terug naar alfabetisch overzicht
Paul Van Acker, 1849-1907

Paul Van Acker kwam in nauw contact met de katoenindustrie via het bedrijf van zijn schoonvader, Franciscus Vanden Broecke, die tijdens het Frans bewind een katoendrukkerij had opgericht aan Bachtenwalle. Het bedrijf breidde in de jaren 1850 uit met een spinnerij en een weverij. In 1869 huwde Paul Van Acker met dochter Anne Vanden Broecke die korte tijd later overleed, waarna hij in 1872 huwde met haar zus Leonie. Hij werd in 1883 vennoot in de firma en in 1890 de enige eigenaar, waarna grootschalige moderniseringswerken volgden.

vierkante schoorsteen van fabriek

Hij hield daarbij ook rekening met de historische omgeving waarin zijn bedrijf was gevestigd en stond in voor de restauratie van de dertiende-eeuwse Donkere Poort die het Prinsenhof aan de kant van de Lieve afsloot. In 1896 werd een nieuw stoommachinehuis en een ketelhuis opgetrokken en werd het oude spinnerijgebouw gemoderniseerd met onder andere een nieuw dak dat een maximale natuurlijke lichtinval moest garanderen.

Van Acker bewees hiermee een van de succesvolste Gentse textielindustriëlen te zijn. In 1898 stelde Emile Braun hem aan tot afgevaardigd bestuurder van de Filature de Royghem, een katoenfabriek die Braun in 1897 samen met Emile Cruyplants had opgericht.

Paul Van Acker beperkte zijn activiteiten niet tot zijn textielfabriek. Hij vertegenwoordigde de Gentse liberalen van 1886 tot 1892 in de provincieraad, waarin ook zijn broer Gustave, van 1904 tot 1912, voor dezelfde partij zetelde. Hij steunde de Société Callier en de Société l'Avenir, was lid van de loge Le Septentrion en stond bekend als een filantroop.

Zijn belangrijkste hobby was het organiseren van nijverheids- en kunsttentoonstellingen. Hij zetelde in tal van tentoonstellingsjury's, was ondervoorzitter van de grote Provinciale Tentoonstelling van Oost-Vlaanderen in 1899 en afdelingsdirecteur voor de Wereldtentoonstelling van 1913 die hij mee op de sporen hielp zetten. Die Wereldtentoonstelling maakte hij niet mee, want Paul Van Acker overleed in 1907. Hij werd burgerlijk begraven op de Westerbegraafplaats.

Zoon Georges nam de fabriek over. Net als zijn vader en zijn oom was ook hij politiek actief, onder meer als bestuurslid van de Liberale Associatie en als milde financier van de Liberale Schoolpenning.

De fabriek hield stand tot 1971 maar sloot toen definitief de deuren. In 1977 kwam het pand in handen van de stad Gent die in 1982 besliste om alles te laten slopen. Vóór dit nefaste plan kon worden uitgevoerd, werd een deel van het gebouw, waaronder het ketelhuis en de zeldzame vierkante schoorsteen - nog steeds het herkenningspunt bij uitstek van de hele site - geklasseerd als monument. Aanvankelijk wilde men er het Museum voor Industriële Archeologie en Textiel of MIAT in onderbrengen, maar dit vestigde zich in de fabriek van Desmet-Guequier aan de Minnemeers.

De Stichting Bachtenwalle met de liberaal Roger Pernot als voorzitter en gouverneur Herman Balthazar als erevoorzitter blies in 1992 de renovatie en de zoektocht naar een herbestemming nieuw leven in maar tot op heden wacht het Ketelhuis nog steeds op een definitieve bestemming. Op een ander deel van het oude bedrijfsterrein bouwde de Volkshaard een kleine sociale woonwijk, het Hof ter Walle, en in de groenzone bij het Ketelhuis staat sinds 2000 het standbeeld van de Gentse stroppendrager.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat