terug naar alfabetisch overzicht
Oswald de Kerchove de Denterghem, 1844-1906

Oswald de Kerchove, de oudste zoon van burgemeester Charles de Kerchove, studeerde in 1864 als doctor in de rechten en in de politieke wetenschappen af aan de Gentse universiteit en schreef zich in aan de Gentse balie. In 1870 huwde hij met Marie Lippens, dochter van de Moerbeekse liberale burgemeester August Lippens en zus van de latere Gentse burgemeester Hippolyte Lippens. Het echtpaar had drie dochters, onder wie Marthe die na haar huwelijk met Pol Boël een pionier van het liberaal feminisme werd, en twee zonen, onder wie de latere liberale gouverneur van Oost-Vlaanderen André de Kerchove.

Net zoals zijn vader en grootvader was Oswald voorbestemd om een belangrijke rol te spelen in de Gentse Liberale Associatie. Zijn politieke loopbaan startte in 1871 in de provincieraad, en zijn overstap naar de gemeenteraad zodra zijn vader op rust zou gaan, lag voor de hand. Hij zou dan de derde de Kerchove op de burgemeestersstoel worden. In afwachting werd hij na de liberale kiesoverwinning van1878 nog benoemd tot gouverneur van Henegouwen. Na het overlijden van zijn vader in 1882 werd echter niet Oswald maar zijn schoonbroer Hippolyte, die in de voorafgaande jaren een cruciale rol had gespeeld bij de reorganisatie van de partij in Gent, tot burgemeester benoemd. Oswald bleef nog tot 1884 gouverneur waarna hij van 1884 tot 1894 volksvertegenwoordiger was voor het arrondissement Ath en van 1900 tot 1906 de Henegouwers in Brussel vertegenwoordigde als provinciaal senator. Hij combineerde dit van 1895 tot zijn overlijden met het enige Gentse mandaat dat hij ooit bekleedde, dat van voorzitter van de Commissie van Burgerlijke Godshuizen. In die functie had hij vooral aandacht voor het lot van de weeskinderen en liet onder meer een vakschool oprichten in het jongensweeshuis. Hij poogde om een eerste socialist - August Neefs - te laten opnemen in het bestuurscomiteit van de Commissie maar zijn collega's floten hem terug, de tijd was er duidelijk nog niet rijp voor.

Oswald de Kerchove was daarnaast een actief voorzitter van de Maatschappij De Melomanen, medestichter van de Gentse Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde en lid van de loge Le Septentrion, die hem de moker van de Achtbare Meester aanbood maar die hij 'wegens te drukke bezigheden' weigerde. Aan de universiteit was hij lid van 't Zal Wel gaan, waarvoor hij - onder het pseudoniem O. Karl - enkele artikels voor de almanakken schreef. Hij was actief in het Willemsfonds, waar hij samen met Julius Sabbe, Max Rooses en Julius De Vigne in 1865 de permanentie in de eerste Volksbibliotheek in de Korianderstraat verzorgde. In de daaropvolgende decennia was hij een belangrijke financier van elke nieuwe volksbibliotheek en in 1903 stond hij met een gulle bijdrage mee aan de wieg van het Julius Vuylstekefonds. Hij publiceerde enkele vulgariserende werkjes in het Nederlands over praktische tuinbouwkwesties.

Oswald maakte echter vooral naam en geschiedenis als botanicus. Net zoals zijn vader was hij van kindsbeen af gefascineerd door de bloementeelt en via jarenlange zelfstudie werkte hij zich op tot een autoriteit met internationale faam. Hij publiceerde een aantal monografieën, onder meer over het kweken van orchideeën, en werd redactielid van gereputeerde Gentse tijdschriften als de Revue Horticole Belge et étrangère van Edouard Pynaert.

In 1886 volgde hij Hippolyte Rolin op als voorzitter van de Société Royale d'Agriculture et de Botanique of Koninklijke Maatschappij voor Landbouw en Plantkunde (KMLP). Deze was opgericht in 1808 in herberg Frascati aan de Coupure en had in 1836 vast onderdak gevonden in het nieuwe Casino, eveneens aan de Coupure. Burgemeester Joseph Van Crombrugghe had in 1834 voor de gronden gezorgd en een naamloze vennootschap verzamelde op korte tijd de financiële middelen voor de bouw van een grootse feest- en tentoonstellingsruimte. Architect Louis Roelandt en aannemer Joseph Kerfyser bouwden een Italiaans renaissancepaleis met een neoklassieke tuingevel, later uitgebreid door Adolphe Pauli (1868) en Joseph De Waele (1904). Gelegen tussen Coupure, Wispelbergstraat (toen nog Casinostraat), Papegaaistraat en Theresianenstraat, werd dit Casino het mondaine middelpunt van het Gentse burgerleven. In 1837 vond er de eerste grote bloemententoonstelling plaats en tot 1908 werden de Floraliën er georganiseerd. Daarnaast was er ruimte voor concerten in de feestzaal of op de kiosk in het prachtig aangelegde park. Ook voor banketten, huldigingen en voordrachten vormde het Casino een ideaal decor en de Belgische koningen waren er meermaals te gast. Met het oog op de Wereldtentoonstelling van 1913 werd echter een groter en moderner Floraliënpaleis gebouwd in het Citadelpark. Het Casino werd tijdens de Eerste Wereldoorlog gebruikt als krijgslazaret, en tijdens het interbellum bracht de provincie er korte tijd de Hogere School voor Arbeid onder, waarna leegstand en verval volgden. In 1945 werd het gebouw gesloopt en op de vrijgekomen gronden werd later de Veeartsenijschool gebouwd. Het Floraliënpaleis in het Citadelpark bleef tot 1985 in gebruik maar was na bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog en een brand in 1962 onherkenbaar veranderd. In 1990 namen de Floraliën hun intrek in de hallen van Flanders Expo in Sint-Denijs-Westrem maar vanaf 2016 keren ze terug naar de stad met een geheel nieuw concept waarmee de KMLP Gent letterlijk in de bloemen wil zetten.

De KMLP bleef die hele periode door een bij uitstek burgerlijke vereniging van gepassioneerde floristen, zowel beroepskwekers als amateurs. Met uitzondering van de liberale kopstukken Alexis Callier en Alfred Vanderstegen, kwamen de voorzitters van de KMLP na Oswald tot 2011 uit de familie de Kerchove de Denterghem, waarna André de Kerchove de Denterghem de fakkel doorgaf aan Michel Vermaerke. De bijdrage van Oswald aan de ontwikkeling van de vereniging kan moeilijk worden overschat. De internationale uitstraling en het wetenschappelijk prestige van de tentoonstellingen bereikten een ongezien niveau en het handhaven daarvan blijft tot op vandaag een ongelooflijke uitdaging.

Oswald de Kerchove overleed in 1906 op tweeënzestigjarige leeftijd en werd bijgezet in het familiegraf op de Westerbegraafplaats. De meest opvallende rouwkrans was afkomstig van de socialisten van de Bond Moyson, die op deze wijze hulde brachten aan zijn inzet voor de Burgerlijke Godshuizen. De KMLP stelde onmiddellijk voor om een standbeeld te laten maken en op nog geen twee jaar tijd was de financiering en organisatie rond. Beeldhouwer Jef Lambeaux maakte een bronzen beeld van de Kerchove die, gezeten op een hoge sokkel met een boek in de hand, gehuldigd werd door de godin Flora en een onderdanige hovenier. Het standbeeld kreeg een plaats op het Graaf van Vlaanderenplein aan het prestigieuze Zuidstation, dé toegangspoort tot de stad. De onthulling van dit monumentale werk was voorzien op 25 april 1908, dag waarop Leopold II met de trein naar Gent kwam ter gelegenheid van de Floraliën en de honderdste verjaardag van de KMLP. Aan de vooravond rees er evenwel kritiek want niet iedereen smaakte de voorstelling van de godin Flora als een slanke jongedame met blote borsten. De plechtigheid werd geschrapt en pas de dag erna onthulden Alexis Callier en Emile Braun het beeld.

Op het einde van de Eerste Wereldoorlog nam de Duitse bezetter Oswald van zijn sokkel om het brons te hergebruiken maar amper vijf jaar na de oorlog stond er al een nieuw - en minder controversieel - standbeeld, ontworpen door de Gentse kunstenaar Gustaaf Van den Meersche. De inhuldiging in 1923 viel opnieuw samen met de Floraliën en gouverneur André de Kerchove de Denterghem, zoon van Oswald, hield de gelegenheidstoespraak. In 1974 verhuisde het standbeeld naar de huidige locatie in het Citadelpark.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat