terug naar alfabetisch overzicht
Louis Roelandt, 1786-1864

De Minardschouwburg bood de Vlaamse cultuurliefhebber een eerste echt alternatief voor het 'Grand Théatre' in de Rue de la Comédie, de huidige Schouwburgstraat. De opera of Franse schouwburg aan de Kouter had een traditie die terugging tot 1698 en was in de negentiende en begin twintigste eeuw een van de belangrijkste ontmoetingsplaatsen voor de liberale burgerij. Men genoot er van de - meestal Franstalige maar occasioneel ook Nederlandstalige - voorstellingen, terwijl het de ideale plaats was om te 'netwerken'. De opera en de vele daaraan verbonden randactiviteiten werden, net als het Casino aan de Coupure, gekoesterd als een bastion van burgerlijke levensstijl, als een verfijnde cultuuroase midden de grauwe industriestad. Met de financiŽle steun van een welwillend - liberaal - stadsbestuur was de opera jarenlang een blijvend succes. De economische crisis van de jaren 1930 en de groeiende diversificatie en democratisering van het cultuur- en ontspanningsleven tastte het 'liberale' karakter van de opera vanaf het interbellum echter snel aan. De trend zette zich door na de Tweede Wereldoorlog en onder het bestuur van de befaamde Vina Bovy en haar opvolgers verdween het oude 'Grand thé‚tre' om geleidelijk plaats te maken voor de hedendaagse moderne opera.

louis roelandt

Op het vlak van de huisvesting had de opera in 1736 onderdak gevonden in de Sint-Sebastiaansschouwburg op de Kouter. Honderd jaar later besloot het stadsbestuur een nieuw operagebouw op te trekken op een belendend perceel in de Schouwburgstraat en in 1837 begon de afbraak van het oude complex. De voorstellingen weken tijdelijk uit naar de Parnassusschouwburg en stadsarchitect Louis Roelandt zette spoed achter de bouw van wat een van zijn pronkstukken van burgerlijke bouwkunst zou worden. Vele gebouwen die hij in en buiten Gent liet optrekken, verdwenen in de loop der jaren maar het operagebouw hield stand. Ondanks verschillende verbouwingen en restauraties behoudt het gebouw tot vandaag zijn oorspronkelijke uitstraling en karakter.

Roelandt was hierbij niet aan zijn proefstuk toe. Geboren in Nieuwpoort, had hij gestudeerd aan de Gentse Academie voor Teken-, Schilder- en Bouwkunst en aan de Ecole polytechnique van Parijs, waar hij in 1811 de prestigieuze prijs van Rome voor architectuur won. Hij werkte een tijdje in Antwerpen als stadsarchitect en docent aan de academie maar keerde in 1818 terug naar Gent, waar hij was aangesteld als stadsarchitect. Zijn eerste opdracht werd de bouw van de universiteitsaula in de Voldersstraat die in 1826 werd ingehuldigd door de kroonprins, de latere koning Willem II. Met deze indrukwekkende grote aula oogstte hij internationale roem en de door hem geliefde neoclassicistische bouwstijl werd verheven tot nieuwe norm. Met onder meer het Rasphuis (1825), het Stadsdepot (1826), de Orangerie van de Kruidtuin (1829), het Casino (1835), het Justitiepaleis (1840), de Renbaan Van Vleteren (1841) en het stedelijk slachthuis (1853) zette Roelandt zijn stempel op de stad. Daarnaast renoveerde hij de gevel en de binnenhuisinrichting van het Hotel Papejans op de Kouter, waar de Société La Concorde, waarvan hij lid was, gehuisvest was.

Dat niet al zijn ontwerpen even geslaagd waren, bewijst een miskleun uit 1851 waarbij hij de stenen torenspits van het belfort verving door een remarquabele spits in gietijzer die helemaal niet tegen de tand des tijds bestand bleek en in 1913 wegens vergevorderde corrosie opnieuw werd verwijderd. Ook zijn ontwerp van de Sint-Annakerk waarvan de bouw hem in 1854 uit handen werd genomen, hoort thuis in het (korte) lijstje van mislukkingen.

Roelandt was niet enkel stadsarchitect, ook als ondernemer maakte hij naam. Pas terug in Gent na zijn Antwerpse jaren, maakte hij kennis met de Engelse ingenieur Drory van de Imperial Continental Gas Association, wiens nakomelingen de nog bestaande Anglo Belgian Corporation oprichtten. Op advies van Drory startte hij in 1820 op het perceel tussen Huidevettershoek en Waalsekrook een zogenaamde oliegasfabriek, waar gas voor verlichtingstoestellen werd gemaakt. Dit project bewees bijzonder winstgevend te zijn en Roelandt werd in de twintig jaar dat hij dit bedrijf uitbaatte een rijk man. De fabriek zelf werd afgebroken in 1881. Daarnaast was hij vanaf 1819 docent aan de academie en van 1835 tot 1858 professor architectuur aan de Ecole du Génie civil.

Zijn politieke inzet bleef beperkt. Als overtuigd orangist had hij zich in 1830 achter Metdepenningen en Van Crombrugghe geschaard, had zich kandidaat gesteld voor de gemeenteraadsverkiezingen van dat jaar maar was niet verkozen. Hij was en bleef dan weer wel actief in verenigingen zoals de Gentse Société des Beaux-Arts, die hij in 1808 samen met enkele vrienden had opgericht. Hij was lid van de Koninklijke Commissie voor de Monumenten en zetelde in de afdeling Schone Kunsten van de Koninklijke Academie van België.

Louis Roelandt overleed in 1864 en werd begraven op Campo Santo onder een grote sobere sarcofaag, enkel versierd met een witmarmeren portretmedaillon met de beeltenis van de architect en zijn vrouw, Amélie Bonné. Aan zijn woning in de Nederkouter werd in 1993 een eenvoudige koperen gedenkplaat onthuld en een plein in de wijk Nieuw Gent werd naar hem genoemd.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat