terug naar alfabetisch overzicht
Hippoliet Van Peene, 1811-1864

In de geschiedenis van zowel de Minardschouwburg als het Grand Théâtre, zoals de Gentse opera toen nog heette, speelde Hippoliet Van Peene een heel belangrijke rol. Geboren in Kaprijke als zoon van een arts, studeerde hij aan het atheneum in Gent. Hij schreef zich vervolgens in aan de Gentse universiteit en promoveerde er in 1835 tot doctor in de geneeskunde, met een specialisatie in de dermatologie en de venerische ziekten. Hij opende een artsenpraktijk in Twaalfkameren maar deze kwam nooit echt van de grond.

Reeds tijdens zijn studententijd had hij zijn hart immers verloren aan het toneel. Hij sloot zich begin jaren 1830 aan bij enkele kleine amateurgezelschappen en leerde er zijn echtgenote Virginie Miry kennen, een tante van zijn latere kompaan Karel Miry. Hippoliet leerde acteren en schreef in 1835 zijn eerste (Franstalig) stuk, La vieillesse de Stanislas. Na de oprichting van Broedermin en Taelyver in 1840 sloot hij zijn artsenpraktijk en koos definitief voor het toneel. Hij werd huisschrijver van het gezelschap en het was in hoofdzaak op zijn aandringen dat Louis Minard in 1845-1846 de Minardschouwburg bouwde. Van Peene beschikte hiermee over een 'eigen' zaal en bracht er gedurende twintig jaar tientallen stukken van eigen hand. In 1859 kreeg Van Peene voor zijn drama Matthias de beeldstormer (1858) de allereerste Driejaarlijkse Staatsprijs voor Toneelletterkunde. Tezelfdertijd werkte hij voor de nieuwe opera die in 1840 was geopend en werd ook daar een van de belangrijke tekstdichters. In 1846, een jaar voor de opening van de Minardschouwburg met zijn stuk Brigitta of de twee vondelingen, ging in de opera zijn Jacques d'Artevelde in première, zijn eerste zogenaamde nationale of grote opera. In de daaropvolgende jaren schreef hij nog vijf grote opera's, die niet enkel in Gent maar ook in Antwerpen en Brussel op de affiche kwamen.

beeld van hippoliet van peene op Zuiderbegraafplaats

Zijn structurele inbreng in het podiumkunstenbeleid was relatief beperkt. Hij was enkel lid van de nationale commissie belast met het opstellen van een subsidiëringmechanisme voor het toneelleven.

Voor zowel zijn Nederlandstalige als zijn Franstalige stukken kon hij voor het muzikaal gedeelte dikwijls rekenen op toondichter Karel Miry, met wie hij menig toneelstuk en operastuk schreef. Het veruit bekendste souvenir van hun samenwerking is ongetwijfeld De Vlaemsche Leeuw, geschreven in 1847 en voor het eerst gezongen door Karel Ondereet in de oude Parnassusschouwburg.

Zijn stukken getuigden niet van grote literaire waarde en steunden in sterke mate op enkele Franse voorbeelden. Zwart-wittegenstellingen, doorspekt met een vleugje burgerlijke en antiklerikale moraal, direct tot soms vulgair taalgebruik, grappen en grollen, niet echt hoogstaand maar wel met een heel grote aantrekkingskracht op de man en vrouw in de straat. Net daarin lag dan ook het vitale belang van Van Peene voor de Vlaamse beweging. Hij bracht de modale Vlaamsgezinde Gentenaar opnieuw in contact met het volkstoneel en maakte hem op die manier warm voor de eigen cultuur. Tot aan de Eerste Wereldoorlog stonden zijn stukken op het repertorium van elke zichzelf respecterende toneelkring en meer dan één generatie toneelauteurs is aan Van Peene schatplichtig. Zijn verzameld werk werd in 1883 postuum uitgegeven door Adolf Snoeck en besloeg niet minder dan eenenzestig boekdelen.

Veel tijd voor een engagement in de Liberale Associatie waarvan hij sinds jaar en dag lid was, was er dan ook niet. Op latere leeftijd schaarde hij zich binnen het Vlaamsch Verbond achter Karel Vervier en Julius Vuylsteke. Hij was nog betrokken bij hun plannen voor de oprichting van de Vlaamsche Liberale Vereeniging maar Hippoliet Van Peene overleed in 1864, nog voor de effectieve oprichting ervan.

Op zijn begrafenis waren bewonderaars uit geheel Vlaanderen en Brussel aanwezig en werd besloten om via een inschrijvingslijst geld te verzamelen voor een grafmonument. Anderhalf jaar later, op 16 juli 1865, trok een omvangrijke stoet van de Kouter naar de Zuiderbegraafplaats waar een witmarmeren borstbeeld op een hoge arduinen obelisk, van de hand van Antoon Van Eenaeme, werd onthuld. Karel Ondereet, Fr. Lafontaine en Felix Boone huldigden hem in naam van de toneelspelers, Jacob Heremans sprak namens Van Peenes collega's uit De Tael is Gansch het Volk en Karel Vervier namens de Liberale Associatie.

In 1894 noemde Jacob Semey een van zijn huizen op de Vlaamsekaai naar Van Peene - een dubbelhuis met de Villa Miry - en in 1911 werd een roodmarmeren gedenkplaat onthuld aan de foyer van de KNS. De Vlaamse Toeristenbond ten slotte onthulde in 1951 een gedenkplaat aan Van Peenes woning in de Peperstraat, helaas verwijzend naar 1845 en niet naar 1847 als 'geboortejaar' van de De Vlaamse Leeuw. Diezelfde dag kreeg Karel Miry een identieke gedenkplaat aan zijn woning in Twaalfkameren. Hippoliet Van Peene kreeg zowel in Gent - heel toepasselijk tussen Twaalfkameren en het Casinoplein waar het standbeeld van Karel Miry staat - als in Mariakerke een straatnaam. Na de fusies van 1976 werd de Gentse Van Peenestraat de Johan Daisnestraat.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat