terug naar alfabetisch overzicht
Maurice De Weert, 1862-1930

Afkomstig uit Adegem, waar zijn grootoom en zijn vader van 1830 tot 1888 burgemeester waren geweest, vestigde Maurice De Weert zich na zijn rechtenstudies in Gent. Hij schreef zich in aan de balie waar hij stage volgde bij de liberale topadvocaten Jules Vanderstichelen, voormalig minister van Buitenlandse Zaken en Openbare Werken, en Hippolyte Callier, volksvertegenwoordiger en toekomstig voorzitter van de Liberale Associatie. Via zijn huwelijk met de kunstschilderes Anna Cogen, een vrijgevochten kleindochter van Karel Lodewijk Ledeganck, raakte hij bevriend met onder anderen Emile Claus, Cesar en Paul Fredericq en Virginie Loveling.

Maurice De Weert

Onder hun gezamenlijke invloed sloot hij zich in 1888 aan bij de Liberale Associatie. In de daaropvolgende jaren groeide hij van hulpsecretaris door tot ondervoorzitter en werd een spilfiguur in het partijsecretariaat. Tot zijn overlijden vertegenwoordigde hij de Gentse liberalen in de arrondissementele en nationale bestuursorganen. Hij was daarnaast gedurende dertig jaar een trouw medewerker van La Flandre Libérale waarvoor hij menig polemisch artikel schreef. Het was uiteindelijk Julius De Vigne die hem ervan overtuigde om in de actieve politiek te stappen en in 1904 werd hij gemeenteraadslid. In 1908 was hij enkele maanden schepen, trad begin 1909, samen met de rest van het liberale college, af en zat tot 1911 in de oppositie.

Na de kiesoverwinning van het liberaal-socialistische kartel werd hij opnieuw schepen en werd de rechterhand van burgemeester Emile Braun. De Duitse bezetting van Gent in 1914 maakte elk normaal functioneren van het stadsbestuur onmogelijk maar De Weert bood koppig weerstand. Dit leverde hem in oktober 1914 een eerste keer huisarrest op en in december van datzelfde jaar werd hij samen met een rist andere notabelen, onder wie zijn collega-schepenen Camille De Bruyne en Edouard Anseele, een tijdlang als gijzelaar vastgehouden in het Hotel Vander Haeghen in de Veldstraat. Twee jaar later verscheen in Gent een anoniem pamflet dat zich richtte tegen de Duitse bezetter en de Gentse activisten. In zijn oorlogsdagboek schreef Marc Baertsoen dit pamflet toe aan De Weert. Nadat hij in 1917 samen met Braun een boegbeeld werd van het verzet tegen de Raad van de Vlaanderen, was voor de Duitsers de maat vol. Braun en De Weert werden gedeporteerd naar Celle Schloss bij Hannover, waar ze samen met onder meer Camille De Bruyne, Maurice Lippens, Ferdinand Feyerick en Albert Ceuterick, de rest van de oorlog gevangenzaten.

Bij zijn terugkeer in Gent werd hij opnieuw opgenomen in het schepencollege en kreeg naast Betwiste Zaken en Schone Kunsten ook Onderwijs toegewezen. Dit laatste was een gevolg van het wantrouwen dat de Liberale Associatie koesterde voor de voormalige onderwijsschepen De Bruyne die een voor hen veel te Vlaams profiel had. De Bruyne behield enkel de vakscholen, De Weert kreeg zeggenschap over de rest van het departement. De naoorlogse periode 1918-1921 bracht weinig nieuwe onderwijsinitiatieven. De stabilisering van het leerlingenaantal, ingezet onder Felix Cambier, kon in die moeilijke jaren worden volgehouden. Dit was vooral te danken aan het hernieuwd succes van het volwassenenonderwijs en van de lagere hoofdscholen dat de daling in het gewone lager onderwijs en in de bewaarscholen compenseerde.

Maurice De Weert stapte in 1921 samen met Braun uit de actieve politiek en concentreerde zich tot aan zijn dood op zijn rol als ondervoorzitter van de Liberale Associatie. Hij overleed plots aan een hartstilstand in 1930, en na een burgerlijke plechtigheid werd hij bijgezet op de Westerbegraafplaats. Als eerbetoon voor zijn verzet tijdens de Eerste Wereldoorlog, werd de straat waarin hij woonde in 1946 naar hem genoemd.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat