terug naar alfabetisch overzicht
Jacob Van Caneghem, 1764-1847

Jacob Van Caneghem was als een van de eerste textielbaronnen uit de Gentse regio een gefortuneerd man. Politiek actief sinds de Franse bezetting, werd hij onder koning Willem I lid van de Gedeputeerde Staten van Oost-Vlaanderen. Bij het uitbreken van de Belgische revolutie in 1830 nam gouverneur Hendrik Van Doorn de wijk naar Nederland en op 29 september delegeerde hij zijn ambt aan Van Caneghem, die als waarnemend gouverneur het provinciebestuur door de daaropvolgende dagen loodste. Op 2 oktober erkende het Gentse stadsbestuur het Voorlopig Bewind, waarop hij als overtuigd orangist prompt zijn functie neerlegde. Op 13 oktober werd hij opgevolgd door gouverneur De Ryckere. Hij ging wel zetelen in de Provinciale Staten van Oost-Vlaanderen waar hij een afwachtende houding aannam. Op 11 oktober erkende ook deze assemblee het Voorlopig Bewind, waarop Van Caneghem als protest uit de actieve politiek stapte. Bij de eerste Belgische provincieraadsverkiezingen in 1836 werd hij door de orangisten verkozen maar hij nam zijn mandaat niet op.

Hij werd rentenier en maakte in de laatste tien jaar van zijn leven vooral naam als een gul mecenas. Zo liet hij op zijn kosten een eerste standbeeld van Jacob van Artevelde maken. Zijn goede vriend Prudens Van Duyse vereeuwigde dit gebaar in een cantate vol gezwollen retoriek met als sprekende titel Aen den burger die aen de stad Gent Arteveldes bronzen borstbeeld heeft geschonken.

Bij zijn overlijden op 29 juni 1847 werd zijn omvangrijke nalatenschap in drie grote delen gesplitst. Een eerste deel ging uiteraard naar zijn nakomelingen, onder wie zijn achterkleindochter Alice d'Udekem d'Acoz, een overgrootmoeder van prinses Mathilde. Een tweede deel ging naar de noodlijdenden van de gemeente Bellem, waar zijn kasteel stond en waar hij de belangrijkste grootgrondbezitter was.

Het derde deel van zijn erfenis werd in Gent geïnvesteerd. Van Caeneghem, die een gematigd liberaal en praktiserend katholiek was, schonk aan de Commissie der Burgerlijke Godshuizen, voorgezeten door Constant de Kerchove de Denterghem, honderdduizend frank voor de bouw van een Blindengesticht dat zou worden geleid door de ervaren Broeders van Liefde. Op de plaats van het oude Entrepot aan de Coupure bouwde de Commissie tussen 1852 en 1855 een imposant neogotisch gebouw naar ontwerp van Charles Van Huffel. Op aandringen van Auguste Van Lokeren werd hierbij een zo getrouw mogelijke replica gemaakt van de gevel van de refter van de Bijloke-abdij. Het gebouw kwam in een ommuurde tuin te staan en had oorspronkelijk een capaciteit van dertig bedden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog deed het dienst als opvangcentrum voor de bejaarden die uit het Lousbergsgesticht waren gezet, waarna het de tuberculoseafdeling werd van het Bijlokeziekenhuis. In 1970 kwam het gebouw leeg te staan. Tien jaar later werd het Van Caneghemgesticht erkend als een beschermd monument en in 1990 werden de eerste instandhoudingswerken uitgevoerd. De herbestemming van het gebouw zorgde nog voor de nodige controverses maar in 2000 werd de knoop doorgehakt en werd het gebouw omgevormd tot een kantorencomplex met in annex woongelegenheden.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat