terug naar alfabetisch overzicht
Léon Tertzweil, 1850-1920

Met de bouw van een kaarsenfabriek werd in 1852 het startschot gegeven voor de industrialisering van de wijk rond de Gentbrugse Kerkstraat. Het bedrijf wisselde enkele keren van eigenaar en kwam in 1867 in handen van Adolf Pernot, die er in 1870 de nagelfabriek in onderbracht die hij tot dan aan de Gentse Minnemeersbrug had gerund. Na het overlijden van Pernot in 1891 werd de Puntfabriek, zoals ze in de volksmond intussen werd genoemd, omgevormd tot een naamloze vennootschap, de Clouterie et Tréfilerie des Flandres. De stichtende vennoten waren, naast de twee erfgenamen van Pernot, Gustave Carels, Jean-Jacques Dierman, Harold Drory en Léon Tertzweil.

Léon Tertzweil had belangen in textielfabrieken als de Calcutta, La Nouvelle Orleans en het bedrijf van Paul Van Acker, was bestuurder van de Laiterie de Gand en was van 1890 tot 1896 lid van de Gentse Kamer van Koophandel. In 1907 was hij medeoprichter van de Institut Moderne en van 1908 tot 1913 was hij lid van de raad van bestuur van de Wereldtentoonstelling. Tertzweil werd afgevaardigd-bestuurder van de Puntfabriek en maakte van de fabriek een van de grootste werkgevers van de gemeente. Tegen 1910 stelde hij een duizendtal arbeiders tewerk.

oud straatbeeld Puntfabriek Gentbrugge

Tertzweil was een overtuigd liberaal en werd de mecenas van het liberale leven in Gentbrugge. In 1904 was hij de motor achter de oprichting van de plaatselijke Liberale Associatie en in 1907 nam hij voor het eerst deel aan de gemeenteraadsverkiezingen, maar werd niet verkozen. Hij stak een tandje bij en organiseerde in september 1911 een grootse inhuldiging van een door hem geschonken partijvaandel in het partijhoofdkwartier op de huidige Tertzweillaan, toen nog de Spoorweglaan genoemd. Bij de verkiezingen van 1911, waarbij de aloude samenwerking tussen liberalen en katholieken werd opgeblazen en net zoals in Gent een paars kartel aan de macht kwam, werd hij met het derde hoogste aantal voorkeurstemmen verkozen tot gemeenteraadslid, wat hij bleef tot zijn overlijden. De Gentse liberalen schakelden hem ook in bij de parlementsverkiezingen van 1912 en van 1914. Hij kwam op de lijst voor de Kamer te staan maar werd niet verkozen.

Tertzweil, die intussen al de zestig gepasseerd was, concentreerde zich opnieuw op Gentbrugge, waar het schitterende Liberaal Huis, opgetrokken in art-nouveaustijl, verder floreerde. Naast de partijactiviteiten en de occasionele meetings die in de feestzaal plaatsvonden, vond ook de in 1882 opgerichte liberale fanfare Le Bluet of de Koornbloem (later de Koninklijke Harmonie Leon Tertzweil) er in 1913 een vaste stek. In de daaropvolgende jaren volgden nog tal van andere liberale verenigingen.

Leon Tertzweil overleed in 1920 en werd burgerlijk begraven op de Westerbegraafplaats.

De Puntfabriek was intussen een 'blauw' instituut geworden. Zowel Tertzweils adjunct, Theofiel De Jaeghere, als Tertzweils opvolger, Jean Delori, behoorden tot de liberale familie en ook de Liberale Kring was de facto een (schaduw)onderdeel van de bedrijfsstructuur. Zij voerden een gematigd beleid en schuwden het overleg niet, waardoor het sociaal klimaat er naar toenmalige normen positief mocht worden genoemd. Na de Eerste Wereldoorlog was echter een dure heropbouw noodzakelijk en kwam de productie slechts langzaam weer op gang. In 1922 werd bijkomend kapitaal gevonden in de Luxemburgse groep Arbed via het Gentse liberale kopstuk Hippolyte Callier, een van de zonen van Gustave Callier en een schoonzoon van François Laurent. Via Laurent was hij verwant met de Belgisch-Luxemburgse staaldynastie Tesch, die Arbed controleerde en die hem een zitje in de raad van bestuur had gegeven. Callier werd er opgevolgd door Jean Delori, die op zijn beurt voor expansie zou zorgen door in de kanaalzone de vestiging van een nog groter staalbedrijf voor te bereiden, het latere Sidmar.

De Puntfabriek zelf werd in 1953 volledig opgeslorpt door Arbed en bereikte een hoogtepunt halfweg de jaren 1960 toen er meer dan zestienhonderd mensen werkten. In 1993 ging de Puntfabriek bankroet en 8 jaar later kwamen de laatste gebouwen er leeg te staan. De oude bedrijfsgebouwen op het 15 hectare grote domein maakten - op enkele na - plaats voor een multifunctioneel diensten- en bedrijventerrein waar onder meer het Gentse stadsarchief - de Zwarte Doos - een onderkomen vond.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat