden en het leger moest worden ingezet om Claes te ontzetten.

Deze feiten speelden zich af in de Nederkouter, waar Claes in 1823 zijn intrek had genomen in een prachtig stadspaleis. Vorige eigenaars hadden doorheen de jaren meerdere panden, waarvan de fundamenten teruggingen tot de dertiende eeuw, samengevoegd tot een ruime en rijk versierde woning.

Claes liet de bekende stadsarchitect Louis Roelandt er in 1827 de finishing touch aan geven, waardoor het huidige gebouw met zijn empiregevel ontstond. De enige betekenisvolle wijziging sindsdien, was de aanbouw van een loggia op de eerste verdieping in 1900.

Oogstte het interieur met onder meer plafondschilderingen van Pieter-Norbert Van Reysschoot veel lof, dan ging de meeste aandacht toch naar de prachtige lusttuin van duizend vierkante meter tussen de woning en de kruising van Leie en Coupure. Het gebouw, dat sinds eind jaren 1960 niet langer werd onderhouden, werd in de jaren 1980 en begin 1990 gerenoveerd en bestaat momenteel uit een combinatie van woon- en bureeleenheden.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat