terug naar alfabetisch overzicht
Paul Fredericq, 1850-1920

paul fredericq

Als zoon van Cesar Fredericq en Batilde Huet - een zus van François Huet - en verwant met onder anderen Arthur, Cyriel en Alice Buysse, Julius Mac Leod, Rosalie en Virginie Loveling, groeide Paul Fredericq op in een Vlaamsgezinde en sociaal-liberale familie. Hij begon zijn studies aan het Gentse atheneum waar hij Jacob Heremans als mentor had en volgde normaalschoolonderwijs te Luik, waar hij in 1871 afstudeerde. Hij werd leraar aan de athenea van Mechelen en Aarlen maar studeerde intussen verder aan de Gentse universiteit waar hij in 1875 een doctoraat in de geschiedenis behaalde. Hij doceerde vervolgens aan het Gentse atheneum en de universiteit van Luik en voerde in opdracht van de regering een studie uit over de onderwijsmethodes aan dertien Europese universiteiten. Het belangrijkste resultaat van die studie was de introductie van practicumlessen of werkcolleges aan de Belgische universiteiten. In 1883 bekwam hij een overplaatsing naar Gent, waar hij Heremans opvolgde als hoogleraar. Hij doceerde onder meer Nederlandse letterkunde en gaf practicumoefeningen over de moderne geschiedenis van België. Fredericq zette zich ook aan het schrijven en publiceerde over literatuur, geschiedenis en algemeen culturele onderwerpen maar profileerde zich tezelfdertijd als een gematigd liberaal flamingant met wekelijkse bijdragen in het Volksbelang, waarvan hij vanaf 1867 medewerker en later hoofdredacteur werd.

De Pacificatiefeesten van 1876, ter herdenking van de Pacificatie van Gent in 1576, waren een keerpunt in zijn leven. Op vraag van de organisatoren zorgde hij voor de historische onderbouw van deze feesten. Hij publiceerde, naast het officiële Album van den historischen stoet der Pacificatie van Gent, een hele reeks artikels over de godsdienstvervolgingen uit de 16e eeuw. Op persoonlijk vlak zou dit onder meer leiden tot zijn lidmaatschap van de protestantse Brabantdamgemeente.

Hij werd lid van Le Septentrion en in 1885 werd hij secretaris van de pas opgerichte Bond der Vlaamsche Liberale Maatschappijen. Twee jaar later volgde hij Honoré Goossens op als voorzitter van de Gentse Willemsfondsafdeling en werd tot zijn overlijden in 1920 onafgebroken herkozen. Onder zijn bestuur zou deze vereniging zwaar de nadruk leggen op de volksopvoeding in brede zin, met onder meer de oprichting van vijf nieuwe volksbibliotheken, de organisatie van liederavonden die hij samen met Florimond Van Duyse promootte en de uitbouw van het Hooger Onderwijs voor het Volk.

paul fredericq

Paul Fredericq zetelde van 1891 tot 1895 in de gemeenteraad en was betrokken bij de grote restauratiegolf die onder meer de redding van het Gravensteen op zijn conto kon schrijven. In 1903 stond hij aan de wieg van het Julius Vuylstekefonds dat via publicaties het vrijzinnig flamingantisme uitdroeg, en in 1907 richtte hij samen met Camille De Bruyne en Jozef Vercoullie het Vlaamsch Liberaal Perskantoor op dat via het leveren van korte bijdragen, de Vlaams-liberale standpunten wou verduidelijken in de Franstalige pers. Hij was actief in het Algemeen Nederlands Verbond en was vanaf 1872 betrokken bij de organisatie van menig Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres. Het meest bekend blijft echter zijn driedelige Schets eener Geschiedenis der Vlaamsche Beweging, het eerste historische naslagwerk over de oorzaken en gevolgen van de taalstrijd.

Onderwijs bleef echter zijn stokpaardje. Hij verleende enthousiast steun aan de vormingsinitiatieven van de Liberale Werkersverdediging via aanmoedigende artikels in het Volksbelang, was beschermlid van de Dageraadskringen (de Liberale Schoolpenning) en de Laurentkringen, en hij was actief als bestuurslid van de in 1909 opgerichte Maatschappij voor Openbare Kinderbibliotheken waar kinderen uit de volkswijken niet enkel tot lezen werden aangezet maar ook begeleid werden bij het studeren.

De discussie rond de vernederlandsing van de Gentse universiteit werd echter zijn persoonlijk Waterloo. Zijn gematigd flamingantisme maakte van Fredericq een boegbeeld van de voorstanders van de gefaseerde vernederlandsing, en dus van een tijdelijk tweetalige universiteit, waardoor hij van een deel van de Vlaamsgezinden vervreemdde. Onder de Duitse bezetting weigerde hij consequent om steun te verlenen aan de zogenaamde von Bissinguniversiteit, een door de Duitsers opgelegde vernederlandsing van de universiteit. Door zijn weigering werd hij gedeporteerd en samen met zijn voormalige leerling Henri Pirenne werd hij in 1916 naar Duitsland overgebracht. Door zijn gevangenschap zowel lichamelijk als mentaal zwaar getekend, keerde hij in 1918 naar Gent terug en werd benoemd tot rector. Zijn plannen voor de geleidelijke vernederlandsing van de universiteit kwamen nu vanuit alle hoeken onder vuur te liggen en Fredericq haakte af. Reeds in april 1919 diende hij zijn ontslag als rector in en ging hij op rust. Een jaar later overleed hij aan een beroerte.

Fredericq rust op de Westerbegraafplaats in een heel eenvoudig - intussen sterk vervallen - familiegraf, waarin ook zijn vader César en zijn zus Nica begraven zijn. Oswald De Schamphelaere onthulde in naam van het dankbare Gentse Willemsfonds in 1926 een bronzen gedenkplaat aan Fredericqs woning in de Notarisstraat en in 1929 werd op vraag van het Willemsfonds een zijstraat van de Koning Albertlaan naar hem genoemd. De Jacob Heremansstraat, genoemd naar zijn mentor en vriend, sluit op de Paul Fredericqstraat aan.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat