terug naar alfabetisch overzicht
Julius De Vigne, 1844-1908

julius de vigne

De Vlaamse politicus Julius De Vigne was als telg van een artistieke familie voorbestemd om kunstenaar te worden. Hij was de zoon van kunstschilder Felix De Vigne, de broer van architect Edmond De Vigne die zijn naam gaf aan het Zollikofer-De Vigneplan en de plannen voor de Koninklijke Nederlandse Schouwburg tekende, en de neef van Pieter De Vigne-Quyo, beeldhouwer van het standbeeld van Jacob Van Artevelde. In 1892 huwde hij met Emma, de dochter van Pieter De Vigne, en de zus van beeldhouwer Paul De Vigne.

Julius De Vigne koos voor een andere loopbaan. Hij promoveerde in 1868 tot doctor in de rechten aan de Gentse universiteit en schreef zich in aan de balie. Van 1891 tot 1892 was hij stafhouder en in 1900 werd hij stadsadvocaat. Daarnaast publiceerde hij juridische studies en was hij een van de eerste medewerkers van de in 1869 door Gustave Rolin-Jaequemyns gestichte Revue de Droit International. De artiest in hem zocht en vond ook een uitweg. Hij schreef novellen en gedichten voor de Almanakken van 't Zal Wel Gaan, een studentenvereniging waarvan hij drie jaar covoorzitter was, en hij was als redacteur verbonden aan Nederlandsch Museum, het Volksbelang en de Vlaamse Gids. Zijn Vlaams engagement bracht hem intussen naar de ideologisch neutrale vereniging het Vlaamsche Volk, waarvan hij bij de stichting in 1867 secretaris werd. In het Willemsfonds werd hij bestuurslid van zowel het hoofdbestuur als de Gentse afdeling die hij in 1868 mee oprichtte. Hij was voorzitter van de Vlaamsche Liberale Vereeniging en een spilfiguur in de Bond der Vlaamsche Liberale Maatschappijen van Gent. Als voorzitter van het Van Crombrugghe's Genootschap en trouw lid van de Société Callier was hij een sterk voorstander van volksopvoeding als middel voor de Vlaamse emancipatie. Ook in zijn professionele loopbaan manifesteerde hij zich als flamingant. Hij was medestichter (1873) en voorzitter (1879 tot 1887) van de Vlaamse Conferentie van de Balie van Gent, zat in 1885 de stichtingsvergadering van de Bond der Vlaamse Rechtsgeleerden voor en zorgde voor de vrijspraak in cassatie in het proces-Matton uit 1885-1887, een zaak van een burgerwachter die veroordeeld was wegens het gebruik van het Nederlands tijdens een inspectie. Als overtuigde 'geus' was hij de eerste voorzitter van het Julius Vuylstekefonds. Bovenop dit alles was De Vigne een fervent sporter en was hij in 1864 een van de bestuursleden van het eerste uur van de Association Athlétique La Gantoise, het huidige KAA Gent.

Als politicus debuteerde hij in de provincieraad waarin hij zetelde van 1873 tot 1876. In 1876 stapte hij over naar de Gentse gemeenteraad waar hij vanaf 1882, tot zijn ontslag in 1907, als spreekbuis van de flaminganten optrad. Daardoor greep hij in 1888 bijna naast het ambt van schepen en enkel zware druk van burgemeester Hippolyte Lippens op zijn francofone partijgenoten leverde De Vigne (die een duidelijk mandaat wou) de nodige stemmen op. Hij werd schepen van FinanciŽn, waardoor hij heel wat invloed had bij de grote urbanisatieprojecten en de havenwerken van die tijd. Met het voorzitterschap van de Liberale Associatie was De Vigne rond de eeuwwisseling incontournable geworden in liberaal Gent. Zijn inzet beperkte zich niet tot Gent: van 1878 tot 1886 en van 1900 tot zijn overlijden was hij ook lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Hij was actief betrokken bij de opstelling van verschillende taalwetten, waaronder de wet Coremans-De Vigne op het taalgebruik in het middelbaar onderwijs (1883) en de wet op het taalgebruik in strafzaken (1889), gebaseerd op zijn wetsontwerp uit 1884. Ook de uitbreiding van het stemrecht vond in hem een opvallend pleitbezorger. Dit bepaalde ook zijn keuze voor de loge La Liberté (en dus niet voor Le Septentrion waarvan zijn medestanders Julius Vuylsteke en Paul Fredericq lid waren), die een progressiever gedachtegoed had op het vlak van democratisering.

Ondanks al deze verdiensten verloor De Vigne vanaf 1898 steeds meer krediet bij de harde kern van de Vlaamse beweging. Net als de meeste gematigde Gentse flaminganten van liberale signatuur verzette De Vigne zich immers tegen de volledige vernederlandsing van de universiteit. Hij was voorstander van een tweetalig stelsel omdat hij niet overtuigd was van de leefbaarheid van een zuiver Nederlandstalige universiteit én omdat hij de enige Vlaamse rijksuniversiteit, die hij als een bastion van het officieel onderwijs en van het liberalisme beschouwde, op geen enkele wijze in de problemen wou brengen. De jonge liberale garde, met aan het hoofd Arthur Buysse en Jozef Vercoullie, zou hem de laatste jaren van zijn leven dan ook stevig bekampen. De Vigne stierf in 1908 en werd burgerlijk begraven op de Westerbegraafplaats.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat