terug naar alfabetisch overzicht
Gustave Carels, 1842-1911

Naast de textielindustrie kent Gent ook een lange traditie van metaalverwerkende nijverheid, en de machinebouwers van de familie Carels nemen daar een prominente plaats in. Stamvader Charles-Louis Carels richtte in 1838 aan de Tichelrei een eerste werkplaats op, verhuisde een jaar later naar het Meerhem waar meer expansieruimte was en gaf de fabriek in 1862 een definitieve stek aan het Dok-Noord. In 1873 nam zijn zoon Gustave de leiding van het familiebedrijf over.

De firma Carels specialiseerde zich al gauw in de bouw van stoommachines en spoorweglocomotieven, werd binnen deze branche een van de belangrijkste spelers op de markt en verwierf een internationale reputatie. In 1880 werd er de allereerste compoundstoommachine (een stoommachine met een gekoppelde hoge- en lagedrukcilinder) op het vasteland gebouwd en in 1894 slaagde Gustave erin om als eerste buiten Duitsland een patent te verwerven voor de bouw van de pas uitgevonden dieselmotor. In 1902 verliet de eerste industriŽle dieselmotor de hallen aan de Dok Noord en de Sassevaartstraat en in 1905 werd een motor van 500 pk voorgesteld, toen de krachtigste die ooit werd gebouwd. De orders stroomden binnen en Carels exporteerde naar de hele wereld. Met de ontwikkeling van een eigen scheepsdiesel die in 1910 in licentie werd gegeven aan de grote Franse, Engelse en Duitse machinebouwers sloot Gustave zijn indrukwekkende loopbaan af.

Gustave Carels

Zijn succes dankte hij voor een belangrijk deel aan zijn visie op personeelsbeleid. Zo hechtte hij onder meer veel belang aan permanente vorming en stimuleerde hij met de nodige voordelen zowel zijn ingenieurs en ontwerpers als zijn arbeiders tot bijscholing, een typische win-winsituatie. Sociale conflicten werden hierdoor uiteraard niet helemaal gebannen - een door hem bevolen lock-out leidde in 1895 bijvoorbeeld tot een zware en langdurige staking - maar bleven beperkt.

Het belang dat hij hechtte aan vorming vertaalde zich ook in milde giften aan de Liberale Schoolpenning maar vooral in de financiering van de Carelsschool aan de Martelaarslaan die hij in 1899 samen met Adolphe Dubois oprichtte. Deze beroepsschool leidde metaalbewerkers op - opnieuw een win-winsituatie voor Carels - en volgde hiermee het voorbeeld van de in 1887 gestichte Nicaiseschool voor het bouwbedrijf. Beide scholen smolten in 1909 samen. De school werd in 1921 aangevuld met de School Remi De Ridder voor boekbinders en werd in het interbellum de vakschool Carels-Nicaise-De Ridder. Gefinancierd door giften en subsidies van de stad telde de school eind jaren 1930 meer dan duizend leerlingen in dag- en avondonderwijs, waarvan bijna zeshonderd voor de afdeling Carels. In 1993 werden de scholen om financiŽle redenen geÔntegreerd in het Gemeentelijk Instituut voor Technisch Onderwijs.

Veel tijd naast zijn beroepsleven - hij was ook bestuurder in tal van andere bedrijven - restte hem waarschijnlijk niet. Als gefortuneerde liberaal was hij aandeelhouder in projecten zoals Eigendom door Spaarzaamheid en het Institut Moderne en was hij medefinancier van La Flandre Libťrale, maar voor rechtstreekse partijpolitieke activiteiten paste hij. Enkel in 1900 was hij uitzonderlijk kandidaat bij de parlementsverkiezingen maar werd niet verkozen.

Een van zijn belangwekkendste verwezenlijkingen was ongetwijfeld de organisatie van de Gentse Wereldtentoonstelling van 1913. Carels was de belangrijkste initiatiefnemer van dit evenement en werd samen met de katholieke politicus Cooreman voorzitter van de inrichtende naamloze vennootschap.

Hoewel Gustave Carels bekend stond als een fervent antiklerikaal, werd hij na zijn plotse overlijden in 1911, toch kerkelijk begraven. Opmerkelijk is trouwens de wijze waarop alle strekkingen in zijn gezin vertegenwoordigd waren: zelf een overtuigd liberaal, was hij gehuwd met de halfzus van het socialistische icoon Emiel Moyson en legde zijn enige dochter Henriette de geloften af als kloosterzuster.

Hij vond een laatste rustplaats op de Westerbegraafplaats waar hij in 1883 een eerste concessie van drie had gekocht. Zijn ouders (die hij liet overbrengen van de begraafplaats aan de Dampoort), kinderen, schoonkinderen en kleinkinderen rusten er onder drie gelijkaardige sarcofagen, met centraal een hoge stŤle met het portretmedaillon van zijn vader, Charles-Louis, uitgevoerd in witte steen.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat