terug naar alfabetisch overzicht
Maurice de Smet de Naeyer, 1862-1941

Als kleinzoon van katoenbaron Jean De Smet werd Maurice de Smet de Naeyer vanaf eind jaren 1880 een van de belangrijkste figuren in het Gentse bedrijfsleven en, achter de schermen, het politieke en sociale liberale leven in de stad. Zijn eerste bedrijfsstappen zette hij in het familiebedrijf La Louisiane, en daarnaast was hij actief in verschillende andere textielgerelateerde vennootschappen. Hij diversifieerde zijn activiteiten vrij snel in de richting van de scheepvaart. Hij verwierf belangen in maritieme handels- en transportmaatschappijen en werd voorzitter van onder meer de nv Scheepsverzekering en de Belgische Zee- en Binnenvaart Kredietmaatschappij. Paradepaardje was de Agence Maritime Minne, een in 1874 opgerichte scheepsagentuur, die hij uitbouwde tot het zenuwcentrum van zijn havenimperium. Onder de naam Minne Port Services worden de rederijactiviteiten tot op heden voortgezet. Het moederbedrijf, de nv Agence Maritime Minne zelf, werd intussen omgevormd tot een beleggingsmaatschappij die in handen is van zijn erfgenamen, een tak van de familie d'Udekem d'Acoz.

De havenuitbreiding was voor hem dan ook van cruciaal belang en samen met Emile Braun was hij de motor achter de aanleg van de nieuwe dokken op het grondgebied van Oostakker. Om de verhoging van de capaciteit van het kanaal Gent-Terneuzen en de modernisering van de haveninstallaties te promoten, richtte hij in 1904 de Association des Intérêts Maritimes de Gand of de Vereniging Gentse Zeevaartbelangen op. Deze belangenorganisatie is vandaag nog actief als de Vereniging van Gentse Havengebonden Ondernemingen.

Maurice de Smet de Nayer

Naast scheepvaart en textiel had hij ook belangen in onder meer de Tramways Electriques de Gand en in de maatschappij Volksbelang, een hybride experiment met het combineren van politiek en bedrijfsleven.

In 1913 kwam de Smet de Naeyer in de volle spotlights te staan. Hij werd naast de katholiek Joseph Casier en de socialist Louis Coppieters een van de directeurs van de Gentse Wereldtentoonstelling, een vroeg voorbeeld van een klassieke tripartite. Hij was verantwoordelijk voor de contacten met de 'standhouders' - zowel bedrijven als binnen- en buitenlandse overheden - waarbij hij maximaal gebruik kon maken van zowel zijn diplomatieke als zijn commerciële vaardigheden. Daarnaast was hij verantwoordelijk voor een rist kleinere commissies, die voornamelijk met sport, cultuur of muziek te maken hadden. Dit sloot mooi aan bij de hobby's die hij naast zijn drukke beroepsleven beoefende. Hij was een vermaard bibliofiel met een grote interesse voor de lokale geschiedenis - waarover hij menige voordracht hield - en een kunstliefhebber die actief betrokken was in de Gentse restauratiebeweging en monumentenbescherming.

De Vrienden van Oud-Gent huldigden zijn inzet voor de Wereldtentoonstelling, geheel in de lijn van zijn passie voor de Gentse geschiedenis, met de oprichting van een monument. In 1926 onthulden ze op het Sint-Veerleplein de 'Kolom van de sire van Maldegem', een replica van een zuil uit 1483. Het monument werd vervaardigd door architect Valentin Vaerwyck (die ook de afdeling Oud-Vlaendren van de Wereldtentoonstelling had ontworpen) en beeldhouwer Oscar Sinia. Het staat nog steeds centraal op het plein en brengt een blijvend eresaluut aan de drie directeurs.

De Wereldtentoonstelling van 1913 was ook een hoogtepunt in de geschiedenis van de stad. Burgemeester Braun behoorde ontegensprekelijk tot de belangrijkste promotoren en kreeg daarbij de volle steun van de bedrijfswereld en van de Gentse politici, gaande van het katholieke kopstuk Paul de Smet de Naeyer (neef van Maurice) tot de Gentse socialistische leiders Edward Anseele en Emile Coppieters. De praktische voorbereidingen voor dit evenement startten in 1905 in de schoot van de Cercle Commercial et Industriel maar hadden wortels die teruggingen tot de grote urbanisatie- en restauratiewerken onder Charles de Kerchove, Hippolyte Lippens en Emile Braun. De Gentse stadskuip was op veertig jaar tijd onherkenbaar veranderd en vormde een natuurlijk decor voor een demonstratie van triomfantelijk burgerlijk liberalisme. Dertig landen gaven acte de présence en tussen 26 april en 3 november 1913 bezocht een miljoenenpubliek de expo én de stad. Met een tentoonstellingsoppervlakte van 120 ha (ter vergelijking: twintig procent groter dan de oppervlakte van de randgemeente Ledeberg) tussen de Heuvelpoort en de Ringvaart was de Gentse expo de laatste van de grote klassieke wereldtentoonstellingen. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kon Gent er onmogelijk voluit de vruchten van plukken, waardoor het uiteindelijke succes van de tentoonstelling nooit precies kon worden ingeschat. De meest zichtbare resten van deze gigantische onderneming zijn de monumenten die het ereplein - het huidige Paul de Smet de Naeyerpark, beter gekend als het Ros Beiaardpark - sierden, het voormalige Flandriahotel - het huidig administratief centrum van de NMBS - aan het Sint-Pietersstation en het standbeeld voor de Gebroeders Van Eyck aan de Sint-Baafskathedraal. De grote glasramen, gemaakt in het befaamde atelier van Casier voor de replica van de Prinsenhofkapel in het Gentse tentoonstellingspaviljoen, werden gerecupereerd en smukken nu de trouwzaal van het stadhuis op.

Voor Maurice de Smet de Naeyer was de expo echter niet het nec plus ultra. Als lid van Le Septentrion was hij bijvoorbeeld ook nauw betrokken bij de oprichting van het Institut Moderne. Hij werd ondervoorzitter van de raad van bestuur en volgde in 1927 Camille De Bast op als afgevaardigd-bestuurder. Zijn uitstekende contacten in de politieke en de commerciële wereld maakten het hem mogelijk om het ziekenhuis niet enkel door de economische crisis van de jaren 1930 te leiden maar om zelfs een forse uitbreiding te realiseren. Andere liberale projecten zoals Eigendom door Spaarzaamheid, de Gentsche Volkskeuken en het Instituut van Gent konden steeds rekenen op zijn uitgebreide financiële steun.

Tezelfdertijd bleef hij, in de voetsporen van figuren zoals Adolph Dubois, een symbool van de francofone burgerij. Als voorzitter van de zogenaamde "Vulgarisateurs", voluit de Association Flamande pour la Vulgarisation de la Langue Française, en stichter van de Union pour la défense de la langue Française à l'Université de Gand voerde hij decennialang een harde strijd voor de Franse taalrechten in Gent en tegen de vernederlandsing van de universiteit. Na de Duitse inval in mei 1940 trok hij zich terug uit het publieke leven en amper een jaar later overleed hij.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat